Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Een zucht voor Jos Geysels en Karel De Gucht: ‘De Vloek van Oedipus’ over het belang van de Griekse tragedie.

28 augustus 2007

Michiel Leezenberg, De vloek van Oedipus – Taal, democratie en geweld in de Griekse tragedie. Uitg. Van Gennep Amsterdam

Eerder dan een Ikea-catalogus bevat 'De vloek van Oedipus' lezenswaardige ideeën voor Belgische politici al dan niet in conclaaf verenigd. Spijtig genoeg is het boek bij mijn weten nog niet in het Frans vertaald.
Sommige staatslieden – minister van staat of uittredend – herkennen in de Belgische formatie een surrealistisch theaterstuk waarin ze zelf komen en gaan en doen alsof ze niet bestaan.
Voor hen en voor geà?nteresseerde burgers van dit land en ver daarbuiten heeft Michiel Leezenberg met 'De vloek van Oedipus' een inspirerende analyse gepubliceerd van de 'democratie' in Athene en de rol van de tragedies daarbij in de Dionysuscultus.
Tijdens dit jaarlijks theaterfestival werden op de scène de machtsverhoudingen en de machtsvragen van de stad, haar bestuurders en burgers aan de tand gevoeld.

Michiel Leezenberg die hoogleraar filosofie is aan de Universiteit van Amsterdam, onderzoekt daarbij uitgebreid Sofocles' stuk 'Oedipus in Colonus', straks misschien te bewerken tot ‘Adelbert in Toscane’.
Hugo Claus heeft met zijn meesterlijke bewerkingen van klassieke tragedies in Vlaanderen de basis gelegd voor dit theater van de macht, en dit niet alleen met zijn aangrijpende versie van ‘In Kolonos’ waarmee in het seizoen 1995-1996 in een regie van Franz Marijnen de oude KVS werd afgesloten. In volle Dutroux-tijdperk ondervroeg deze tragedie de Belgische rechtsmacht tot in het Hof van Cassatie.

Leezenberg helpt een pak gemeenplaatsen en liberaal-democratische illusies uit de wereld. Hij wijst op de onvermijdelijke noodzaak van het conflict, de 'stasis', binnen en buiten de stad, de staat, de culturele gemeenschap, de familie en het gezin.

'Een politieke lezing van tragedies zoekt niet naar de toespeling op de antieke, of naar parallellen met de hedendaagse politiek. Zij vraagt veeleer naar de aard en de grenzen van het politieke. Het Griekse theater van de vijfde eeuw bood geen afleiding van de politiek, maar richtte juist de aandacht op de centrale politieke vragen van zijn tijd: vragen over macht, recht, wet en besluitvorming. Het bood geen drama over politieke thema’s, maar was zelf een door en door politieke kunstvorm. Tragedie, die hoogst verbale kunstvorm, gaat vaak over de macht en de gevaren van het woord', aldus Leezenberg. (195)

Bijgevolg kan het niet anders dan dat Belgische theatercreaties steeds vaker tot de top van de Europese bühnes moeten doorstoten. Er bestaat nauwelijks nog een land in de EU waar de voorwaarden voor schitterende tragedies beter liggen dan in het land dat bezwijkt onder zijn surrealistisch devies 'L'Union fait la force – Eendracht maakt macht'.

'Tragedies tonen niet de narratieve kracht van het bestaande, maar de uitdaging van het ongehoorde.
Liberale politieke theorie presenteert de rechtsstaat, of de 'rule of law', als een neutraal kader waarin conflicten vreedzaam kunnen worden opgelost. Als er één ding is dat deze tragedies ons vandaag te zeggen hebben, dan is het dat die neutraliteit een illusie is. Elke rechtsorde berust op een wankele balans van tegenstrijdige en zelfs vijandige krachten. Stasis of intern conflict wordt tijdelijk vermeden, maar kan elk moment weer losbarsten: de wraakgodinnen lijken vooralsnog getemd, maar kunnen elk moment hun vernietigende krachten weer ontketenen.' (197)

Leezenberg weet taaltheoretische begrippen te verduidelijken die de macht van het woord onthullen: zelfs woorden van een theaterspel kunnen de kracht van waarheid uitdragen: ' Politiek is '? evenals theater '? een bij uitstek verbale en zelfs performatieve bezigheid.' (145)


Uit Dupslog 2005 – ‘Turks Fruit’ – verhalen over Istanboel en Klein Azië.

'Democratie kan niet zonder leugen, zonder veinzen, zonder toneelspel.
Tot het wezen van zo'n democratische cultuurvorm moet het besef van de theatrocratie behoren.
Inbreuken op de privacy van de burger, intelligente camera's ondermijnen onder het mom van beveiliging tegen terreurdreiging de kern van iedere democratie, de kunst van het veinzen.
De democratie wordt gefnuikt door het populisme: theater wordt ingeruild voor Arena, Circus, Stadion.

Grote theatrale halfronden, bedoeld voor hele stedelijke en stadsstatelijke populaties werden dus voor het eerst in de geschiedenis ontwikkeld binnen de Hellenistische cultuur.
Wie bijeenkomsten durft organiseren met zo'n grote massa mensen, moet er in zijn of haar denken zelf van uitgaan dat het bijeenbrengen van deze zeer grote volksmassa's op een kleine oppervlakte -waar ze elkaar zeer nabij zijn – tot de essentie van deze cultuur behoort.
Wie enkel massa's wil verzamelen om zichzelf te presenteren als vertegenwoordiger van de macht, als de mens geworden godheid, durft dat in deze context nooit aan.
Dan dient de verhouding te worden omgekeerd: de heerser, hoog verheven boven de massa, die aan zijn ongenaakbare voeten in het stof uiteengewaaierd ligt.
Op die manier werden de Babylonische '? zygurat '? Egyptische '? piramide – Azteekse, Maya en Inca – volkeren in Midden en Zuid Amerika tot een paar duizend jaar later onder de duim gehouden door heersers die hun gezag en legitimatie rechtsreeks vanuit de hemel of van de zon ontvingen via de tempelhoogten waar ze boven het gepeupel, de massa uittorenden.
Op de theatrale manier van de halfronden een confrontatie aangaan midden een massa 'gelijken' moet ingebed worden in een democratisch concept waarbij de massa burgers weet dat er geen vaststaande waarheid, geen eenkennige en onveranderlijke zekerheid was, is noch zal ontstaan, behoudens het algemene, onderling erkende, boven alles tronende psychopolitieke begrip van gemeenschapszin, concordia, al dan niet ten aanschouwen van de lokale godheid.'

Michiel Leezenberg, “De vloek van Oedipus. Taal, democratie en geweld in de Griekse tragedie”:

82. Burgerschap was minder een kwestie van wetten dan van eer. Eergevoel is geen overblijfsel uit een meer primitieve samenleving, naar een permanente risicofactor in elk menselijk handelen. Eric Dodds heeft ooit een onderscheid gemaakt tussen 'schaamteculturen', waarin een publieke vorm van eer of reputatie het handelen van mensen drijft, en 'schuldculturen', waarin een meer verinnerlijkt gevoel van verantwoordelijkheid heerst. Wie in een schaamtecultuur een faux pas begaat, vreest vooral de schande die hij met zijn daad brengt over zijn naasten en zichzelf; wie zondigt in een schuldcultuur, wordt niet geteisterd door de meningen van anderen, maar door het geweten dat binnenin huist. Deze tegenstelling is handig en inzichtelijk. Zij miskent alleen een beetje dat eigenlijk alle culturen zowel schuld als schaamte kennen. Ook in een hedendaagse schuldcultuur zoals de Nederlandse spelen schaamte, eer en reputatie nog een rol, zeker als het gaat om publieke – en al helemaal om politieke – daden en personen.

