Rik Torfs, Lof der Lankmoedigheid. Uitgeverij Van Halewyck
Leven is een kunst, die we met zwier kunnen bedrijven. Met lankmoedigheid geniet Rik Torfs daarvan.
En dat is zoiets als de liefde bedrijven, voor wie de vijftig gepasseerd is: veel kunnen verdragen.
Volgens Paulus,1 Korinthiërs, 13 in de Statenvertaling is echter niet alleen
4. De liefde lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
6 Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;
7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
Het is duidelijk dat de Liefde uit deze litanie niet alleen Rik Torfs niet gegeven is,
maar dat zij geen enkel menselijk wezen, al dan niet door God naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen, gegeven zal zijn.
De sfeer en de smaak van zijn 'Lof der Lankmoedigheid' is hem daarentegen wel gegeven, speels en met zwier en kunstig, met her en der venijn in de staart.
Rik Torfs hanteert vileinig met een 'groot stenen aangezicht' het penseel van het leven, au-delà? du désespoir. Bij voorkeur in voor de toeschouwer spannende situaties. Wie zich dus concentreert op degene die kijkt, is al een heel eind in de lof der lankmoedigheid.
En dat is erg mooi aan dit boekje over mannen en vrouwen, onder professoren, onder kunstenaars en politici, over schuld en god, soldaten en dood, atheà?sme en angst, humor en cynisme.
Wanneer de auteur het lemma ' humor ' onder handen neemt, ruilt hij zijn penseel van de ironie voor de grove borstel om de cynicus als de onmachtige te schilderen die zijn wrangheid wil ' delen met anderen in de hoop dat hij met zijn rauwe en grauwe ideeën erin slaagt om iemand te kwetsen of uit het veld te slaan'.(p.174)
'De lof der lankmoedigheid' lijkt wel 'afgunstig en verbitterd' wanneer het cynisme onder de loep genomen wordt. Niet zoals het vluggertje met de atheà?sten die in een 'lichtvardiglijk' één-tweetje met zichzelf gepasseerd worden.
Het cynisme wordt met een weinig lankmoedige verbetenheid geborsteld. Rik Torfs rijdt zich hier naar mijn aanvoelen vast in die variant van het cynisme waartegen machthebbers inclusief hun media-satrapen zo graag fulmineren. Het is precies de cynische rede die iedere lankmoedige burger, iedere goedertieren medemens de kans geeft om door het decor van de afgunst heen te kijken en om de goocheltrucs van het theater van de macht te doorgronden. Let wel, het besef en de kennis van die theatertrucs doet niets af aan de mogelijke beleving van schoonheid en passie bij het aanschouwen van het politieke toneel van het veinzen. Dat is evenzo bij ieder vorm van ander publiekstheater, film en tv.
De macht en haar bedienaren kunnen daarentegen niet zonder huurlingen die in de wandelgangen, de kabinetten of de betere restaurants hun wrange cynisme gretig willen delen, bij gebrek aan bereidwillige onderdanen. Wanneer de ‘onnozele’ kiezer geconfronteerd zou worden met de ware gedaanten van de macht, verdwijnt het zorgvuldig gecultiveerde en mythische imago van voortdurende beweging in het belang van het land, het volk, de partij,'?. Het bereidwillige oor, het steeds parate schuldbewuste en solidaire leiderschap veinst zijn of haar al dan niet jeugdige schoonheid, vermeende kracht en lichtelijk verwaande wijsheid te willen offeren voor de potentiële kiezers.
Althans dat wil de macht doen uitschijnen.
Michel Onfray (1959) schrijft in Cynismen – portret van de hondse filosoof:
‘Nieuwe cynici zijn hard nodig: het zou hun taak zijn de maskers af te rukken, het bedrog aan de kaak te stellen, de mythologieën te vernietigen en de bovarysmen die de samenleving voortbrengt en vervolgens in stand houdt op te blazen. Dan zou men eindelijk de uitgesproken onverenigbaarheid van het weten en de geà?nstitutionaliseerde macht tot uiting kunnen brengen. Als symbool van verzet zou de nieuwe cynicus kunnen verhinderen dat de sociale kristallisaties en de tot ideologie en conformisme getransformeerde collectieve deugden de individualiteit verdringen.’
