Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

20 juli 2008

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

Het worden barre tijden voor de farmaceutische industrie. Nog net niet zo erg als voor de banken en hypotheekfirma's in de VS, maar met een paar jaar vertraging gaan ze dezelfde heilloze en perfide ondergang tegemoet.
Al jaren zit er nauwelijks wat veelbelovends in de 'pijplijn'. De praatjes van de pillensector klinken door hun hoog mantra-gehalte eerder hilarisch dan bezwerend. Het heeft wat van de sjamaan of de keizer die geen kleren aanheeft.
Jarenlang hebben ze zich overmatig gelaafd aan de bronnen van fortuinen die collectief in de gezondheidszorg dienden gepompt wegens alle mensen toch maar mooi gelijke rechten en dito kansen en dies meer.
Nu het cholesterolverhaal als laatste grote angstbron voor forse winsten gestaag in het wetenschappelijke leutermoeras verdwijnt, stevent ook het gezwijmel over genetische designdrugs voor specifieke ziektes en vermeende problemen resoluut naar een fiasco, net zoals de wijdverbreide begoochelingen over preventie en behandeling van dementie met dure pillen.
Van een exclusieve branche met het aura van hoogwetenschappelijke geneeskunst zette de farmaceutische sector vlot en vaardig de stap naar het heil voor allen, ook voor wie alsnog geen klachten meende te hebben.
Meten is weten en voorkomen is beter dan genezen, deed en doet de burger in angsten verder leven. En daar is dus nog wel een en ander uit te puren. Tot voor kort kon dit alleen via voorschriften van deskundigen uit de medische sector, maar daar is het uit met de makkelijke winsten wegens sterk commercieel opbod tussen de verschillende zorgverzekeraars in Nederland die erg lage prijzen bedingen bij elkaar wegconcurrerende generieken.
Rest hen bij een kwakkelend verhaal van nieuw en beter enkel nog de ultieme sprong voorwaarts: een pil voor iedere dag biedt geluk en gezondheid voor iedereen. In tegenstelling tot het Europese verbod op geneesmiddelenreclame streeft de farmaceutische sector nu naar een Amerikaanse vrije-markt-beleving waar de pillenboer rechtstreeks het koopvee kan en mag bewerken.
Bureaucratische eisen van strikt meetbare behandelschema’s slaan nu ook toe in de Nederlandse psychiatrische en psychotherapeutische sectoren. De ’ biologische’ stroming vaart er wel bij wegens een of meer pillen voor iedere kwaal, eerder dan een vertrouwensrelatie op te bouwen.
Moet kunnen, niks mis mee en vooral heil voor de farmaceutische benadering van de menselijke geest en gedragingen.

Trudy Dehue is hoogleraar psychologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen en heeft een moedig afgewogen, behoedzaam en boeiend werk geschreven met ' De depressie-epidemie'.
Het boek is van een goed begrijpelijk en degelijk wetenschappelijk niveau waarbij geen heikel thema uit de weg wordt gegaan. Man en paard worden genoemd.
Dit is een handboek voor alle studenten medische en paramedische wetenschappen, voor alle artsen en dokters, voor psychologen en psychiaters, voor sociologen, pedagogen, maatschappelijk werkers én vooral voor journalisten, die zich al te licht en onwetend voor het ’ wetenschappelijke’ karretje van de geraffineerde commercie in welzijn en geluk laten spannen.
Professor Dehue maakt met een historische analyse brandhout van de pseudowetenschappelijke statistische terreur in de psychomedische sector en bevrijdt de lezer van de dwang van EBM, RCT's, DSM IV en DBC's die allen steunen op de meetbaarheideisen van de verzekeringsmaatschappijen en niets van doen hebben met het heil van de patiënt.
Ze ziet een constructief perspectief in een maatschappijbeeld dat in tegenstelling tot de liberale competitie en een illusoire meritocratie aandacht, respect en waardering biedt in een ‘aidocratie’ die niet winstbelustheid maar toegewijdheid belangrijk acht.

' Anders dan in de meritocratie krijgen in zo'n samenleving ook mensen status die het maatschappelijk belangrijke werk doen van het dagelijkse onderhouden, van het ' zorgen', in allerlei beroepen en rangen. In zo'n maatschappij krijgen psychotherapeuten weer de kans om hun professionaliteit in te zetten in plaats van productie te moeten draaien en dat geldt ook voor universitaire docenten, leraren, verpleegkundigen of politieagenten. De aidocratie acht dergelijke professies niet lager dan het werk van de directies van grote bedrijven en stelt grenzen aan hetgeen de winnaars in competitieve beroepen voor zichzelf kunnen binnenhalen. Ze legt ook lang niet zoveel nadruk op het labelen van mensen en het voortdurend meten van prestaties, maar is meer gebaseerd op inzicht dat het lot niet altijd aan te sturen valt.'
Een volgend boek '? maar dat wordt een politiek verhaal – zal de strategische lijn in de strijd om de macht moeten behandelen, want met een goede analyse van de bestaande en komende ellende is nog maar een eerste stap gezet in het keren van de competitieve eenzaamheid met een sausje van meritocratie als eigen schuld dikke bult.
En dat is een kwestie van bedrevenheid in het schaakspel van de macht eerder dan goed gedocumenteerde wensdromen over respect en toewijding.

29. Wetenschapsbeoefenaren schrijven dikwijls historische inleidingen op hun vak. Ze vertellen dan doorgaans over de pioniers die met hun ontdekkingen op het spoor kwamen van tegenwoordige overtuigingen. Dergelijke verhalen hebben de logica van een spannende zoektocht naar de heilige graal, mar aan de normen van professionele geschiedschrijving voldoen ze niet. Dat komt door hun finalistische structuur.
Vakhistorici gebruiken negatieve termen zoals ' finalisme' of ' presentisme' en ' voorwoordgeschiedenis' als iemand het heden als standaard gebruikt om te bepalen welke gebeurtenissen of auteurs uit het verleden in het verhaal mogen figureren. Tegenwoordige inzichten lagen in dergelijke geschiedenissen als het ware altijd al klaar om door de juiste mensen stapsgewijs te worden ontdekt. Het heden brengt ook samenhang aan in het verhaal. ('?) Het verleden beweegt zich in deze geschiedenissen naar het heden ' als ijzervijlsel naar een magneet' .
31. Finalistische geschiedenissen onderstrepen het gelijk van het heden met historisch wortels die ze daar zelf aan hebben vastgeknoopt.
46. Van ziektenaam naar ziekteoorzaak.
Ook de huidige vierde versie van de DSM doet geen uitspraken over de eventuele oorzaken van de beschreven problematiek en presenteert haar labels slechts als samenvattingen van een reeks bij elkaar gegroepeerde symptomen. In de praktijk pakt dat echter vaak anders it. ~De zieken van DSM kregen al gauw de status van oorzakelijke entiteiten, zoals sommige leden van de taakgroep in de jaren zeventig vreesden. Terwijl bijvoorbeeld de term ADHD niet méér pretendeert te zijn dan een samenvattende beschrijving van een aantal gedragskenmerken, zijn kinderen en volwassenen nu toch druk en ongeconcentreerd omdat ze ADHD ' hebben' ( en steeg de wereldwijde verkoop van medicatie ertegen tussen 1993 en 2003 met 274%, waarbij Nederland niet achterbleef).
50. Wetenschapsbeoefenaren geven de verschijnselen vorm vanuit het perspectief waarmee ze werken. Voor zover bekend was de Poolse bioloog Ludwik Fleck de eerste die dit proces uitvoerig beschreef. Fleck publiceerde in 1935 een Duitstalig boek waarvan de titel in vertaling luidt: ' Het ontstaan en de ontwikkeling van een wetenschappelijk feit. Inleiding in de leer van de denkstijl en het denkcollectief.' Flecks term ' denkstijl' stond voor meer dan het begrippenkader dat een ' denkcollectief' gebruikt, want ook de manieren van werken vallen eronder en zelfs de dingen die men waarneemt. De denkstijl omvat standaarden voor de juiste manier van onderzoeken, voor goede argumenten en voor de vraag wanneer iets goed of fout moet heten. Hij behelst ook allerlei keuzen en gewoonten die bepalen wat een zinvolle formulering van het onderzoekonderwerp is. Langs al deze wegen bepaalt de denkstijl wat de mogelijke uitkomsten zijn van het onderzoek, evenals de effectieve manieren van ingrijpen in de praktijk. ('?)
Zijn boekje bleef aanvankelijk totaal onopgemerkt totdat de wetenschapshistoricus Thomas Kuhn in 1962 zijn werk ' De structuur van wetenschappelijke revoluties' publiceerde met e beroemd geworden termen ' paradigma' en , wetenschappelijke gemeenschap' , die een verwant beeld van wetenschap schetsen, zodat Kuhn naar Fleck verwees.

Lees verder »

Archief

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

2 juli 2008

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

De eerste Hongaarse Nobelprijswinnaar literatuur 2002 speelt in Dossier K. een spel met zijn interviewer Zoltán Hafner die hij na een diepte-gesprek de vragen en antwoorden ontfutselt om een Dossier K. te herschrijven, dat als handvat kan helpen om doorheen zijn oeuvre te ploegen op zoek naar de betekenis van de sterk geurende truffels in het herfstige woud van het Hongaarse leven.
In de Groene Amsterdammer van 19/10/2002 heeft Graa Boomsma het over Kert'sz als 'het geheugen van Hongarije':
'Voor Imre Kertész ' – privé-overlevende van Auschwitz-Birkenau – is schrijven zowel noodzaak, vlucht als redmiddel «om mijn geestelijke wereld te redden». Zijn balpen is zijn spade, de aard van zijn schrijfwerk is graven, «het verder graven aan een graf in de hemel».
Teruggekeerd uit Auschwitz en Birkenau wordt Kertész journalist en partijlid. Maar de stalinistische ideologie is aan hem niet besteed. Hij trekt zich terug uit de maatschappij. Hij leeft 35 jaar op een piepklein flatje in Boedapest, in een straatje ingeklemd tussen twee drukke verkeersaders. Zijn vrouw werkt, hij schrijft, in een drukkend isolement. Het jaar 1989 is niet echt een bevrijding voor hem. In 1995 sterft zijn vrouw. Hij hertrouwt. Zijn literaire kwaliteiten worden in Amsterdam, Berlijn en andere steden zeer gewaardeerd. In Boedapest blijft het akelig stil.
In een interview heeft Imre Kertész eens gezegd dat Hongarije een trauma aan de Eerste Wereldoorlog heeft overgehouden, toen het, met Duitsland, tot de verliezers behoorde. Dat trauma zorgde ervoor dat Hongarije in de Tweede Wereldoorlog eveneens tot de daders ging behoren. Het is die historische rol van Hongarije, met alle gevolgen van dien voor de zevenhonderdduizend Hongaarse joden, die nog steeds niet in de volle openbaarheid wordt bediscussieerd.
Wat hield dat trauma – waarvoor Kertész en vele honderdduizenden moesten bloeden of waarvoor ze de gaskamers werden ingejaagd – nu in? De Vrede van Trianon in 1920 zorgde ervoor dat Hongarije – eens onderdeel van de machtige Habsburgse monarchie – tweederde van zijn grond gebied kwijtraakte. Admiraal Nikolaus Horthy streefde in de jaren dertig naar drastische verschuiving van de Hongaarse grenzen en sloot zich aan bij de expansiedrift van het fascistische Italië en nazi-Duitsland. Maar toen Hitler er in 1944 lucht van kreeg dat Horthy, die de nederlaag van de As-mogendheden aan zag komen, uit opportunistische redenen een afzonderlijke vrede wilde afsluiten met de westelijke geallieerden en met de Sovjet-Unie, betekende dat het begin van het einde van het Hongaarse Horthy-tijdperk. Op 12 februari 1944 schreef Horthy een brief aan Hitler waarin hij de terugkeer eiste van negen Hongaarse divisies die aan het oostfront vochten. Hij had die zogenaamd nodig om de Karpatische kust tegen het oprukkende sovjetleger te verdedigen. Hitler vond toch al dat de Hongaarse divisies bij Stalingrad weinig voor elkaar hadden gebracht. Hij besefte dat Hongarije van twee walletjes wilde eten. Horthy had Hongarije uit de oorlog willen halen; Hitler meende dat de Hongaarse joden als vijfde colonne opereerden, iets waar Horthy niets aan deed. Daarom, en om de broodnodige grondstoffen, bezette Hitler op 18 en 19 maart 1944 Hongarije en installeerde hij een marionetten regering in Boedapest.
In het kielzog van het Duitse bezettingsleger bevonden zich Eichmanns troepen. Binnen een paar dagen pakte de gewillig meewerkende Hongaarse politie duizenden joden op. De eerste treinen naar Auschwitz begonnen al in april 1944 te rijden. Een van de passagiers in de veewagens was de vijftien jarige Imre Kertész.
Begin juni waren er maar liefst driehonderdduizend joden uit Pest en elders naar hun dood getransporteerd. In juli, toen er exact 437.402 Hongaarse joden naar de gaskamers waren gestuurd (zie Ian Kershaws biografie Hitler, Nemesis 1936-1945), liet Horthy de transporten stoppen. ('?)’

Een bezoek aan Boedapest in november 2007 was een belevenis. Niet zozeer omwille van de herkenning van het Nyugati-plein voor het westelijke station waar de vrolijke bruin-oranje kleuren uit de jaren zeventig vergrijsd waren zoals de Magyaren die zich doorheen de koopspelonken bewogen. In de vroegere Stalinallee – nu weer Andrássy út 60 – waar de staatsveiligheid traditioneel huis hield onder de diverse regimes, worden nu hun prestaties en erelijsten herdacht. In het Szobor park ver buiten de stad werden de monumenten van de socialistische arbeiders- en boerenstaat verwameld, want nog steeds kan Hongarije niet uit de voeten met het eigen verleden.
Aan het einde van de Baros út waar ooit de hoeren het Orczy Ter bevolkten, liepen we over de Fiumei Ut naar de Kerepesi begraafplaats waar de groten van vroeger zoals Kossuth en Deák hun mausoleum hebben en waar modernisme handig inwisselbaar bleek om de steeds wisselende helden en voorgangers van de arbediers- en boerenstaat te herdenken in vervuilde witte travertijn. Doorheen het gerestaureerde gedeelte van de Ervin Szabà? bibliotheek was de jeugd van Boedapest aan de studie te zien in luxe van vroeger. In het Hongaars Nationaal Museum was de nationalistische ellende nog steeds niet te overzien.
Maar het meest aangrijpende waren luttele foto’s in het Joods museum van de grote synagoge. Ze toonden hoe de Hongaarse politiediensten joodse medeburgers ophingen aan rechtopgezette treinbiels, het snoer om de hals en over de kop van de staande dwarsliggers, en dan het opstapje wegtrekken.
Het was daarna belangrijk voor mij om even te bekomen in de schaduw van de zilveren treurwilg voor Raoul Wallenberg.

Halverwege 1945 keerde Imre Kertész terug in Boedapest, als zestienjarige jongen. De hoofdpersoon uit ‘Onbepaald door het lot’ – die op onbegrip stuit – beseft dat hij er geen genoegen mee kan nemen dat alles alleen maar een vergissing was, «een blind toeval, een uitglijder van de geschiedenis of – erger nog – iets wat vergeten moet worden».

Hongarije mag dan veel hebben verdrongen van zijn eigen heikele historie, wie Imre Kertész leest kán niet meer vergeten. Met de Nobelprijs voor literatuur werd het geheugen van Hongarije passend eer betuigd. Al zullen heel veel Hongaren daar een heel andere mening over koesteren.

Lees verder »

Archief

Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)

30 juni 2008

Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)

De auteur is een nazaat van één der oudste, machtigste en rijkste adellijke families van Hongarije.
Hij werd wel geboren in 1950 wanneer het socialisme reeds glorieus had gezegevierd en nadat zijn vader alle bezittingen in handen van de arbeiders- en boerenstaat moest overlaten om zichzelf te kunnen proletariseren.

Péter Esterházy heeft met 'Harmonia Caelestis' een turf geschreven over zijn vele vaders omdat hij alle Esterházy-vaders en voorvaderen als de zijne moet beschouwen, wil beschouwen, kan beschouwen. Daardoor heeft hij geen keuze tussen al die vaders. Hij kan er zich achter verschuilen, maar dat impliceert medeverantwoordelijkheid.

«De familie, zowel het gezin waarin ik leef met mijn vrouw en vier kinderen, als de grote familie, uit de historie, is mijn grote ervaring, met allerlei gevolgen voor mijn leven. Ik heb ze beide gekregen, zonder er veel voor hoeven te doen. Ik ben in de grote familie geboren toen deze al op geen enkele manier groot of groots meer te noemen was. Daarom is mijn relatie ermee eerder observerend en aanvaardend dan kritisch. Was ik geboren ten tijde van de volle glorie en macht, dan had ik mijn positie moeten bepalen ten opzichte van deze macht. Nu hoeft dat niet, het is voldoende me te realiseren dat ik in een interessante positie zit, dus we kunnen inderdaad die zin citeren. Of het om de geschiedenis van Hongarije of die van Europa gaat, ik kan het als familiegeschiedenis hanteren. Ik zoek even in de geschiedenisboeken op welke van mijn voorvaderen met een bepaald onderwerp te maken hadden, en ik heb meteen een levende relatie tot een tijdperk.» ( Interview In De Groene Amsterdammer)

In zijn boeken neemt hij als Hongaars auteur die verantwoordelijkheid mee op en zoekt hij naar de gronden van de Hongaarse positie binnen de EU en die van de Hongaarse houding tegenover de buurlanden met grote Hongaarse minderheden, maar ook tegenover de geschiedenis van de joden in eigen land.

'Het is geen toeval dat er geen Hongaars woord is voor Vergangenheits bewà?ltigung. Het woord bestaat niet omdat die activiteit niet bestaat. Het woordenboek stelt omschrijvingen voor: het verwerken van het verleden, vrede vinden met het verleden. Misschien betekent dit alleen maar dat de Hongaarse taal weet wat de Duitse taal is vergeten, dat je het verleden niet kunt bewà?ltigen, overwinnen, afhandelen, maar het lijkt alsof het Hongaars daaruit ook de verkeerde conclusie heeft getrokken dat ‘Vergangenheits bewà?ltigung’ als werk, als verplicht werk voor Europa, evenmin mogelijk is.
Niemand kan zijn eigen problemen alleen oplossen. Het komt onder meer door de gestelde Duitse vragen dat wij de vragen die ons aangaan niet stellen, en het komt onder meer door onze nog niet gestelde vragen dat de Duitsers de ontbrekende vragen niet kunnen stellen.
De Duitsers hebben hun eigen schuld benoemd, maar niet hun pijn.
De eigen misdaden verhullen met de Duitse misdaden is een Europese praktijk; haat tegen de Duitsers is het fundament van het naoorlogse Europa. Het onscherpe Hongaarse nationale geheugen dat het werk aan het verleden nog niet heeft verricht, ziet zichzelf graag als slachtoffer (een algemene reflex in Oost-Europa). Het Duitse nationale geheugen is al veel verder gekomen, het benoemt de eigen verantwoordelijkheid. Maar aangezien het de verantwoordelijkheid van anderen niet kan benoemen (als het dat probeert, stuit het op een hysterisch wantrouwen), en wij, de anderen, onze eigen verantwoordelijkheid niet benoemen, wordt door dit klaarblijkelijke onrecht weer het Duitse zelfmedelijden opgewekt. Iets wat één zou moeten zijn valt uiteen in zelfhaat en zelfmedelijden, de on-waarachtigheid van de moordenaar die alleen moordenaar is staat tegenover de onwaarachtigheid van het slachtoffer dat alleen slachtoffer is en daarachter bevindt zich het onbestemde wir, het onscherpe nationale geheugen. Die onscherpte verlangt op een hysterische manier naar de «normaliteit».
Zonder herinnering kan er geen moraal bestaan, las ik ergens. Maar je kunt je niet herinneren zonder te vergeten. Daarbij kan de paradoxale werking van literatuur behulpzaam zijn. Het collectieve weten en de collectieve acceptatie maken het voor het individu mogelijk om te vergeten. Het boek vertelt een verhaal opdat jij je eigen verhaal niet hoeft te vertellen. Er is een Hongaarse uitdrukking die gebruikt wordt als men ergens niet meer over wil praten: laten we er een sluier overheen leggen. Die uitdrukking is exacter dan het Duitse Schwamm darüber. Een sluier wist dat waar hij overheen gelegd wordt niet uit, het is er nog, we kunnen het nog een beetje zien, maar het is niet meer direct en pijnlijk aanwezig.' ( Toespraak bij de ontvangst van de Duitse Vredesprijs 2004)

Hoe dik deze hemelse harmonie ook wordt gepresenteerd,
hoe intens de auteur ook zoekt en draait en keert om alle Esterházys
và?à?r hem als vaders van zijn vaders te willen, te kunnen, te moeten beschouwen,
precies dardoor verliest hij de keuze tussen al die vele vaderen.
Als bewaarder van de zinssneden uit het leven van zijn familie,
als dragen van de bekentenissen van zijn familie,
probeert hij er zich achter te verschuilen, maar dit impliceert
voor hem een vorm van medeverantwoordelijkheid, en die is niet gering.

Nauwelijks had Péter Esterházy 'Harmonia caelestis' als essentie van de familienaam na 10 jaar literaire arbeid bij de drukker, of uit de pas geopende archieven doken de eerste gegevens op over de prestaties van zijn vader als spion voor de Hongaarse staatsveiligheid.
Hij voelde zich maandenlang gedwongen en gedreven om de rapporten in het typische handschrift van zijn vader te spellen, te proeven, te verbijten. Hij reconstrueert dank zij de addenda en commentaren van diens officieren -opdrachtgevers soms de precieze omstandigheden waarin zijn vader de bewuste spionagerapporten had geschreven. Hij realiseert zich op een bepaald moment dat de kinderen niet in vaders werkkamer mochten komen omdat papa in een geur van alcohol geconcentreerd diende te kunnen schrijven. Soms dachten zijn moeder en haar opgroeiende zonen dat vaders telefonisch gemispel draaide om verraad in vrouwenkwesties in plaats van verklikkerswerk. Péter beseft plots dat zijn vader in 1969 bij het opstellen van zo'n verklikkersrapport even oud was als hijzelf wanneer hij
de vruchten van vaders arbeid in 2000 doorheen een vloed van tranen tot zich neemt.
Hij maakt tal van sluipende omtrekkende bewegingen om de rapporten van zijn vader heen tot hij eindelijk beseft dat deze van een gedwongen tot een vrijwillige, ongedwongen en onbetaalde informant verworden was.

In zijn 'Verbeterde editie' is Péter Esterházy magistraal als schrijver en als zoon.
Hij hanteert zijn pen met liefdevolle tederheid en tastbare angst voor erger om het verraad van zijn vader en zijn verraad aan zijn vader te ontsluieren.
Aandoenlijk speurt hij in de lullige verklikkersrapporten van zijn vader naar tekenen van afgrijzen, afwijzing, begrip, passief verzet of superioriteit. De ontgoocheling groeit wanneer alleen passieve volgzaamheid blijft bovendrijven.

'Persoonlijk gesproken was er maar één ding belangrijk en dat is dat ik mijn vader emotioneel niet verloren heb. Ik was in een absoluut irreële situatie beland, omdat wat ik te horen kreeg met geen enkele van mijn herinneringen, of die van mijn broers, in overeenstemming was te brengen. Ik werd dus geconfronteerd met een waarheid die in mijn leven geen plaats had gehad. Soms krijg je klappen in het leven en in Oost-Europa komen die vaak van de geschiedenis. Het toont aan hoe fragiel de mens is, al is dat geen enkele rechtvaardiging voor wat mijn vader gedaan heeft. In een bepaalde situatie, die u en mij onbekend is, is hij zwak gebleken. Dat is legitiem, maar het had zwaarwegende gevolgen. Er is een eenvoudig woord voor: verraad. Maar tegelijkertijd is zijn geschiedenis veel gecompliceerder.’
( Interview NRC Handelblad)

Lees verder »

Archief

Wim Van Rooy, De malaise van de multiculturaliteit. Uitg. Acco Leuven

22 juni 2008

Wim Van Rooy, De malaise van de multiculturaliteit. Uitg. Acco Leuven

Wim van Rooy heeft de krachttoer van Paul Scheffer met zijn ‘Land van aankomst’ voor Vlaanderen herhaald, met passie en vuur. Zijn analyse verklaart de waanboodschap van de multiculturaliteit als basis voor het succes van extreem rechtse partijen in Vlaanderen.
Wim Van Rooy gaat zeer breed en spaart niets of niemand, zelfs zichzelve niet, als een vrij en eerlijk man. Zijn pamflet zindert van de verontwaardiging die hij decennialang heeft verzameld in het onderwijs waar hij de praktische gevolgen ondervond van het politiek correcte denken en het goedkope veinzen. Hij heeft voor zijn omvangrijk polemisch essay de pen in bloed gedoopt.
‘Essays mogen het eigen gevoel toelaten en daarbij alle schaamte achterlaten, ze zijn een bravade tot op het irriterende af.’(20) en dat zal de auteur geweten hebben omdat dit soort polemische grondigheid hand in hand gaat met een grote eenzaamheid.
Maar dit zal hem worst wezen want echte intellectuelen verschillen van de hofnarren van de macht, de dwergen van het politiek correcte verhaal.

55. Het nieuwe multiculturele design.
Het werd duidelijk dat het multiculturalisme een nieuw links of groot progressief verhaal inhield, ongetwijfeld met de beste bedoelingen bedacht, maar onwerkbaar in actu. De filosoof Peter de Graeve schreef over dit soort onbezonnenheid in een ander verband, maar direct toepasbaar op het multiculturalisme: 'Maar links Vlaanderen denkt niet. Het signeert, het emotioneert, het speelt zijn valse morele spel. Het doet er alles aan om dit debat te ontlopen en in de kiem te smoren. En wie het debat uit de emosfeer probeert te halen, krijgt alle voorziene verwensingen naar het hoofd ('?) Weldenkend zijn in Vlaanderen betekent vooral één ding: veel praats hebben '. En ik voeg daaraan toe: de bestuurlijke, culturele en politieke elite had inderdaad veel praats bij het kleineren van al diegenen die het waagden hier en daar een vraagteken te plaatsen bij wat gewoon klein en groot 'onfatsoen' genoemd wordt in verband met het nieuwe samenleven.

Van Rooy onderbouwt zijn analyse met tal van – vaak bijzonder boeiende – voetnoten wat voor de lezer nog ruimere horizonten laat oplichten, al mankeert een trefwoorden- en namenregister.
Wie zich niet laat afschrikken door de soms ‘irriterende bravade’, ontdekt bij Van Rooy een ouderwets degelijk handboek, ruim bemeten en met veel liefde en passie geschreven.
Hij ontleedt de bezwerende riedels waarmee de ‘mei ‘68’- generatie zich – ook in Vlaanderen – heeft laten vangen door de rattenvangers van het multiculturalisme.