131. Veel hedendaagse taal theoretici gaan ervan uit dat taalgebruik in diepste wezen een op samenwerking en wederzijds begrip gerichte bezigheid is. Vanzelfsprekend gedragen sprekers zich niet altijd harmonieus: zij liegen, ze zeuren, ze overdrijven af ze verdoezelen. Maar dat doen ze onder de aanname dat ze zich eigenlijk wél coà?peratief zouden moeten opstellen en dat we ze ervoor verantwoordelijk kunnen stellen als ze dat niet doen. Deze visie behandelt conflictueus of anderszins niet coà?peratief taalgebruik als uitzondering. Ook fictioneel of anderszins niet letterlijk of niet gemeend taalgebruik wordt gezien als afgeleid van letterlijke, serieuze en coà?peratieve taal: wie zonder goede reden het verdrag schendt, is strafbaar. Niet-letterlijke taal is slechts in schijn een schending: de spreker maakt zo duidelijk dat hij iets anders wil overdragen dan wat hij zegt.

138. Is theater dan fictioneler dan andere literaire genres? Je kunt ook een andere conclusie trekken: in zekere zin worden woorden waar doordat ze op de bühne worden uitgesproken. Van belang is daarbij niet wie spreekt af wat hij bedoelt, maar wat er publiekelijk gedaan wordt. Met andere woorden: je kunt de uitingen in toneel bij uitstek performatief noemen, voorzover ze waar worden – of anderszins effect hebben – door te worden uitgesproken. De opvoering van tragedie en komedie weerspiegelt dan niet alleen de invloed van de samenleving op de literatuur; ook omgekeerd werd het Atheense collectief gevormd en bevestigd in het Dionysusritueel. Of de gedane uitspraken feitelijk waar of onwaar zijn, doet daarbij niet terzake. Je bekijkt dan veel algemener waardoor het uitspreken van woorden teweeggebracht kan worden.

145. Politiek is, evenals theater, een bij uitstek verbale en zelfs performatieve bezigheid. Nergens is dit duidelijker en nergens zijn de politieke kanten van theater en de theatrale kanten van de politiek zichtbaarder dan in klassiek Athene.

181. Tragiek of komedie, de inzet is dezelfde. Politiek heeft religieuze doeleinden en religie wordt tot inzet van een politiek conflict.

195. Het wonder van klassieke Athene ligt – meer nog dan in culturele monumenten als het Parthenon, het klassieke drama of het denkwerk van de grote filosofen – in het overleven van democratie en tijd van aanhoudende oorlog en temidden van de steeds herhaalde roep om sterke mannen, of om een terugkeer naar de wegen van weleer. Nooit hebben de Atheners voor langere tijd geloof gehecht aan de smoes dat democratische vrijheden, omwille van de veiligheid van staat of volk, of omwille van de oorlog, moesten worden opgegeven. Democratie wortelt niet in een specifieke moraliteit en ook niet in een specifieke vorm van recht, van wetten of zelfs van constituties, maar eerder in het angstvallig bewaken van scheiding en evenwicht van machten – en van stemmen.
Een politieke lezing van tragedies zoekt niet naar de toespeling op de antieke, of naar parallellen met de hedendaagse politiek. Zij vraagt veeleer naar de aard en de grenzen van het politieke. Het Griekse theater van de vijfde eeuw bood geen afleiding van de politiek, maar richtte juist de aandacht op de centrale politieke vragen van zijn tijd: vragen over macht, recht, wet en besluitvorming. Het bood geen drama over politieke thema’s, maar was zelf een door en door politieke kunstvorm. Tragedie, die hoogst verbale kunstvorm, gaat vaak over de macht en de gevaren van het woord. De 'Oresteia' en 'Antigone' zijn tragedies over de verhouding tussen macht en recht; 'Oedipus Tyrannus' gaat over koninklijke macht en waardigheid; in 'Oedipus in Colonus' staat de macht centraal die woorden in het algemeen hebben. Dit spel snijdt ook de verhouding tussen woord en heerschappij aan, en de vraag in hoeverre we meester zijn over onze eigen woorden.
Sofocles' tragedies delen het uitgangspunt dat zonder polis een beschaafd, goed en gelukkig leven überhaupt niet mogelijk is, maar ze leggen de spanningen en tegenstrijdigheden in het politieke leven bloot. Ze tonen ons dat culture wars van alle tijden en zelfs onontkoombaar zijn. Ze zijn geen klaagzangen over bedreigingen van de beschaving van de Grieken, of van de democratie van de Atheners, door barbarij van binnenuit dat buitenaf. Ze doen niet aan propaganda voor of polemieken tegen de Atheense heersers en pleiten evenmin voor of tegen enig vastliggend stelsel van normen en waarden. Als ze één ding duidelijk maken is het wel dat het zoeken naar gedeelde normen en waarden als fundament van democratie een illusie is. Stasis, ofwel het conflict in een of andere gedaante, is overal: tussen staten, binnen steden, tussen vrienden en met name binnen de familie '? tussen echtelieden, tussen broers en zussen, tussen ouders en kinderen, en zelfs in de individuele ziel.
Deze spelen maken daarmee duidelijk hoe wankel en zelfs willekeurig elke orde van de wet, de staat en de familie is en hoezeer door uitdaging en conflict getekend. Daarmee belichamen ze het tegendeel, zoniet de ontkenning, van Plato ’s 'Politeia' met haar koning-filosoof: democratie is nooit afgerond en wordt altijd bedreigd. Onophoudelijk ontstaan nieuwe wetten, wetsvormen en uitdagingen daarvan, nieuwe sferen of zelfs machten en vooral ook nieuwe stemmen die we maar beter niet als schandalig kunnen afwijzen. Het wezen van rechtvaardigheid, van de politiek, van de familie en het volk staat permanent ter discussie, het zijn de schandalige stemmen van de tragedie die er nieuwe grenzen, mogelijkheden en gevaren van verkennen. Door mensen aan het woord te laten die helemaal niet mogen spreken, overschrijdt de tragedie de grenzen van wat überhaupt gezegd kan worden; niet in de Wittgensteiniaanse zin van wat zegbaar en dus denkbaar is, maar in de politieke zin van wat toelaatbaar is. Tragedies tonen niet de narratieve kracht van het bestaande, maar de uitdaging van het ongehoorde.
Liberale politieke theorie presenteert de rechtsstaat, of de 'rule of law', als een neutraal kader waarin conflicten vreedzaam kunnen worden opgelost. Als er één ding is dat deze tragedies ons vandaag te zeggen hebben, dan is het dat die neutraliteit een illusie is. Elke rechtsorde berust op een wankele balans van tegenstrijdige en zelfs vijandige krachten. Stasis of intern conflict wordt tijdelijk vermeden, maar kan elk moment weer losbarsten: de wraakgodinnen lijken vooralsnog getemd, maar kunnen elk moment hun vernietigende krachten weer ontketenen.

Lees verder »

Archief

Caroline Gennez en Dirk Van der Maelen als kandidaten voor het sp.a voorzitterschap?