Het komt mij nochtans voor dat ook Rik Torfs een dergelijke ingesteldheid koestert, zij het ver van de publieke ruimte, in ondergrondse parkings tussen bibliotheken en monseigneurs, tijdens onbewaakte momenten op een bank in een park met een grot ter ere van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. Daar woekert het mycelium van zijn ironie. Daar groeien ook de wortels van een gezond 'kynisme' zoals de Griekse wijsgeer Diogenes het zocht in de mens. Peter Sloterdijk beveelt het in zijn ‘Kritiek van de Cynische Rede’ warm aan als een gezonde dosis scepsis en satire.
Ook deze cynische rede verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid.
Wie de cynische rede beoefent, kan in vrijheid de ander in de ogen kijken en het genot van een aanraking verdragen. Hij of zij kan zelfs met een vleug humor de ander toelaten in de intimiteit van zijn of haar leven. De menselijke cynicus is de illusies van waar en zuiver overstegen en leeft in een hiernumaals van gezonde zondeloosheid, van warme zorgzaamheid, van onbevangen medemenselijkheid.
'De mens is op zijn best wanneer hij in het schouwtoneel van het leven zijn rol niet goed uit het hoofd heeft geleerd. Hij is pas wie hij is wanneer hij hem doorbreekt.'(p. 195)
De schoonheid zit hem immers in de weeffouten.
Rik Torfs herkent dit in 'de prachtige tekening van de futurist Felix del Marle (1889 '? 19952), uit het magische jaar 1913, net vooraleer de Europese beschaving voor de rest van de eeuw uit het veld zou worden geslagen. Op de tekening is een dame met een hoed afgebeeld, gezeten in een treincoupé die zich in het station van Creil bevindt. Of de trein in Creil stopt of niet, blijft in het midden. De kunstenaar drukt vooral beweging uit. Stilstand is herkenning. Ze is een bordje op de achtergrond van het werk waarop de naam Creil wat nostalgisch te lezen staat. Wellicht wil Felix del Marle aantonen dat de stilstand tot staan is gebracht. Beweging is overwonnen stilstand. Dat laat de kunstenaar duidelijk zien door een lange spoorstaaf als gebroken voor te stellen. Hij kleurt haar lichtrood, waardoor hij de rest van het werk, volledig in Chinese inkt uitgevoerd en dus zwart wit, laat opschrikken. Snelheid breekt, De lijn die je voorbijflitst is gebroken, De vorm kan niet anders dan de gedachte volgen.' (p.101-102)
Op de fameuze tekening uit 1913 die op de achterflap van 'De lof der lankmoedigheid' staat afgebeeld, herkent de toeschouwer rechts boven de waarschuwing: 'Nicht hinaus lehnen'. De dame met de hoed leest het tijdschrift 'Comoedia', vroeger goed voor tranen, vandaag is het 'l'annuaire des comédiens professionels.' De straat langs het station van Creil heet nu Rue Jean Jaurès. Die was in 1913 nog niet vermoord.
Het gebroken rood van de beide roestige sporen zal – wegens geen dwarsliggers -eerder kleuren als pluche tapijtranden in een eerste klas wagon van de toenmalige CCFN, chocoladebruin met gele strepen. Hiermee begaven politici zich vanuit de noordelijke departementen op weg naar ‘le Gare du Nord’ en vandaar naar ‘le Palais du Luxembourg’, waar in 1913 'Le Sénat de la Troisième République' zetelde wiens voorzitter Raymond Poincaré, dat jaar nog oorlogspresident zou worden van Frankrijk tot 1920.
Lankmoedigheid is een deugd die zeker past in het rode pluche van het Paleis der Natie, waar het goed oefenen is in de kunst van de cynische rede.
http://www.flickr.com/photos/59276281@N00/364625727/
Lees verder »