Archief
Peter Sloterdijk, Woede en Tijd, uitg.SUN
Peter Sloterdijk, Woede en Tijd, uitg.SUN
'Zorn und Zeit', is een schitterende alliteratie waarmee Peter Sloterdijk eens te meer een fascinerende visie ontwikkelt op de moderne geschiedenis.
Hij opent magistraal met Europa's eerste woord uit Homerus' Ilias: 'Godin, bezing ons de woede van de zoon van Peleus, Achilles'¦'.
Wegens het schielijk verscheiden van God en zijn goden sinds de tijd van de Verlichting is de toorn niet langer een zaak van de hemelse machten, die tot dan ingezet werden bij het menselijke spel van geven en nemen.
Voor toorn en wrok waren geen bovenaardse bewaarders noch bovenmenselijke verklaarders meer van doen.
En daar ligt volgens Sloterdijk de kiem van de grenzeloze, tomeloze en uitzichtloze uitbarstingen van geregiseerde woede: het politieke experiment om de thymotische (woede-) emoties van de massa's in natiestaten te gieten en voor de 'vooruitgang' te mobiliseren leidde tot de massaslachtingen van de XXste eeuw : 'Men moet zich realiseren dat het geweld op geen enkel moment in de 20e eeuw is 'uitgebroken'. Het werd door zijn agenten volgens zakelijke criteria gepland en door zijn managers met een ruim zicht op hun objecten gestuurd. Wat op het eerste oog leek op amok op het hoogste niveau, was in de praktijk vooral bureaucratie, partijwerk, routine en resultaat van organisatorisch overleg.'
Sloterdijk benadert de 'toorn' als een pijnlijke maar passende parodie op het marxistische begrip 'kapitaal': het 'woedekapitaal' zat in spaarbanken, in investeringskrediet, in risico-aandelen en in een wild gevecht op de woedebeurzen van de wereld. Met dat 'woede-kapitaal' konden de speculanten in toorn onmetelijke gevechten aangaan, zolang ze bij hun volgelingen de gevoelens van verongelijktheid, jaloezie, rancune, naijver voldoende kunnen oppoken.
Hij fileert dit fenomeen ten gronde bij de linkse stromingen, partijen en staten waar deze individuele wrok op een briljante en bloedige wijze werd gemobiliseerd in het politiek project: het socialisme, de dictatuur van het proletariaat. Marx en Engels probeerden met hun Communistisch Manifest de toorn en de wrok van de arbeiders te mobiliseren voor hun politieke plannen.
'Om het met de woorden van twee beroemde collega's uit het jaar 1848 te zeggen: alle geschiedenis is de geschiedenis van het productief maken van toorn.', aldus Sloterdijk.
Hij verwijt de fellowtravellers uit het westen dat ze bereid waren het linkse fascisme '“ van Lenin, Stalin, Mao en consorten – te tolereren en te steunen waarbij de gruweldaden van Hitlers nationaal-socialisme als redder van hun geweten werd opgevoerd.
Niet zelden hullen de westerse fellowtravellers zich in de romantiek van de verliezers in eeuwige opstand: de strijd gaat altijd door, zeker in tijden van nederlagen.
De grootste bijdrage van het reëel bestaande socialisme is volgens Sloterdijk de permanente dreiging die ervan uitging waarvan vakbonden en sociaal-democratie in het westen handig gebruik maakten als stok achter de deur in hun onderhandelingen met het grootkapitaal en de nationale overheden.
Sinds 1979 '“ Thatcher, de Sovjetunie op falend oorlogspad in Afghanistan en de Ayatollahs aan de macht in Iran – bleek het dreigende thymotische woedekapitaal van het socialisme eerder zelf een kaduke verzameling papieren tijgers.
Het surplus dat sinds de Russische revolutie in de sociaal-economische en politieke rekeningen van geven en nemen in het westen was bedongen, bleek plots in de ogen van het kapitaal fors overdreven en diende onverwijld teruggeschroefd te worden: opbod in sociale afbraak.
Volgens Sloterdijk gaat het met het 'woedekapitaal' sinds het einde van de communistische illusies niet al te best. De 'thymos' lijkt in de oude socialistische heilsstaten helemaal verdwenen en in de westerse wereld heeft 'eros', de onmiddellijke behoeftebevrediging, met mateloze bombarie, verslavingsstrategieën en consumentendom zijn plaats ingenomen.