26 augustus 2007

Caroline Gennez en Dirk Van der Maelen flankeren een rode Marianne die tegen de blauwe achtergrond wegvlucht van hun gebeuzel op de profetische foto van Bob Van Mol in De Morgen van vrijdag 24 augustus 2007.
Caroline heeft als sp.a-ondervoorzitter en gewillige meid voor alle werk met graagte en ingehouden gretigheid haar kandidatuur gesteld voor het voorzitterschap van een imploderende partij. Tenslotte is ze al zolang jong en vrouw en onder diverse voorzitters dat ze zichzelf nu wel rijp genoeg acht voor het voorzitterschap zelf.
Om haar met enige sérieux te maquilleren mag de aloude Kamerfractieleider Dirk Van der Maelen haar flankeren als 'running-mate'. Dirk draagt op dezelfde fenomenale foto een Groen! hemd en blikt in de lens met een grijns van kiespijn. Hem werd na jaren als trouwe zweepdrager door de scheidende voorzitter de bullepees van het fractieleiderschap ontnomen ten voordele van de scheidende vice-premier en minister van begroting en consumentzaken, Freya, die dan op de valreep eerder opteerde voor de kinderen.
Caroline noch Dirk beseffen dat jaren als zweepdrager in het Vlaams parlement of de Kamer nog wat anders is dan fractieleider van een oppositiepartij. In de oppositie wordt je fractie verondersteld inhoudelijk, verbaal en mediageniek weerwerk te bieden aan de regeringsmeerderheid. Dat is fundamenteel verschillend van jarenlang de kunst van het zwijgen en doen zwijgen te beoefenen, het instemmen en doen instemmen, het frustreren en ridiculiseren van de fractieleden met zachte of harde dwang, met valkuilen, lokaas en de dreigende bullepees.
Wie dit soort politieke kunstjes jarenlang op bevel van de meester hebben opgevoerd, klinken raar wanneer ze beweren dat ‘de sp.a moet afstappen van de angst voor het debat’.

Het programma dat zij meenden te moeten presenteren voor hun voorzitterschapsambities '? nu Hans Bonte op het geblaf van honden zijn ambities weer eens heeft bijgesteld '? is tekenend voor dezelfde implosie van hun partij, al presenteren ze het graag pront en parmantig met een lijzige sneer naar de Patrick uit de Koekenstad die de opdracht kreeg om een analyse van die implosie te fabriceren en dit met enig dédain overlaat aan zijn koelies.
Daarbij valt immers geen eer noch baat te rapen.

Ze lijden dan ook aan de ziekte die J.M.Coetzee in zijn 'Dagboek van een slecht jaar' voor de Australische sociaal-democraten weet te omschrijven:

108. Na de ene electorale nederlaag na de andere te hebben geà?ncasseerd krijgt de Australische Labor Party '? ALP - nu de kritiek dat ze haar leiders uit een te beperkte politieke kaste rekruteert, van mensen die geen levenservaring buiten de politiek en buiten de partij hebben. Ik twijfel er niet aan dat die kritiek terecht is. Maar de ALP staat daarin geenszins alleen. Het is een elementaire misvatting te concluderen dat omdat in een democratie politici het volk representeren, politici representatief voor het volk zijn. Het besloten leven van de typische politicus lijkt sterk op het leven in een militaire kaste of in de maffia of in Kurosawa’s bandietenbendes. Je begint je carrière op de onderste sport van de ladder, met boodschappen doen en spioneren; als je hebt bewezen loyaal en gehoorzaam te zijn en bereid om rituele vernederingen te ondergaan, word je ingelijfd bij de bende zelf; daarna geldt je eerste plicht de bendeleider.

Met enige vertraging waaien ook bij de sp.a – al dan niet met spirit – de poppetjes van de dure marketeers door hun ondraaglijke lichtheid als overbodige pluisjes weg van de reële wereld.

Coetzee wijdt in hetzelfde Dagboek een 'Uitgesproken mening' aan Tony Blair die ook menig sp.a-spirit wonderboy of '? girl niet misstaat:

113. Over Tony Blair.
Het verhaal van Tony Blair zou regelrechte uit Tacitus kunnen komen. Een doodgewoon jongetje uit een kleinburgerlijke milieu met alle correcte standpunten van dien (de rijken moeten de armen subsidiëren, het leger moet streng aan banden worden gelegd, burgerrechten moeten verdedigd tegen een aantasting door de staat), maar zonder filosofische scholing en met een gering vermogen tot introspectie, en zonder enig innerlijk kompas behalve persoonlijke ambitie, gaat scheep voor de politieke reis, met al zijn vervormende invloeden, en eindigt als een liefhebber van de hebzuchtige ondernemersgeest, als een oorlogshitser, een medeplichtige aan het martelen en doen 'verdwijnen' van tegenstanders. ('?)

Wat gewone mensen de keel uit begint te hangen is om verklaringen van hun regeerders te moeten aanhoren die nooit helemaal waar zijn: een beetje minder dan waar, of een beetje bezijden de waarheid, of met een draai eraan die de waarheid doet wankelen. Ze wilden af van de voortdurende uitvluchten. Vandaar hun honger (een lichte honger, zo moet worden toegegeven) om te horen hoe welbespraakte mensen van buiten de politieke wereld – academici of geestelijke of geleerden of schrijvers – over openbare aangelegenheden denken.

En dan komen Caroline en Dirk met een programma op de proppen waar alleen maar meer van dezelfde doorgedraaide gratis belastingverlagingpraatjes van cafébazen en zelfstandige ondernemers blijven hangen. Het toetje voor de duurdere elektriciteitskosten is helemaal een giller want het was de grote inspirator zelf die de marktwerking in de sector overhaast heeft doorgedrukt, waarna de al zo dure elektriciteit alleen maar duurder bleek te worden.
En verder veiligheid, zekerheid en vrijheid van keuze en meer nog een programma voor het genieten van het goede leven.

109. Over links en rechts.
Wat mij het meest beviel aan Australië toen ik het in de jaren 90 van de vorige eeuw voor het eerst bezocht, was de manier waarop de mensen zich in de dagelijkse omgang gedroegen: openhartig, eerlijk, met een ongrijpbare persoonlijke trots en even ongrijpbare ironische gereserveerdheid. Maar nu, 15 jaar later, hoor ik hoe het zelfbewustzijn dat in dat gedrag werd belichaamd in brede kring wordt gekleineerd als behorend bij een vroeger Australië dat uit de mode is geraakt.

Interessant, hoe op het moment in de geschiedenis waarop het neoliberalisme verkondigt dat, nu de politiek eindelijk bij de economie is ingelijfd, de oude categorieën links en rechts versleten zijn, mensen over de hele wereld die zichzelf graag als gematigd beschouwen – dat wil zeggen, wars van de excessen van zowel links als rechts – beslissen dat in een tijd van rechts triomfalisme het idee van links te kostbaar is om overboord te zetten.
In de orthodoxe, neoliberale visie is het socialisme bezweken en gestorven onder zijn eigen contradicties. Maar zouden we er niet een alternatieve versie van het verhaal op na kunnen houden: dat het socialisme niet is bezweken maar neergeknuppeld, dat het niet is gestorven maar vermoord?.