114. Het probleem met mensen die hun geloof in god zijn kwijtgeraakt, is niet dat ze nergens meer in geloven, maar dat ze bereid zijn om overal in te geloven. ( G.K. Chesterton)

De naoorlogse retoriek van schuld en boete bij de Europese intellectuele elite werd een handig excuus om de intussen weer opgebouwde samenlevingen door elkaar te schudden met massale import van goedkope arbeidskrachten die aflopende industrieën nog een paar decennia lieten renderen.

Maar de Amerikaanse econoom George Borjas maakt duidelijk dat de huidige immigratie, ook die in de Verenigde Staten, de sociale ongelijkheid doet toenemen: welvaart vloeit weg van de werknemers die concurreren met immigranten en gaat naar de werkgevers en anderen die gebruik maken van de diensten van immigranten. Zijn bondige conclusie is:'Werknemers verliezen doordat immigranten de lonen verlagen. Werkgevers winnen omdat immigranten de lonen verlagen.' ( Paul Scheffer, Land van Aankomst, p. 113)

Zoals we zagen kan volgens sommigen een ontwikkelde middenklasse niet zonder onderklasse van laagopgeleide migranten, die hand- en spandiensten verlenen. Zo kunnen morele beginselen gemakkelijk overlopen in eigenbelang. Multiculturalisme en marktliberalisme hebben veel overeenkomsten: in beide gevallen wordt de waarde van het sociale compromis binnen de eigen grenzen ernstig betwijfeld. ( idem p. 126)

Wim Van Rooy brengt de politiek correcte denkers graag met beide voeten op de grond, tot aan de knieën in de stront: ‘De voornamelijk Europese intellectuele elite (...) was mede verantwoordelijk voor de kloof tussen burger en politiek. Het democratische deficit dat ontstond, was beangstigend: het volk moest zwijgen en op zijn tanden bijten, maar het knarsetanden was er niet minder om. Het daardoor ontstane ongenoegen werd eerst slinks, later brutaler, in het stemhokje geuit via een voor de elite onbegrijpelijke voorkeur voor een extreemrechtse partij. Het pleit voor het democratisch bewustzijn van datzelfde volk dat het niet nà?g meer verleid werd door het xenofobe discours, en dat traditie, een vaag christelijk bewustzijn en een bijna natuurlijke gematigdheid de politieke hoofdstroom bleven bepalen.(122)

In 1947 hadden Horkheimer en Adorno met hun ‘Dialektiek van de Verlichting’ er reeds op gewezen dat fascisme en racisme beschouwd kunnen worden als een opstand van de onderdrukte natuur. Wrevel en onrust, angst en twijfel die volgens de politiek correcte denkers en de goegemeente onder de mat geveegd wordt, duikt altijd weer op onder de vorm van barbarij.
De zwakste sociale klassen die alleen de nadelen van de immigratie en multiculturaliteit ondervonden werden onder het mom van internationale en socialistische solidariteit de mond gesnoerd door hun leiders. In het stemhokje konden ze steeds openlijker hun gram kwijt als groeihormonen voor het Vlaams Blok-Belang.

In zijn boek houdt Wim Van Rooy een vurig pleidooi voor de verworvenheden van de Verlichting. Hij analyseert de islam als derde grote monotheistische religie die er het minst in slaagt om de verlichtingsideeën te integreren in haar leer en cultuur, wegens extreem vasthoudend aan primitieve machtsinterpretaties van de woorden van hun heilig boek.
Van Rooy is erg pessimistisch over de mogelijkheid van een Europese islam. Precies omdat de Aristoteliaanse rationaliteit in de loop der eeuwen door de christelijke hiërarchie werd omhelst, vond de Verlichting een vruchtbare bodem die het westerse denken op het pad van de rede en het weten kon houden.

276. De cursus 'darwinisme ' in de lessen biologie in het secundair en de debatten met jonge moslims daarover is een hallucinant schouwspel. Het debat dat gedurende de moderniteit en de wetenschappelijke revolutie ooit gevoerd was met de christenen van allerlei signatuur , had eeuwen in beslag genomen en moest met de islam weer helemaal opnieuw gevoerd worden, sterker nog: in de slipstream van dit wat onmogelijke en vermoeiende karwei grepen evangelische christenen hun kans en werkten zich (weer) op de voorgrond.
Het multiculturele islamgesprek dat gevoerd wordt, of eerder: het gebrek daaraan, wordt getroebleerd én door het absolute en grondstellige karakter van deze religie én door de onwereldse gedachten van westerse intellectuelen. ('?)
Terwijl zij de modale man de levieten leest en hem/haar verwijt dat hij/zij zich niet realiseert welke vruchten de multicultuur oplevert, vraagt in het Midden-Oosten ondertussen een hele schare denkers dat wij ons democratische en liberale gedachtegoed niet zouden verkwanselen en niet zouden toegeven aan de scherpslijpers van het nieuwe jihadisme.

277. De islam en zijn radikalinski's spreken voortdurend over de perversie van de westerse wereld, maar over China bijvoorbeeld hoor je ze zelden. Dat is vanuit hun optiek evident: men valt aan wat week is en wat dus geen respect verdient. Het is van een treurigstemmende verwaandheid en achterlijkheid tegelijk.

‘De malaise van de multiculturaliteit’ van Wim Van Rooy stemt treurig.
Maar het is niet anders. Al te simpele politieke, economische en culturele interpretaties van de globalisering, al te felle polarisatie van het eigen blikveld heeft veel westerse intellectuelen en politieke broodheren te lang opgezadeld met een oprecht naà?ef en idealistisch verlangen naar gelijkwaardigheid en ditto kansen. Misschien was dit oppervlakkige salongewauwel wel een onderdeel van de paleisverveling waarin de Europese culturele hofhouding zich sinds de jaren tachtig had teruggetrokken.
De gevolgen zullen nog generaties lang wegen op het Europa van morgen.
Er is geen weg terug. De toenemende verstedelijking zal ongetwijfeld leiden naar nog meer chaotische armoede en pijn, naar lijf en geest, naar doen en denken.
‘Ander Geloof’ en religie hanteren als een leiband om bevolkingsgroepen manipulatief te socialiseren naar de wensen van de vrije markt is een levensgevaarlijke optie voor de turbulente tijden die ons wachten.

Paul Scheffer verklaarde het als volgt:

‘Wezenlijk is dat de islam zichzelf ziet als de opvolger en vooral ook de vervolmaking van het jodendom en het christendom. Deze inherente superioriteit van de islam in de ogen van zijn aanhangers is een deel van de verklaring waarom de interesse in de westerse wereld pas laat op gang kwam. ('?)
Morele overtuigingen die in de islamitische wetgeving zijn vastgelegd vinden hier geen erkenning. Sterker nog: deze rechtsnormen zijn in strijd met onze beginselen van gelijkheid en vrijheid. Waar gewetensvrijheid heerst, heeft het geloof als juridische discipline geen plaats. (355)

En Van Rooy citeert op p 165 Abram de Swaan: 'De Verlichtingsidealen gelden dan misschien niet als absoluut, ze zijn niet volledig, ze zijn onderling strijdig, en elke keer moet er weer gepeinsd, gepast en geprutst worden om ze in de praktijk te brengen. Net zoals dat gaat met al die religieuze leerstelligheden. Maar de verlichtingsidealen zijn waarschijnlijk een beetje beter.'?

Wim Van Rooy neemt het moedig op voor de verlichtingsdenkers in de islamitische wereld en voor de kritische moslim(a-)s in Europa, die zich in de steek gelaten voelen door de politiek correcte hofnarren en hun broodheren die plots denken de kudde handelbaar te houden door een beroep op de baardmannen van de Ene en de Ware, waarvan ze niet eens durven vermoeden dat deze Heren van het Geloof een eigen agenda hebben die een ietsiepietsje anders ligt dan die van de ander-geloof-propagandisten.

‘De malaise van de multiculturaliteit’ is geen gemakkelijk pamflet, het is een moedig polemisch essay dat tot nadenken, zelfreflectie en kritisch handelen stemt.

Lees verder »

Archief

39ste Poetry International Festival te Rotterdam: T.S. Eliot, The Waste Land '? Vertaling Paul Claes, Het Barre Land '? uitg. De Bezige Bij 2007

12 juni 2008

T.S. Eliot, The Waste Land '? Vertaling Paul Claes, Het Barre Land '? uitg. De Bezige Bij 2007

Paul Claes levert met 'Het barre land' een schitterende vertaling op, met een intrigerende verklaring en een lankmoedige vermaning. Hij weeft een fascinerend spel in zijn toelichtingen rond een van de belangrijkste gedichten van de XXste eeuw, waar persoonlijk leed herkenbaar wordt in maatschappelijk lijden, en vice versa.
Thomas Stearns Eliot schreef van 1917 tot 1922 aan 'The Waste Land'.
Paul Claes levert geen zes maar zeven sleutels aan voor het mytische vers dat na de eerste wereldoorlog de toon zette voor de grootste crisis van de Europese cultuur.
In het wonderjaar 1922 verschenen nog twee toppers van het modernisme: Ulysses van James Joyce en de Duineser Eligien van Rainer Maria Rilke.
T.S.Eliot werkte zelf als klerk op de afdeling buitenlands betaalverkeer van de Lloyds Bank in de 'onwezenlijke Londense city', hét toenmalige geld- en handelscentrum terwijl de kanonnen op het vasteland donderden en de jeugd van Europa gesmoord werd in het loopgraveninferno van bloed en slijk, het gruwelijke offer aan de mammon.
De verzen over zijn persoonlijke onmacht lenen zich in ‘Het Barre Land’ tot indrukwekkende metaforen voor allen die hun geloof en de laatste illusies achterlieten in Flanders Fields, zoals ooit Dante Alighieri en Vergilius voor de hellepoort stonden in La Divina Commedia, Inferno, Canto 3, 1-9:

Per me si va ne la città? dolente,
Per me si va ne l'etterno dolore,
Per me si va tra la perduta gente. ('?)
'('?) Lasciate ogne speranza, voi ch'intrate.'
'Door mij komt men in de stad van lijden
Door mij komt men in de eeuwige pijn
Door mij komt men bij de verloren mensheid
'('?) Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt,'

Het Barre Land

I.Het begraven van de doden

April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinnering en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.

T.S. Eliot apprecieerde dichtwerk ooit als volgt: 'Onrijpe dichters imiteren, rijpe dichters stelen; slechte dichters verminken wat ze overnemen en goede dichters maken het tot iets beters of althans iets anders.'

Op het 39ste Poetry International Festival te Rotterdam lichtte Paul Claes zijn zevende sleutel in een schitterende evocatie rond ‘Het barre land’.

Rond 2008 wonen er voor het eerst in de geschiedenis wereldwijd meer mensen in verstedelijkte gebieden dan op het platteland. Rond 2030 zal dat meer dan zestig procent zijn. De verhouding tussen stad en platteland zal door deze onomkeerbare ontwikkeling fundamenteel veranderen en daardoor implicaties hebben voor mens en samenleving hebben. Poetry International zal aandacht besteden aan poëzie uit stad en land en wat deze kentering voor de poëzie kan betekenen.

Poetry Special – The Waste Land
dinsdag 10 juni 2008

I will show you fear in a handful of dust
Uit: The Waste Land van T.S. Eliot

Tijdens dit programma zal de gehele tekst van The Waste Land integraal te horen zijn. James Fenton, dichter en voormalig Professor of Poetry aan Oxford University, belicht de literair-historische context van The Waste Land. Vertaler Paul Claes verleent eveneens zijn medewerking.

'Complimenti, you bitch. I am wracked by the seven jealousies,' schreef Ezra Pound aan T.S. Eliot nadat hij het manuscript van The Waste Land had gelezen. Het meer dan 430 regels tellende gedicht verscheen in 1922 en maakte Eliot van onbekende Bloomsbury salondichter plotsklaps wereldberoemd. Eliot gaf in The Waste Land gestalte aan de geestelijke leegte van de Westerse beschaving na de Eerste Wereldoorlog en maakte van Londen een hels landschap dat direct voortvloeit uit Dante's La Divina Commedia. In zeer hedendaagse taal laat Eliot aan de hand van verschillende stemmen uit alle lagen van de maatschappij zijn afkeer blijken van het moderne stadsleven. Sommige hedendaagse critici suggereren dat Eliot persoonlijk veel te verbergen had, maar in zijn essays pleitte Eliot ervoor om afstand te bewaren tussen het leven van de dichter en het gedicht als kunstwerk.

Laat dat nu juist precies zijn wat dichter en vertaler Paul Claes niet heeft gedaan. Aan zijn recente vertaling Het barre land voegde Paul Claes een uitgebreid nawoord toe, waarin hij ingaat op de biografische achtergrond van het gedicht en de seksuele lading ervan.

Met medewerking van Paul Claes (dichter en vertaler), William Cliff (België), David Eeles (acteur), James Fenton (Groot-Britannië), Andrea Gibellini (Italië) en Henk van der Waal (Nederland).

Archief

Andrew Hussey, Parijs. De verborgen geschiedenis – Jacques R. Pauwels , Het Parijs van de sansculotten. Een reis door de Franse revolutie

2 juni 2008

Andrew Hussey, Parijs. De verborgen geschiedenis. Uitg. De Arbeiderspers 2007

De voorbije maand mei stonden vele media bol van Mai '68, waar eerder 69 werd beoefend dan belangrijk politiek werk bedreven. Al bleef de illusie een heilzame balsem voor het falen van menig libido, zeker in Frankrijk, meer nog à? Paris!
Mai '58 was immers heel veel belangrijker met het begin van de Vde Republiek van Generaal de Gaulle, die menige enthousiasteling 10 jaar later met onbevangen onnozelheid en 'kijk, papa, zonder handen' tot de ondergang hoopte te keren. Het had iets heroà?sch en onwaarschijnlijk entoesiasmerend wegens de illusie van een bevrijding die reeds jaren voordien in Leuven, Berkeley, Berlijn, Bologna, Amsterdam plaatshad.

Onder het plaveisel het strand!
Onder het asfalt de kasseien.
Onder de kasseien het moeras.

Andrew Hussey is docent Franse literatuur aan een Parijs filiaal van de Londense Universiteit en dat is zijn verborgen geschiedenis aan te zien.
Zelden een stad zo grondig doorploegd aan de hand van een erudiete gids als het Parijs van Hussey. Hij leidt je te voet of met de fiets naar onooglijke gaten en scheuren, lege stegen en verlopen straten, opgekalefaterde glorie met gruwelijke verhalen en schaduwen van vele eeuwen menselijke lief en leed, het stedelijke theater tegen een decor van twee millennia gevechten om de plaatselijke en de centrale macht. Je snapt beter waarom de diagonalen van de 'hexagone' in Parijs kruisen. Je vat waarom het centralisme in Frankrijk zo wezenlijk is en waarom de periferie zo vaak de buik meer dan vol heeft van de Parijse mentaliteit.

Jacques R. Pauwels , Het Parijs van de sansculotten. Een reis door de Franse revolutie'? Uitg. EPO 2007

Jacques R. Pauwels heeft daarentegen de periode van de Franse revolutie op goed marxistische wijze uitgebeend en levert hiermee een boeiende illustratie van Peter Sloterdijks analyse van woedekapitaal en hoe dat maximaal rendabel kan gemaakt worden, in 'Woede en Tijd'.
Interessante verhalen, pittige details maar vooral een beknopt geschiedenisoverzicht van de revolutie volgens Pauwels. Handig om in Parijs vandaag de plaatsen te herkennen waar en waarom het allemaal begonnen was. Maar zonder veel diepgang, zonder een grondig beeld van de hoofdpersonages, terwijl die er hoe dan ook een ferme stempel op gedrukt hebben. Maar in het dialectisch en historisch materialisme is de geschiedenis een drijvende kracht die het leven der mensen in banen leidt naar het onvermijdelijke geluk in een maakbare samenleving onder de dictatuur van het proletariaat.

Lees verder »

Archief

Parijs, Louvre: Jan Fabre – L’ange de la métamorphose '? André Zucca ‘Paris sous l’Occupation’

5 mei 2008

Parijs, Louvre: Jan Fabre – L’ange de la métamorphose '? Bibliothèque historique de la Ville de Paris André Zucca – Paris sous l’Occupation

Jan Fabre – L’ange de la métamorphose

Het is tegenwoordig een bezoeking om de grote musea van Parijs te doorploegen.
Waar vroeger tijdens een schoolvakantie bemoedigende groepjes jongeren door betrokken docenten langsheen fascinerende kunstwerken werden gevoerd, waar het vaak ook voor de toeschouwer de moeite was om die leraars en leraressen hun verhaal te horen doen, liggen of lummelen nu horden jonge mensen met invulpapieren in de hand in de zalen van Musée d'Orsay of het Louvre.
Waar vroeger gedisciplineerde Japanners een aanvaring vermeden met raar geklede Amerikanen rukken nu Chinezen op die nauwelijks de aanstormende Russen in groot formaat kunnen ontwijken.
Museumbezoek dreigt vandaag moeilijk, uitputtend en versuffend te worden, althans in de zeer grote instellingen met lange wachtrijen waar ze eerder opteren voor de grote geldstroom, liever dan het fatsoen van een reservatie met uurschema.
Er is nog werk aan de winkel. Zeker in het Louvre waar de audiogids nauwelijks in ontwikkeling is (200 items tegen 2000 vroeger). Ze worden evenwel aan de volle prijs aan de achteloze bezoeker gesleten.
Een bezoek aan Jan Fabres 'L'ange de la métamorphose' was daarentegen een opluchtende belevenis. De dialoog van Fabre met de oude meesters is schitterend en verruimend na de beknelling elders.
‘De metamorfose of voortdurende beweging is het basisprincipe van mijn werk. Een kunstenaar mag nooit stagneren. Uit wat sterft, puurt hij nieuw leven, zoals de vlinder groeit uit de cocon', aldus Jan Fabre die in de zalen van de noordelijke kunst ( Vlaanderen, Nederland, Duitsland, Noord Frankrijk) herhaaldelijk op indringende wijze tussenkomt.
Hij haalt elementen uit de werken van de oude meesters en beantwoordt hun vragen met zijn eigentijds antwoord. Dit leidt tot verfrissende dialogen en tot ferme kritiek.
In de grote Rubenszaal waar Pieter Paul zich als een slaafse broodschilder te buiten is gegaan aan een mythologische verheerlijking van Maria de Medici en haar voorgangers heeft hij een immens kerkhof neergepoot. Zijn eigenste alterego kruipt hier als een zuchtende worm – 'Zonder wormen zou de aarde onvruchtbaar zijn. Zonder kunst is zij dat ook' - doorheen het brokkelige marmer waaronder een lange Nederlandstalige lijst van gestorven insecten als metaforen voor de schone kunstenaars , zerken van vergankelijkheid .
Zijn uilenkoppen , harnassen van botschijfjes , doods- en dekbedden , sferen en zwaarden van glinsterende kevers zorgen voor een verrassende confrontatie met de oude meesters en hun metaforen . Een trapzaal die bicblauw werd ondergescheten door ditto glazen duiven en een harnas voor Erasmus stemt tot anders denken, zeker na het filmpje van 2001 'The Problem' waar hij met Dietmar Kamper en Peter Sloterdijk Sisyphus' uitzichtloze opdracht al spelend analyseert. ( Dit zou onderhand ook eens op You Tube mogen verschijnen).
Nog tot 7 juli 2008 in de bovenverdieping van de Richelieu-vleugel van het Louvre.
De catalogus zou vanaf half mei ter beschikking komen van het publiek.

André Zucca – Paris sous l’Occupation

André Zucca 1897-1973 werkte tijdens de oorlog ondermeer voor Signal, het Duitse propagandablaadje, waardoor hij meer dan gemiddelde fotografische faciliteiten kreeg, zoals de beschikking over de toen nog zeer zeldzame kleurenfilmpjes.
Van de 1058 kleuropnames worden er 270 getoond in de Bibliothèque historique de la Ville de Paris, 22 rue Malher, 4e arrondissement. Ze zijn schitterend gerestaureerd en de kleuren werden magnifiek opgeschoond.
De tentoonstelling roept heel wat controverse op, ook bij de schuifelende toeschouwers die hun commentaren niet beperken tot het gastenboek.
Het stadsbestuur waarschuwt in een begeleidend schrijven dat het altijd zonnig en helder leek tijdens de nazi bezetting van Parijs omdat Zucca veel licht nodig had voor zijn kleurenfoto's!
Naar het gruwelijke leed onder de bezetting is het immers moeilijk zoeken. Indirect vallen de veerhakken van de damesschoenen op, de sjofele kleren, de rommelmarkten van Saint Ouen, de gammele auto's met koolvergassers. Het was zo te zien niet voor iedereen even erg onder de nazibezetting, zeker niet in het toeristische gedeelte van de Lichtstad.
Ook de enorme populariteit van de fiets is onmiskenbaar om evidente redenen.
Vandaag lijkt die fiets aan een nieuwe opmars.
Vélolib is zelfs populair bij dames op stiletto's en heren strak in het pak.
Met vrije busbanen en vertrekkersvoorrang aan de kruispunten, is de gemiddelde fietser sneller dan het autoverkeer. Met de fiets kom je overigens op plaatsen waar een normale toerist te voet of met het openbaar vervoer nooit verschijnt.
Langsheen het Canal St Martin vanaf Saint Denis over la Vilette Parijs binnenrijden tot op de Place de la Bastille is iedere keer weer een plezier.

Archief

Open Doek Turnhout 2008: Cartouches Gauloises – Calle Santa Fe – Disengagement – Lost in Beijing.

20 april 2008

Open Doek Turnhout 2008
'Cartouches Gauloises' Mehdi Charef.

In 1971 heb ik voor het eerst 'La Bataille d'Alger' gezien van de Italiaanse communistische cineast Gillo Pontecorvo (+2006) en de Algerijnse 'terroristenchef' Yacef Saadi uit 1966. Het was een heldenprent over de onafhankelijkheidsstrijd van het FLN dat in 1957 de Casbah van Algiers in handen kreeg met de terreurmiddelen van de arme onderdrukte rechtgelovigen: het leven van zoveel jonge mensen. In Frankrijk was de film jarenlang verboden, maar in 2003 werd hij nog gebruikt als pedagogisch materiaal voor de Amerikaanse officieren die in Bagdad te maken kregen met een stadsguerilla bij hun uitzichtloze zoektocht naar de illusoire wapens voor massavernietiging..
Hij was immers gemaakt met de hulp en technisch advies van de helden zelf die de onafhankelijkheidsoorlog en de daaropvolgende onderlinge afrekeningen hadden overleefd. De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog kostte het leven aan ruim 1,5 miljoen mensen '? meer dan 10% van de bevolking – waaronder 150.000 Algerijnse harkis die met de Franse overheid meewerkten als soldaat of ambtenaar. In Frankrijk zaaiden de OAS van de Franse colons terreur en mislukte in 1961 een staatsgreep van de legertop om Algerije Frans te houden .
De zwartwit film '? naar inhoud en beeld '? was voor ons indrukwekkend in dat oude kloostergebouw aan de Lierse Vredebergstraat, wegens in 1971 de wereld nog simpel en de liefde nog jong, en dus ook rechtlijnig.
Enkel de Russische tanks die in de film het Franse leger dienden, leken aberrant met wat wij van de wereld, de revolutie, de partij en het volk meenden te weten. Ze bleken door het Algerijnse leger uitgeleend aan de filmploeg.
Intussen weten we zo ondraaglijk veel meer dat bij het aanschouwen van de kleurige beelden van 'Cartouches Gauloises' een vergelijkbare aberratie in het oog springt: de Franse troepen gebruiken een type MAN vrachtwagens die pas vanaf 1975 in het Belgische opdoken. Een vergelijkbaar armoedig anachronisme waardoor de troepen in de ogen van de jeugdige hoofdrolspelers nog groter en imposanter leken.
'Cartouches Gauloises' is een clichématige film waar geen enkel karakter wordt uitgetekend, zelfs dat van Ali komt niet verder dat een vragende blik naar de vrouwen dun en dik. De film geeft wel een idee van hoe verwarrend en moeilijk het leven moet geweest zijn voor normale mensen die zich hopeloos buiten het strijdgewoel probeerden te houden.
Er is wat afgeslacht door het Franse 10 de para met Massu om de Franse belangen te verdedigen, én door de FLN bevrijders om het eigen volk te zuiveren van collabo's en verraders.
Deze zuiverheidstraditie zou zelfs na de verbanning en terugkeer met huisarrest van de eerste president Ben Bella blijven voortduren en een nieuw hoogtepunt bereiken met de opmars van het FIS en de GIA in 1991, parallel aan de bevolkingstoename. (1961 11 miljoen '? 1991 27 miljoen '? 2003 33 miljoen).
Wijze woorden worden gesproken door de Franse stationschef tegen de kleine Ali die dagelijks zijn krant komt afleveren: 'Je mag ons niet vergeten, kleintje, anders rest er niets meer'.