Ik vrees dat Peter Sloterdijk ondanks zijn glasheldere analyse hier een gloeiende glimp van een nieuwe 'thymos' veronachtzaamt: de oude socialistische heilsstaten kweken nog steeds met bravoure een schaduwcultuur van de toorn, op nationalistische leest van verongelijkte burgers, van rancuneuze cultuurfenomenen, van volkeren die zich historisch tekort gedaan voelen.
In Rusland én China levert het 'woedekapitaal' vandaag forse winsten op de beurs van het militaire nationalisme en globaliserende economische veroveringsstrategieën.
Daarmee valt fors te speculeren door de machthebbers die de overslaande stem van de zelf uitgekozen volksmassa's weten te dicteren.
Sloterdijk heeft wel een snijdende analyse klaar van de 'Derde inzameling van de Woede' door de politieke islam. Dat wordt volgens hem alleen maar een nog groter bloedbad waarbij de verschillende fracties elkaar nog 50 jaar rücksichtlos en met een geestdriftige missioneringdynamiek te lijf zullen gaan tot het demografische surplus van honderden miljoenen overbodige, werkloze, sociaal wanhopige jongeren is geconsumeerd: 'œZowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen. ('¦) Het radicale islamisme van onze tijd is het eerste voorbeeld van een puur wraakzuchtige ideologie: het kan alleen straffen, maar brengt niets tot stand.
De zwakheid van de islam als politieke religie, of hij nu van gematigde of radicale snit is, vloeit voort uit het feit dat hij principieel op het verleden is gericht. Zijn leiders kunnen tot dusver niets dan atechnische, romantische, door woede gekleurde begrippen voor de wereld van morgen formuleren.'
Peter Sloterdijk eindigt 'Woede en Tijd' met goede raad voor de mensen van vandaag en morgen:
'Aan gene zijde van het ressentiment: ('¦) in een tijd van globalisering is geen politiek van grootschalige leedvereffening meer mogelijk, zolang die berust op het nadragen van onrecht dat in het verleden is aangedaan, ongeacht of een dergelijke politiek zich als democratisch of socialistisch messianisme of als wereldverlossing wenst te camoufleren. ('¦) Het is tegenwoordig veel belangrijker de aloude, noodlottige alliantie tussen intelligentie en ressentiment te verbreken, om ruimte te scheppen voor toekomstgerichte paradigma’s van ontgifte levenswijsheid. De criteria hiervoor zijn niet bijzonder nieuw. John Locke, de geestelijke leidsman van de liberale Engelse bourgeoisie, heeft ze in 1689 in eenvoudige taal geformuleerd: het gaat om de fundamentele rechten op leven, vrijheid en eigendom. Wat de succesgeschiedenis van deze trias betreft zijn historische bevindingen evident: alleen in die gebieden van de wereld waar deze normen gerespecteerd worden, treden er werkelijke verbeteringen in de leefsituatie op. ('¦) Men moet streven naar een meritocratie die zowel inter- als transcultureel een antiautoritair ontspannen moraal weet te verenigen met een duidelijk normbesef en respect voor onvervreemdbare mensenrechten. Het avontuur van de moraal voltrekt zich via het parallellogram van elitaire en egalitaire krachten. Alleen in dit kader is accentverschuiving van toe-eigeningsdriften naar schenkende deugden denkbaar.
De inzet van dit opvoedkundige programma is hoog. Hierbij gaat het om het opstellen van een 'code of conduct' voor veelzijdige beschavingscomplexen. Zo'n schema moet stevig genoeg zijn om in het reine te komen met het feit dat de gecompromitteerde en geglobaliseerde wereld vooralsnog multimegalomaan en interparanoà¯de blijft. Men kan een universum van energieke, thymotische prikkelbare individuen niet met behulp van idealistische synthesen van bovenaf creëren, maar alleen door middel van kracht-kracht relaties in evenwicht houden. Grote politiek vindt alleen plaats in de modus van balanceeroefeningen. Balanceren betekent: noodzakelijke strijd niet ontwijken en overbodige strijd niet provoceren. Het betekent ook zich in de wedstrijd met de entropische processen, vooral die van de vernietiging van het milieu en van de demoralisatie, niet bij voorbaat gewonnen geven. Hiertoe moet men zichzelf steeds met de ogen van de anderen leren zien. Wat vroeger door een overspannen religieuze nederigheid moest worden bereikt, zal voortaan tot stand moeten worden gebracht door een rationaliteitscultuur, die gebaseerd is op waarnemingen van de tweede orde. Alleen zij kan de sluwe naà¯viteit een halt toeroepen, namelijk door de geldingsdrang met zelfrelativering te combineren. Voor het vervullen van die taken is tijd nodig – maar dat is niet meer de historische tijd van het epos en van het tragische drama. De tijd die hier aan de orde is moet als leertijd van beschavingen worden gedefinieerd. Wie alleen 'geschiedenis' wil maken blijft bij deze definitie achter.'