Het komt me voor dat iedere poging tot herijking of nieuwe definiëring van het socialisme als een progressieve wereldvisie vooral werd vermoord door de eigen beoefenaars van deze eredienst.
De resultaten zijn er naar, niets of niemand zal hun machteloos geleuter nog ernstig nemen. In een regering, aan de vetpotten van de macht en belangenverdeling, kunnen de hovelingen nog verwachten een hap toegegooid te krijgen. Kost wat kost deelnemen aan een regering is voor dit soort partijen een politieke, electorale en vooral machtstechnische plicht: hun acolieten smachten naar het matsen in de coulissen.
Het schitterende maneuver van de scheidende voorzitter en grondwetsdeskundige die met veel zin voor drama tegen een achtergrond van leed en lijden voor de mensen, door de mensen, met de mensen op 11 juni 2007 de doek in de ring gooide, bracht enkel de mediagenieke poppetjes – sommigen zelfs met tegenzin – op de scène. Zij mogen nu schaduwdansen in het Kabuki theater van de Belgische politieke scène, hét kenmerk van de sociaal democratische toneelvorm: pakkende maar onbegrijpelijk monotoon gezongen thema’s voor en over de gewone man die zelf reeds lang naar de karaoke bars is verkast om daar zijn gram te halen.

Het ware machtsspel speelt zich af op andere plaatsen waar een prachtig schaakspel wordt voorbereid maar nauwelijks nog iemand weet waar het schaakbord zelf gebleven is.

Mocht het toch niet lukken om er weer bij te zijn in het belang van de mensen – wie anders dan de sp.a verdedigt immers de belangen van de mensen uit de Dorpsstraat? De Kabinettenstraten worden intussen uitgezuiverd en van balast ontdaan – dan is er nog altijd de Vlaamse regering waar het goed heersen is op thema’s die van België eindelijk een echt federaal land zullen maken.
En de keer daarop zijn de echte socialisten er immers weer bij – zonder de PS kan volgens hen dit land niet verder.

Geef toe, een heerlijk spel van geven en nemen, prachtig pokeren op de achtergrond terwijl de oranjeblauwe geschelpten ondertussen vakkundig hun pijnlijke populisten weten te kisten, tot de tijd rijp is voor de langverkondigde, de ultiem gewenste tripartite van het ware staatsmansschap: na de promotie van gemeentebesturen als afspiegelingscolleges, eindelijk ook een federale regering als een afspiegelingscollege: iedereen blij, want niet alleen Bart Somers verklaarde zich ooit als minister-president burgemeester van Vlaanderen, Plopsaland.

Voor de sp met of zonder ‘A’ zullen nieuwe programma's moeten geschreven worden, die verder gaan dan populistische praatjes of gespin op basis van dure maandelijkse peilingen naar de kiesintenties en interesses van de burgers.
Er zullen andere representanten moeten gevonden worden dan de huidige sp.a voorzitterkandidaturen, die zich menigmaal onsterfelijk hebben gemaakt met boekjes over wat Europa allemaal niet mag zijn voor het ressentiment van de brave kiezers dan wel korting aan de benzinepomp voor de eigen partijleden eerst.

Het wordt moeizaam zoeken in de snel leeglopende korf van wat zichzelf bij de sp.a enig al dan niet erfelijk politiek talent meende te moeten toedichten: inteelt leidt altijd tot degeneratie.
Een nieuwe brede beweging met alle andere progressieve partijen en organisaties is de enige mogelijkheid tot een verkoopbare illusie van bronvernieuwing. Daar kan dan nieuw politiek talent bovendrijven.
Maar dat zal ongetwijfeld nog vele jaren aanslepen. En niet alleen in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland.

Archief

Peter Sloterdijk, Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering. uitg. SUN

19 augustus 2007

Peter Sloterdijk, Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering. uitg. SUN

Het tempo waarop Peter Sloterdijk schrijft en publiceert is adembenemend.
De nieuwe '? vaak verrassende – ideeën die hij in zijn werk ontwikkelt, zijn zeer de moeite en verleiden de lezer tot diep in zijn sferologie.
Ook met ‘Im Weltinnenraum des Kapitals’ (2004) in het Nederlands verschenen als 'Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering' (2006 bij SUN) is het weer goed prijs.
Bijna iedere bladzijde noopt tot reflectie, bijna iedere hoofdstuk noopt tot achteroverleunen, lezen en herlezen.

Dit vervolg op zijn Sferentrilogie waarvan naar verluidt dit najaar het derde deel in vertaling zal verschijnen, is een kritische analyse van de trek naar het westen uit de Renaissance van Europese culturen: de visie op de aarde als een globe met meer zee dan land, Columbus die zichzelf als Christusdragende kolonisator bleef aanbidden, het Jezuà?etentheater en de contra-reformatie, Dostojewski's Crystal Palace en Melville's Moby Dick, het toenemende morbide overgewicht in de VSA, de rol van humor en grootmoedigheid.
Hij houdt onze sociale immuunsystemen tegen het licht, wijst op het belang van onze precieze plaats op de aardglobe voor ons denken, herkent de moderne 'consultancy-mode' en het hedendaagse verzekeringswezen als een opvolger van de filosofen- en ideologencultuur.

De filosoof uit Karlsruhe belicht vanuit zijn filosofische analyse het fenomeen van toenemende segregatie in zogenaamde multiculturele steden, waar de overheden publiek en met nadruk voor integratie pleiten.
Hij komt tot eenzelfde conclusie als Harvardprofessor Robert D. Putnam (Bowling Alone) in zijn nieuwste studie ‘E Pluribus Unum: Diversity and Community in The Twenty-First Century’. Volgens Putnam blijken mensen die in – naar huidskleur, cultuur en herkomst – gemengde gemeenschappen wonen hun buren meer te wantrouwen. Wat ook hun huidskleur is. Ze keren zich zelfs af van hun beste vrienden, stemmen minder, geven minder aan goede doelen en doen vrijwilligerswerk. Ze verwachten minder van de overheid dan bewoners van homogene wijken en wantrouwen hun leiders. ( De Morgen 18/8/2007)
‘Hunkering down’, noemt Putnam dat fenomeen. 'Verzuren' heet dat in Vlaanderen.
Gabriel van den Brink merkte in zijn onderzoek 'Culturele contrasten '? Het verhaal van de migranten in Rotterdam' (Bert Bakker – 2006) een toenemende segregatie in deze stad, ondanks de inspanningen van de stedelijke en landelijke overheid om een multiculturele integratie te bevorderen.

'Men moet er niet raar van opkijken als blijkt dat hoe meer de wereld in een netwerk gevangen raakt, hoe meer de symptomen van misantropie in aantal zullen groeien. Als mensenvrees een natuurlijk antwoord is op onwelkome nabuurschap, dan kan men op grond van de gedwongen nabuurschap-op-afstand van de meerderheid met de meerderheid een ongekende epidemie van misantropie voorspellen. Dat zal alleen diegenen verbazen die vergeten zijn dat de uitdrukking 'buur' en 'vijand' van oudsher nagenoeg synoniem waren. Tegen deze achtergrond krijgen begrippen als 'beschaving' en 'wereldburgerschap' een andere betekenis: zij verwijzen voortaan naar de horizon van misantropie onderdrukkende maatregelen. ('?)
Om antropologisch te spreken: de homo sapiens heeft van alle levende wezens de breedste rug – hij heeft hem nodig om hem zijn medemensen toe te keren.' (153)

In het kristalpaleis waarin een ruim derde van de huidige aardbevolking pleegt te vertoeven in min of meer luxueuze omstandigheden van overbodigheid en nutteloosheid '? behoudens de plicht tot consumeren, heerst de typische paleisverveling. Dat maakt die luxe-bewoners voortdurend alert op nieuws van elders dat ze ruim uitvergroot of als visuele horror degusteren in beeld en klank.