Calle Santa Fe '? Carmen Castillo

Wanneer na 11 september 1973 in Chili een bloedige militaire staatsgreep werd gepleegd door de ware Broeders onder leiding van generaal Augusto Pinochet werd de Volksfrontregering van een andere Broeder en arts, Salvador Allende, afgezet door een legerkliek die gestuurd en gefinancierd werd door de CIA. Het verzet tegen de bloedige staatsgreep werd in de kiem gesmoord door brutaal geweld en het systematisch oppakken en liquideren van alle mogelijke leiders van het Volksfront en de partijen die ervan deel uit maakten.
Een van de linkse partijen die Allendes regering kritisch steunde was de M.I.R – Beweging van Revolutionair Links, een samenraapsel van alle mogelijke linkse overtuigingen. Zij boden van 1973 tot 1977 gewapend verzet. MIR-leden die gepakt werden, ondergingen langdurige folteringen, gevangenschap en dood of verbanning.
Al bleek het Unidad Popular bewind van Allende democratisch linkse ideeën te omhelzen, er was een hoop aan de hand in Chili waar de middenklassen zich verzetten tegen een al te dirigistische staatseconomie. De MIR trad toe tot het Volksfront en steunde de campagnes van illegale landbezetting en de stakingen in de kopermijnen, tegen de gematigde politiek van de regering van Allende. Merkwaardig was dan ook de verkalring van enkele oude kopstukken van de MIR dat zij de gewapende lijfwachten leverden voor de veiligheidsdienst van president Allende. Ze gingen er prat op dat de leider van het Volksfront de eigen staatsveiligheid niet vertrouwde en liever beroep zou gedaan hebben op de extrreem linkse kameraden. Diezelfde kameraden van de MIR vonden Allende een veel te gematigde reformist en opteerden volmondig voor het aanzwengelen van allerlei revolutionaire opstootjes waardoor zijn Volksfrotn regering steeds meer in moeilijkheden kwam.
Wanneer ik kort na de staatsgreep in Leuven een vol Michotte – auditorium van mijn faculteit psychologie opriep tot solidariteit met de Chileense slachtoffers van de staatsgreep '? zo ging dat nog in die tijd '? stond er een non op van de eerste rij. Gewijde studenten muntten toen nog uit door het stelselmatig in vol ornaat innemen van de eerste rijen aan de Alma Mater '? onder het aanschijn van de prof was leven en leren wellicht draaglijker. Niet dat die eerste rijen in een auditorium anders benomen zouden worden. Niemand van de overige studenten was geneigd zich daar te installeren.
De zuster in kwestie beweerde met overslaande stem dat Allende een dictator was die zijn volk uithongerde.
Kortom, een makkie om te pareren en dan de prof naar huis en het hele jaar naar buiten voor een luidruchtige betoging over de Tiensestraat.
Edoch, mijn repliek over de arbeidersklasse die samen met de boeren het land verdeelden en dus de maakbaarheid van het land menselijk maakte voor iedereen, werd weg gejouwd. De non liet niet af en bleek jaren gewerkt te hebben in een poblacià?n van Santiago de Chile waar volgens haar enkel eten werd bedeeld aan de armen als ze hun kaart van de partij of de vakbond konden tonen. Wie de Roomse kerk een warm hart toedroeg, leed volgens haar honger.
Priester Camillo Torres was al dood, Felipe Gonzales pas afgestudeerd en nog lang geen eerste minister van Spanje, Leuven liep nog vol met Latijnsamerikaanse studenten die droomden van de revolutie in hun land, Zappatisten, aanhangers van de guerrilla in Brazilië, Ecuador, Colombia, Bolivia, Argentina, Uruguay, Nicaragua, El Salvador, Mexico, om van de Afrikaanse revolutionairen nog te zwijgen. Het kon niet op.
Met hen was het boeiend discussiëren over de revolutie en de klassenstrijd en de oorlog in Vietnam en het marxisme-leninisme. We hoorden hun verhalen over de volksoorlog met rode oortjes.
En dan bleken na een jaar revolutionaire activiteiten elders mijn eigen jaargenoten meer geloof te hechten aan tante nonneke dan aan de drager van de ware solidariteit die al een heel jaar niet meer was op komen dagen wegens klassenstrijd in het hele land belangrijker dan de les.
Chili hakte er behoorlijk in bij Links in Vlaanderen.
Ludo Martens had de dag na de staatsgreep een pamflet doorgebeld naar het Rode Boek dat door mij was genotuleerd aan de telefoon en nadien uitgetikt op stencil, om 's anderendaags bij de duizenden bedeeld te worden aan alle Leuvens studentenrestaurants. Gezagsgetrouw als ik toen nog was had ik zijn revolutionaire titels in de door hem gedicteerde volgorde boven het pamflet gezet. Hij begon uiteraard met een aanval in regel op de reformist Allende die zijn volk de wapens had geweigerd om zich te verdedigen tegen het leger en de Amerikaanse geheime diensten. Alleszins een originele opener voor een pamflet vlak na de staatsgreep van Pinochet.
Dat werd ons door niemand in dank afgenomen. En nadien was het volgens de Grote Leider niet in die volgorde bedoeld en zou de kritiek op het reformisme enkel als een tussentitel moeten gediend hebben. De Grote LM kon zich altijd vrijpleiten. Hij was immers onfeilbaar als leider en de rest blaakte van foute ideeën, verworven, zoniet aangeboren.

De M.I.R. was in de ogen van onze Grote Leider dan wel een bende trotskisten maar ze werden door het toenmalige Amada toch gesteund en besnuffeld wanneer in 1974 vlak voor de '1. May' in Frankfurt een internationaal congres van de Derde Wereldbewegingen plaatshad. De latere Groene Buitenlandminister Joschka Fischer sprak daar de aanwezigen nog als marxist wollig toe. De kameraden van de M.I.R hadden allemaal een ferme snor terwijl wij het toen nog met een vlassen baardje moesten stellen. Maar ze accepteerden onze revolutionaire solidariteit.

De leider van die M.I.R. – eveneens arts – Miguel Enriquez , zat in die tijd ondergedoken met zijn zwangere vrouw en twee dochters in het huis aan de Calle Santa Fe 727.
Ze zouden daar omsingeld worden door het leger en in een vuurgevecht werd de secretaris-generaal van de MIR gedood. Zijn vrouw was zwaargewond en werd door een ambulance afgevoerd. Na een internationale solidariteitsactie kon ze naar Frankrijk waar ze na een wereldtourne voor solidariteit haar leven probeerde op de sporen te krijgen.
Haar dochters groeiden op in Cuba als kinderen van de revolutie.
Carmen Castillo kwam 30 jaar na de staatsgreep terug naar Chili en maakte een film over haar verleden en dat van haar kameraden bij de MIR, vroeger en nu.
Zij voelde bij haar terugkeer nog steeds de walging van ballingen bij zoveel onverschilligheid, bij de anderen, bij hen die zo goed en zo kwaad mogelijk hun leven verder hadden geleefd ‘met zo weinig mogelijk herinneringen, want zo zien ze alleen nog de leegte’.
De film laat zeer traag en omzichtig het proces van het bezoek aan de straat, de buurt en finaal het huis zien waar het zich allemaal afspeelde in 1974. Ze kon zich troosten bij de gesprekken met haar buren, die haar geholpen hadden, die haar naar het ziekenhuis hadden gevoerd en die nooit geweten hadden wie zij waren. Dokters en verpleegsters die haar in het ziekenhuis hadden beschermd tegen de agenten van de DINA.
Pijnlijk was de confrontatie van haar met haar dochters en de huidige bewoner van het huis. Hij wou er vanaf wegens veel te veel pelgrimstochten van de linkse jongeren.
Zij wou het kopen en inrichten als een cultureel centrum voor de linkse jeugd van vandaag. Maar die linkse jeugd zag dat niet zitten en haar hedendaagse leiders vonden het zo al erg genoeg om iedere jaar een grote herdenking te moeten opzetten voor alle vermoorde kameraden. Er waren er ook zoveel!
De Chileense autoriteiten leden in 2003 nog steeds aan geheugenverlies.
Het werd dan finaal een stel betonnen tegels met tekst voor de deur van Calle Santa Fe 727 waar volgens de buurman Miguel gemakkelijk had kunnen vluchten. Hij keerde echgter terug naar zijn gewonde vrouw waardoor hij in de tuin van de buren werd afgemaakt.
De kogelgaten in de muur en het trottoir herinneren er nog aan.
De film is een soms uitputtend verhaal over een moeizame toenadering van Carmen Castillo tot wie de beweging overleefd had, waarvan ze ooit zelf deel uitmaakte. Haar man, vader van haar kinderen en zelf arts, had zijn leven gelaten voor haar. In de finale momenten had hij ervoor gekozen naar zijn gewonde zwangere vrouw terug te keren ipv te ontsnappen in het belang van de partij, het volk en de revolutie. Haar dochters weigerden elke commentaar. Zij hadden hun jeugd doorgebracht in Cuba, ver van hun moeder.
Andere MIR kinderen in ballingschap werden bij elkaar gebracht in een internaat in Frankrijk wanneer de partijleiding besliste met zoveel mogelijk militanten terug naar Chili te gaan om de gewapende strijd te hervatten.
De confrontatie met de toenmalige militaire leider van de MIR was ontluisterend.
Op haar vraag of het allemaal die doden wel waard was geweest, antwoordde hij alleen dat de MIR fouten had gemaakt wegens nog erg jong (in 1965 opgericht) en hij draaide zijn riedeltje van marxistische prietpraat over de loop van de geschiedenis.
Voor en na waren de confrontaties met de ouders die hun drie zonen als MIR militanten hadden verloren, en met haar eigen ouders die ook een zoon aan de revolutionaire activiteiten van de MIR verloren, schrijnend.
De waardigheid waarmee deze mensen de keuze van hun kinderen droegen, was verpletterend voor het imago van de overlevenden onder de partijleiders.
Maar ze filmt ook haar eigen moeder wanneer deze aan haar een brief schrijft waarin ze vraagt na al die jaren, al die doden te laten rusten. Dat het niet menselijk meer is om al dat leed opnieuw fris op te rakelen, om al de pijn opnieuw te beleven, ook voor haar als weduwe van Miguel Enriquez.
Het thema van de film en sommige stukken eruit zijn zeer de moeite waard, ook nu nog.
Niet alleen in Chili. Carmen Castillo probeert een waardige afstand te bewaren van haar eigen emoties, haar eigen verleden en de dwaasheden uit haar leven, waarbij ze ook anderen betrokken heeft.
De MIR top en de stichters waren allemaal studenten uit begoede middens. Miguel Enriquez en verschillende van de partijleiders waren arts geworden. Vanuit hun sociaal engagement om een einde te maken aan zoveel ziekte, honger, pijn en sociale achteruitstelling en hun jeugdige hang naar 'wetenschappelijke' theorieën om maatschappelijke problemen op te lossen hadden ze een eigen redenering opgezet: het pseudo – wetenschappelijke karakter van marxistisch -leninistische gesloten denksystemen die een antwoord kunnen bieden op alle vragen en dus ook maakbaarheidsoplossingen bieden voor alle schrijnende sociale problemen.
De gevolgen waren verschrikkelijk. Alleen de sociale acties in sloppenwijken voor voedsel, scholen en gezondheidszorg leken een positief effect te blijven sorteren.
Voor de partijleden die er nooit in geslaagd waren om een leven op te bouwen buiten de partij, voor wie de MIR hun enige familie was en de revolutionaire theorie de enige zin van hun bestaan, stortte de wereld in als de MIR ontbonden werd. Een militante overleefde het door de steun van een psychiater '? voormalig partijlid.
Een landloze boer die lid geworden was van de MIR had een mooie verklaring voor de voorbije periode:'Wij hadden geen land, geen inkomen. Wij trokken naar de steden en werden marxistisch geschoold of raakten aan de drank.'
Revolutie of verslaving!
Was het allemaal zoveel doden waard?

Disengagement '? Amos Gitai 2007 met Juliette Binoche

Zelden zo'n lamentabele film gezien, zo'n eindeloos aaneenrijgen van slecht geacteerde scènes met ridicule mikmak van politiebevelen en rabbijnenbezweringen onder het blazen van de ramshoorn naar het einde toe.
Een oude joodse prof overlijdt in zijn stadspaleis in Avignon, zijn dochter '? Juliette Binoche '? regelt de uitvaart ( met nota bene de zwarte operadiva Barbara Hendrickx voor de kaddisj van de rouwenden ) .
Haar halfbroer komt uit Israel terug want hij is daar intussen politieman van de special forces.
De oude heeft testamentair bepaald dat Juliette Binoche naar haar dochter moet in de Gazah strook waar ze zelf als jong meisje vrijwilligers werk deed en zich liet bezwangeren. Haar kind werd ter plekke voor adoptie achtergelaten. De oude prof bleek al die jaren achter haar rug contact te hebben gehouden met zijn kleindochter. Ze was onderwijzeres in een nederzetting die door de troepen van haar halfoom ontruimd worden om de Gazah helemaal over te laten aan de Palestijnen.
Treurnis alom, naar inhoud, naar vorm en naar acteerprestaties.

Lost in Beijing van Li Yu 2007.

Je zou zowaar sympathie krijgen voor de Chinese censor die deze prent in China verbood. Naar verluidt omwille van enkele – wat heet – expliciete sexscènes. Wellicht probeerde de brave man de Chinese bioscoopbezoeker te behoeden voor een Chinese versie van 'Slisse en Cesar', de Vlaamse evergreen van Jos Gevers.
De humor en de plot van de film is van het niveau van voornoemde successerie. En dus is het hele verhaal nauwelijks meer dan opgeklopte lucht en flauwe kul als smaakmaker.
Een ruitenwasser ziet tijdens zijn waswerk hoe zijn vrouw genaaid wordt door haar baas, hij denkt hieruit een slaatje te kunnen slaan met afpersing voor verkrachting, vrouw blijkt zwanger, baas heeft geen kind, betaalt voor uitdragen van zwangerschap, vervalsen van de bloedgroepdocumenten, ruitenwasser toch liever weg met eigen zoontje, vrouw van massagesalonbaas ook weg met nieuwe auto, enzovoort enzoverder.
En dat alles in de stedelijke hoogbouwjungle van Beijing waar de ruitenwassersmaffia een eigen cultuur vormt van roven en stelen langs ieder openstaand raam of niet gesloten terrasdeur. Maar daarover geen woord. Sex in de massagesalons.
De wereld draait uitsluitend om de drie 'G's : geld, gat en god, zeker in Beijing.
En dat was het dan.
Zonder de attente zorg van de Chinese censuur was ons wellicht 'Lost in Beijing' bespaard gebleven wegens ten prooi aan de zoete onbenullige vergetelheid.

Archief

Piet de Moor, Hotel Silesia – Een romance. Uitg. Van Gennep Amsterdam

19 april 2008

Piet de Moor, Hotel Silesia – Een romance. Uitg. Van Gennep Amsterdam

In een van de prachtige ruime hoekkamers van Hotel Silesia te Gà?rlitz '? op de verkeerde Neisse grens tussen Polen en het herenigde Duitsland '? speelt zich een romance af van de onmacht, van de zelfgekozen onmogelijkheid tot het ontmoeten van de ander, hoe dierbaar die ook voor het 'ik '- personage van Piet de Moors roman zou kunnen zijn.
Piet de Moor heeft een reeks ongelooflijk boeiende parels van historisch onderzoek naar het leven en lijden in het Oosten van Europa opgeleverd.
Met 'Grimmig heden. Een polyfonie' en ‘Schemerland' onderzoekt hij hoe mensen zich gedragen op grenzen.
In de ‘Gelaarsde God' wroet hij in de onderbuik van de macht aan de hand van een gewillige protagonist: Josef Stalin, ooit bekend als de vader der volkeren.
In 'Hotel Silesia' slaat Piet de Moor de hand aan zichzelf, en hoe!
Hij onderzoekt in zijn romance de eigen onderbuik en de krassen in zijn hoofd, de barsten in zijn ziel, waar hij vagelijk de contouren van zijn vader blijft herkennen.

' Ik ben een laatbloeier. Waarom? Omdat ik pas laat inzag dat ik niet de schrijver was die ik me lang geleden had ingebeeld te zijn, een beeld waarvan ik geen afstand wilde doen. Maar ik paste niet in dat schrijversimago dat ik voor en van mezelf ontworpen had. Ik stond voor een deur waarvan ik dacht dat ze vergrendeld was, en het duurde lang voor ik ontdekte dat ze moeiteloos openging. Mijn vooroordelen en mijn gebrek aan kennis keerden zich in al hun monsterachtigheid tegen mezelf.' ( Grimmig heden, 186)

Hij construeert zijn reis met de onmogelijke Andere door regen en mist naar Gà?rlitz, de gedeelde -en intussen Europese – eenheidsstad in het Oosten. Geen Duitse stad heeft de Tweede Wereldoorlog zo goed doorstaan als Gà?rlitz, een soort Disneyworld uit de Gründerzeit overgeleverd: een hedendaagse kopie uit het einde van de 19 de eeuw wanneer het Keizerrijk zijn woedekapitaal opbouwde. De rest van Europa en een groot deel van de wereld zou er in twee gruwelijke rentegolven mee geconfronteerd worden. De Marxistische wetten van de overproductie in het kapitalisme gelden immers voor kapitaal én mens.
In Gà?rlitz moeten de Sileziërs daarom ook veel schuldgevoel verdringen, over waarom zij wel en de anderen niet. Bij voorbeeld die van over de Neisse! Gesteld dat er over schuld kan worden gereflecteerd door Hitlers gewillige beulen of door de Heiligen die zich wentelen in ressentiment wegens 'Nog is Polen niet verloren'.
In Gà?rlitz moet veel gezwegen en verzwegen worden wat pijn kan doen wanneer je kinderen en kleinkinderen een glimp kunnen opvangen van de gruwelen die achter het familiale en nationale behang verstopt zitten.
Misschien daarom dat zovelen deze streek verlaten hebben op zoek naar een beter leven in het Westen, in steden waar de littekens van schuld en boete als keloà?dale tatoeages worden gedragen.
Het leven met het weten van het verleden is een tobberige bedoening, die vaak leidt tot een verstikkende behoedzaamheid die niet langer meer bevrijdt. Misschien ‘burlen’ daarom Oostduitse hertenstieren zo aandoenlijk wanneer ze tekeer gaan tegen ‘anderen’ in hun samenlevingen van de verbeten stilte omdat ze geen ‘andere’ meer willen horen, zien noch ruiken.
Menselijke ontmoetingen zijn asymptotische vergelijkingen. Zij kunnen enkel naderen op oneindig. Tenzij we burlend elkaars illusie respecteren bij de overgave in elkaar zonder angst voor de pijn van de kwetsuren door het vele weten van alle leugens van het leven.
Zeker op weg naar Gà?rlitz.
Wanneer we veinzen elkaars illusie te respecteren kunnen we als mensen met elkaar leven.

'Hotel Silesia' is voor Piet de Moor een eerste vorm van schrijversgeluk.
Om het constiperende effect van het vele weten te vergeten moeten we de verschrikkelijke verbrokkeling van de werkelijkheid liquideren in een andere werkelijkheid. Zo ook met de premissen waarin we onszelf blijven spiegelen.

191. Elke grote roman is een zwart gat dat de werkelijkheid verslindt. Thomas Mann beweerde dat hij in zijn romans de realiteit liquideerde, iets wat ook Imre Kertész zo consequent doet dat hij een van zijn romans de titel 'Liquidatie' gaf. ('?)
Maar het schrijven zelf is voor de echte schrijvers de enige (niet altijd even aangename) leefbare werkelijkheid. In 'Dagboek van een galeislaaf' bevestigt Kertész de uitspraak van E.M. Cioran dat elk boek dat hij schrijft een uitgestelde zelfmoord is. ( Grimmig heden )

Op de muren van een vergaderhok van het vroegere SVB hoofdkwartier in de Leuvense Eikstraat stond 40 jaar geleden gekalkt: 'Afbouwen is makkelijker dan opbreken'.
Piet de Moor heeft dit enigma ter harte genomen.
Met Hotel Silesia is hij eraan begonnen.
Hij zal zijn zelfmoord nog lang moeten uitstellen.
Ook voor zijn lezers.

288. Een van die zinnen als ingegroeide nagels was een evergreen van mijn vader: 'Afbreken is gemakkelijk, opbouwen is moeilijk'. Maar het is juist andersom. Opbouwen is gemakkelijk, maar afbreken is moeilijk. Om af te breken wat je hebt opgebouwd is een welhaast bovenmenselijke moed nodig. ( Grimmig heden)

21. In mij vermoedde je een tegenstander van wie je meende dat je hem kon verraden zonder hem te verliezen, wat een illusie was.

40. En een ogenblik later, toen mijn penis in je vagina schoot, burlde ik als een dodelijk getroffen hert.

93. En toen je me vroeg waarom ik dat meesterwerk dan nog niet geschreven had en of het , gezien mijn leeftijd,niet hoog tijd werd om eraan te beginnen, antwoordde ik dat een werk van de verbeelding heel andere eisen stelt dan een essay, en dat ik, wat het schrijven van fictie betreft, absoluut geen Proust was, wiens schrijversgeluk al contouren kreeg toen hij met zichtbaar genoegen begon te schrijven over zijn verzuim om eindelijk te gaan schrijven, toen hij zich opmaakte om te schrijven over de afleidingen die het echte schrijven in de weg stonden en die zichzelf onderwierp aan een energieke vertraging die maakte dat hij al schrijvend bleef aankloppen aan de schrijfpoorten die voor hem nog moesten opengaan, maar dat ikzelf geconfronteerd werd met hetzelfde probleem als de arme Italiaanse literaire criticus Giacomo Debenedetti '? de auteur van het meesterlijke document 16 oktober 1943. Een joodse kroniek '? een schrijver wiens hele leven beheerst werd door het gevoel dat hem nooit iets overkomen was dat ánders was dan gewoon, die altijd de indruk had dat hij de wereld van achter een glazen wand had bekeken, als een 'feest van de anderen' waarvoor hij niet uitgenodigd was, en dat die Giacomo Debenedetti daardoor een geconstipeerde schrijver was geweest 'omdat hij niet uit het niets kon scheppen'.

Archief

VSB poëzieprijs 2008 voor ‘ Bres’ van Leonard Nolens

13 april 2008

Leonard Nolens (1947) heeft met zijn meesterwerk ' Bres' de vsb poëzieprijs gewonnen.
In Bres heeft de dichter tien jaar lang gewerkt aan het afscheid van de twintigste eeuw, waarvan we de tweede helft voor onze rekening moeten nemen tegenover wie na ons komt. Het is niet fraai geweest en moeilijk aan hen te verklaren.
De Bres die Nolens heeft geslagen in ons geheugen helpt deze naoorlogse generatie de schaamte te dragen want niets is gebleken wat het leek, niets is geworden wat het zou en van de leugen die wij opgelepeld kregen van wie voor ons kwam hebben we geen beter, maar wellicht wel een mooier verhaal kunnen maken.
Althans Leonard Nolens heeft dat met ' Bres' voor ons gedaan.
In De Groene Amsterdammer van 05032008 zei hij het als volgt: '? 'Wij' heeft te maken met de meerderheid. Socrates zei: de opvattingen van de meerderheid zijn griezelverhalen, geschikt om kinderen bang te maken. Dát Wij, die meerderheid, daar wilde ik juist aan ontsnappen. Daarvoor moet de Wij in Bres steeds worden geherdefinieerd. Het persoonlijk voornaamwoord wordt in zoveel mogelijk contexten gebruikt. Want terwijl je het woord Wij gebruikt is er onmiddellijk een restrictie, er komt: ja, maar.'

Wij zijn die eeuw, die twintigste
Zonder getal, ik zei het al
Met de precisie van en losgeslagen tong.

Maak van ons geen foto.
Heb compassie met een vrouw
Die haar maten niet kent,
En draai geen film over verlamde mannen.

Maak van ons geen mens en geen verhaal.
Wij zijn de naakten die zich hullen
In brandende vlaggen,
In de namen van geschonden grenzen.

Onze kleermaker zit zonder stof.
Wij trekken ons uniform van vlees
Over andermans boten om onszelf te zien.
Wij nemen elkaar de maat
Met de mateloze centimeter van Gods afwezigheid.

Onze doorgeleerde mond is een vergissing
Of een gissing, en ons axioma luidt:
Wij weten niets. Wij weten niets.
Dat leren wij de kinderen op school.

Ut Bres, I. Vlees in uniform is volautomatisch, 16

Archief

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

30 maart 2008

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

Het is natuurlijk géén toeval dat een schrijver als Claudel een film maakt die in roulatie komt tijdens een hernieuwd debat over euthanasie in Frankrijk en België.
In Frankrijk kreeg Chantal Sébire van de rechtbank geen toestemming voor euthanasie wegens ondraaglijk en uitzichtloos lijden door een bottumor in het aangezicht.
Jamais je ne t'oublierai…
In België besliste Hugo Claus om de dood tegemoet te treden op het tijdstip dat hijzelf verkoos omdat hij de verwarrende verbrokkeling van zijn woorden als ondraaglijk en uitzichtloos herkende voor zichzelf en zijn geliefden.
Jamais je ne t'oublierai…
Philippe Claudel werkte ruim twee jaar aan zijn eerste langspeelfilm en als een groot schrijver weet hij de sluipende pijn in een samenleving te traceren en durft hij het aan de oorzaak van dat leed te onderzoeken.
In zijn boeken worstelen vooral mannen met hun positie in de maatschappij en hun plaats in zichzelf, waarbij terugtreden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’abandonne ‘ – Zonder mij.
In zijn film proberen vrouwen hun positie in de maatschappij te handhaven en hun plaats in zichzelf te behouden, waarbij naar voren treden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’y suis ‘.

Zoals in zijn literair werk bouwt hij in de film met ogenschijnlijk losse stapstenen een spanning waarop de toeschouwer kan steunen met de eigen stemme. Het beeldenspel van aangezichten, waarin we elkaar herkennen, wordt door de muziek in verschillende lagen uitgelicht. Hij kiest opzettelijk voor een verhaal en een beeldentaal die ruimte laat voor interpretatie, ook bij de finale onthulling.
De dreigende vragen rond vijftien jaar gevangenschap wegens moord door een jonge arts en moeder blijven wegen als een moreel dilemma tussen wie uitgesloten uit gevangenschap terugkeert en een maatschappij die niet weet hoe ze ermee om moet gaan.
'Il y a longtemps que je t'aime ' wordt in heel het Franse taalgebied onmiddellijk gevolgd door de tweede regel van het oude 'kinder'-liedje 'à? la claire fontaine' : 'Jamais je ne t'oublierai '.
Vrouwen vergeten niet, zij bewaren de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Mannen moeten daarentegen leren vergeten en vergeven, zoals in 'Het verslag van Brodeck' door de burgemeester wordt opgemerkt.
Philippe Claudel onderzoekt in zijn literair en cinematografisch '? maar daarom niet minder literair '? werk het menselijk gedrag en zijn drijfveren. Zijn bevraging helpt beter begrijpen en biedt stapstenen voor het vermijden van nog meer pijn en lijden.
En daaraan dreigt de komende decennia hoge nood: het kan geen toeval zijn dat God weer terug is van weggeweest, als handzaam middel om de kudde kopschuw te drijven waar ze volgens zelfverklaarde herders hoort en volgens hun horige honden wezen moet. Fulminerende kardinalen en etalerende pausen, bezwerende imams en televisiedominees dreigen met hel en verdoemenis, met schuld en schaamte, gewetenloos egoà?sme en gebrek aan respect voor de ander, de stigmata van eigenbelang en het brandmerk van de weigering van de uitgestoken hand in het gedeelde lijden voor al wie zich dreigt te onttrekken aan de angst voor de dood. Alsof mensen die zelf hun lot en leven in eigen handen nemen en daarvoor in medemenselijkheid de volle verantwoordelijkheid opnemen, het vleesgeworden kwaad vertegenwoordigen.
Het kwade, jazeker, het kwade en bedreigende voor wie zich de macht heeft toegeëigend en het spel van en met die macht niet wil onderwerpen aan de kritiek van de kudde.
Want wie zich van die angst voor de dood heeft bevrijd, laat zich niet kopschuw maken, door hond noch herder.
In die zin is Philippe Claudel een behoedzame, solidaire en medelevende humanist, in woord en beeld.
In die zin is zijn film een ode aan de menselijkheid in een stad als Nancy die in haar huizen, straten, pleinen, parken en musea schatten van medemenselijkheid bewaart.
Niet alleen Karel de Stoutmoedige vond er de dood.

De muziek van Jean Louis Aubert, het spel van Elza Zylberstein als Léa Fontaine en van de Engelstalige Kristin Scott Thomas als Juliette Fontaine maken ‘Il y a longtemps que je t’aime’ onvergetelijk.