Dat deze rationaliteitscultuur van waarnemingen van de tweede orde indirect en met kleine pasjes, behoedzaam en volhoudend zal moeten bespeeld worden, heeft hij glashelder aangetoond.
Edoch, het geglobaliseerde muizenvolk is niet uitsluitend blootgesteld aan praatjes van mensen van goede wil.
'Accentverschuivingen van toe-eigeningsdriften naar schenkende deugden' lijken me dan ook eerder utopisch en bijaldien gevaarlijk, tenzij ze verkocht raken als altruà¯sme, welbegrepen eigenbelang.
Kortom, Peter Sloterdijk, 'Woede en Tijd, Een politiek '“ psychologisch essay', in een mooie vertaling van Hans Driessen is een absolute aanrader voor wie zich nog vragen stelt over gisteren, vandaag en morgen.
30.De theorie van de trotsensembles
1. Politieke groepen zijn ensembles die endogeen onder thymotische druk staan.
2. Politieke acties worden in gang gezet door spanningsverschillen tussen ambitiecentra.
3. Politieke velden worden gevormd door het spontane pluralisme vanzelf bevestigende krachten, waarvan de onderlinge verhoudingen als gevolg van interthymotische wrijving veranderen.
4.Politieke meningen worden geconditioneerd en geredigeerd door symbolische operaties die in permanente relaties staan met de thymotische bewegingen van de collectieven.
5. De retorica – opgevat als de leer van de sturing van affecten binnen politieke ensembles – is toegepaste thymotiek.
6. Gevechten om de macht binnen politieke lichamen zijn altijd ook gevechten om voorrang tussen thymotische geladen, populair gezegd: eerzuchtige individuen met hun achterban; de kunst van de politiek behelst daarom ook procedures waarmee de verliezers gedeeltelijk schadeloos kunnen worden gesteld.
37. Het moment van Nietzsche.
Blikt men terug op de geschiedenis van de 20e eeuw, in het bij zonder op zijn convulsieve eerste helft, dan dringt zich het beeld op dat daarin de door Plato geëiste, door Aristoteles geprezen en door de pedagogen van de burgerlijke tijd met inzet van veel middelen daadwerkelijk ondernomen poging om de thymotische energieën te civiliseren in de natiestaten, over de gehele linie mislukt is. Als het doel van de politieke experimenten van de Nieuwe Tijd is geweest de thymotische emoties van de massa in politieke vormen te gieten en voor de reguliere 'vooruitgang' te mobiliseren, moet men wel spreken van een catastrofaal echec. Dit heeft tenslotte ook de leiders van het experimenten de lucht ingejaagd, om het even of zij witte, rode of bruine hemden droegen.(…)
Men moet zich realiseren dat het geweld op geen enkel moment in de 20e eeuw is 'uitgebroken'. Het werd door zijn agenten volgens zakelijke criteria gepland en door zijn managers met een ruim zicht op hun objecten gestuurd. Wat op het eerste oog leek op amok op het hoogste niveau, was in de praktijk vooral bureaucratie, partijwerk, routine en resultaat van organisatorisch overleg.
56. De moderniteit heeft de verliezer uitgevonden. De figuur, die men halverwege de uitgebuiten van gisteren in de overtolligen van vandaag en morgen tegenkomt, is de onbegrepen grootheid in de machtspelen van de democratie in. Niet alle verliezers laten zich kalmeren door de opmerking dat hun status overeenkomt met hun plaats in het eindklassement van een wedstrijd. Velen zullen tegenwerpen dat ze nooit een kans hebben gehad om mee te spelen en zich navenant te klasseren. Hun jaloerse gevoelens richten zich niet alleen tegen de winnaars, maar ook tegen de spelregels
113. Genealogie van het militantisme.
Het fenomeen van de verliezer die een afwijkend standpunt tegenover zijn nederlaag bepaalt, is kennelijk even oud als dat van de politieke spiritualiteit. ('¦) In de context van de westerse beschaving vindt men illustraties hiervan op zijn minst in de theologie van het jodendom van tijdens en na de ballingschap; de meest recente zijn bijna hedendaags te noemen – zijn te vinden in de geschriften van marxistische en postmarxistische romantici, voor wie het een uitgemaakte zaak is dat de strijd vooral dan doorgaat wanneer alles verloren is.