'Aanval is een prima verkoopbaar product, en hoe meedogenlozer hij wordt uitgevoerd, des te hoger de mediale beloning uitvalt. De aanvallers weten hoe dat komt: de zenuwstelsels van de bewoners van het kristalpaleis zijn een makkelijke prooi voor elk soort invasie, omdat ze, murw gemaakt door de paleisverveling, altijd op nieuws van buiten zitten te wachten. Omdat ze permanente om werk verlegen zitten, doen de paranoà?de programma’s van de welvaartsburgers niets liever dan elk signaal dat wijst op het bestaan van een externe vijand, ook al is het nog zo zwak, op te vangen en te versterken. Die versterkte geluiden worden in de hysterische infosfeer als weergave van de situatie aan de terreurconsumenten doorgegeven, die op hun beurt indirecte zich-bedreigd-voelen als stimulerend middel in hun stofwisseling opnemen.'(197)

Concrete voorstellen van Sloterdijk laten nog wat op zich wachten. 'Regels voor het mensenpark' en met Alain Finkielkraut 'De hartslag van de wereld' lijken moeizame voorproefjes.
Sloterdijk is een nieuwe Diogenes op zoek naar mensen in een cultuur waar vrijmoedig en onbevangen gesproken wordt, waar een aantrekkelijk, kritisch, creatief en grootmoedig opvoedingsideaal mensen nader tot elkaar brengt.

' Het uitgebreid- zijn op de eigen plaats is de goede gewoonte om te zijn.
Zolang links van plan is een aards links te blijven of te worden, zal het ondanks alle liefde voor de symmetrie met deze bepalingen rekening moeten houden, tenzij het de voorkeur geeft aan een affaire met het oneindige '? waar men volledig begrip voor kan hebben, aangezien aardse sociaal-democratie in filosofisch opzicht verveelt en in esthetisch opzicht niet bevredigt.'(285)

'In de tijd van de polis verkondigde Aristoteles de mening dat alleen diegenen burgers konden zijn voor wie grootmoedigheid tot een tweede natuur is geworden. Het valt niet goed in te zien waarom dat voor de mensen van het tijdperk van de natiestaten en de globalisering niet meer van toepassing zou zijn, enkel omdat die het tegenwoordig over creativiteit hebben in plaats van over edelmoedigheid. De creatieve mensen, zo heet het, zijn degenen die het geheel ervan weerhouden tot een schadelijke sleur te vervallen. Misschien is het moment aangebroken om die frase aan haar woord te houden.' (286)

De klassieke grote verhalen '? die van het boek (Oude en Nieuwe Testament en Koran), het liberaal progressieve, het hegeliaanse, het marxistische en het fascistische '? hebben compleet gefaald in het verklaren en begrijpen van de globaliserende wereld, laat staan dat ze ertoe geleid zouden hebben die wereld zinvol en menselijk te veranderen.
Vandaag betekent filosoferen met elkaar twijfelen, elkaar onderzoeken en bevragen en creatieve gedachten wikken en wegen, aarzelend en grootmoedig: 'Dubito ergo sum!
Wie zo denkt, spreekt en handelt kan jonge mensen voorbereiden op de behoedzame deelname aan deze vrijmoedigheid, dit vrij kunnen, durven en willen spreken, deze 'parreisia' die niet verzandt in loze kreten en hol gefluister omdat hen iedere vorm van grondige kennis werd onthouden onder het motto dat onderwijs vooral 'tools' moet aanreiken om kennis te zoeken en te vinden.
De Grote Proletarische Culturele Revolutie heeft vanaf het midden van de jaren zestig van vorige eeuw een ravage aangericht in de mogelijkheid van vrij en met enige kennis van zaken te spreken voor de Chinese jeugd.
'We don’t need no education' was alles wat overbleef van Pink Floyds 'Another Brick In The Wall'. De gevolgen voor het opleidingsniveau en het onderwijs in Zuid-Afrika zijn vandaag nog steeds dramatisch.

Frank Furedi onderzocht in zijn boekje 'Waar zijn de intellectuelen?' reeds grondig dit fenomeen van infantilisering:
'?Het type bevestigend gedrag dat volgens opvoedkundigen voor kleine kinderen het beste is, is door de universiteit overgenomen. En hoe meer energie docenten aan de emotionele behoeften van hun studenten moeten besteden, des te minder zullen ze hen als potentiële intellectuelen serieus kunnen nemen – dat valt niet te vermijden.
Uit dit infantiliseringsproces komt een pessimistisch en antidemocratische mensbeeld naar voren. De doelgroep van het sociale integratiebeleid bestaat uit individuen die geen gelijkenis met het ideaalbeeld van het democratisch subject vertonen. In ideale voorstellingen van democratische participatie wordt uitgegaan van burgers die intelligent en verantwoordelijk genoeg zijn om zelfstandig te handelen en hun rechten te laten gelden. Ze kunnen kritiek uitoefenen en verdragen. Zijn volwassen, bezitten verantwoordelijkheidsgevoel en zijn bereid belang te stellen in zaken die niet alleen hen maar ook andere segmenten van een gemeenschap beà?nvloeden. De huidige culturele instanties en onderwijsinstellingen geven signalen af als zou van mensen niet mogen worden verwacht dat ze zich overeenkomstig democratische idealen gedragen. Zij verwachten daarentegen van hun publiek dat het emotioneel is, dat het alleen in zichzelf belang stelt, en dat het niet nieuwsgierig en niet volwassen is.'?(172)

Het wordt tijd dat in tempels, openluchttheaters, halfronden, salons, cafés, restaurants en passages, scholen, jeugdhonken, publieke ruimtes, audiovisuele en internetsites dit gesprek met een toenemende intensiteit aangegaan wordt. De behoedzame, onderbouwde, blijmoedige vrijmoedigheid van dit gesprek zal bepalend worden voor wie wij zijn en wat er na ons komt.
In deel II, ‘Globen’ van zijn magnum opus ‘Sferen’, behandelt hij een oerscène van dit soort gesprekken aan de hand van het Filosofenmozaà?ek van Torre Annunziata:
‘Zeven oudere mannen in een geà?dealiseerd landschap, niet ver van en Griekse stad, misschien Acrocorinthe, misschien Athene, beslist niet Sparta. De zonder uitzondering bebaarde heren zitten onder een boom met elkaar te praten, dicht bij een heilig woud, waarvan de ingang met zuilen gemarkeerd is; op de dwarsbalk staan offergaven in buikige vaten.
Alles in dit tafereel wijst op de uitzonderingstoestand: de plek is niet zomaar een plek; wat daar besproken wodt is niet zomaar iets. Kennelijk hebben de aanwezigen het over een brandende kwestie. Degene die links staat heeft zojuist zijn pleidooi beëindigd, zijn buurman geeft een summier antwoord door met de staf naar de bol te wijzen, en een soort verbazing verbreidt zich over de aanwezigen. Het lijkt alsof een idee de ronde doet en hen overrompelt als een attaque. Een zekere opgewondenheid hangt in de lucht, ja, men kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat de fascinatie van de discussie op dit moment heeft plaatsgemaakt voor een gemeenschappelijke ontsteltenis. Waarschijnlijk is er een vermetele, schrikwekkende gedachte opgeworpen, die zich met de kracht van het ‘voor de eerste keer’ aan de aanwezigen opdringt. (...) De woordenwisseling is overgegaan in het denken; wereldschokkende ideeën stijgen op uit het vruchteloze geklets en beginnen hun vlucht. Een ongekende evidentie biologeert het denkvermogen van de aanwezigen. (401)

Sloterdijks 'Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering' kan bij dit soort gesprekken hulp bieden.
Over het filosofenmozaà?ek van Torre Annunziata – eerste eeuw v.C.- Museo Nationale Napels.