à? la claire fontaine
1.
à? la claire fontaine
M'en allant promener,
J'ai trouvé l'eau si belle
Que je m'y suis baigné.
Il y a longtemps que je t'aime,
Jamais je ne t'oublierai.
2.
Sous les feuilles d'un chêne,
Je me suis fait sécher.
Sur la plus haute branche,
Le rossignol chantait.
3.
Chante, rossignol, chante,
Toi qui a le cœur gai;
Tu as le cœur à? rire,
Moi je l'ai à? pleurer.
4.
J'ai perdu mon amie
Sans l'avoir mérité,
Pour un bouquet de roses
Que je lui refusai.
5.
Je voudrais que la rose
Fût encore à? planter
Et que ma douce amie
Fût encore à? m’aimer.

Philippe Claudel, Rivier van vergetelheid (Meuse l’oublie), uitg.De Bezige Bij 2006.

64. Slaap maakt ons naakt. Je kunt nooit dichter bij iemand komen dan wanneer hij slaapt: alsof je met de brutaliteit van een boerenkinkel zijn onwetende intimiteit, zijn onschuld betreedt. Of de leugen van zijn intimiteit.

Philippe Claudel, Grijze Zielen

152. De menigte zwelt aan, krijgt iets dreigends, sluit zich steeds dichter om de gevangenen heen, waarom weet niemand, misschien omdat menigtes altijd erg dom zijn. Er wordt met vuisten gezwaaid, er vliegen beledigingen en daarna stenen door de lucht. Wat is een menigte nou eigenlijk?
Als je één op één met mensen praat, zijn de mensen niets, een stelletje onschuldige heikneuters. Maar als ze met z’n allen zijn, dicht op elkaar pakt in een geur van lichamen, zweet en ademen, en elkaars gezichten zien, kunnen ze bij het minste woord in dynamiet veranderen, in een helse machine, een soepterrine gevuld met stoom die in je gezicht uit elkaar kan ploffen als je hem alleen maar aanraakt.

Archief

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

22 maart 2008

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

Met 'Het verslag van Brodeck' heeft Philippe Claudel een nieuw literair onderzoek naar het menselijke en het kwade opgeleverd. Het verslag is indringend, beklemmend en pijnlijk herkenbaar. Het is prachtig geschreven en vertaald ( al bezigt een pastoor in een roomse kerk een 'preekstoel' in plaats van een 'spreekgestoelte'). 'Het Slot' en 'Het Proces' van Franz Kafka lichten op tussen de lijnen van het verslag.
Wanneer ik in september 1983 met de fiets van Athene naar Antwerpen reed heb ik de streek doorkruist waar de eeuwenoude en onduidelijke grenszone is gesitueerd tussen Frankrijk en Duitsland: Elzas-Lotharingen, de erfenis van Lotharius waartoe ook het huidige Koninkrijk der Belgen ooit behoorde.
Het was goed fietsen langs de groene hellingen met onder mijn blikkerende spaken eindeloze weiden en de zilverglinsterende rivier in het dal. In de verte lagen dorpjes verstijfd in de oksels van de bossen, in de plooien van het landschap.
Het leven is er vanouds zweterig en broeierig in het Rijk van het Midden, op de grens tussen twee grootmachten die elkaar een millennium lang bestreden. Niet alleen de taal en het gedrag van mensen wier voorouders ooit gekozen hebben en de gevolgen van die keuze generaties moeten dragen, lijdt onder schimmel en gist. Ook de wijnen vertonen een schitterend variërend pallet dankzij die schimmels en gisten, op de druiven en in de lucht. Het lokale idioom is generaties gegroeid uit een heen en weer geschuif van de rijksgrens, waardoor de invloeden van Berlijn en Parijs elkaar te lijf gingen, waardoor de oude taal van passerende handelaars en wisselaars herkenbaar bleef voor wie gedoemd was het leven in de dorpen te koesteren.
Claudel heeft zijn 'Het Verslag' gesteld in een taal en een tijd die universeel lijkt, zeker voor de grensstreek waar het zich afspeelt.
Zijn 'Verslag' handelt over het menselijke en benadert daarmee de klassieken sinds de Odyssea. Het blijft dus schrikbarend herkenbaar en van alle tijden. De hoofdrolspelers zijn universeel menselijk en dus gruwelijk in het leed dat ze dragen en veroorzaken.
In een dorp waar mensen proberen samen te leven in gewapende vrede met de rug naar elkaar, worden wisselende bondgenootschappen uitgeprobeerd om de historische vetes uit de vele oorlogen draaglijk te maken De leden van een select en geheim genootschap proberen de al te gevaarlijke elementen te bezweren of onschadelijk te maken in het belang van het voortbestaan van het dorp. Het dorp heeft de trekken van een premoderne samenleving waar de groep bepalend is voor elk individu – een enkeling niet te na gesproken die elders kan studeren '? op kosten van het dorp '? en die nadien terugkeert om te onderwijzen over meten en weten, en beter voorkomen dan genezen, wat de burger in angsten leert leven.
In de loop der eeuwen zijn er teveel legers gepasseerd die meer dan as van vuur en zaad hebben nagelaten. Wie zich heeft kunnen handhaven in deze kudde, draagt het zwijgen van de tragedie in zich. Wie dat zwijgen doorbreekt, rijt generaties van wonden open: automutilatie in de hoop nog iets te kunnen voelen van menselijkheid.
De oude onderwijzer kon het 'weten' niet langer aan:

'Misschien is Diodème wel gestorven omdat hij alles wilde begrijpen en woorden en verklaringen wilde vinden voor alles wat niet uit te leggen valt en wat je niet behoort te weten.' (35)

De pastoor herkent zich als het rioolputje in de biechtstoel voor alle smeerlapperij van het dorp en heeft na een nieuwe oorlog alle hoop opgegeven, in zijn God en in zijn parochianen. Hij blijft echter leven en lijden temidden van zijn beminde gelovigen:

'En nu weet ik dat Hij niet bestaat '? of anders voor eeuwig is vertrokken, maar dat is hetzelfde: we staan er alleen voor, daar komt het op neer. Toch blijf ik op de winkel passen; misschien doe ik het niet zo goed, maar hij staat nog overeind. Ik doe er niemand kwaad mee en er zijn hier nog wat oude zielen die nog eenzamer en verlatener zouden zijn als ik een eind maakte aan het toneel. Want weet je, iedere voorstelling geeft ze weer wat kracht om door te gaan. Toch is er één principe waaraan ik altijd trouw ben gebleven: dat van het geheim, het biechtgeheim. Dat is mijn kruis en dat zal ik dragen. Ik zal het dragen tot het einde.' (142)

De burgemeester doet in varkens en ziet zich als de herder van de kudde:

'Weten die dieren überhaupt wel dat ze een herder hebben die zoveel voor ze doet? Beseffen ze dat wel? Ik denk het niet. Ik denk dat ze zich alleen interesseren voor wat ze onder hun poten en voor hun neus vinden: gras, water, stro om op te slapen. Verder niets. Een dorp is klein en kwetsbaar. Dat weet je. Dat weet je heel goed. Het onze had het bijna niet gehaald. De oorlog is erbovenop gevallen als een gigantische molensteen die geen graan maalde, maar het dorp verpletterde en verstikte. Toch zijn we er uiteindelijk in geslaagd om die steen een beetje in beweging te krijgen. Hij heeft niet alles verpletterd. Niet alles. Met wat er over was, hebben we het dorp gerepareerd.' (324)

Brodeck was als kind van vermoedelijk joodse ouders na een pogrom op de kar van een oude vrouw in het dorp aangekomen. Hij was verstandig en leerde snel. Hij werd dan ook naar de hoofdstad gestuurd om er te studeren. Na de kristalnacht keerde hij terug met een vrouw en werd nadien door het dorp uitgeleverd aan de bezetter omwille van zijn 'anders zijn'. Als hond aan de leiband van een bewaker overleefde hij het kamp en keerde hij weer naar het dorp van zijn geliefde, die een kind bleek te hebben gebaard als overlevende.
Brodecks naam diende van het oorlogsmonument te worden gehakt, maar zijn letters bleven doorschemeren als was hij één van de doden, zij het geofferd door het dorp.
Hij krijgt als geletterde van de burgemeester en de leidende broederschap de opdracht om een verslag maken van wat er zich in dit dorp heeft afgespeeld dat tot de moord heeft geleid op 'Anderer'. Die kwam met paard en ezel door het bos vanuit het oosten over de grens in het dorp. Hij schilderde en tekende het dorp en zijn bewoners en schonk hen de afbeeldingen waarin ze hun geheimen herkenden. Het zwijgen en het onuitsprekelijke leek doorbroken, wat ondragelijk werd voor de herders en hun honden.
Claudel spant in 'Het Verslag' zoals in 'Grijze zielen' een snaar die hij in de loop van zijn analyse van het kwade meesterlijk aanslaat, waardoor de klank in het hoofd van de lezer blijft zinderen.
Philippe Claudel blijft een bron van hoop voor de Franse literatuur, eens te meer niet uit Parijs, maar uit de periferie '? Nancy.
Vernieuwingen komen doorgaans uit grensstreken, van 'Anderer', bannelingen, van wie dorp, stad of cultuur heeft verlaten en verraden. Wie in staat is zijn of haar wortels te verlaten, kan genoeg afstand houden om terug te blikken. Die kan vanaf de hellingen een overzicht krijgen, van zichzelf en wie hem of haar heeft voortgebracht.
Wie leest, die leeft. Wie schrijft, die blijft.
Ook in grensdorpen en '?steden en op de grenzen van culturen als (slechte) buren.
Maar ook onderwijzers en pastoors die bij hun schapen blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen.
Het vereist veel moed en liefde om desondanks temidden van de kudde te leven. Dat is rechtgelovigen en maakbaarheidsideologen niet gegeven. Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.
Philippe Claudel heeft met 'Het verslag van Brodeck' een meesterwerk opgeleverd.
Al mis ik in zijn verslag de aanblik van het dorp en zijn bewoners door de ogen van de 'Anderer', van achter de gebroken spiegel die hij hen voorhoudt. De vraag naar het waarom van zijn komst, zijn gedrag en zijn kennis, wordt nergens beantwoord en houdt de drukkende molensteen verder dreigend over de burgers. Dat is een boeiende literaire truc, maar levert een aspect van het Kwade dat niet onderzocht wordt. Het dorp, zeker op de grens langs wegen naar erger, heeft recht op het onderzoek naar de 'Anderer'. Dat vermijdt alleszins dat de angst als een gierende brand om zich heen grijpt en blijft smeulen als veenbrand. Zoiets dek je niet toe met vergeten, want vergeten kan niet meer, omdat er altijd mensen zullen geboren worden die willen weten.
Als metafoor voor de confrontatie binnen het eengemaakte Europa tussen de Anderer die van verre komen en de 'autochtonen' die na eeuwen onderlinge oorlogen erin geslaagd zijn elkaar te verdragen, vraagt Brodecks Verslag om een vervolg en een verder onderzoek naar het kwade.
Wat is vrijheid immers onder het oog van de honden en de wolven in het bos?
De burgemeester besluit met : '

Een herder moet altijd aan de dag van morgen denken. Alles wat aan gisteren toebehoort, behoort toe aan de dood, en waar het om draait is leven, dat weet jij beter dan wie dan ook, Brodeck, jij die bent teruggekeerd van waar men niet terugkeert. En ik moet alles doen wat nodig is om de anderen ook te kunnen laten leven en ze naar de dag van morgen te laten kijken…'
Toen werd het me duidelijk.
'Dat kun je niet menen…,' zei ik. 'En waarom niet, Brodeck? Ik ben de herder. De kudde
rekent erop dat ik het gevaar op afstand hou, en van alle gevaren is het gevaar van de herinnering een van de grootste; dat hoef ik jou toch niet te vertellen, jij die nooit iets vergeet, die je alles herinnert?' (326)

Lees verder »

Archief

Hugo Claus, 1929 – 2008

20 maart 2008

Bewegen
I

Alsof door de wenteling van je lenden
een heldere nachtmerrie ontstaat
alsof de daimoon in je gewrichten
schokschoudert van het lachen

Dat bewegen van jou en mij
spelingen van het licht

De verwanten zijn ver weg
De liefdes, praat er niet over,
ik registreer alleen die dagelijkse
nonchalante dood van mij
een ridder
vol rare woorden

Uit ‘In geval van Nood’
opgenomen in ‘Hugo Claus – Nu nog, een keuze uit de gedichten’ – De Bezige Bij 2007, p. 345

De Morgen 20032008

‘Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.’

‘Ik verkies een elegante, goedgemaakte leugen tegenover me te hebben die ik herken als leugen en waar ik mijn eigen hoffelijke en hoofse leugen tegenover kan zetten, in plaats van dat geëtter over de waarheid.’

‘Het enige serieuze is: de wellust.’

‘Poëzie is de kern van mijn werk. Een gedicht is een bliksem, proza is een stroom. Daartussen pendel ik.’

‘Schrijven is knutselen, niet de vloed van de ziel weergeven.’

+++++++++++++++++++++++++++++++++

Op kousenvoeten leek het wel,
Dat zijn dood zou komen
En wachten zou op zijn hoe en waar
Want hij durfde kiezen
Als een ridder van het woord
Die dat zelf gestand deed
Voor wie hem dierbaar was en
Bij wie hij blijven zal
In beelden en zinnen, kleuren
En klanken van een stem
Die de toppen van de ironie
Koesterde als een hoeder
Van de verhalen die niet
Meer zoeken naar een stem..

Archief

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

18 maart 2008

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

De Vlaamse schrijfster Anne Provoost heeft met 'Beminde ongelovigen' een boeiend essay geschreven voor gelovigen en ongelovigen.
Ze onderzoekt de verschuiving die in de laatste 20 jaar duidelijk wordt in de richting van het islam-fundamentalisme, creationisme en religieus sektarisme en levert meteen een bruikbare religiometer.
Haar atheà?stisch sermoen is een ferme oproep aan gemakzuchtige ongelovigen, lauw- of kleingelovigen, in slaap versukkeld door de vadsige evidentie van het rationele gelijk.
Tolerantie tegenover andersdenkenden is voor velen een mantra van gemeenplaatsen geworden die er gemakshalve vanuit gaat dat de andersgelovigen zich ook graag koesteren in de vreedzame en verdraagzame middenmoot van de religiometer.
Het gevecht om de publieke ruimte met religieuze symbolen, al dan niet vestimentair geprovoceerd, wordt al te vaak getolereerd vanuit een ongelooflijke arrogantie van de vrijzinnige humanist of zachtgelovige die ervan uitgaat dat twijfel en ratio tenslotte ook de al te zelfverzekerde andersgelovigen in de heilsleer zal bekeren. Als teken van minachting tegenover de ware gelovigen in de Ene en de Ware levert dit alleen maar een omgekeerd streven naar het zuivere gelijk op, steeds hoger op de religiometer:

' We verwarren tolerantie tegenover andersdenkenden met het kritisch onderbouwen van onze eigen opvatting. Een denkgebied dat blijft hangen in gemeenplaatsen maakt zich kwetsbaar, het zal in geen tijd worden veroverd door filosofieën die plausibeler concepten aandragen. Prat gaan op onze verlichting zal niet mogelijk blijven als de groep die profiteert van die verlichting deze niet meer weet te beargumenteren.'(p.11)

Anne Provoost stelt de lezers met dit pamflet een handzame religiometer ter beschikking om bij onszelf en onze vrienden – vijanden, kennissen '? kunstenaars, familieleden '? collega's een graad van gelovigheid te bepalen.
Aan de hand daarvan kan je het echte breukvlak vinden:

'waar god zijn metafoor overschrijdt, en er sprake is van een ontwerp of een plan. Vanaf de zevende graad op de schaal van (on)gelovigheid hebben we te maken met een interveniërende god. Ineens blijkt hij een mandaat te hebben, en een buiten zijn oevers tredende wil. De schepping beschikt dan over een cockpit met daarin een master brain dat alles bestiert, vanaf de achtste graad ook het lot van wie niet in hem gelooft. Tegen die ontegensprekelijke en verzegelde god moeten we op, wij atheà?sten zowel als de gematigde gelovigen. (p. 41)
Atheà?sten, ietsisten, gematigde gelovigen en agnosten voelen niet de behoefte om het mysterie te versimpelen, de gelovigen in de hoogste graden van de religiometer doen dat wel.( p. 42)

Anne Provoost maakt een boeiende oefening waar ze religie ontleedt als kunst:

‘Het is een van de vele manieren om de verbeelding in te schakelen bij datgene waar ons inbeeldingsvermogen niet kan komen. Of we nu atheà?sten zijn of agnosten, ietsisten of gematigde gelovigen, we zoeken ieder op onze eigen manier naar metaforen. Welke beeldspraak we hanteren, hoe we onze verbeelding inzetten voor wat we ons niet kunnen inbeelden, is niet de kwestie. Allen zoeken we vooral een middel om niet waanzinnig te worden in de kosmos. De niet-gelovige put overwegend hoop uit wat er zich voor de grens van het kenbare afspeelt, de gelovige put evengoed hoop uit wat zich erachter afspeelt, de twee zienswijzen veroorzaken geen essentiële tegenstelling. De atheà?sten houden koppig vol dat er geen extramateriële werkelijkheid is, de gelovigen zien die wel, maar omdat het mysterie voorbij de grens van het kenbare toch onpeilbaar is, is het naast elkaar bestaan van deze zienswijzen geen probleem. (p.40)

Wat ik wel mis in het atheà?stisch sermoen van Anne Provoost is de analyse van het machtsaspect van een godsdienst.
De gestage klim van het ware geloof in de godheid met een uitgewerkt en geopenbaard plan is immers ookeen onderdeel van een machtstrategie, zo ongeveer vanaf graad zeven op de schaal van tien in de religiometer.
Sociologisch is een religie een groepsdynamisch gebeuren dat onontbeerlijk is om grote groepen mensen in een bepaalde richting te doen afmarcheren.
Rationele, onbevangen, vrijdenkende of gelovige mensen met respect voor de anderen '? tot graad zes op de religiometer – zijn niet bereid om de rattenvangers blindelings te volgen.
Wie zich daarentegen al te gretig herkent in het grote gelijk en de beloftes van een transcendent geloof in het plan van de Ene en de Ware voor hen en hun geliefden, voor de zondaars en tegen de afvalligen en godloochenaars, is makkelijk te sturen en volgzaam te leiden.
Religies die een exclusieve uitverkorenheid beloven voor de eigen gelovigen, zijn een handig middel om machthebbers af te schermen van de woede van hun onderdanen.
Was het niet Constantijn de Grote die als eerste grote machtsdrager in het Romeinse Keizerrijk begreep dat hij de plaats van de Allerhoogste vooral niet zelf als keizer diende te claimen? Hij deed vrijwillig en grootmoedig afstand van zijn goddelijke status van Augustus ten voordele van de ene en ware god van de Christenen. Zichzelf benoemde hij tot hoogste bruggenbouwer, Pontifex Maximus tussen de nieuwe alleenheersende rijksgod en zijn schapen. Ergo, alle problemen kon hij pareren met de goddelijke wil, alle successen kon hij genieten als opperste dienaar van de rijksgod.

Godsdienst is niet alleen opium van het volk, een authentieke vorm van endorfines die mensen individueel in de eigen hersenen aanmaken om minder de pijn van het trieste uitzichtloze zijn te lijden.
Godsdienst is medisch-sociologisch ook een narcotiserend hallucinogeen waardoor grote groepen mensen de oorzaak van hun twijfels en angsten, hun vernederingen, ongemakken en ressentimenten herkennen in de ander in plaats van in de heerser.
Het helpt de beminde gelovigen een reusachtig verongelijkt woedekapitaal op te laten bouwen.

Peter Sloterdijk heeft in zijn 'Woede en Tijd' een en ander scherp geformuleerd:

101. Chronologisch gezien begint de revue van het fundamentalisme met het optreden van de evangelistische fundamentalisten in de VS, die het wereldbeeld van de moderne natuurwetenschappen hardnekkig als het werk van de duivel veroordelen en die hun invloed op de Amerikaanse samenleving al tientallen jaren uitbreiden; zo wordt voortgezet bij de ultra orthodoxe joden van Israël die hun seculiere staat liever vandaag dan morgen veranderd zouden zien in een rabbinocratie en wier agitaties door geen enkele regering meer helemaal genegeerd kunnen worden; ze eindigt en onvermijdelijk met de recente islamitische fenomenen.

De derde inzameling – Kan de politieke islam een nieuwe wereldbank van het protest oprichten?

287. Wat de politieke islam geschikt maakt als mogelijke opvolger van het communisme zijn drie voordelen die men op analoge wijze bij het historisch communisme, kon waarnemen.
1. Het eerste heeft te maken met het feit dat in het islamisme een meeslepende missiedynamiek is ingebakken. Hierdoor heeft het de mogelijkheid om een snel aangroeiend collectief van merendeels pas bekeerden, d.w.z. een 'beweging' in engere zin, te vormen. Het richt zich niet alleen quasi universalistisch 'tot allen', zonder onderscheid van natie en sociale klasse; het oefent juist op de benadeelden, de besluitelozen en verontwaardigden (voorzover ze niet van het vrouwelijke geslacht zijn en soms ook op hen) een bijzondere aantrekkingskracht uit. Dit komt doordat het als belangenbehartiging van de spiritueel en materieel verwaarloosde armen optreedt en als hart van een harteloze wereld sympathie wekt. De bescheidenheid van de toetredingsvoorwaarden speelt hierbij een beslissende rol. Zodra iemand in de gelederen van de gelovigen is opgenomen is hij al volledig inzetbaar voor de strijdende gemeenschap – in sommige gevallen meteen al als martelaar. Doordat ze worden opgenomen in een vibrerende commune krijgen de nieuwelingen vaak het gevoel dat ze voor het eerst een vaderland hebben gevonden en dat ze een niet onbelangrijke rol in het drama van de wereld spelen.
2. De tweede aantrekkingskracht van de politieke islam heeft te maken met het feit dat het – net als destijds het communisme – zijn volgelingen een overzichtelijk, strijdbaar en grandioos theatraal wereldbeeld heeft te bieden, dat berust op een duidelijk onderscheid tussen vriend en vijand, een niet mis te verstane opdracht om te overwinnen en aanlokkelijke utopische toekomstvisie: de hernieuwde stichting van het wereldemiraat, dat het islamitische millennium een wereldwijde thuishaven zal bieden, van Andalusië tot aan het Verre Oosten. Daarmee wordt de figuur van de klassenvijand vervangen door die van de geloofsvijand en die van de klassenstrijd door die van de heilige oorlog – met behoud van het dualistische schema van de strijd der principes, van een onvermijdelijke lange en bloedige oorlog, die uiteindelijk, zoals gebruikelijk, door de partij van de goeden zal gewonnen worden.
Voorzover het fundamentalisme politiek wordt gebruikt, heeft het, zoals men gemakkelijk inziet, minder te maken met het geloof dan met een prikkeling tot handelen, preciezer gezegd het creëren van rollen waardoor grote aantallen potentiële acteurs in staat worden gesteld van de theorie op de praktijk over te stappen – beter gezegd van de frustratie op de praktijk.('?)
3. De derde en in politiek opzicht veruit belangrijkste reden voor de onvermijdelijke toenemende dramatiek van de politieke islam (ook al lijkt het op dit moment, na een reeks nederlagen, iets van zijn eerste aantrekkelijkheid te hebben ingeboet) heeft te maken met de demografische dynamiek van zijn rekruteringsveld. Net als de totalitaire bewegingen van de 20e eeuw is het in essentie een jeugdbeweging, preciezer gezegd een jongemannenbeweging. Zijn elan resulteert voornamelijk uit het overschot aan vitaliteit van een onophoudelijke aanzwellende reuzengolf van werkloze en sociaal wanhopige mannelijke jongeren tussen de 15 en de 30 – in meerderheid tweede, derde, vierde zonen, die hun uitzichtloze woede alleen door deelname aan het eerst het beste agressieprogramma kunnen uitleven. Doordat de islamitische organisaties in hun thuislanden tegenwerelden voor de bestaande orde creëren, vlechten ze rasterwerken waarin de toornige jongemannen met ambities zich belangrijk kunnen voelen – daartoe behoort de drang om nabije en verre vijanden te lijf te gaan, liever vandaag dan morgen.
290. De nieuwe mobilisaties – of ze nu overeenstemmen met de theorie van de koran of niet – zouden bij onveranderd hoge geboortecijfers alleen al in de Arabische hemisfeer tot het midden van de 21e eeuw een reservoir van enkele honderden miljoenen jongemannen kunnen beà?nvloeden, die voor een existentieel aantrekkelijke zinverlening op politiekreligieus bemantelde zelfvernietigingprojecten zijn aangewezen. In de duizenden Koranscholen, die sinds kort overal waar overkokende jongemannen overschotten bestaan uit de grond worden gestampt, worden de onrustige groepen in de begrippen van heilige oorlog getraind. Slechts een klein deel hiervan zal zich in het externe terrorisme kunnen manifesteren; veruit het merendeel zal in levensverslindende burgeroorlogen op Arabische bodem worden geà?nvesteerd – oorlogen waarvan het Iraaks-Iraanse bloedbad (1980-1988) een voorproef heeft gegeven en waarvan de kwantitatieve proporties hoogstwaarschijnlijk tot in het monstrueuze zullen uitdijen.
291. Deze verwijzingen naar de actuele massabasis van radicaal-islamistische bewegingen geven meteen ook de grens aan waar hun overeenkomsten met het historisch communisme eindigen. Zowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen.

Archief

Lou Ye ‘Summer Palace’ en ‘Chinees Blauw’ van Micha X. Peled

9 maart 2008

'Summer Palace' – in het Frans 'Une jeunesse chinoise' – weegt op de kijker die soms tergend traagzaam de protagonisten kan volgen van het noordelijke Tumen naar de overvolle studentenkamertjes met de geur van lichaamsvocht en goedkope sigaretten, van de Beida – Universiteit in Beijing. De Lente van 1989 overwint de Hemelse Vrede in het hart, in een wolk van zaadpluisjes en gierende hormonen die hijgend verlangen naar de geur van wat als vrijheid wordt voorgespiegeld.
Geen jaar zal voor de generaties uit de tweede helft van de XXste eeuw meer betekenen dan 1989: meer dan 1953, meer dan 1956, meer dan 1968, meer dan 1984, meer dan 2000. Al zal het nog jaren duren eer we dat ook in ons hebben opgenomen: meer dan een nacht lang zitten janken voor de eindeloze reply op CNN van de student die met zijn plastik tasje een rij tanks probeert op te houden.
Een geloof dat ons jarenlang bitter had gedreven bleek een leugen van de macht. Een utopische zoektocht naar vrijheid, gelijkheid en broederschap bleek met het oog op de Hemelse Vrede niet haalbaar, erger nog: vooral niet wenselijk wegens als een beklemmende harmonie vanuit de Hemel telkens weer op de kudde neergelaten.
1989 was ook een verademing met veel onzekerheid over wat komen zou: in het voorjaar de Lente van Bejing , in de zomer het verbrokkelen van het Sovjet imperium, in het najaar de val van de muur in Berlijn en het einde van het Genie der Karpaten.