156. Ze verklaren tevens waarom de knappe koppen van de oppositionele bewegingen meestal moreel gevoelige leden van de bourgeoisie waren, die, gedreven door een mengeling van ambitie en verontwaardiging over de heersende omstandigheden, overliepen naar het kamp van de revolte of revolutie. Voor hen allen gold wat Albert Camus over de geboorte van gemeenschappelijke geest van de verontwaardiging zei: 'Ik kom in opstand, dus wij zijn' – een zin waarvan het nauwelijks invoelbaar pathos heel duidelijk bij een verloren tijdperk hoort.
280. Wat het opkomende communisme van meet af aan zo spookachtige maakte en de kracht gaf de paranoà¯de reacties van zijn tegenstanders naar zich toe te trekken, was dat het al in een vroeg stadium in staat was de status-quo op een geloofwaardige manier met een omwenteling te dreigen. Toen het zijn vermogen om te dreigen was kwijtgeraakt, was het ook met zijn rol als spook gedaan – en geen enkel filosofisch congres zal de holle kalebas nieuwe spookkracht kunnen inblazen.
281. Als het klopt dat soevereiniteit het vermogen is om op een geloofwaardige manier te dreigen, dan bereikten de West-Europese werknemerspartijen en de vakbonden hun belangrijkste soevereiniteitseffecten dankzij het indirecte dreigement van de klassenstrijd, dat ze tijdens loononderhandelingen konden inzetten zonder zelf de vuisten te hoeven ballen. Ze konden volstaan met discreet te wijzen op de realiteit van de Tweede Wereld om de werkgevers duidelijk te maken dat ook hier de sociale vrede zijn prijs heeft. Samenvattend kan men zonder veel overdrijving vaststellen: de sociale verworvenheden in het naoorlogse Europa, vooral het 'kapitalisme met een menselijk gezicht' met de bijbehorende verzorgingsstaat en de almaar uitdijende therapiecultuur, waren geschenken van het stalinisme '“ vruchten van de woede, die overigens pas nadat ze naar een vrijer klimaat waren geëxporteerd tot een zekere zoetheid konden rijpen.
('¦)
De gevolgen van dit alles bepalen psychopolitieke klimaat van het Westen vanaf de vroege jaren '80 tot op de dag vandaag. In combinatie met de klimatologische effecten van 11 september 2001 wordt het steeds waarschijnlijker dat het kapitalisme een neoautoritaire wending zal nemen, tegen een liberaalkrijgszuchtige achtergrond. Vanuit het perspectief van vandaag komt het jaar 1979 naar voren als de sleuteldatum van de late 20e eeuw. In drievoudig opzicht vond in dat jaar de overgang plaats naar de postcommunistische situatie: door het begin van het einde van de Sovjet-Unie na de militaire invasie in Afghanistan, door het aantreden van Margaret Thatcher en de consolidatie van de islamitische revolutie in Iran onder ayatollah Khomeini. ('¦)
Onvermijdelijke conclusie: de westerse ondernemers onder tijdelijke politieke en ideologische druk vanuit het oosten teveel hadden betaald voor de sociale vrede. Men achtte de tijd rijp voor kostendrukkende maatregelen, die uiteindelijk tot doel hadden het accent van het primaat van de volledige werkgelegenheid te verschuiven naar de voorrang van de dynamiek van het ondernemen. Dit had een regelrechte ommezwaai van de tijdgeest tot gevolg. Deze nam steeds sneller afstand van een even rebelse als dirigistische comfortethiek (die zich alleen in Frankrijk wist te handhaven), om de voorkeur geven aan een ondernemersgerichte risico-ethiek – waarbij men ervan overtuigd was dat men de ontmoediging van de nieuwe 'klasse' van overbodigen, afgedankten en afgescheepten wel als externe kostenfactor op de koop toe kon nemen. Sindsdien worden de deelculturen van de amusementverschaffing en het depressiebeheer in het Europese Kristalpaleis steeds verder uit elkaar gedreven.