Peter Sloterdijk, Sferen II, Globes – Macrosferologie, Proloog: Intensieve Idylle.

404: De eerste aanhangers van het bios theoretikos weten dat de vrijheid om te denken alleen door een breuk met de stad en de later zogeheten volksgemeenschap verwezenlijkt kan worden.
Door de uitvinding van het denkspel filosofie wordende navolgende samenlevingsvormen, of ze nu als steden, monarchieën of keizerrijken worden ingericht, endogeen gespleten. Er is een denken in de wereld binnengedrongen, dat zich opwerpt als het laatste woord over wat geldt en is, en waarvan toch de meesten, ook de politiek, economisch, journalistiek machtigen slechts van de buitenkant kennis kunnen nemen. Met deze krenking moet elke reële samenleving, die het denken niet in zijn geheel wil hinderen, leren leven – ofwel door uit te wijken naar de bewondering, zoals de antieke wereld verkoos te doen, ofwel door te vluchten in de scepsis tegenover de hogere kennis en haar instituties, een scepsis die de vitalistische modernen helpt een leven te leiden in argeloosheid, zonder zich minderwaardig te voelen.('?)
Geen enkele intellectueel zou deze situatie ooit mogen vergeten: zeven geleerden tegenover een gestreepte bol, baardige heren in een opgewektheid die geen buitenstaander kan verklaren, ontsnapt aan de stad, overgeleverd aan een subtiele andersdenkendendheid, op grond van gemeenschappelijke logische intuà?ties gecommitteerd aan een oneindige vraag – dat is de oerscène van het academische pacifisme. ('?)

406: Het unieke van het filosofen tafereel zit hem eerder hierin dat enkele grootheden van het vroege denken zich op het moment van een gemeenschappelijke betrokkenheid bij een eenmalig thema laten observeren, met als doel de beschouwer getuige te laten worden van een debat dat constitutief is voor de filosofie als geheel. Men zou kunnen zeggen dat wat hier in beeld verschijnt de uitstorting is van de oervraag zelf. Voor de duur van het moment is datgene wat denken heet in zekere zin voor de voeten van het gezelschap gevallen. Er ligt een bol klaar die de toeschouwer met twee absolute imperatieven naar zich toetrekt:’ Kom, denk mij!’ en:’ Ga in mij op!’

427: De aanvangsdatum van de oorspronkelijke globalisering laat zich dus, tenminste als tijdvak, met enige duidelijkheid bepalen: het is de kosmologische verlichting bij de Griekse denkers, die door hun samenvoeging van ontologie en meetkunde de grote bol aan het rollen brachten. Misschien had Heidegger gelijk toen hij de moderniteit identificeerde met de bruiloft van het beeld-worden van de wereld en het zijnde, maar het begin van dit proces dateert nogal uit de bloeitijd van het Griekse denken. De weergave van het Al met een bol is de beslissende daad van de vroeg-Europese verlichting. Men zou de oorspronkelijke filosofie kunnen definiëren als de doorbraak naar het monosferische denken – d.w.z. de eis om het zijnde in zijn geheel te duiden aan de hand van de bolvorm. ('?)

Lees verder »

Archief

Portbou, Dani Karavan: Passagen Walter Benjamin (1940 – 1994 – 2007)

14 augustus 2007

'Iedereen gaat dood op een manier die op hem lijkt. Sommigen in stilte, op hun tenen, anderen lopen achteruit, terwijl ze om vergiffenis of toestemming vragen. Sommigen gaan heftig discussiërend of om uitleg vragend, en sommigen banen zich vechtend en vloekend een weg erheen. Anderen omarmen hem. Sommigen sluiten hun ogen, weer anderen huilen.'
Eduardo Galeano geciteerd in Bruno Arpaia, De engel van de geschiedenis, 306

Portbou is een grens met een enorm – glas in ijzer overkapt – station, waar de Spaanse treinen noodgedwongen halt houden en met een andere spoormaat de reizigers uit de rest van Europa opwachten, meer dan een eeuw lang.
Portbou is dé grens en cultiveert op wat amechtige wijze zijn beroemdste grensganger met een traject dat hij door de Pyreneeën liep van het laatste Franse station naar het eerste Spaanse.
Walter Benjamin koos in 1940 finaal voor het definitieve einde, waarover Bruno Arpaia ‘De Engel van de geschiedenis’ schreef.
Het is goed kijken naar de toeristen, de passanten tussen strand en zee, tussen land en water, tussen hemel en aarde.
Het is even slikken bij het zien van de gammele foto’s van Walter Benjamin en de copieën van de begrafenis- en schouwingskosten in het Centro Civico waar autochtone bejaarden een kaartje leggen en een pijp roken.
Het is vertwijfeld dwalen doorheen het stadje van het enorme station naar de begraafplaats waar hij wegens te weinig grafgeld na 5 jaar werd opgegraven en in de kuil van de anonieme armen werd gegooid.
Het huidige grafmonument – naar joodse traditie overdekt met keitjes – dekt dus alleen de illusie, en die is bijzonder aangrijpend en beklijvend voor wie doorheen het monument van Dani Karavan stapt in ‘Passagen’ (1994) en finaal geconfronteerd wordt met de tekst op de door vandalen beschadigde glasplaat:
'?Schwerer ist es das Gedà?chtnis der Namenlosen zu ehren als das der Berühmten. Dem Gedà?chtnis der Namenlosen ist die historische Konstruktion geweiht.'?
(Walter Benjamin, Gesammelte Schriften, I, S. 1241)

‘Al kort na de eerste wereldoorlog bekritiseerde Benjamin die tendens in bewoordingen die niets aan actualiteit hebben ingeboet toen hij de verhouding tussen wetgevende en uitvoerende macht voorstelde als die tussen rechtscheppend en rechthandhavend geweld:
“Verdwijnt het bewustzijn van de latente aanwezigheid van het geweld in een wettelijke institutie, dan raakt ze in verval. Een voorbeeld daarvan vormen in onze tijd de parlementen. Ze bieden het bekende jammerlijke schouwspel omdat ze zich van de revolutionaire krachten, waaraan ze hun bestaan te danken hebben, niet bewust zijn gebleven('?) Hun ontbreekt de zin voor rechtscheppend geweld dat in ze is vertegenwoordigd: geen wonder dat ze niet tot besluiten komen die dit geweld waardig zouden zijn maar daarentegen in het compromis een schijnbaar geweldloze aanpak van politieke aangelegenheden cultiveren'? (Walter Benjamin, Gesammelte Schriften, 1, 65-66) ibidem p.47.