Voor de cineast Lou Ye is '1989' in zijn film 'Summer Palace' als de Lang-Leven-Heuvel waar de overbodigen en de overgeblevenen zich onsterfelijk weerspiegelen in het Kunming Meer aan de voet van de Heuvel, dat eeuwig de Tuinen van de Harmonie voeden zal.
Het leven van China's toekomst na 1989 is als de labyrintische chaos van het Zomerpaleis met honderden kamers, hoeken en kanten voor alle emoties van de menselijke metamorfose.

In een interview met Niels Ruëll in De Standaard (05122007) lichtte Lou Ye dit toe:

De gebeurtenissen op het Tiananmen-plein spelen slechts zijdelings een rol in ‘Summer palace’. Waarom zoomt u liever in op het seksleven van een jonge studente?

‘Door de heisa is het misverstand ontstaan dat Summer palace over 1989 gaat, maar de film strekt zich uit van 1987 tot 2001. Om 1989 te begrijpen, moet je ook kijken naar de jaren ervoor en erna.’
‘Ook als je een liefdesverhaal vertelt, is het goed te kijken naar voor en na. En als je eerlijk over de liefde wil praten, dan moet je openhartig zijn over seksualiteit. Seks is belangrijk en speelt ook een grote rol in mijn herinneringen aan 1989. Jongeren die voor het eerst de liefde ontdekken, vallen altijd ten prooi aan een lawine van emoties. In Summer palace komt daar ook nog eens de onzekerheid bij van veranderende tijden. Dat maakt het allemaal nog complexer en vermoeiender.’
‘Het hoofdpersonage leeft in voortdurende onzekerheid: is het nog aan? Ziet hij mij nog graag? Als het te goed gaat, wordt ze argwanend. Maar als het slecht gaat, voelt ze zich helemaal ellendig. Je mag van de liefde niets verlangen. De liefde brengt niet noodzakelijk geluk en leidt niet automatisch tot een lang huwelijk.’
‘Er is zoveel te vertellen. De razendsnelle groei van de economie veroorzaakt veel problemen. Het land staat onder extreme druk. Het voordeel daarvan is dat de overheid niet al te veel tijd heeft om zich zorgen te maken over kunstenaars. Schilders en muzikanten worden met rust gelaten. Filmmakers springen helaas iets meer in het oog.’

Door Beijing na de Lente te ontvluchten naar Berlijn werd Lou Ye niet meegesleept in de collectieve depressie die destijds vele studenten onder overviel:

'In de jaren negentig heeft mijn generatie economisch gezien het nodige bereikt. Maar geestelijk kwamen velen in een vacuüm terecht.
'Summer Palace' is in China verboden maar zal in beperkte kring wel illegaal worden verspreid. Veel mensen zullen tot tranen toe worden geroerd. Het zal hen pijnlijk herinneren aan hun passie en het gevoel dat hun hart heeft verloren. Nu hebben ze alleen mooie huizen en een snelle auto om hun leegte te compenseren.'

Lou Ye prijst zich gelukkig dat hij als filmer een uitlaatklep heeft voor zijn gevoelens en die van zijn generatiegenoten. Als die niet worden gesublimeerd, kunnen ze volgens de filmer ontaarden in woede en geweld: het grote gevaar voor China.

'Voor de jeugd van nu in China zal de film minder herkenbaar zijn. Ze is volslagen afgesneden van de geschiedenis. Zij hoeven niet te leven met de vernedering van de culturele revolutie en ze weten ook niets van de pijn van de studenten van 1989. Op een bepaalde manier is dat gevaarlijk maar het is tegelijkertijd ook een zege voor China. Die onwetendheid waarborgt veel openheid en levensmoed.'

'Summer Palace' is zeker niet filmisch maar wel historisch een Chinese versie van 'La Meglio Gioventà? ' van Franco Tullio Giordana.
De protagonisten worden uit elkaar gedreven. Zhou Wei vlucht vanuit Beijing naar Berlijn. Na de zelfmoord van Li Ti keert hij terug naar China. Yu Hong trekt naar Shenzen, Wuhan, Sjanghai om finaal terecht te komen in de monsterlijk groeiende stad Chongqing, met meer dan 40 miljoen inwoners het barstende waterhoofd van centraal China
De slotscène van 'Une jeunesse chinoise' speelt zich af op het eindeloze strand van Beidaihe waar de ‘overgebleven bloem’ uit het noorden, Yu Hong de eens zo intense beminde Zhou Wei ontmoet als de poëtische omschrijvingen van jaren geleden: 'Liefde is als een wonde. Eens genezen is het voorbij'
'Summer Palace ' werd in China verboden en Lou Ye kreeg (na 2 jaar cameraverbod voor ‘Suzhou river’ een filmverbod van 5 jaar) voor de originele beelden uit de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede en vooral omwille van de vele seksscènes die ‘Summer Palace’ ongetwijfeld een cultstatus zal verlenen als voorlichtingsfilm in het land van de publieke preutsheid.
Triester is de cultstatus die 'Summer Palace' zal krijgen als film noir over de onmogelijkheid van vriendschap en liefde in tijden van vrijheid en verlossing.

Op het graf van Li Ti in Berlijn staat geschreven:

'Of vrijheid en liefde bestaan of niet, in de dood is iedereen gelijk. Ik hoop dat de dood je einde niet is. Je hield van het licht, dus je zult de duisternis niet vrezen.'

De uitbarsting van emotionele, seksuele en sociale vrijheid in 1989 lijkt een peilloze leegte over te laten die moeizaam gevuld wordt met neurotisch consumeren van de nieuw verworven rijkdom. De jeugd van toen doorstond het loden tijdperk en kan zijn kinderen vandaag de schoonheid, kracht en wijsheid niet voorhouden van een vrijheid die zich onbevangen durft te binden aan de ander. Wie liefde ervaart als een wonde, is dermate misbruikt en mishandeld dat het een hele generatie drijft tot automutilatie. Wie zich niet durft te binden en geen engagement meer durft aangaan, is gedwongen zijn hele leven te lijden in angst en neurose. Menselijke relaties worden verengd tot kille zakelijke contacten waardoor het pluis van de lente vergeefs zal wolken in het land van de overgebleven één-kind-gezinnen, waar één schoonheid uit het noorden een land kon ruà?neren:

'n Zeldzame schoonheid uit 't noorden.

is de mooiste vrouw ter wereld. Aan één oogopslag van haar gaat een stad ten onder, Eén aanraking ruà?neert het hele land. Liever dan de rede van het weten
Proeven wij de vernietigende passie
van een schoonheid als deze'?
Uit 'House of Flying Daggers' van Zhang Yimou

“Chinees Blauw” van Micha X. Peled op Lichtpunt – Canvas
Zondag 9 maart 2008 23 uur '? als DVD bij http://www.lichtpunt.be/intern/programma/voorwaarden_01.html

Het kostte de filmmaker Micha Peled enorm veel moeite om een fabriek te vinden waar ze in volledige vrijheid mochten filmen. Uiteindelijk hapte een directeur toe die het een eer vond om in een Amerikaanse film te mogen spelen. Zijn fabriek is ontegenzeggelijk een van de betere van het land, maar dan nog werken de arbeiders er minimaal elf en maximaal vierentwintig uur per dag. Ze mogen tijdens hun dienst twee keer naar de wc en wonen vlak naast de fabriek met twaalf personen op één kamer waar ze moeten betalen voor warm water. En nee, het loon wordt niet netjes iedere maand op dezelfde dag uitbetaald. Het is steeds maar weer afwachten wanneer het komt en hoeveel het is.

Dat geldt ook voor het jonge meisje Jasmine dat op zestienjarige leeftijd werk vindt in de spijkerbroekenfabriek. Ze wordt te werk gesteld als draadjesknipper, wat inhoudt dat ze voor vijf eurocent per uur de losse draadjes van broeken afknipt. Na zeven uur ’s avonds is de officiële werkdag afgelopen, maar Jasmine werkt geregeld langer door. Dat kan oplopen tot wel vijfendertig uur extra per week. Onbetaald, want overwerk wordt nooit vergoed. Door de krankzinnige werktijden slaapt Jasmine zelden meer dan vier uur per nacht. Als haar eerste, slopende maand is afgelopen, hoort ze dat ze geen loon krijgt, maar overstappen naar de concurrent doet ze niet, want niemand wil het risico lopen om ook daar de eerste maand niet betaald te krijgen. Klagen heeft geen zin, want vakbonden zijn verboden en voor elke vacante plek zijn er in China niet tien, maar duizenden gegadigden.

Door niet alleen de arbeiders te volgen, maar ook de trotse directeur Lam en zijn staf reikt Chinees Blauw verder dan een oppervlakkige verkenning van ellende. Het eenzijdig verhogen van de arbeidslonen is namelijk niet de allesomvattende oplossing van dit probleem. Verhelderend is een gefilmd gesprek tussen de directeur en een Engelse importeur over een grote bestelling spijkerbroeken. De importeur biedt niet meer dan €2,75 per broek. Vraagt Lam meer, dan gaat de importeur simpelweg naar een concurrerende fabriek waar de arbeiders in nog slechtere omstandigheden werken. Lam zakt dus met zijn prijs in de overtuiging dat hij die bewuste order alleen winstgevend kan houden door de lonen nog verder te verlagen.

Regie: Micha X. Peled.
Productie: Teddy Bear Film en ITVS., met de steun van de Corporation for Public Broadcasting, het Sundance Documentary Fund en NAATA., VS 2005.

© Lichtpunt 2008

Archief

Luuk Gruwez – Lagerwal. Gedichten. uitg. Arbeiderspers

2 maart 2008

Een nieuwe bundel gedichten van Luuk Gruwez: ‘Lagerwal’, ook over moeders en helden die we niet zijn, noch willen of mogen zijn.
Daartussen een hele fijne over de hoofdstad van Limburg en een slotakkoord zoals het in de Stoomstroopfabriek kan klinken.
Voor de prachtige rede van Luc Devoldere bij de voorstelling van ‘Lagerwal’ in Brugge verwijzen we graag naar De Contrabas: met een van zijn mooiste verzen ‘Sourdine’ (uit: Een huis om dakloos in te zijn, 1981):

En als er geen tederheid meer is,
laten wij de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens
.

Hasselt

Zijn groene boulevard die nog niet lang bestaat,
zijn blauwe boulevard die nog lang niet bestaat,
zijn vaak geprezen smaak en of die wel bestaat
behalve in zijn jonge klare of in Petotjes speculaas.

Stad waar obers mankementig leerden nijgen – het sexappeal van omeletten in hun blikken
en altijd weer die rouwrand om de vrouwen
die ze niet langer dan één koffie kunnen houden.

Stad met te veel toekomst, stevig
ingepakt in een petieterig verleden.
Nachtwinkels die vloeken met de chic
van brasseriën, coiffeurs en boetieks.

Geen plek heeft zoveel nood aan overal:
wij zijn, welja, modern hier in Hasselt,
modern maar modest en ons kent ons
en onze eurocenten die wij niet verliezen willen.

Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen
die zich moedwillig van lippen vergissen
iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen.
Zij kijken hun wimpers los van hun ogen.


Niets

Niets eindigt zoals het hoort. Niet
het dankwoord en niet de lustmoord,
niet het rustoord en niet het slotakkoord.
Geen enkel rijmwoord. Niets zoals het hoort.

Archief

Lucian Freud Gemeentemuseum – Peter van Straaten Meermanno – Den Haag

25 februari 2008

Gemeentemuseum Den Haag Lucian Freud
nog tot 8 juni 2008

Een trektocht doorheen het prachtige Haagse Gemeentemuseum van Berlage is dezer dagen wat droef te moede.
Niet om het lege maar heldere vormenspel van César Domela (1900-1992) - jongste zoon van de Nederlandse socialistische politicus Ferdinand Domela Nieuwenhuis die de bezoeker begeleidt naar Mondriaans Victory Boogie Woogie (1942-1940)
Niet om het ontbreken van een fors deel van 'De Stijl'- collectie
Niet om het lijn- en vlakkenspel van Hanns Schimansky (1949)
Niet om de mooi georkestreerde rotzooi van Matthias Weischer (1973, Elte, Westfalen)
Niet om de erg matige inpandige horeca '? die in de belendende parkdelen van het Museumcomplex wat gecompenseerd wordt,
Wel een beetje om de matige en matte 'Picasso in Den Haag' '? 'Malen gegen die Zeit' in K20 te Dusseldorf was van een fundamenteel ander kaliber.

Maar vooral om de overzichtstentoonstelling van Lucian Freud, kleinzoon van'?.
Het is zijn werk aan te zien.
Stroeve schoonheid, schutterige schenkels, schrijnende schilderpsoriasis en modellen die onmiskenbaar de tekenen dragen van de langdurige, zwoele en zweterige ontmoeting met de meester die tijdens de eindeloze sessies liedjes placht te zingen en verhaaltjes vertelde waarbij iedere humor uit zijn werk lijkt weggestreken.
Lucian Freud verslindt zijn modellen en het is hen aan te zien, hoe ze aan die vraatzuchtige ogen met een afgewende blik proberen te ontkomen, hoe ze psoriasis krijgen van zijn verf. Dat olifantenvel moet hen hoeden voor het nietsontziende schildersoog. Een enkel argeloos kindje van de flink geteisterde 'familie Pearce' (1998) kijkt de toeschouwer aan. De anderen zijn hun onschuld verloren , gesteld dat ze die ooit zouden bezeten hebben.
Je kan je afvagen of een model voor Lucian Freud onschuld kan kennen.
Ook Her Majesty niet!
De gesprekken met enkele van zijn modellen op film en dvd geven een glimp te zien van wat er in Freuds loeiheet, volgeklierd en stinkend atelier allemaal gebeurde.
Zijn plant- en tuinschilderwerk is teder en geraffineerd gelaagd, het vroegere portretwerk is bevreemdend maar zijn modellen lijken minder te lijden.
Met de jaren doet hij meer in verf.
De psoriasis en het eczeem worden er steeds dikker op gelegd,
en de ziel van de toeschouwer krijgt er jeukende eelt van.

Intussen loopt in het magnifieke Museum Meermanno '? Westreenianum aan de Prinsessegracht 30 in de Residentie een boeiende tentoonstelling over 'Peters Meesters – Peter van Straaten en zijn inspiratiebronnen '? nog tot 4 mei 2008

Het werk van peter van Straaten wordt getoond naast dat van kunstenaars (tekenaars, illustratoren en cartoonisten) die hem geà?nspireerd hebben: boeiende plaatjesboeken van de 'Gibson girls', Jo Spier, Rembrandt, Gustave Doré. Sinds 1995 verschijnt Peter's zeurkalender met op ieder blad een verademing van herkenbaar leed.

Nog tot 27 april 2008 is er ook een Boekbandententoonstelling 'Koppermaandagproject 2008'. Deze keer hebben vijftig handboekbinders Elsschots Lijmen/Het been gebonden.
Koppermaandag betreft een oude traditie in de grafische wereld, en valt op de eerste maandag na de dag des Heren, volgend op Driekoningen, voor 2008 was dat 14 januari.

Dit jaar is gekozen voor Lijmen/Het Been van de Belgische schrijver Willem Elsschot (1882-1960); in dit boek zijn reproducties opgenomen van de illustraties (lino's) die de Belgische kunstenaar Henri van Straten (1892-1944) speciaal voor de boeken Lijmen (1923) en Het Been (1938) maakte.

Het Museum Meermanno heeft een leuke collectie kleinodiën uit de oudheid, als ansichtkaarten van verre vroege reizen. Maar de boeken die er staan zijn fenomenaal, zeker de muziekhandschriften en drukken.

Musea als deze gaan een grote toekomst tegemoet, want de digitale informatiedragers zullen het bedrukt papier verdringen tot dat laatste enkel nog als kunstige luxe objecten tentoongesteld wordt op salontafel of schouwmantel, zoals vroeger de mooiste harnassen gemaakt werden wanneer ze iedere militaire functie door de opkomende vuurwapens reeds lang verloren hadden.
Het duurt geen decennium meer of mooie dure boeken zijn enkel nog tekenen van cultuur, rijkdom en verfijning. De rest van wat nu nog bedrukt papier nodig heeft, zal uitsluitend nog digitaal geconsumeerd worden
.

Archief

Matthias Schulz: En toen was er kunst – vert. W.Hansen HP/De Tijd – Der Spiegel

17 februari 2008

HP/De Tijd 01022008 Cultuur : En toen was er kunst. Matthias Schulz – vert. W.Hansen – Der Spiegel

Een bijzonder boeiend artikel in HP/De Tijd van 01022008 naar aanleiding van de nieuwste intrepretatie van recente vondsten omheen de grotten van Vogelherd in de buurt van het Duitse Ulm.
Ook de anatomisch moderne mens, die ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika opdook, bleef heel lang een oncreatieve hannes. Pas toen hij Europa introk, ruim 40.000 jaar geleden, kuste de barbaar uit de steentijd plotseling de muze.

De theorie van de zich langzaam ontwikkelende kunst was een vergissing, zegt Jean Clottes, hoogste custos van de grot van Chauvet. Het menselijk voorstellingsvermogen heeft zich schoksgewijs ontwikkeld – en meteen op zeer hoog niveau.

Volgens Nietzsche’s kunstfilosofie is kunst een soort esthetische surrogaatreligie.

Bij alle postmoderne verwarring wordt vergeten dat zelfs de kunstenaars van de oude Grieken helemaal geen kunstenaars waren: ze deden aan godsdienst. Het Griekse theater was geen amusementsfabriek, maar behandelde in de tragedie het lijden en sterven van Dionysus. Ter ere van hem traden de toneelspelers aan.

Pas in de moderne tijd kennen we de 'cultus van het genie'. Eenzaam en los van alle bindingen, helemaal op zichzelf teruggeworpen, omgeven door een ingestorte hemel, 'transcendentaal dakloos', maar tegelijk met een scherpe niets ontziende blik '? zo trad de kunstenaar nu naar voren. Het Italië van de renaissance heeft dat idee van de eenzame, esthetische strijder ontwikkeld.

Een van de meest verspreide magische handelswijze om een vijand schade toe te brengen is een evenbeeld van hem te maken, noteerde de zielkundige Sigmund Freud al, die met een grote aandacht het vroege werk van de volkenkundigen volgde.

Daarom zocht hij met magische middelen naar wegen om invloed uit te oefenen en zich een troostende wereld volgens eigen regels te scheppen. De prehistorische kunst is een poging geweest 'de mensen van hun angsten te bevrijden en hun hoop en vertrouwen te geven', zegt de Britse etnoloog Edward Evans-Pritchard.

Alle kunst, zegt Nietzsche, welt op uit een verborgen wereld van leed.

Die opeenhoping en opstuwing van mensen is volgens de prehistoricus Floss voor de mens de belangrijkste aanleiding geweest om tot estheet te muteren. '?Hij zonderde zich van de natuur af en leefde volgens eigen regels'?.

'Het oppervlak van het lichaam werd een symbolische toneel waarop het drama van de socialisatie zich afspeelde', aldus Terence Turner, een antropoloog van de universiteit van Chicago

Er is veel voor te zeggen dat de in adrenaline gedoopte olifantenjacht diepe sporen heeft nagelaten in de fantasie en de verbeeldingskracht van de vroege mens. De jacht ging gepaard met een groot risico gewond te geraken, en er vielen veel dodelijke slachtoffers. De prehistorische jager zocht daarom naar oplossingen om de verschrikking draaglijker te maken – met behulp van de magie.

In de jaren 90 was het Joachim Hahn, prehistoricus in Tübingen, al opgevallen dat de kunstenaars van de ijstijd vooral 'agressieve en sterke dieren' afbeelden.

Psychoanalytische gezien droegen de eerste schepselen zich getraumatiseerd; ze bootsten na waarvoor ze het bangst waren.
De dichter Rainer Maria Rilke heeft het zo uitgedrukt:
‘Want het schone is niets dan het juist nog door te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo, omdat het, onaangedaan, versmaadt ons te vernietigen.’
(Eligieën van Duino)

Maar toen, rond 28.000 jaar geleden, gingen de Michelangelo’s van de prehistorie zich wijden aan een nieuw onderwerp. De naaktheid en de lichtzinnige tentoonspreiding van de geslachtelijkheid kwamen in de mode. De tijd van de wonderlijke 'Venusbeelden' begon.

De mensen uit de ijstijd konden van alles gebruiken – alleen geen vruchtbaarheidsgodin.

Het is veeleer denkbaar dat de forse Venussculpturen in het middelpunt stonden van een streng geregeld en zelden plaatsvindende sekscultus. Bijna alle volkeren uit de oudheid kennen de gecontroleerde uitleving van de drift door een sacrale orgie. Het carnaval ter ere van Ishtar duurde dagenlang '? alle remmingen gingen los. De rest van het jaar moest het volk weer zedig zijn.

Zoiets kan ook in het stenen tijdperk hebben bestaan. Toen al waren als gevolg van een steeds gecompliceerder sociaal leven de boeien van Eros zo knellend dat ze kennelijk amper meer te verdragen waren. Daarom zette de homo sapiens zijn hartstochten en hormonale opwellingen om in kleine sekspoppen

Archief

37 th IFFR: Dagen zonder lief '? Cross Roads '? Shanghai trance '? He Fengming, a Chinese memoir

3 februari 2008

37 th International Filmfestival Rotterdam

Dagen zonder lief '? Cross Roads '? Shanghai trance '? He Fengming, a Chinese memoir

'Dagen zonder lief 'van Felix van Groeningen is een luchtige poging om heimwee van jonge mensen op te kloppen tot een verleden dat ieder personage construeert om zichzelf bij mekaar te houden in een leefomgeving die snel desintegreert. De terugkomst van Zwarte Kelly ( Wine Dierickx) die Sint Niklaas had ingeruild voor New York, zorgt voor onrust in de relaties van de vrienden van toen. Het verhaal van haar abortus en de zelfmoord van een van de vrienden biedt nieuwe perspectieven om de sleur te doorbreken. 'Dagen zonder lief' heeft van ver iets van 'Bonjour Tristesse' van Franà?oise Sagan. De film heeft soms wat van een promotieshot van Freddy Willockx voor zijn nieuwe Grote Markt, inclusief ondergrondse parking en prachtige leegstaande lofts. Zij het dat de kijkers van dit soort bewegende beelden te weinig in de slappe was zitten om doelgroep te spelen voor deze projectontwikkelaars.
De toeschouwers in Rotterdam leken zich te herkennen in de humor van de uitzichtloosheid die mooi wordt verwoord door Nick ( Koen De Graeve), de oudere jongere die blijft loeren naar kakelende kuikens: >'?Eigenlijk zijn we allemaal camionchauffeurs. We zijn altijd alleen onderweg.'?
De dialogen in 'Dagen zonder lief 'werden in Rotterdam gesmaakt en het applaus was intens.
De muziek van Jef Neve is prachtig en vervoerend.
Jef Neve is dan ook van Turnhout. 't Is tenslotte overal Turnhout, zelfs in Sint Niklaas!

Crossroads '? Wang Jing.

Wang Jing (1981) is voor haar film vanuit Beijing teruggekeerd naar haar geboortestad Jishan in de provincie Shanxi. Ze lijkt een grote affiniteit te hebben met jonge mensen op haar oude school waar ze de kalverliefdes, het pesten, het gekonkel van leraren en directie, de positie van de ouders die bepaald wordt door hun geld, eindeloos weet te verfilmen. Het geeft de toeschouwer de kans om naast de hoofdpersonen een idee te krijgen van het ware leven in het Rijk van Midden dat aan een reusachtige wederopstandig begonnen is. De brokkelige infrastructuur, de stank, het stof, het gebrekkige vervoer, het lawaai, de belabberde woonomstandigheden, overbevolkte klassen zijn het decor voor haar puberverhaaltjes. Wellicht ongewild geeft ze ook een indringend beeld van de jongerencultuur in een maatschappij waar alle normen en waarden van het communistische tijdperk ingeruild werden voor de enige alomtegenwoordige leuze: 'Verrijk uzelf, zo helpe u god almachtig!'
Fascinerend hoe scholieren oude geheime genootschappen heroprichten, hoe ze zich wentelen en keren in misdadige triades die met steaming, roof, geweld en dreigen met ouderlijke macht aan geld komen voor hun eindeloze behoefte aan sigaretten als statussymbool.
Dit soort bendes helpen de professionals die archeologische sites plunderen om zichzelf te verrijken. Ze leveren hand- en spandiensten aan corrupte aan- en ondernemers. Ze zijn het voetvolk in de strijd om de nieuwe macht en zoeken een houvast in de eigen bendecultuur waarvan ze de uiterlijke tekenen dragen en op hun lichaam tatoeëren als houvast in een snel verbrokkelende maatschappij waar een bebrilde intellectueel hoogstens nog als randfiguur zal worden gedoogd.

Shanghai Trance

David Verbeek maakte als jonge Nederlandse regisseur een Chinese film over Shanghai, de stad der wonderen. Er is geen stad in de wereld waar zekerheden in leven, werken en sterven zo snel veranderen. Jonge mensen herkennen vandaag de ratrace van de geschiedenis in hun eigen nog zo kortstondige leefervaring. Een gebrek aan continuà?teit, het ontbreken van een minimum aan zekerheid en veiligheid zet de één '? kind – gezinsconstructie zwaar onder druk. Alle aandacht weegt op het ene kind als vrucht van de verwachtingen van vier grootouders en twee ouders. Dat ene kind torst de verwachtingen van alle generaties và?à?r hem of haar. Shanghai was sinds de XIX de eeuw de schrik van de Chinese machthebbers. De laatste keizers beefden voor gerommel in deze havenstad, de voornaamste poort voor heel China. Mao Zedong en Deng Xiaoping waarschuwden de partijtop steeds een oogje te houden op Shanghai. Daar broeide alle dissidentie tegen het hoofdkwartier in Beijing, tot en met de Bende van Vier.
Recent nog werd zowat de hele partijtop afgevoerd.

De film zit drie jonge koppels op het lijf in hun leven en liefde, hun hebben en houden tot ze elkaar kruisen in de eeuwig grommende stad, waar nooit stilte te horen is.
Merkwaardig herkende de jonge Nederlandse filmmaker nog een ander aspect van Shanghai: de stad waar de vrouwen eeuwenlang de broek dragen, de matriarchale stedelijke cultuur.
Shanghainese vrouwen worden met enige terughoudendheid onwennig bekeken door Chinese mannen. Zij verdienden generaties lang doorgaans veel meer door extra inkomsten uit de prostitutie en aanverwante beroepen, waarbij de partner thuis voor de kinderen zorgde. Zo is de vader van de ambitieuze en elegante Zhang Yi enkel in haar thuiskomst geà?nteresseerd om geld voor zijn gokverslaving.

Shanghai leeft, werkt en sterft dag en nacht in een adembenemend ritme dat David Verbeek goed heeft weten te vatten. Jonge mensen trachten te surfen op de golven van de nieuwe economie om te vermijden dat ze in slavenjobs voor boeren en buitenlui verzeilen.
'Shanghai Trance'is een mooie illustratie bij het illusoire 'Ieder voor zich en de stad voor ons allen. '

He Fengming, a Chinese memoir

Meer dan drie uur onafgebroken staren naar een scherm waarop een oude dame met gesloten ogen eindeloos praat in een voor ons onbegrijpelijke taal is een hypnotiserende ervaring.
De spreekster is een oude journaliste die voor de statische camera van Wang Bing in één ruk door haar leven vertelt, enkel onderbroken door een toiletbezoek, een slokje thee, een telefoonoproep.
Haar schamel interieur wordt op je netvlies gebrand. Haar stem verleidt je als toeschouwer, omdat de armzalige Engelse ondertiteling veel ruimte laat voor eigen interpretatie.

Dit is een gruwelijke film die je moeilijk loslaat wegens de grote waardigheid, de bijna stoà?cijnse getuigenis van He Fengming die haar studies Engels opgaf om met haar man journalist te worden in het partijdagblad wanneer het Volksbevrijdingsleger in 1948 Lanzhou in de noordelijke provincie Gansu binnentrok. Ze waren jong en wilden meewerken aan de opbouw van een modern, socialistisch China. Ze werden lid van de partij en droegen haar boodschap uit.
Wanneer de Grote Voorzitter in 1956-1957 de liberaliseringsbeweging 'Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren!' lanceerde, reageerde de man van He Fengming '? Jingchao – enthousiast met vier essays waarin hij de kritieken van voorzitter Mao tegen de bureaucratie in partij en staatsapparaat ondersteunde met lokale voorbeelden.
Bij bijltjesdag werd hij dus snel herkend als raddraaier van 'de rechtse krachten die de kop hadden opgestoken'.
Na veel volkstribunalen werd Jingchao met zijn vrouw naar de werkkampen verplaatst om de ware revolutionaire geest te herontdekken en ten volle tot zich te laten doordringen. Hun kinderen werden overgelaten aan de grootouders. Jarenlang werkten ze zich te pletter opdat de partij hen als rechtgeaarde communisten zou kunnen herkennen. In wanhoop en vertwijfeling zaten ze opgesloten in concentratiekampen waar vele partijgenoten als 'rechtse' krachten stierven van honger en ontbering tijdens de herscholingsactiviteiten.
Wanneer Fengming bericht krijgt dat haar man stervende is, probeert ze hem alsnog te bereiken. Maar ze komt te laat met voedsel en medicijnen: hij was reeds in een massagraf verdwenen. Haar verhaal heeft door de taaie, tedere en serene klank iets bovenmenselijks.
Eens gerehabiliteerd en opgeborgen als klerk in het krantenarchief '? de oude kameraden waren de schaamte reeds lang voorbij '? lanceerde voorzitter Mao in 1966 de Grote Proletarische Culturele Revolutie. He Fengming werd opnieuw uit de archiefkelders opgedoken als rechtse antiproletarische kracht die ook nog een grootgrondbezitter in haar stamboom zou gehad hebben. Socialistische meet- en maakbaarheidsideologieën hecht(t)en veel belang aan de genetische herkomst van de kudde die zij willen bewinnen in de heilsstaat.
Zij gaan immers prat op simpele mechanistische wetenschappelijke kwalificaties die ze zich gretig toedichten als aanhangers van het dialectisch en historisch materialisme.

Deze keer zou He Fengming zich moeten herscholen op het platteland in warmere zuidelijke provincies. Ook deze culturele revolutie overleefde ze.
Na vele jaren keerde ze als een oude vrouw terug naar Lanzhou om de herinnering aan haar man, hun lijden en dat van miljoenen anderen uit te schrijven: heel vele mensenlevens die vermalen werden door het wentelende wiel van de Chinese geschiedenis.

De episode waarin ze vertelt hoe ze met haar oudste zoon het graf van haar man zocht in het dwangarbeiderskamp in het koude noorden, gaat door merg en been. Haar intussen volwassen zoon riep voor het eerst in zijn leven de naam van zijn vader over de eindeloze verzameling grafstenen, waar ze zijn graf nergens konden terugvinden omdat de aanduidingen door het barre klimaat weggevreten waren. Nooit had hij als kind de naam van zijn vader kunnen, durven noch mogen uitspreken omwille van de mogelijke politieke gevolgen.

De waardigheid waarmee deze grote dame haar leven onder het socialisme vertelt, is aangrijpend. Ook in de slotscène waar ze telefonisch contact heeft met andere gerehabiliteerde dissidenten die het overleefd hebben: 'Old soldiers never die!'

Wang Bing heeft met deze film een monument opgericht als een kras op de ziel van de toeschouwers opdat de Chinese herinneringen van He Fengming blijven schrijnen, zeker ook in het Rijk van het Midden.

Archief

Nationale Gedichtendag 2008

31 januari 2008


Het geeft niet of de ouderdom komt, wat is ouderdom?
Je hebt je schouders onder de wereld gezet
en die weegt niet meer dan een kinderhand.
Oorlogen, honger, vergaderingen in gebouwen
bewijzen enkel dat het leven doorgaat
en dat nog lang niet iedereen zich heeft bevrijd.
Sommigen vinden de aanblik barbaars
En zouden (gevoelige zielen) liever sterven.
De tijd is gekomen dat sterven niet helpt.
De tijd is gekomen dat leven verplicht is.
Leven zonder meer, zonder mystificatie.

Carlos Drummond de Andrade (1902 '? 1987)
Geciteerd in Cees Nooteboom, 'Tumbas', graven van dichters en denkers.
Uitg. Atlas.

Archief

Zhang Yang, Shower: hoge nood aan manueel strijk- en knijpwerk in moderne samenlevingen.

19 januari 2008

In Rotterdam wordt door het Fonds Achterstandswijken Rotterdam – FAW - nascholing voor huisartsen aangeboden met een film die tot nadenken kan stemmen over de relatie arts – patiënt in wijken waar vaak meer dan de helft van de bewoners van allochtone herkomst zijn.

Wegens de van oudsher vrij grote Chinese populatie in Rotterdam werd de film van Zhang Yang ( 1965) Shower uit 1999 gepresenteerd, die bij Film International in 2000 de publieksprijs kreeg toebedeeld.
De grote toevloed van Chinezen in Rotterdam viel samen met de economische crisis waar de stakingen in het begin van de XX ste eeuw van zeelieden en havenarbeiders gebroken werd door het aanwerven van Chinese zeelui, die nadien gedumpt werden op Katendrecht en in vreselijke armoede probeerden te overleven door pinda's te verkopen
Gabriel van den Brink onderzocht voor zijn studie 'Culturele contrasten – Het verhaal van de migranten in Rotterdam' ook deze bevolkingsgroep naar herkomst en samenstelling, waarbij telkens de geslotenheid opviel, waardoor ook de integratie in het Rotterdamse stedelijke weefsel bijzonder pover scoorde.
Zhang Yang heeft met ‘Shower’ veel prijzen weggekaapt op alle mogelijke internationale festivals: “Het badhuis is een microkosmos waarbinnen je perfect het menselijk gedrag kunt observeren.” Het originele badhuis heeft echt bestaan in de wijk van Beijing waar Zhang Yang zelf opgroeide.
De film opent met ‘harmonische’ toekomstbeelden van Beijing aan de vooravond van het nieuwe millennium (dat van China!). In een drukke winkel- en kantorenstraat nadert de cineast zelf een ultramoderne doucheblok, waar hij zich na digitale identificatie in een cabine uitkleedt voor een douchebeurt met alles erop en eraan: mechanisch, automatisch, zonder één enkele menselijke interventie. Met dit ideale toekomstbeeld voor de nieuwe mens in het land van het Harmonische Socialisme maken menselijke relatie plaats voor efficiënte maakbaarheidsidealen die hand is hand gaan met modern geldgewin.
In het ware leven heeft een Chinese zakenman Zhang Yang benaderd om dit revolutionaire doucheconcept te commercialiseren: “Die douche staat symbool voor de klinische maatschappij waarin China dreigt te veranderen. Met het verdwijnen van de traditionele badhuizen gaan ook de sociale structuren teloor van de wijken waarin ze een spilfunctie vervulden. In Shower zie je oude mannen in het badhuis met elkaar keuvelen, ze spelen krekelgevechten, masseren elkaar, maken ruzie en sluiten weer vriendschap. Het is een soort microkosmos waarbinnen je het menselijk gedrag perfect kunt observeren. Iedereen is er gelijk, ontdaan van kleding en sociale status. De ideale plek om een ode aan het samenzijn te brengen.”
Openbare badhuizen en publieke wasplaatsen waren eeuwenlang ontmoetingsplaatsen waar gemeenschappen aan elkaar werden gesmeed.
Met de automatische wasmachine en de private badkamer van Expo 58 plooide de moderne mens op zichzelf terug om met zijn eigen televisie nog een klein raampje op de verre wereld te houden: alleen en vaak angstig, hoogstens vergezeld van het de leden van het kleine kerngezin.
De kracht van een samenleving, van een veilige gemeenschap werd gebroken.

Zhang Yang werd door de Chinese filmcensoren verplicht een scène te schrappen waar projectontwikkelaars het badhuis komen opmeten omdat de hele wijk plaats moet maken voor een nieuw winkelcentrum met torenhoge flatgebouwen: “In de scène erna stierf de oude Badmeester Liu. De filmcensoren waren bang dat het publiek een negatief verband zou leggen tussen die twee gebeurtenissen. Meester Liu die zelfmoord pleegt omdat hem zijn badhuis wordt afgepakt. Zo luidde ongeveer hun argument. Ontmoedigend? Zeker, maar ik blijf er niet te lang bij stilstaan. Ik wil zoveel mogelijk films maken, zodat ik steeds weer op zoek kan gaan naar de grenzen van wat wel en niet kan. De Chinese film heeft, om te kunnen groeien, publiek nodig. Bovendien weten we allemaal dat protesteren tegen de censuur geen zin heeft. Daarom probeer ik me zo goed mogelijk in de censoren te verplaatsen. En er steeds wat meer speelruimte bij te smokkelen.”
'Shower ' is een tedere film over menselijke relaties tegen de achtergrond van de dreigende individualisering en commercialisering van mensenlevens in de Chinese grootstedelijke cultuur.
De eenzaamheid van ouders en kinderen van de gedwongen éénkindgeneratie is bijtend, uitzichtloos en blijvend. Guanxi – het zakelijke relationele netwerk – noch frequent digitaal contact strijkt hieraan helende zalf. Wellicht zal de aloude Chinese massagecultuur een uitweg kunnen bieden voor wie met gesloten ogen zijn of haar huid, buik-, borst- en billenvet, spiermassa en pijnlijke zones laat strelen en strijken, kneden en knijpen als een vorm van 'auto'- mutilatie door genadige mensenhanden en krachtige vingers van de eigen of de andere kunne. Duizend keer beter en helender dan de mechanische illusie van een moderne machinale beurt.
Er is nog veel strijkwerk aan de winkel in het Harmonieuze China.
Er is nog meer knijpwerk van doen om de gaten te dichten in het Westeuropese grootstedelijke weefsel en het leven van zijn bewoners.

Archief

Leonardo '? expo Koekelberg versus Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.

26 december 2007

Leonardo '? expo Koekelberg versus Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.

Monaldi & Sorti, De twijfel van Salaì.
De onverbeterlijke leugenachtige en genotzuchtige dief, over de onderzoeken van Ser Lionardo de schilder, zijn leermeester en pleegvader. Gekruid met een pikante novelle van Boccaccio en een brief van Machiavelli die het geval briljant oplost.
Uitg. Cargo De Bezige Bij 2007

‘Talloze malen heb ik in de praktijk van het leven bevestigd gevonden dat antiquaren vaak meer van boeken weten dan deskundig geachte professoren, kunsthandelaren meer verstand hebben van kunst dan kunsthistorici, dat een groot deel van de wezenlijk nieuwe inzichten en ontdekkingen op alle gebieden te danken is aan buitenstaanders. Hoe praktisch, bruikbaar en heilzaam het academische bedrijf voor mensen met een doorsnee talent ook mag zijn, voor individueel productieve geesten lijkt mij overbodig, bij hen kan het zelfs een remmende invloed hebben.' Stefaan Zweig, De wereld van gisteren.

'Neem een leugen, een legende en een aannemelijk feit, en je hebt een traditie' Karl L.

Liefhebbers van gemeenplaatsen, flauwe kul en dure onbenulligheden onder patronage van zijne majesteit Albert II, voorzitter Pà?ttering van het Europees Parlement en Commissievoorzitter Barroso kunnen nog tot 15 maart 2008 terecht in de Basiliek van Koekelberg voor de expo Leonardo Da Vinci, the European Genius – www.expo-davinci.eu.

Reeds ettelijke zomers worden argeloze toeristen in Italiaanse kultuursteden gelokt om voor veel geld de 'originele kopieën' van de beroemde uitvindingen van Leonardo te bestuderen. Steevast ben je dan opgelicht door een stel mechano-friemelaars met houtje-touwtjes- constructies die kant nog wal raken maar vooral de illusie proberen te verkopen dat de ‘uitvinder’ hiervan originele ideeën lang voor de aangewezen tijd kon ontwikkelen. Vaak helpen 3D- modulaties op beeldscherm om de glans van genialiteit te versterken.
Pas veel later zou men het nut van een helikopter, een geniebrug, een tank, een machinegeweer kunnen begrijpen. Zo geniaal was die uitvinder dat hij dingen uitvond waaraan niemand wat had.
Het heeft iets van de Europese commissie die ook graag dingen uitvindt waaraan niemand wat heeft, behoudens de kassa van de tentoonstelling of verwante bedrijfsbelangen.
De roep van genialiteit die 'Leonardo' '? de voornaam volstaat als blijk van de eigen kennis in het armzalig milieu van navelstarende Brusselse bourgeoisie '? dient te dekken en te verkopen, is waarlijk hilarisch.

Vooral voor wie van Monaldi & Sorti 'De twijfel van Salaì ' heeft genoten:

351. De modernste inzichten van het wetenschappelijk onderzoek rekenen af met de figuur van Leonardo als de ‘visionaire’ geleerde, die in zijn projecten vage voorgevoelens aangaande toekomstige machines giet. Het genie uit Vinci was vaak op zoek naar Griekse handschriften waaraan hij grote waarde toekende. (...)
Onder de geleerden komt steeds duidelijker naar voren dat Leonardo niet de toekomst voorspelde, zoals hem vaak is toegedicht, maar het verleden registreerde en probeerde te doen herleven: zoals is aangetoond door de wiskundige Lucio Russo ( La rivoluzione dimenticata. Il pensiero scientifico greco e la scienza moderna, Milaan 1996), putte Leonardo evenals andere wetenschappers en ingenieurs uit de renaissance volop uit het rijke technologische erfgoed van het oude Griekenland, dat in het Romeinse en middeleeuwse tijdperk vergeten of overschaduwd was, maar terugreikt tot in oeroude tijden.

352. Leonardo pakte kortom het Griekse en hellenistische gedachtegoed weer op en ontwierp machines waarvan hij niet altijd het doel begreep, om welke reden ze niet konden werken, en niet omdat hij zijn tijd vooruit was. Om ze te bouwen was kennis nodig geweest die inmiddels verloren was gegaan.
‘De renaissancistische intellectuelen’, schrijft Lucio Russo verder, ‘waren niet in staat de hellenistische wetenschappelijke theorieën te begrijpen, maar als intelligente, nieuwsgierige kinderen die voor het eerst in een bibliotheek komen, werden ze aangelokt door de afzonderlijke resultaten en met name door die welke in handschriften verlucht waren met tekeningen: bijvoorbeeld in willekeurige volgorde: de anatomische ontledingen, het perspectief, de tandraderen, de pneumatische machines, het smelten van de grote werken in brons, de oorlogsmachines, de hydraulica, de automaten, de ‘psychologische’ portretkunst, de bouw van muziekinstrumenten (Russo, p. 112.)

Maar 'De twijfel van Salaì' heeft meer in petto dan een ontmaskering van de mythe rond Leonardo.

Monaldi & Sort hebben er met het zevendelig magnum opus 'Imprimatur '? Secretum '? Veritas' ( Mysterium- Unicum -'? volgen nog in het Nederlands) hun handelsmerk van gemaakt om aan te tonen dat niets is wat het lijkt: 'Neem een leugen, een legende en een aannemelijk feit, en je hebt een traditie'

En aan die wetenschappelijke, historische en politieke traditie sleutelen zij met brio en kunde, tot afgrijzen van de zelfbenoemde erflaters uit de academische hofhouding.
Hun ontdekkingstocht naar de lastercampagne rond Alexander VI, de roemruchte Borgiapaus, hebben ze verwerkt in een brievenboek van de aangenomen zoon en hulpje van Leonardo, Salaì.

10. De jonge en weinig onderlegde, maar gewiekste Salaì is een volmaakte vertegenwoordiger van onze 'popolino scarpe grosse cervello fino' ( de kleine man op grove schoenen, maar met een fijn verstand), die buiten de grenzen van ons Schiereiland zo moeilijk tegen te komen is en misschien in hoofdzakelijk niet katholieke landen ook niet te begrijpen valt: een babbelzieke en toch eeuwig sceptische individualist, zonder vetes en hiërarchieën in zijn hoofd, een onbevooroordeelde waarnemer en daarom scherp van geest.

Door de ogen en de volkse intelligentie van Salaì demonstreren Monaldi & Sorti het Rome van die tijd, de zwendelaars in macht en waarheid, de menselijke kanten van 'Ser Lionardo' en zijn speciale en geniale voorkeuren, de manier waarop de wereld gedreven wordt door de zoektocht naar de drie 'G'-s : Gat, Geld en God '? zij het dat die in Rome in tijd, plaats en ruimte samenvielen.
De rol van de Borgia paus bij een ultieme poging om de Roomse Kerk in rustiger water te krijgen wanneer de golven van de reformatie aan kracht wonnen, de betekenis van de Elzasser humanisten en hun geschiedvervalsing met ‘De Germanen’ van Tacitus als ideologisch manifest voor de historische rol van het zuivere en krachtige, onbezoedelde Duitse volk'?het passeert allemaal langs het nietsontziende oog van Salaì. En passant maken de auteurs onderbouwd komaf met het zootje Da Vinci Code – aanhangers en fezelaars in demarge van de postmoderne mythevorming.

342. Als de leenman zijn hofnar in het openbaar aan het woord laat en hem toejuicht als een redenaar, dan zijn alle redenaars gedwongen een ander beroep te kiezen.
De enige manier om tegen de overheersende pulp in te gaan was dus door dezelfde wapens te gebruiken, maar dan omgekeerd: de hofnar aan het woord laten, maar met de argumenten van een redenaar. Als elke domoor die maar even zijn mond opendoet wordt toegejuicht, dan heeft de simpele salaris ook het recht om tussen kwajongensstreken en kromde zinnen door iets serieus te vertellen. Aan de andere kant is die omkering van rollen typerend voor onze tijd: heeft de serie romans met het grootste wereldsucces van de laatste tijd, geschreven door een bekende Engelse schrijfster voor de hersens van twaalfjarigen, geen miljoenen volwassenen lezers veroverd?

Lees verder »

Archief

Lieven Tavernier, wind & rook

26 december 2007

Lieven Tavernier, wind & rook

DE VIERDE CD VAN LIEVEN TAVERNIER IS ER
Wind & rook (de maison bleue sessies) werd de eerste drie dagen van augustus 2007 live opgenomen zonder overdubs in de woonkamer van producer Nils De Caster: What you hear is what you get.

Lieven Tavernier & '?De zondaars'?

Muzikanten
Lieven Tavernier : zang & gitaar
Nils De Caster: dobro, gitaar & mandoline
Yves Meersschaert : piano & accordeon
Bruno Deneckere : gitaar, banjo & mondharmonica
Mario Vermandel: Vaste bassist bij Tavernier & groep. Helaas & diep betreurd, kon Mario niet opnemen wegens tendinitis. Uit totale eerbied voor onze geliefde vriend werd besloten de c.d. dan op te nemen zonder bassist.

Gasten
Sarah D’hondt: zang
Frank Vantroyen: bastuba

Lieven Tavernier is één van de literaire schaduwen uit het noorden.
Ze schuilen onuitwisbaar in het wateroppervlak van onze taal
omdat na ieder woelig worstelen die schaduwen weerkeren
opdat de luisteraar erin zou kunnen verzinken.
Lieven Tavernier maakt met zijn woorden
van het Nederlands een taal vol mededogen.

Uit het noorden

De wind uit het noorden
Voorspelt niet vele goed
Het is de kou die niet meer weggaat
Uit mijn ziel en mijn bloed
En de nachten van augustus
Ze zijn voorbij voorgoed
En ik zal ze niet missen
En dat is goed

Er is de liefste die wegging
Die je nooit meer hebt ontmoet
En je weet dat je liegt als je zegt
Dat het jou niets doet
Want waarom dromen
Dat ze jou nog zoekt
En als je niet wordt gevonden
Ook dat is goed

En tijd is niemands vijand
En tijd is niemands vriend
En tijd kijkt niet om
Of hij jou nog vindt

Er is de dood die staat te wachten
Hij wacht op elke hoek
Hij kent de namen van mijn vrienden
Ze staan in zijn boek
En hij zegt aan mijn liefste
Dat hij mij halen moet
En ik weet dat ze niet luistert
En dat is goed.

Wind en rook

Regen in de morgen
De zon blijft verborgen
De wind waait al mijn dromen
Op een hoop
Het is halfweg oktober
De zomer is over
Ik wacht op de winter en ben rusteloos
Als wind en rook

Er valt licht door de ramen
Van de ziekenhuiskamer
Ik kijk naar mijn vader
Mijn vader gaat dood
En ik weet als ik wegga
Dat ik zonder hem wegga
Dat zijn leven verdwijnt
Als wind en rook.

In mijn donkere dagen

Klokken luiden in de nacht
Donkere doffe slagen
En ik ben zo ver van huis
In de donkere dagen
Regenmantel, hou me warm
In sneeuw en regenvlagen
Laat me nu het licht maar zien
In mijn donkere dagen

En ik loop de straten door
In de stilte van de avond
En ik zie de mensen die
Zitten in hun kamer
Televisielicht dat schijnt
Voor doven en voor dwazen
Misschien is dat wel het licht
In hun donkere dagen

Oude mensen zeggen mij
Jij hebt niet te klagen,
Jij hebt nooit de kou gekend
Van de oorlogsjaren
Nee jij kent niet het verdriet
Van zovele graven
Weet dat het zo erg niet is
Al jouw donkere dagen

Voor de schipper ver van huis
Ver weg van de haven
Voor de vrouw die slapen wil
En niet meer zal slapen
Voor de vreemdeling die wacht
Tot iemand hem komt halen
Hoop ik dat het licht zal zijn
In hun donkere dagen.

Jaren geleden en jaren lang schreef hij met 'Over Water' 1986
een ode aan Gent en haar verborgen water.
In 1991 haalden zijn onvergetelijke parels
van de Nederlandse poëzie (1974-1975) met Jan de Wildes 'HéHé'
de radio waardoor ze het Vlaamse collectieve onbewuste binnendrongen.

De fanfare van honger en dorst

We liepen in Gent rond,
we waren met zessen,
we kwamen van nergens
gingen nergens naar toe,
vanaf de terrassen,
in de koffiehuizen
bekeken we de mensen
en hun drukke gedoe.

We liepen met ons hoofd in de wolken
en werden dan wakker van honger en dorst
en iedereen riep: kijk daar loopt de fanfare,
de fanfare van honger en dorst.

We hadden geen geld om eten te kopen,
maar we wisten voor alles het beste adres,
mosselen bij Leentje
en frieten bij Helga
en Annie bewaarde voor ons wel een fles.

En iedere nacht, nog net voor het slapen
de laatste vijf frank in Eddies joeboks.
'?A hard rain's gonna fall'?,
we zongen 't allemaal samen,
de fanfare van honger en dorst.

En kwam er een vrouw
die een van ons meenam,
dan namen we afscheid en zegden vaarwel,
de fanfare trok verder
met minder leden,
de toon in mineur,
we begrepen dat wel.

Maar er was nooit een vrouw
die mooier kon zingen
dan onze fanfare van honger en dorst
en het duurde nooit lang
of we waren weer samen
met de fanfare van honger en dorst.

Wie van ons had ooit durven denken
dat iedereen van ons voorgoed weg zou gaan,
we hebben toen zelf de fanfare ontbonden,
we hebben als iedereen de prijs zwaar betaald.
De prijs van de vrijheid: in ruil voor wat centen,
een baan bij de bank, een auto, een kind,
maar ergens in de stad zingt
een nieuwe fanfare,
een nieuwe fanfare van honger en dorst
een nieuwe fanfare van honger en dorst.

Eerste sneeuw

Ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit,
ik werd heel langzaam wakker, ik wreef m’n ogen uit,
ik kon het niet geloven, maar voor de vensterruit,
viel zacht naar beneden, de eerste sneeuw.

Mijn mama kwam naar boven, ‘t Is tijd om op te staan,
mijm mama kwam naar boven, kom trek je kleren aan,
mama, lieve mama, kijk eens naar beneden,
ga je met mij mee, in de eerste sneeuw.

Kijk eens naar omhoog en kijk
de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k wou dat dit kon blijven duren
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw.

Waar is mijn wollen muts nu, waar is mijn dikke sjaal,
waar is mijn wollen muts nu, waar is mijn dikke sjaal,
en ergens in de kelder ligt toch nog die slee,
papa moet me duwen door de eerste sneeuw.

Kijk eens naar omhoog en kijk
de lucht is grijs en zit vol vlokken
‘k wou dat dit kon blijven duren
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo gelukkig in de eerste sneeuw.

Nu twintig jaren later, heb ik geen zin om op te staan,
nu twintig jaren later, kijk ik weer uit het raam,
mijn mama zal niet komen, mijn mama is lang dood,
ze ligt al lang beneden, in de eerste sneeuw.

Kijk eens omhoog en kijk de lucht is grijs en zit vol vlokken.
‘k Wou dat dit kon blijven duren,
dat het nooit meer zou stoppen.
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw,
‘k Voel me zo alleen in de eerste sneeuw,
in de eerste sneeuw

De verdwenen karavaan

Ik sliep in 't diepe duister,
in 't midden van de nacht,
stond iemand in mijn kamer
en zei, je wordt verwacht,
de karavaan staat klaar,
kom op en kleed je gauw
we staan op jou te wachten,
ja, d'r is nog plaats voor jou.

En toen ik uit mijn huis ging
zag ik een groepje staan
herkende hun gezichten
en wist nog ieders naam,
het waren oude vrienden
die ik nooit meer had ontmoet
en ook mijn jeugdvriendinnen
stonden wachtend op de stoep.

Iemand gaf een teken
en wij vertrokken toen,
de vrieslucht sneed bijtend
door mijn jas van licht katoen,
geen mens was in de straten,
er klonk nergens geluid
witte vlokken vielen,
veegden onze sporen uit

En weldra lag de stad
al heel ver achter ons
we liepen zwijgend verder
langs stilstaande wagons
en verder langs de velden
trok de karavaan
de wijzers op de toren
bleven onveranderd staan.