‘De ideologie van het detail steunde op de veronderstelling dat de ruilwaarde, de zogenaamde onzichtbare genius malignus van de moderne wereld, in de ornamenten van de waar gestalte kreeg en zich in de arabesken van de passage-architectuur openbaarde. Vervuld van het bijgeloof in het detail, beet Walter Benjamins onderzoek zich in onderaardse bibliotheekarbeid vast, door onvrije genialiteit in een uitzichtloze richting gedreven. Hoe meer materiaal het opstapelde, des te dieper bedolf het de vruchtbare opzet van de onderneming, namelijk om de interieur – en contextscheppende kracht van de kapitalistische modus vivendi bloot te leggen.
Benjamins interpretatie van de passages werd geà?nspireerd door het realistische, maar triviale marxistische inzicht dat achter de glanzende buitenkanten van de warenwereld een eerder onaangenaam te noemen en soms zelfs troosteloze arbeidswereld schuilgaat; ze werd verwrongen door de suggestie dat de kapitalistische wereldsamenhang als zodanig een hel is, bewoond door verdoemden die uit hun verdoemenis helaas geen politieke lessen trekken. In duistere toespelingen werd gesuggereerd dat die mooie wereld onder glas een metamorfose van Dantes inferno was.
Een idee over hoe een democratische verbouwing van de passages zou kunnen uitzien en, sterker nog, opheldering over de vraag of een uitbraak van de 'massa’s' uit de matrix of het 'veld' van het kapitalisme denkbaar of zelfs maar wenselijk was, bleef het onderzoek tegen deze achtergrond schuldig. Over het geheel genomen getuigen Benjamins studies van het wraakzuchtige geluk van de melancholicus die een archief van bewijzen voor de verdorvenheid van de wereld aanlegt’.
Peter Sloterdijk, Het Kristalpaleis, 189.

Archief

Etienne Vermeersch: ‘Ook afvalligen hebben spreekrecht’.

11 augustus 2007

De Standaard Opinie & Analyse
zaterdag 11 augustus 2007

Etienne Vermeersch vindt niet dat ex-moslim Ehsan Jami te ver gaat. ‘Zijn radicalisme, net als dat van Ayaan Hirsi Ali, is nodig om voor velen een middenweg in de islam vrij te maken. Want een verlichte islam is mogelijk.’

De oproep van Geert Wilders om de Koran te verbieden is te gek voor woorden. We hebben in Europa vrijheid van meningsuiting. Dat geldt niet alleen, zoals Voltaire al vond, voor die meningen die we goedkeuren, maar ook voor die welke we verafschuwen. Het getuigt van wereldvreemdheid een boek te verbieden dat meer dan een miljard mensen als heilig beschouwen. De stelling dat er in de Koran passussen voorkomen die naar onze normen onaanvaardbaar zijn (over polygamie, slavernij'?), is juist. Maar dat geldt eveneens voor de Bijbel. Ten slotte is de vergelijking met Mein Kampf absurd. De Koran is een tekst uit de zevende eeuw die betwistbare passussen bevat, maar bij een welwillende lectuur stelt men toch vast dat barmhartigheid er de centrale deugd is. Iedere soera begint met de woorden bismillahi rahmani rahim ‘in naam van God, de barmhartige, de erbarmende’ en ook in de tekst lezen we telkens weer: God is barmhartig. Sommige moslims beseffen dit blijkbaar niet, maar als barmhartigheid Gods wezenskenmerk is, dan heeft de mens als basisopgave hem daarin na te volgen. In Mein Kampf daarentegen vormt de haat tegen medemensen, met name de joden, de centrale thematiek: barmhartigheid is daar totaal afwezig.

Als professor Van Doorn zijn aanval alleen op Wilders had gericht (DS 10 augustus), dan had ik hem kunnen volgen. Zijn kritiek betreft echter vooral Ehsan Jami en andere ex-moslims die de islam bekritiseren en zelfs heftig aanvallen. Ze maken het debat kapot, zegt hij. Ik ben het daar niet mee eens. Wie onder de islam geleden heeft, of, zoals Ayaan Hirsi Ali, tot in haar vlees gekwetst werd, heeft eveneens recht op vrije meningsuiting: het recht om uiting te geven aan frustraties en angsten. Ze hebben zelfs het recht zich daarbij te vergissen.

Het debat met de moslims – bij ons en wereldwijd – betreft in essentie de vraag of er een beleving van de islam mogelijk is die strookt met de verworvenheden van de Verlichting, en meer bepaald met de Rechten van de Mens. Dat debat is niet gediend met oppervlakkige gesprekken waarin iedereen vriendelijk wil zijn voor de andere. Op 5 augustus 1990 werd de Cairo Declaration on Human Rights in Islam ondertekend door de vertegenwoordigers van meer dan 45 islamlanden, leden van de Organisation of the Islamic Conference, thans 56 in aantal. Deze OIC verzette zich onlangs nog tegen de amnestie voor de Bulgaarse verpleegsters.

In die ‘Verklaring’ worden een reeks artikelen uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens overgenomen, maar veelal met de toevoeging ‘binnen de grenzen van de sharia, en artikel 24 zegt uitdrukkelijk: All the rights and freedoms stipulated in this declaration are subject to the Islamic Shariah. Wie die sharia enigszins kent, kan daar alleen koude rillingen bij krijgen. Terloops, de strijd voor een eigen islamitische verklaring over de mensenrechten, niet gebonden door de Universele Verklaring, werd in gang gezet door Iran, na de revolutie. Diezelfde revolutie voerde in 1979 (als mensenrecht?) ook het huwelijk van kinderen vanaf negen jaar weer in'?

Professor Van Doorn is allicht van mening dat het ijveren voor religieuze tolerantie een intern Nederlandse, Belgische, enz. aangelegenheid is, over de aanpassing van onze moslims aan onze rechtsprincipes. De ex-moslims zoals bijvoorbeeld Ayaan, Ehsan Jami, Ibn Warraq, Wafa Sultan – bekijk haar betoog op YouTube – hebben het terecht over de islam zelf. Ze voelen beter dan wie ook aan dat een authentieke aanvaarding van de mensenrechten een diepgaande ommekeer vergt in de interpretatie van de Koran en de Sunna. Om dat proces in de goede richting te sturen is er niet één enkele koninklijke weg.

Er zijn zeker begripvolle debatten nodig tussen moslims, westerse christenen en atheà?sten. Er zijn de verdienstelijke pogingen van Irshad Manji en anderen, om vanuit het geloof zelf bij te dragen tot de verandering. Maar in deze beide benaderingen kan het zoeken naar het waardevolle in de islam (dat er zeker is) tot gevolg hebben dat men om de echt hete hangijzers heen loopt. Jaren geleden schreef ik al in verband met de discussies tussen gelovigen en vrijzinnigen bij ons: ‘verzoening, ja, maar niet in de mist’. Velen namen het mij kwalijk, maar herhaaldelijk vroeg ik bijvoorbeeld de Kriminalgeschichte des Christentums van KH Deschner niet onder de tafel te vegen. Dat was geen ‘onvermogen zich uit het verleden los te maken’. Integendeel, pas als men het kwaad onder ogen durft zien, is een integere verwerking van het verleden mogelijk.

De ex-moslims, met hun soms te agressief betoog, hebben de verdienste telkens weer op de reële knelpunten te wijzen. Het verwijt van ‘onvolwassenheid’, van ‘omgekeerde orthodoxie’, lijkt me niet decent in verband met mensen die door hun hele familie werden uitgestoten en die voor hun leven moeten vrezen. Hiermee heb ik niet gezegd dat hun waarheid dé juiste of de enige is. Maar, evenzeer als de moslims die zich door hun aanpak gekrenkt voelen, hebben ook zij recht op respect. Wij, die de strijd grotendeels achter ons hebben, staan voor de taak die tegenstellingen te helpen overwinnen door naar een verzoening te streven die de waarheid niet loochent.