Een kind dat niet kon slapen
heeft ons die nacht gezien
en hoe op onze schouders
de sneeuw zacht nederviel
en hoe mijn jeugdvriendinnen
als zusters dicht bijeen
mijn liefdesbrieven lazen,
lieten vallen in de sneeuw.

Ik keek naar hun gezichten,
bekeek ze van dichtbij,
ze leken zacht en rustig
glimlachten tegen mij,
geen droefheid, geen vermoeidheid
de kou deerde hen niet,
ze liepen zonder aarzelen
naar een onbekend gebied.

En plotseling werd ik angstig
als wist ik niet waarom,
en niet toen ik wou vragen
of ik bij hen blijven kon,
lieten ze me achter
verdwenen een na een,
er werd geen woord gesproken
maar iemand knikte zacht van neen.

Mijn liefste kwam mij wekken,
ze zei, je sliep zo diep
ik wou mijn droom vertellen
ik vond de woorden niet
ik vouwde mijn handen
voor mijn gelaat
en weende zacht en bitter
om de verdwenen karavaan.

Naar aanleiding van de ‘vernieuwing’ van Radio 1 schreef Lieven Tavernier op 6 december 2007 een lezersbrief in De Morgen, die de essentie van een gecommercialiseerd cultuurleven ontbloot.

Nog even een reactie op ‘Radio 1-heidsworst’ (DM 3/12). Daarin deelt muziekcoà?rdinator Radio 1 Evert Venema mee dat er overdag geen muziek meer zal worden gedraaid van Vanuytsel of mij, “alleen nog in de late uurtjes”. We lijken warempel een ietwat hardere pornofilm, alleen geschikt voor ‘de late uurtjes’. Onze songs passen niet in de programmering overdag, “als we daarin een logische lijn willen aanhouden”, dixit Venema.
Ik kan me voorstellen dat Venema’s Berufsverbot niet alleen Vanuytsel en mij betreft, maar nog andere muzikanten. Omdat muzikanten niet altijd weten hoe ze ‘de logische lijn’ moeten aanhouden, stel ik graag het volgende voor. Venema stuurt ons een formulier toe waarin in eenvoudige bewoordingen uitgelegd wordt welke songs we (nog) mogen schrijven, welk tempo het correcte Radio 1-tempo is, welke sessiemuzikanten goede Radio 1-muzikanten zijn, of Radio 1 zelf de mix doet, en of we van elke song twee versies moeten aanmaken: een versie voor overdag en een versie voor ‘de late uurtjes’.
Zou zo een formulier niet dé oplossing zijn voor elke onzekere muzikant, en vooral hoe dankbaar controleerbaar voor regelneef Venema?
Lieven Tavernier, componist

Archief

British Vision tussen precisie en waanzin, MSK Gent

23 december 2007

‘British Vision’ tussen precisie en waanzin nog tot 13 januari 2008.

'British Vision' in het mooi gerenoveerde Museum voor Schone Kunsten te Gent zorgt nog tot 13 januari 2008 voor een boeiende show van twee eeuwen Britse kunst. Een paar honderd interessante tot prachtige werken met als hoogtepunten William Hogarth, Thomas Gainsborough, William Blake, John Constable, Joseph Mallord, William Turner, Dante Gabriel Rossetti, Edward Burne-Jones, Stanley Spencer, Graham Sutherland, Francis Bacon en Lucian Freud.
Van Henri Moore wordt een 'Row of Sleepers' uit 1941 geflankeerd door een foto van een geà?mproviseerde schuilkelder in een metrostation van Bill Brandt uit 1940: de oorsprong van Moores menselijke vormen in een uitzichtloze situatie.
De wisselwerking tussen de prille fotografie en de schilderkunst staat ondermeer bij de prerafaelieten en de landschapsschilders vaak verrassend in beeld.

Deze 'observatie en verbeelding in de Britse kunst 1750-1950' biedt een inkijk in het leven en lijden tijdens het Britse Rijk: om te lachen en te huilen, terug te deinzen en nabij te treden om de details te herkennen. Je vraagt je af hoe glijdend de grens kan zijn tussen krankzinnigheid en kunst. De snelle industrialisering – want die speelde zich af in de twee eeuwen ‘British Vision’ – was de drijvende kracht in de massale vervreemding die de Utopische Socialisten (Robert Owen) en later Marx en Engels herkenden.
Boeren en buitenlui werden bij de tienduizenden naar de stedelijke slums gedreven als werkvee in de helse orgieën van kolen en staal, lawaai, verstikkende smog en ijzige ellende.
Hun leven was ellendig. De familiale verhoudingen en de sociale economie in dorpsverband op het platteland werden hongergewijs vernietigd. In de industriesteden bepaalde de markt van lust en last de prijs van een mensenleven. Pas na 1820 kregen de puriteinse moraalridders meer vat op het stedelijke leven. Landschapschilders zorgden voor de romantische ode aan het eenvoudige, zuivere en gezonde leven tussen berg en dal. Gore spotprenten verdwenen naar de achterafkamertjes en de schone schijn maakte opgeld in het Victoriaans tijdperk.

Theodore Dalrymple – Engels psychiater en auteur – heeft ruim werk gewijd aan het fenomeen van de Britse beschaving en wat ervan over is...
Hij fileert met vlijmscherpe pen de ‘Bloomsbury’ Group’ en Virginia Woolf. Het portret door Henry Lamb van Lytton Strachey is een indringend voorbeeld van zelfkritiek in een vergelijkbare betekenis.

Het protestantse puritanisme – waar de directe en persoonlijke relatie met de heersende god centraal staat – is er nooit in geslaagd de gelukzalig bevrijding te beloven zoals het rijke Roomse leven dat met veel zwier voorhield. Een puriteinse scholing en opvoeding was voor velen een vreselijk geestelijk lijden vol verwrongen gevoelens, angsten en pijn om falend verlangen en verboden lusten. De fysieke en mentale automutilatie uit zich in schrikwekkende beelden van lijden en pijn, van verstilde gruwelen als leugens over het leven voor en na de dood.

Zo heeft iemand als Tony Blair tussen precisie en waanzin nu eindelijk rust kunnen vinden.
Eindelijk heeft hij de verlossing van de biecht leren kennen. In zijn anglikaanse geloof droeg hij alleen de verantwoordelijkheid voor zijn zonden, zijn leugens, zijn bedrog. Hij moest daar in de spiegel van zichzelf het eigen oordeel lezen over zijn misdaden tegen de geschiedenis en de menselijkheid. Voorwaar dit kan ondragelijk zijn.
Hoe bevrijdend, verlossend en veilig is dan niet de absolutie die hij uit de gezegende handen van de Roomse Paus Ratzinger – Benedictus XVI - mocht onvangen. Zijn nieuwe moeder, de Ene, Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk, vergeeft hem welwillend al zijn zonden zodat hij een nieuw leven kan beginnen. Wat niet het geval zal zijn voor vele slachtoffers van zijn politiek beleid als butler van de Amerikaanse president.
Er waart alweer een spook door Europa: na de bekering van Tony Blair, geeft ook de Franse president Nicolas Paul Stéphane Sárkà?zy de Nagy-Bocsa acte de présence bij de Heilige Stoel, zijn geloofsverklaringen in de ene hand, zijn liefdeslijden aan de andere.
De gelovige schapen horen weer onder de goede herder te blaten.
Bij ‘British vision’ is dit fenomeen ook in beeld gebracht.

De catalogus van ‘British Vison’ met een inleiding van Robert Hooze is zeer de moeite waard omdat de lijnen tussen de verschillende generaties duidelijk worden getekend.
Timothy Hyman analyseert de Britse kunst tussen precisie en waanzin.
De citaten die gepresenteerd worden aan de bezoekers zijn verhelderend:

-'De absolute, genadeloze waarheid '? Wij noemen het een samenleving'?het is een wederzijdse vijandschap. 'Thomas Carlyle, in Past and Present, 1843.
-'Er zijn staten waarin alle visionairen als gekken worden beschouwd.'William Blake , Laocoà?n, 1826-1827
Troosteloze sprookjes: 'Wij zij doordrongen van het puritanisme en we zullen er nooit aan ontkomen, en ik haat het en het maakt ons tot het meest behoedzame schijnheilige ras op aarde.'Edward BurneJones, 1893
-'Als anderen het kunnen zien zoals ik het gezien heb, dan mag het een visioen genoemd worden eeder dan een droom.'William Morris, News from Nowhere, 1892
-'Engeland staat nog steeds buiten Europa. Europa's stemloze trillingen bereiken haar niet. Europa is ver weg en Engeland maakt geen deel uit van haar lijf en leden.'John Maynard Keynes, The Economic Consequences of the Peace, 1919.

En James Ensor bekreunt zich in een belendende zaal dat hij Engelser is dan de Britten, niet alleen door zijn afkomst, maar meer nog door zijn schilderwerk. Het zou zijn marktwaarde over het water ten goede kunnen komen…

Keynes had het in 1919 al goed gezien. ‘British Vision’ is een mooie illustratie van die vaststelling. Rare jongens, die Britten, rare meisjes'?

Dat maakt deze tentoonstelling zo intrigerend:
zo nabij en toch heel anders dan de continentale kunst.

Archief

Ziek tussen lichaam en geest – Museum Dr. Guislain Gent

21 december 2007

‘Ziek tussen lichaam en geest’ in het Museum Dr. Guislain te Gent, nog tot 27 april 2008

“Ziek. Tussen lichaam en geest”

is een samenwerking tussen STAM - Gent Cultuurstad, het Museum Dr. Guislain en het Bijloke Muziekcentrum Gent naar aanleiding van 700 jaar ziekenzorg in de Bijloke, 200 jaar Broeders van liefde en 150 jaar Guislain-instituut..

De tentoonstelling 'Ziek’ in het Dr. Guislainmuseum doet een '? beperkte '? poging om een antwoord te suggereren op de vraag waarom iemand ziek is. Maatschappelijke, culturele en antropologische trends worden aangeraakt. Soms hilarisch, soms ridicuul, soms rommelig, soms onduidelijk, soms beklemmend, soms verbazend en finaal met een merkwaardige doorkijk naar de hedendaagse iconografische kunsten: figuratief en abstract, symbolisch en wetenschappelijk. Want met de tentoonstelling kreeg het museum een opknapbeurt voor haar vaste collectie waardoor de medisch wetenschappelijke iconografie van rà?ntgen tot MRI beter tot zijn recht komt. Daar wordt helder dat niets is wat het lijkt, zeker niet in de geneeskunde met wetenschappelijke pretenties.
Wellicht ongewild, maar het museum Dr. Guislain licht een tip van de sluier op waarin zich de helende werking pleegt te hullen van sjamanen, heilpraktikers, handelaren in elixir, handopleggers, genees-, heel en verloskundigen. Zeker waar het de rol van de iconografie betreft in de zich regulier noemende geneeskunde.
Het helend effect dreigt immers te falen wanneer het mechanisme van de angst onthuld wordt.
Wie de nodige angst in de hoofden van zijn potentiële clientèle kan planten, weet zich verzekerd van een vlotte stroom offers in natura of klinkende munt.
Een gezond en eeuwig leven, een ultieme verlenging van het lijden van een dierbare is best een flinke stuiver waard, niet? En dan helpt de macht van het beeld, de cultuur van het icoon als begrijpelijk symbool van pijn en lijden. Dat hoort gevisualiseerd in een beeldcultuur, dat hoort voorgebeden in een orale traditie van mantra's en bezwerende woorden.
Die helende mantra's zijn in vijftig jaar hun kracht verloren bij westerlingen sinds film en televisie het indringend kijken tot onovertroffen zelfhypnose heeft verheven.
De cultuur past zich aan, de beleving van ziekte en pijn evenzeer.
'Ziek tussen lichaam en geest' lijkt eerder een illustratie voor 'Ziek van lichaam en geest'.

Ivan Illich formuleerde het in zijn Medical Nemesis in 1976 – Grenzen aan de geneeskunde: het medisch bedrijf – een bedreiging voor de gezondheid? glashelder:
In de technische evolutie volgen twee types ontwikkelingen elkaar op: de eerste biedt soelaas en hulp voor velen en vergroten zelfredzaamheid en welzijn, de tweede leidt tot grote afhankelijkheid van specialisten die dure kunsten bedrijven waarbij hun clientèle vooral van de onmisbaarheid overtuigd moet blijven. Geleidelijk aan ' democratiseert ' de toegang tot dit soort specialiteiten wat de commerciële waarde ervan opdrijft.
Gezondheid op de vrije markt maakt van de geneeskunst een kostelijke illusie.
Wie de moed heeft, zich aan deze commerciële wetmatigheid te onttrekken en op een stoà?cijnse manier de dood in de ogen durft te zien, dan wel in een sociale omgeving steun en geborgenheid kan vinden voor zichzelf en zijn nabestaanden, verwerft met het gezond verstand een grote vrijheid.
De beperking van de mateloze dans van de toverdokters en veelbelovers levert een waardevolle zelfredzaamheid en gemoedsrust.

In het Gentse Dr. Guislainmuseum proberen de inrichtende machten in verschillende kabinetten een sfeertje te creëren met de klassieke gruwelbeelden en de gesel van de venerische ziekten die bij voorkeur schrikbarende stigmata in het aangezicht opleveren. Door seksualiteit te demoniseren zou de menselijke driftenergie in feesten van angst en pijn gekanaliseerd worden. Wie zich aan lustvol genot overgaf, zou zich verstoten weten door de gemeenschap. Ja zelfs de eigen familie en geliefden zouden zich beschaamd afwenden van de mateloze bedrijvers van ontucht.
Er waart een merkwaardige geest doorheen dit museum: de menselijke tronie in onbegrijpelijke pijn en akelige grimassen die medelijden moet wekken en tegelijk dreigen als de gesel die het vlees zal tuchtigen.
De broederlijke en liefdevolle zorg voor de minsten onder de Zijnen was een onderdeel van een dubbele moraal: verstedelijking ging gepaard met ontheemding. Verscheurde familiale samenlevingsverbanden konden geesteszieken niet langer handhaven.
Stedelijke samenlevingen bergen ook meer mensen die hun denken niet langer op een rij houden. Stadslucht bevrijdt, maar alleen voor diegenen die het aandurven de gezellige warmte van de schaapskooi te verlaten. Voor anderen is de gedwongen ontheemding een drama dat ze nooit meer te boven komen. Voor hen werden instellingen geschapen waar de Broeders van Liefde hun hemel verdienden. Kerkers werden tuchthuizen, gevangenissen werden tehuizen met een strikte collectieve continuà?teit die het leven weer overzichtelijk maakte voor kolderieke schapen die in zichzelf verdwaalden.
Bezoekende familieleden vervulden hun christelijke plicht en droegen het omen rond om wie uit de band dreigde te springen in de hand te houden met lugubere verhalen over het leed achter de muren en de moderne behandelingen als feesten van angst en pijn.

Ik heb in Guislain al heel wat betere tentoonstellingen gezien dan 'Ziek tussen lichaam en geest': inhoudelijk te licht bevonden, technisch vaak te zwak belicht of te laag geplaatste relieken die dan nog eens veel te summier worden toegelicht, zelfs rolstoelgebruikers hebben er nauwelijks wat aan.
Het begeleidende boek zou dit moeten compenseren, maar blijft naar mijn aanvoelen te oppervlakkig en fragmentarisch. De tekeningen van Félicien Rops zijn schitterend in een passende belichting. Daarvoor kan je in Namen terecht in het Musée Provincial Félicien Rops.

De esthetisering van het medische arsenaal is echter van een ondraaglijke schoonheid: art-deco dokterskasten in glas waarin iedere arts van enig niveau zijn martelwerktuigen aan de patiënt pleegt te tonen, worden nu gepresenteerd in een prachtige symfonie van chroom en glas: steriliseerdozen en labmateriaal met verduurde gummislangen. Een eens zo duur en waardevol instrumentarium vol levensreddende glans en pijnverlichtende klank verstilt hier tot schoonheid met eeuwigheidswaarde.

Maar er leeft alweer een mirakel te Gent.
De affiche van de tentoonstelling ‘Ziek tussen lichaam en geest’ belooft in blauw en rood een boeiende schizofrene inkijk, die je echter nergens kan terugvinden.
In het Museum voor Schone Kunsten kan je daarentegen wel terecht voor 'British Vision' waar 'Mrs. Mounter at the breakfast table '(1916-1917) van Harold Gilman veel goedmaakt: een stilleven waar zijn hospita iedere ochtend schuilt achter het theeservies voor de kwellingen die gedurende de eindeloze dag haar deel zullen zijn.
Bij ‘British Vision’ vind je ook een ruim aanbod van psychopathologische wendingen van de menselijke geest, tot soms prachtige kunst verheven.

Archief

Piet de Moor, ‘Grimmig heden’, een polyfonie. uitg. Van Gennep.

17 december 2007

Piet de Moor, Grimmig heden, een polyfonie. uitg. Van Gennep.

' Boeken maken de tijd ruimtelijk, het zijn doorgangen. Voor Jorge Luis Borges is een verzameling boeken een poort in de tijd.' (36).
Voor deze doorgangen in het labyrint van de tijd levert Piet de Moor met zijn ' Grimmig heden' een bos sleutels. Hij gedraagt zich in dit merkwaardig dagboek als de verzamelaar van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem, maar die er wel degelijk toe doen, ook voor anderen.
Als archivaris van zijn 2005 is Piet de Moor een heler geworden met woorden, ook voor zichzelf; want de sleutels in zijn eigen leven lijkt hij verloren gelegd te hebben tussen de boeken van zijn zijn:
' Ik ben een laatbloeier. Waarom? Omdat ik pas laat inzag dat ik niet de schrijver was die ik me lang geleden had ingebeeld te zijn, een beeld waarvan ik geen afstand wilde doen. Maar ik paste niet in dat schrijversimago dat ik voor en van mezelf ontworpen had. Ik stond voor een deur waarvan ik dacht dat ze vergrendeld was, en het duurde lang voor ik ontdekte dat ze moeiteloos openging. Mijn vooroordelen en mijn gebrek aan kennis keerden zich in al hun monsterachtigheid tegen mezelf.' (186)
'Grimmig heden' is geen boek om te lezen. Het is een boek om naar te luisteren en opnieuw te beluisteren zodat we de klank van de sleutels leren herkennen. Dat is heilzaam, ook voor zijn lezers.

In zijn ' Gelaarsde god, Stalin en de aura van de macht' citeert Piet de Moor de Oostenrijkse schrijver Heimito von Dodere in 'Ieder mens een moordenaar' :

'Ieder mens krijgt zijn kinderjaren als een omgekeerde emmer over zijn hoofd gezet. Pas later blijkt wat erin zat. Maar ons levenslang druipt het langs ons heen, hoe vaak we ook van kleren of kostuum wisselen.'

In 'Grimmig heden' komt hij daarop terug:
'Alles gebeurt zoals het op de rol geschreven staat. Omdat echter vertrouwen goed maar controle beter is, probeert de meester de hand vast te houden van degene die schrijft. ( Overweging bij Diderot, Jacques de Fatalist en zijn meester -353)

Dat alles in ons universum bepaald zou zijn, is echter een illusie. Het lijkt maar zo, vooral achteraf omdat je dan de voorbeschikkende lijn kan herkennen in de vele keuzes die gemaakt werden. Toen echter die keuzes gemaakt dienden te worden was er doorgaans geen lijn te volgen. Telkens zijn er talloze doorgangen in ons labyrint, telkens maken we een keuze. Iedere keuze is een verraad, een ontkrachting van alle andere mogelijkheden, ook wanneer de keuze reeds op de rol geschreven leek te staan.
Er is geen voorbeschikking, tenzij achteraf, als excuus voor onszelf en vele anderen.
Wie zich verliest in de terugblik op het voorbeschikte patroon dat achteraf herkend wordt, verliest zichzelf in de stront die uit de emmer op het hoofd blijft druipen.

Piet de Moor opent ' Grimmig heden' met een citaat van Arthur Schopenhauer, ' Over lezen en boeken' uit zijn ' Parerga en paralipomena':

' Er zijn altijd twee soorten literatuur geweest, die tamelijk vreemd naast elkaar staan: een werkelijke en een schijnbare. De eerste groeit uit tot een blijvende literatuur. Beoefend door mensen die voor de wetenschap of de poëzie leven, gaat ze ernstig en steil, maar uiterst langzaam haar gang, en brengt Europa per eeuw nauwelijks een dozijn werken tot stand, die echter wel blijven. De andere literatuur, beoefend door lieden die van de wetenschap en de poëzie leven, gaat in galop, begeleid door een hels kabaal en geschreeuw van de belanghebbenden, en brengt jaarlijks vele werken op de markt. Maar na al enkele jaren vraagt men: waar zijn ze? Waar is hun zo vroege en luidruchtige roem? Men kan de laatste dan ook de vlottende, de eerste de staande literatuur noemen.'

Met sommige van zijn 'Grimmig heden' heeft Piet de Moor een bijdrage geleverd die de staande literatuur rond deze millenniumwissel stevig ondersteunt.

Lees verder »

Archief

Hanne-Vibeke Holst, Kroonprinses – Archipel 2007

14 december 2007

Hanne-Vibeke Holst, Kroonprinses – Archipel 2007

'Kroonprinses' gaat vooraf aan de 'Koningsmoord' maar verscheen pas na de kroniek van een aangekondigde moord in het Nederlands: een nadeel en een voordeel, want het verleidt je tot herlezen van de magistrale 'Koningsmoord' van Hanne-Vibeke Holst. Ze biedt een minutieus en hyperrealistisch opgebouwd beeld van het gevecht om de politieke macht binnen de Deense sociaal-democratie. Ze onthult hoe dit nadien explodeert in de handen van de hoofdrolspelers.
Met 'Kroonprinses' trekt Hanne Vibeke Holst haar lezers doorheen het boek in een wervelend realistisch verhaal over vrouwen in de politiek en het lijden dat hun deel is: voor, tijdens en na, in het publiekstheater en thuis tot die gedenkwaardige dinsdag van 11 september 2001.

Haar beide politieke romans verdienen aanbeveling bij alle vrouwen met politieke ambitie, machtsverlangens en een beetje intellectuele vermogens. Het helpt hen gegarandeerd om de ondraaglijke lichtheid van het politieke bestaan te relativeren. Het helpt hen ongetwijfeld om Niccolà? Machiavellis 'Heerser' uit 1513 te begrijpen.
Voor wie ' Il Principe ' en de ' Discorsi ' te complex doorwegen en de tijd voor reflexie beperkt is, biedt wikiquote voldoende passende citaten.
Haar beide politieke romans verdienen aanbeveling bij alle mannen die politieke ambities hebben omdat ze er een voorproefje van hun lijdend leiden kunnen lezen, maar ook bij alle mannen die politieke ambities hadden nadat ze zonder al te veel scha en schande ontsnapt zijn uit de dans om de macht.
Wie nog over de dansvloer denkt te zwieren, kijkt beter naar de filmversies die naar verluidt in Zweden worden uitgebracht van Holsts drama over de koninklijke kunst van het democratische spel.

Hanne-Vibeke Holst (1959) is een Deense schrijfster, columniste, journaliste en documentairemaakster. Zij is zeer gerespecteerd als een uitgesproken verdediger van de rechten van de vrouw. Ze zetelt in de raad van beheer van de Deense nationale UNESCO commissie en schrijft over vrouwenzaken voor UNFPA, het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties. Haar werk is in niets vergelijkbaar met wat de Vlaamse 'UNFPA goodwill ambassador' ervan bakt, al dan niet op de treurbuis van haar leven.

Naar aanleiding van 'Koningsmoord' biedt het Deens Kultureel Instituut een boeiend interview van Marnix Verplancke met de auteur over de positie van de vrouw in de politieke en de samenleving.

'Wanneer vrouwen de politiek ingaan. laten ze zich al te makkelijk afblaffen. Van die vrouwen brutale wezens maken die meedraaien in het politieke machtsspel, ligt niet voor de hand.
('?)
Je kunt je niet voorstellen hoe erg het gesteld is met mannelijk geweld tegen vrouwen, daar valt het internationale terrorisme bij in het niet.'

We don't give up, Hanne!

78. Shakespeare leerde ons al dat de politiek een bloedig ambacht is. Misschien is het wel daarom dat wij die ons buiten de arena bevonden maar gefascineerd aan de zijlijn toekeken, vermeden hebben dat universum te betreden, waar vrienden elkaars vijanden worden, misdaad loont en rechtvaardigheid niet altijd zegeviert. In ieder geval niet op korte termijn. Van buitenaf gezien lijkt het gewoon te grof, te lelijk, een hedendaags Forum Romanum. Maar als dit alleen maar zo zou zijn, zou niemand hier vandaag de dag staan. Want politiek is toch ook een strijden voor goede dingen, voor vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid. En hier op deze plaats, in dit ministerie, waarvan ik misschien diep vanbinnen altijd gedroomd heb om het te mogen leiden, is het en moet het ons privilege zijn, om voor zoiets belangrijkste te mogen strijden als dit milieu en deze natuur, die we toch aan ons zullen moeten onderwerpen, willen we überhaupt als soort kunnen overleven.

97. Dus een politicus kan kiezen tussen een langzame, stille dood of een plotselinge en gewelddadige.

99. We hebben het erover dat je als politicus een talent moet ontwikkelen om zoveel mogelijk van je politieke standpunten erdoor te krijgen. Dat een goed politicus zijn actieradius kent en dat een goed politicus zelfs in staat is deze uit te breiden door anderen met zich mee te krijgen. En dat verkrijg je niet door over je integriteit te jammeren of bang te zijn om vieze handen te krijgen.

121. Zo zag ze er thuis ook uit, daar was hij zeker van. Zo zag ze eruit wanneer ze zichzelf was. In tegenstelling tot haar voorganger, die nooit, ook niet als hij in het weekend zonder stropdas binnenkwam, zijn ministerhouding aflegde. Hij was één geworden met de rol en dat had hem genekt. Zijn knieval voor de zoete smaak van de macht, zijn gebrek om de dingen los van elkaar te kunnen zien. Misschien lag het gevaar vanbinnen opgegeten te worden door een kleine wormpje van ijdelheid het meest op de loer bij mannen. Wat niet betekende dat vrouwen geen last van grootheidswaan kregen. Hij had daar voorbeelden van gezien, die niet onderdeden voor die van mannen. Maar toch leek het alsof vrouwen de verleiding om één te worden met de figuur beter weerstonden. In ieder geval werden ze er niet zo door geà?mponeerd en dat vond hij wel een opluchting. Ook al kon hij natuurlijk best het gevaar inzien van het teveel jezelf zijn. Er lag per slot van rekening ook een zekere bescherming in de pose en in het pantser van de macht.

248. Als je je in het gevecht om de macht gaat werpen, word je zeker onderuitgehaald, onder de voet gelopen of onder vuur genomen door sluipschutters, wat dan ook. Dus daarom moet je de macht zà? graag willen dat je die ook wil veroveren. Daarmee wordt je perspectief ook groter. Dan gaat het niet alleen om je merites als milieuminister. Dan moet je iets verder denken.

Archief

Stefan Zweig, De wereld van gisteren – Herinneringen van een Europeaan. uitg. De Arbeiderspers

9 december 2007

Stefan Zweig, De wereld van gisteren – Herinneringen van een Europeaan. uitg. De Arbeiderspers

Stefan Zweig (1881) maakte op 22 februari 1942 samen met zijn tweede vrouw Charlotte '? Lotte – Altmann in de buurt van Rio de Janeiro een einde aan hun leven. Met 'De wereld van gisteren' had hij na een leven van lezen, schrijven en reizen, van zwerven, vluchten en verliezen zijn autobiografie als Europees intellectueel volbracht. Het leven was in hun denken voorbij en hen restte moed, zin, noch wil om na de nederlaag van Hitlers Duitsland nog eens helemaal opnieuw te beginnen in een wereld die ze nauwelijks zouden herkennen. Hij was het moe en der dagen zat.

In zijn afscheidsbrief zegt hij het als volgt:

»Ehe ich aus freiem Willen und mit klaren Sinnen aus dem Leben scheide, drà?ngt es mich, eine letzte Pflicht zu erfüllen: diesem wundervollen Lande Brasilien innig zu danken, daà? es mir und meiner Arbeit so gut und gastlich Rast gegeben. Mit jedem Tage habe ich dies Land mehr lieben gelernt, und nirgends hà?tte ich mir mein Leben lieber vom Grunde aus neu aufgebaut, nachdem die Heimat meiner Sprache für mich untergegangen ist und meine geistige Heimat Europa sich selber vernichtet. Aber nach dem 60. Jahre bedürfte es besonderer Krà?fte, um noch einmal và?llig neu zu beginnen. Und die meinen sind durch die langen Jahre heimatlosen Wanderns erschà?pft. So halte ich es für besser, rechtzeitig und in aufrechter Haltung ein Leben abzuschlieà?en, dem geistige Arbeit immer die lauterste Freude und persà?nliche Freiheit das hà?chste Gut dieser Erde gewesen. Ich grüà?e alle meine Freunde! Mà?gen sie die Morgenrà?te noch sehen, nach der langen Nacht! Ich, allzu Ungeduldiger, gehe ihnen voraus.«

De naà?viteit waarmee hij in zijn '?Wereld van gisteren '? Herinneringen van een Europeaan'? het socio-culturele leven in Frankrijk en het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk bejubelt, is merkwaardig maar eerlijk. Hij probeert manmoedig zichzelf te tekenen in het licht van de tijd van toen en gunt de lezer inzage in het wel en wee van de Europese intellectuele elite và?à?r de Eerste Wereldoorlog.
In de loop van zijn boeiend bestaan als telg van een geassimileerde rijke en gecultiveerde joodse familie uit Wenen leerde hij zowat de hele westerse artistieke en filosofische wereld kennen.
Zijn literair werk was succesvol en hij behoorde tot de culturele fine fleur van zijn tijd.
De teneur van zijn herinneringen is soms pedant, op het randje van snobistisch snoeven.
Zijn analyse van Hitlers opkomst en succes is indringend, die van zijn eigen falen in het verzet evenzeer.
In zijn studie over Erasmus herkent hij het falen van de intelligentsia en zichzelf tegenover de gemanipuleerde dwaasheid van zijn tijd :

368. Hoewel Erasmus de zotheid van de tijd beter doorzag dan de professionele wereldverbeteraars, was hij op tragische wijze toch niet in staat haar een halt toe te roepen, ondanks al zijn intelligentie.

Zweig weet boeiend het gekronkel en gekonkel van sommige artistieke vrienden van weleer te verhelderen. Zo wijdt hij ondermeer boeiende stukken aan de relatie van Richard Strauss met de nazi-kopstukken

Aangrijpend zijn de bladzijden waarin hij de boekverbrandingen door de Duitse studenten beschrijft, het pijnlijke lot dat ook zijn eigen geesteskinderen deelden:

'? Volgens hetzelfde systeem waarmee men de 'volkswoede' organiseerde om de al lang voorbereide boycot van de joden te realiseren, kregen de studenten een geheim signaal om hun 'verontwaardiging' over andere boeken in het openbaar te uiten. En de Duitse studenten, blij met elke gelegenheid om blijk te geven van hun reactionaire gezindheid, vormden gehoorzaam groepen aan elke universiteit, haalden exemplaren van onze boeken uit de boekwinkels en marcheerden onder wapperende vlagen met deze buit naar een of ander plein. Daar werden de boeken à?f naar oud Duits gebruik – het was ineens middeleeuwen troef – aan de kaak gesteld, aan de publieke schandpaal gespijkerd('?), à?f ze werden omdat het helaas niet toegestaan mensen te verbranden, op grote brandstapels onder het opdreunen van vaderlandslievende spreuken tot as verbrand.( 353)'?

Hij vluchtte in februari 1934 tijdens de machtsgreep van Dolfuss tegen de socialistische bolwerken in Oostenrijk naar Londen en verder naar de V.S.A. en Brazilië, maar steeds droeg hij de schaduw bij zich van de wereld van gisteren:

419. De zon scheen krachtig en helder. Toen ik naar huis terugliep, zag ik ineens mijn eigen schaduw voor mij, zoals ik de schaduw van de andere oorlog achter de huidige zag. Hij is sinds die tijd niet meer van mij geweken, deze schaduw, hij hing bij dag en nacht over al mijn gedachten; misschien ligt zijn donkere vorm ook wel op veel bladzijden van dit boek. Maar elke schaduw is in diepste wezen toch ook een kind van het licht, en alleen wie licht en donker, oorlog en vrede, hoogtepunten en dieptepunten heeft meegemaakt, alleen die heeft waarachtig geleefd

Wie Stefan Zweigs herinneringen heeft gelezen, herkent in de bloedige evolutie van Europa in de voorbije 150 jaar de beklemmende opmerking van Jacq Vogelaar in zijn meesterwerk 'Over Kampliteratuur':

'?25. Er is een banale uitdrukking: de geschiedenis herhaalt zich: de eerste keer als tragedie, de tweede keer als klucht. Nee. Er is nog een derde weerspiegeling van dezelfde gebeurtenissen, van hetzelfde onderwerp, een weerspiegeling in de 'lachspiegel' van de onderwereld. Het onderwerp is onvoorstelbaar en tegelijk werkelijk, het bestaat echt en leeft naast ons.'?

Stefan Zweigs wereld van gisteren steunde na de tragedie van de XIX de eeuw op een intellectueel concept en werd dus voortdurend te licht bevonden voor de door Marx ontsluierde sociaal-economische machtstrijd.
Vandaag lijkt de derde spiegeling voorlopig de mooiste en de duurzaamste’, die van ‘le Chevalier aux Mirroirs’...

Lees verder »

Archief

Paul Scheffer, Het land van aankomst: 'Alles van waarde moet zich verweren.'

8 december 2007

Paul Scheffer, Het land van aankomst- De Bezige Bij 2007

Paul Scheffer is een moedig en vlijtig man. Hij weigert toe te geven aan de verleiding van de vermijding, wat in Nederland wel eens als tolerantie geroemd wordt.
Na zijn fenomenale steen in Neerlands kikkerpoel met 'Het multiculturele drama ' uit 2000 in NRC Handelsblad levert hij nu een doorwrochte analyse op van 'Het land van aankomst', over de migratiebewegingen en de effecten op de landen van aankomst, Nederland en elders in de westerse wereld.
Dit vlot geschreven handboek is voor mij als eye-opener vergelijkbaar met de 'Markt van welzijn en geluk' uit 1981 van Hans Achterhuis. Het gaat om een grondig onderbouwde analyse van de loze kreten en het oorverdovend gefluister waarmee velen die zich 'links' heetten, de zelfverklaarde solidariteitsnorm trachtten te imiteren. Onderwijl bleken de proletariërs als enige bevolkingslaag rechtstreeks geconfronteerd met de gevolgen van de gastarbeid en de migratie. Ze voelden zich verweesd, verlaten en kregen van hun socialistische leiders het verwijt van racisme en eigenbelang bovenop wanneer ze hun problemen probeerden te ventileren.
Scheffer onderzoekt de economische en sociale betekenis van de gastarbeid en de migratie uit de naoorlogse jaren: enkel tanende industrieën kregen zo meer ademruimte. Ze konden nog een paar decennia lagere lonen betalen voor werk dat te smerig was voor mens en milieu. De sociale gevolgen waren voor de zwakste proleten die meer loon en appreciatie eisten voor hun arbeid en dus rechtstreeks in concurrentie kwamen met de 'gastarbeiders', die werden ingevoerd ‘omdat de autochtonen dat vuile werk niet meer wensten te doen ‘(!), zeker niet aan zo'n schamel loon.
Ook het positieve demografische effect van een immigratiebeweging van jonge arbeidskrachten op een vergrijzende bevolking is volgens Scheffers bronnen omzeggens verwaarloosbaar.

Het samengaan van massale immigratie en de verzorgingsstaat is uniek: er zijn geen andere voorbeelden van in de geschiedenis. De gevolgen zijn voor iedereen zichtbaar: grote groepen migranten zijn in een situatie van afhankelijkheid geraakt. Wat een initiatiefrijk deel van de samenleving zou moeten zijn '? immigranten zijn immers bij uitstek overlevers '? is verworden tot het meest onbeweeglijke deel van de bevolking. (38).

Het is waarlijk verbijsterend hoe respectabele 'linkse' of sociaal bewogen mensen in het Westen decennia lang zichzelf en hun aanhang bleven kastijden met de verknoopte zwepen van zelfverklaarde schuld aan de migratiestromen elders in de wereld en richting West Europa.
We waren zo verblind door onze humanitaire normen en waarden dat we niet konden noch wensten te begrijpen of te geloven wat de reële economische drijfveer achter veel migratiestromen waren.

Wanneer Nederlandse kooplieden voor het grootkapitaal met Vlaamse wortels van de V.O.C. de wereld afschuimden, waren zij in de ogen van de machtige rijken in China, Japan, India en Indonesië niets meer dan een stelletje lachwekkende gelukzoekers die bedelden om kralen en spiegeltjes. De producten waar ze initieel op uit waren, hadden voor de autochtone heersers nauwelijks een economische, culturele en politieke betekenis.
Dat was eens weer thuis in Europa wel even anders.
Het werd helemaal anders wanneer de handelaars-veroveraars een goed geoliede slavencarrousel tussen Afrika, Amerika en Europa konden draaiende houden en later met sluw krijgsgeweld tanende Aziatische rijken in handen kregen.
De inschatting van de V.O.C.-helden door Japanners en Chinezen was vergelijkbaar met die van de eerste groepen gastarbeiders in Noord West Europa. Hun culturele waardeschaal was zo verschillend dat ze noch een bedreiging vormden noch een betekenis hadden voor de heersende cultuur. Ze waren hoogstens een curieuze bron van vermaak. En vice versa. Want in de ogen van de blanke Europeanen, eens ze thuis over hun heldendaden en succesvolle manoeuvres konden opsnijden, waren die oosterlingen en zwarten evenzeer een bron van vermaak. Het referentiekader van migranten en autochtonen, van avonturiers en slachtoffers, van veroveraars en overwonnenen blijft immers generaties lang stabiel en gebaseerd op de eigen normen en waarden, de herkenning van de eigen identiteit die bepaald blijft door het land, de cultuur, de religie, de stad, het dorp, de familie van herkomst.

Huntington beweert: 'Immigranten gaan deel uitmaken van een bestaande samenleving, terwijl kolonisten hun eigen samenleving voortbrengen.' (294).

Alle migranten in de eerste generatie worden gestuurd door hun achterban, zeker in premoderne samenlevingen waar de hele familie, clan of dorp investeert in hun helden die elders geluk gaan beproeven, al dan niet op V.O.C. of piratenschepen. Zij zijn niet zozeer gedreven door de bittere armoede '? want doorgaans staat er een forse investering achter hun avontuurlijke ontdekkingsreizen. Zij zijn niet zozeer bezweken voor de verlokkingen van het rijke en 'vrije 'westen '? een illusie die wij hier maar al te graag blijven koesteren. Zij worden eerder gestuurd als een economische investering '? risicokapitaal '? vanuit de groep van herkomst. Zij proberen de routes uit, zij zoeken mogelijke bronnen van inkomsten en zijn de pioniers voor wie nagestuurd worden.
Ook vandaag is de kapitaalsexport door deze migranten naar hun landen van herkomst vaak de belangrijkste bron van inkomsten voor die landen. ( 300 miljard dollar per jaar)
Wanneer Europa de roep kreeg ruimhartig te zijn voor vervolgden die asiel zoeken, werd dat al gauw de dekmantel voor een intensieve mensenhandel en een hoop menselijke ellende.
Intussen is de positie van die migranten door hun aantal zo veranderd dat ze een segregatie in de eigen religieuze en culturele sfeer in West Europa aankunnen. Zeker wanneer door de teloorgang of de delocalisatie van de inefficiënte en smerige industrieën hun aanwezigheid steeds minder economische belangen dient. Dan zien sommige van hun – vaak later geà?mporteerde – leiders zichzelf als kolonisten die een eigen zuivere samenlevingsvorm proberen op te bouwen, wars van het moreel en religieus verval waarvan ze menen dat het welig om hen heen tiert onder de vleugels van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid.
De gevolgen van zo'n segregatie zouden nog kunnen meevallen zoals bij reeds langer aanwezige niet islamitische culturen.
Maar nogal wat geestelijke leiders van gesegregeerde groepen met een eigen religieus superioriteitsverhaal en veel rancune over een groots maar verloren verleden, bleken en blijken niet altijd bereid de burgerlijk democratische rechten en plichten in West Europa als centraal gegeven te aanvaarden boven alle andere normen en waarden van eigen bodem en geloof.
Vaak lijken in hun ogen autochtonen bijzonder los en denigrerend om te gaan met de eigen vrijheden en democratische waarden. Ze begrijpen niet hoe dit spel een onderdeel kan zijn van het democratisch theater. Ze vatten niet dat met die westerse normen en waarden wel kan gespot worden, dat er zelfs ‘cynisch’ strijd tegen mag gevoerd worden, maar dat ondanks dit geveinsde spel van kritiek en politiek aan die burgerlijke vrijheden nooit echt kan getornd worden.

409. De gedachte was te veel dat de vrijheden zich als vanzelf zouden verdiepen, maar het lijkt erop dat de vrijheid in diskrediet aan het raken is en de roep om veiligheid steeds luider klinkt.
Wanneer we de bekende dichtregel van Lucebert '? 'Alles van waarde is weerloos' '? op zijn kop zetten, kunnen we zeggen: 'Alles van waarde moet zich verweren.'

Het misverstand tussen een cultuur en een religie die nog beweert vast te houden aan zuivere en volmaakte zekerheden en een cultuur en religie die twijfel en onzekerheid erkent als garantie voor een minimum aan menselijkheid, is daarom des te pijnlijker.

Zonovergoten woestijnen krijten onweerlegbare lijnen die verglijden in een fata morgana van het unieke Grote Gelijk.
Nevelen en schaduwen in de schemering van het woud zijn de basis van twijfel en onzekerheid, de echte kracht en kern van het Europese ongeloof, onze grootste kans op een minimum aan menselijkheid.
Komen goden immers niet naar Europa om er te sterven?
Van de Griek Diogenes, over de moslim Averroës, langs de Antwerpse Amsterdammer Frans van den Enden en de Nederlands-Portugeze Jood Spinoza, tot en met de Fransman Voltaire of de Duitser Nietzsche, telkens weer kreeg het 'Verlichtingsdenken' in Europa zijn beslag.
Europa weet, uit haar eigen bloedige verleden, dat het geloof in één God of een heilige zaak géén eenheid brengt, zoals Amerikaanse politici en islamitische fundamentalisten graag beweren. Geloof '? ook 'Ander Geloof' dat de publieke ruimte opeist – zaait verdeeldheid en verderf.
Om een beetje dichter bij de menselijkheid te komen, moet je afstand doen van ieder fanatiek geloof '? zeker in die openbare ruimte. Allen die in Europa leven, ook mohammedanen, moeten dit ongeloof leren hanteren als de enige redelijke kans op slagen van menselijkheid.
Opdat mensen elkaar niet zouden afslachten moeten zij van elkaar kunnen accepteren dat er niet één waarheid is, maar dat er meerdere 'waarheden', meerdere leugens en misleidingen kunnen bestaan en moeten bestaan, eenieder de hare of de zijne.

355. In een seculiere samenleving kan religieuze volmaaktheid alleen maar in afzondering worden beleefd. En zelfs dan zijn er grenzen, want in een rechtsstaat waar de islamitische wet geen enkele rol speelt zal een zekere krenking moeten worden aanvaard.
De sharia verbindt aan afvalligheid rechtsgevolgen die in ons land onaanvaardbaar zijn, zoals ontbinding van het huwelijk, ontzegging uit de ouderlijke macht en verval van erfrechtaanspraken.
Morele overtuigingen die in de islamitische wetgeving zijn vastgelegd vinden hier geen erkenning.
Sterker nog: deze rechtsnormen zijn in strijd met onze beginselen van gelijkheid en vrijheid.
Waar gewetensvrijheid heerst, heeft het geloof als juridische discipline geen plaats
.

Scheffers 'Het land van aankomst' is een mijlpaal.
Het brengt voor het eerst en uitputtend een ruim gamma aan invalshoeken van migratiebewegingen samen in één boek.
Maar het mist een degelijk notenapparaat en een thematisch register.
Het mist een even uitputtend gamma aan voorstellen en maatregelen om de clash der beschavingen binnen Europa tot kleurrijk uitdijende vuurwerk te helpen verbouwen.
Europa kan nooit het Amerikaanse integratie-draaiboek gebruiken omdat daar geen echte vormen van sociale zekerheid bestaan. De V.S.A. hebben van meet af gekozen voor de klemtoon op individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. Alle falen en ieders ellende wordt verklaard onder het motto ‘eigen schuld dikke bult’. De Europese lidstaten hebben historisch gekozen voor 'social binding and social bridging', de structurele opbouw van sociaal kapitaal.
Dat vraagt veel meer verplichtingen en veronderstelt een georganiseerde 'verheffing' van de sociaal zwakkeren en de nieuwkomers. De Europese cultuur verwacht meer van een goed onderbouwd sociaal systeem om haar burgers en migranten de kansen te bieden tot zelfontplooiing en bijdragen aan de samen-leving.
Dit aloude emancipatie – ideaal mag zich niet laten verleiden tot vermijden, zelfs niet om de lieve vrede te bewaren. Wie hier wil meespelen in het maatschappelijke leven, wie hier wil genieten van de burgerlijke vrijheden en van de sociale zekerheid is verplicht ze zelf na te leven en moet er ook actief toe bijdragen.

Het pleidooi tot onthechting van V.S. Naipaul in 'A Bend in the River' is een mooie epiloog voor 'Het land van aankomst'.
Maar dit soort onthechting of dit soort verraad van de veilige – maar illusoire – idealen uit de eigen jeugd, zal noodgedwongen beperkt blijven tot de elites van de verschillende culturen.
De mainstream zal enkel door vele kleine contacten tijdens het verplichte kwalitatief hoogstaand onderwijs, op het werk, tijdens winkelen, wandelen en ontspannen kunnen evolueren tot een zelfbewuste, zelfrelativerende, open en ruimdenkende stroming.
Dat vraagt veel tijd, veel onthechting tijdens de conflictueuze getijdenwerking, maar het biedt een ruime kijk en een bevrijdende blik.

440. Europa heeft de wereld aangeraakt en wordt nu in toenemende mate geraakt door die wereld. Niet alleen hebben we deze wederkerigheid veroorzaakt, maar in menig opzicht hebben we die ook gewild.
De confrontatie met een militante islam beneemt het zicht op een welkome verandering. Want de wedijver met het Verre Oosten kan een energie losmaken die ons helpt uit de beklemming te raken. Die aandrang
van buiten is nodig. Hetzelfde geldt voor de komst van immigranten: hun aanwezigheid is een voortdurende uitnodiging tot zelfonderzoek. Wanneer we begrijpen dat een ontspannen samenleving
om een inspanning vraagt, kunnen we met overtuiging tegen mensen die van heinde en verre komen zeggen: welkom.

17. Te lang waren degenen die niet in de wijken woonden waar de migranten zich vestigden de warmste pleitbezorgers van de multiculturele samenleving, terwijl degenen die er wel woonden op den duur wegtrokken. Hun stem werd niet gehoord of werd gekleineerd als een vorm van vreemdelingenhaat.

46. Maar dat recht op godsdienstvrijheid brengt ook een verplichting voor moslims met zich mee, namelijk dat men de vrijheid van mensen met een ander geloof of geen geloof wil verdedigen

97. Het is een doodlopende weg om burgers eraan te herinneren dat ze wereldburgers zijn geworden wanneer niet tegelijkertijd wordt gezocht naar antwoorden op de behoefte aan continuà?teit en gemeenschapszin.

113. 'Werknemers verliezen doordat immigranten de lonen verlagen. Werkgevers winnen omdat immigranten de lonen verlagen'

116. Er is een groot risico dat demografische stagnatie, economische crisis en sociale verstarring hand in hand gaan. Terwijl door de globalisering de aanpassingsdruk op samenlevingen steeds groter aan het worden is,wordt door de demografische teruggang het aanpassingsvermogen van diezelfde samenlevingen steeds minder.

126. Multiculturalisme en marktliberalisme hebben veel overeenkomsten: in beide gevallen wordt de waarde van het sociale compromis binnen de eigen grenzen ernstig betwijfeld.

165. De tolerantie zoals die werd beoefend in de Republiek moet niet als een verheven beginsel
worden gezien. De historicus Van Deursen komt tot een afgewogen oordeel: 'De befaamde Hollandse tolerantie behelsde dus een flink stuk opportunisme. Juist daarom heeft ze veel succes gehad. Ze was een typisch product van de pragmatische Hollandse cultuur. Niettemin bevatte ze wel degelijk ook een principieel element. De oude instinctieve afkeer van gewetensdwang is in haar geà?nstitutionaliseerd.' ('?)
De historicus Remieg Aerts schrijft: 'Hetzelfde beschavingsideaal dat verdraagzaamheid als deugd beschouwde, omvatte ook ingetogenheid en fatsoen, dat wil zeggen: aanpassing aan de bestaande orde en vorming in haar conventies.'

174. In een land met godsdienstvrijheid is plaats voor de islam op voorwaarde dat moslims de plicht aanvaarden om diezelfde vrijheid te verdedigen voor anderen waarmee men het fundamenteel oneens is.
Daarvan blijkt weinig in tal van moskeeën, waar de grondslagen en de instituties van de liberale democratie worden afgewezen. Lang is weggekeken, men wilde geen conflicten veroorzaken.

188. Van Deursen zegt het op zijn eigen manier: 'Geschiedenis gaat over liefde voor de medemens.
Liefde houdt niet op bij de dood. Daarom moet aandacht voor het verleden blijven bestaan; niet omdat je er beter van wordt. Als dat toch gebeurt, is het mooi meegenomen

349. Toch is de neergang van de islamitische wereld al voor die koloniale bemoeienis begonnen en heeft zich doorgezet na het vertrek van de koloniale mogendheden. Er is dan ook alle reden voor een zelfonderzoek, dat niet mag worden vermeden door het voortdurend stellen van de schuldvraag: 'Wie heeft ons dit aangedaan?' Het antwoord is: uiteindelijk niemand, de eigen verantwoordelijkheid moet onder ogen worden gezien. De neergang is van eigen makelij en heeft alles te maken met een afsluiting ten opzichte van de economische en wetenschappelijke innovaties in Europa. De renaissance, de reformatie, de technologische revolutie gingen zo goed als onopgemerkt voorbij aan de moslimwereld, die volhardde in het beeld van de christelijke Europeanen als barbaren, van wie weinig tot niets te leren viel. Die naar binnen gekeerde houding van de moslimwereld is fataal gebleken.
De afsluiting tegenover Europa duurde lang en was diepgaand.

355. Wezenlijk is dat de islam zichzelf ziet als de opvolger en vooral ook de vervolmaking van het jodendom en het christendom. Deze inherente superioriteit van de islam in de ogen van zijn aanhangers is een deel van de verklaring waarom de interesse in de westerse wereld pas laat op gang kwam. ('?)
Morele overtuigingen die in de islamitische wetgeving zijn vastgelegd vinden hier geen erkenning.
Sterker nog: deze rechtsnormen zijn in strijd met onze beginselen van gelijkheid en vrijheid.
Waar gewetensvrijheid heerst, heeft het geloof als juridische discipline geen plaats.

Archief

Ruiyuan C: zwartwit en kleur van de vergankelijkheid – Hakka Tulou woningen

6 december 2007

Ruiyuan C: zwartwit en kleur van de vergankelijkheid – Hakka Tulou woningen, of hoe de ‘joden’van Azië overleefden.

In Sjanghai heb ik vorig jaar zijn foto's voor het eerst gezien in het kunstencentrum Moganshan Lu 50. Mijn oog viel op zijn merkwaardige composities in zwartwit van Hakka Tulou woningen met één discreet kleuraccent.
Hakka zijn Han Chinezen die gedurende bijna 2000 jaar in vier grote golven al dan niet gedwongen door de centrale heerser naar het zuidoosten van het rijk emigreerden en van daaruit in verschillende eeuwen over heel de wereld. Vandaar hun epitheton Chinese ‘joden’.
Zij bouwden hun huizen als ronde of vierkante vestingen met een enkele toegangspoort, zonder ramen op de onderste verdiepingen waar vee en voorraden werden bewaard.
Op de hoogste verdiepingen leefden de ‘dorpelingen’.
De binnenplaats werd een tempel voor de voorouders die midden hun nakomelingen aanwezig bleven, tegen een vijandige buitenwereld die de Hakka hun economisch en politiek succes benijdden.
De invloed van dit belaagd opgroeien in een vijandige omgeving – doch beschut binnen de eigen muren – met de eigen netwerken over heel China en later over de hele wereld moet in die vele eeuwen zeer groot zijn geweest.

De foto's van Ruiyan C zijn schitterend door zijn spel met zwartwit en kleur om de vergankelijkheid van de onvergankelijke en eeuwige waarheid vast te leggen, voor wie na ons komen zal.

Ruiyuan C '? Vision Videa

Freelance photographer ,the Chinese Photographers members , the Shanghai Photographers members and the Fujian Photographers members. Youth Photographic Society of Fujian, executive director of Putian City Youth Photographic Society vice president.

In Fujian Youth Photographic Society Tenth Member Showcase ,the work “Homeland” was the Gold, “Water Melody” and”Shops” were Bronze,”Area between” and “Splendid Sunshine” were outstanding awards,In National Amateur Photographers Photography Contest,The work “Raincoats or Umbrellas” won awards for excellence.The work “Beautiful Impression” won the gold prize and also published in the Journal of the National Popular Photography.Prior to this, many of his works have been published in this magazine.

“Wuyishanshui” was second prize in the photography contest “Entering Wuyishan” by CCTV.

met dank aan Arlette voor de foto’s – aan Rik & Iris voor het behouden transport.

« Volgende berichten