Er zijn passussen in de Koran die niet meer aanvaardbaar zijn, maar er blijven er voldoende over om een verlichte islam mogelijk te maken. Ik geloof daarin. Ik denk hierbij vooral aan de Mekkaanse Sura’s, waarin zowel een authentiek religieuze als een sociaal bewogen inspiratie te vinden is en in meerdere ahadith komt dezelfde geest tot uiting. De islam heeft het nog veel moeilijker dan het christendom om het tijdsgebonden en onvolmaakt karakter van de ‘Openbaring’ te erkennen. Juist daarom misschien is het radicalisme van Ayaan, van Ehsan Jami, van Ibn Warraq, van Wafa Sultan en anderen nodig om voor velen een middenweg zoals die van Irshad Manji vrij te maken.

Etienne Vermeersch is emeritus hoogleraar Ugent

Archief

Roberto Saviano, ‘Gomorra, een reis door het imperium van de Camorra’.

7 augustus 2007

Roberto Saviano, Gomorra, een reis door het imperium van de Camorra. uitg. Rotschild&Bach

‘Gomorra’ is een boeiend boek, niet alleen om de onthullingen, om de bijtende analyse van de Italiaanse schaduweconomie die meer dan schaduw een steun is voor het officiële imago van 'Made in Italy'. In de Italiaanse Haute Couture is de originele versie immers onbetaalbaar en van een ideële maatvoering voor het doelpubliek. Dat kan je niet blijven frustreren en daarom zorgt de schaduweconomie voor betaalbare en draagbare varianten.
Iedereen tevreden.
Want is dat niet het doel van de Camorra, veel meer nog dan de Siciliaanse Maffia?
In ‘Gomorra’ weet Roberto Saviano de lijnen te lichten van de voornaasmte activiteiten van de Camorra. Deze in oorsprong Spaans-Napolitaanse bende uit het begin van de 19de eeuw tijdens het Koninkrijk van de Beide Siciliën en Napels voert vandaag een aangepaste economische en sociale politiek die maximaal rendement koppelt aan een grote flexibiliteit en (internationale) marktgerichtheid.
De banden van de Napolitaanse Camorra met de Chinese economie, de rol van de baai van Napels in de internationale schaduwhandel worden door Saviano behandeld.
'Vanuit China, voorzover uit het onderzoek van 2004 naar voren komt, verplaatsen en distribueren de clans in Europa via hun handelsnetwerk verschillende hightechproducten. Europa had de buitenkant, het merk, de bekendheid, de publiciteit; China had de inhoud, het product zelf, de goedkope productie en materialen tegen spotprijzen. Het Systeem van de camorra heeft die twee dingen samengebracht met als resultaat winst op alle fronten.'(55)

Roberto Saviano heeft de kennis, het inzicht en de moed bij elkaar geraapt om de verbanden tussen de schaduweconomie en de officiële Italiaanse '? Europese '? Wereld economie bloot te leggen.

' Nooit is de criminaliteit in het economische leven in een gebied zo overweldigend aanwezig geweest als in de afgelopen 10 jaar in Campania. De camorraclans hebben geen politici nodig zoals de Siciliaanse maffia, het zijn juist de politici die het Systeem hard nodig hebben. In Campania hoort het bij de strategie van de clan dat het zichtbaar gedeelte van de politiek op de radio en televisie formeel immuun is voor iedere betrokkenheid. In de provincie echter, in de dorpen waar de clans militaire ondersteuning nodig hebben, dekmantels voor voortvluchtige en voor de wat openlijke economische maneuvers, daar zijn de banden tussen de politici in de camorrafamilies veel inniger. De clans van de camorra komen via hun zakelijke imperium aan de macht, en dat is voldoende om al het andere te kunnen domineren.' (60)

De consumentenkuddes worden in heel de wereld begeleid door herders met honden en belagers met wolven. Ook al worden wij als consumerende kuddedieren gehoed door onze politieke, economische, religieuze herders, tussen die herders en de wolven in het bos bestaat een goeie verstandhouding in flexibele wisselwerking om de immense consumentenmarkt van al die vele mensenkuddes te optimaliseren.
De officiële economie in de sectoren waar de Camorra actief is, kan blijkbaar niet zonder haar schaduw.
En wanneer de wolven in het schaduwrijke bos hun rijkdom hebben geconsolideerd, ondergaan deze een metamorfose naar de machtige figuur van de herder. De boze wolf wordt plots Roodkapjes grootmoeder of moeder de geit.

'Het lijkt er misschien op dat de clans, als de vorming van groot kapitaal eenmaal is voltooid, hun criminele activiteiten stopzetten, waarmee ze hun eigen DNA min of meer verwoesten en het naar legale niveau converteren. Net zoals de familie Kennedy in Amerika tijdens de drooglegging enorme kapitalen had verdiend aan alcohol maar daarna iedere band met de misdaad verbrak. In werkelijkheid is het illegale Italiaanse ondernemerschap juist zo sterk omdat er altijd op twee paarden wordt gewed en de ondernemers nooit hun criminele roots verloochenen.'(307)

Vrij Nederland had met Roberto Saviano een indringend interview op 31/3/2007:
http://www.vn.nl/web/show/id=62082/contentid=1645

Marco Tullio Giordana ( La Meglio Gioventà? ) heeft met 'I cento passi' in 2000 een boeiende film gemaakt over het leven van Peppino Impastato die met een vrije radio in de jaren zeventig de maffia praktijken in Sicilië, waarin ook zijn vader meeliep, aankloeg. Hij werd in 1978 vermoord op de dag dat het lijk van de ontvoerde politicus Aldo Moro werd teruggevonden.
http://nl.wikipedia.org/wiki/I_cento_passi

Lees verder »

Archief

Peter De Graeve, Behaaglijke Leugens op het Feest van de Vlaamse Gemeenschap

6 augustus 2007

Intussen bijna een maand geleden werd onderstaande rede gehouden door de filosoof Peter De Graeve die hier met vaardige hand en spitse taal de behaaglijke leugens waarin Vlaanderen, Wallonië en Brussel zich bijna 2 eeuwen plegen te wentelen analyseert tot een ‘onbehaaglijke waarheid’.
Het verscheen in verkorte versie op de opiniepagina van De Tijd van 12 juli 2007.
Behaaglijke leugens

Rede uitgesproken op de academische zitting ter gelegenheid van het Feest van de Vlaamse Gemeenschap, 7 juli 2007, Merelbeke

11 juli, waarde burgemeester, geachte schepenen, dames en heren, is een vreemde feestdag. Het is de nationale dag van een belangrijke deelstaat van het koninkrijk België. Maar bekijk op die dag de Vlaamse hoofdstad, Brussel: daar wappert nauwelijks een leeuwenvlag. 11 juli is een wat lauwe feestdag, geen dag van trots of vaderlandsliefde. Er wordt niet, zoals in 'echte' nationale staten '? Frankrijk, de VS, Nederland (of België, wat dat betreft) '? de vrijheid gevierd of de onafhankelijkheid herdacht. Wellicht wordt op 11 juli iets gelijkaardigs gevierd of herdacht, maar we weten niet goed wát. Hoe rijkelijk de drank ook vloeit, hoe luid de Vlaamse rock ook uit de boxen schalt, of hoe bevallig het finale vuurwerk '? 11 juli blijft een feest in mineur'? Wij zijn, strikt genomen, niet eens inwoners van een volwaardige deelstaat, zodat je deze dag zelfs geen deelfeest kunt noemen. Waarom vieren wij eigenlijk?
(...)

Op politiek vlak is dit land inderdaad hoogst ongelukkig, zonder meer onmodern. Ik durf te stellen dat België in politiek opzicht zelfs een antimoderne natie is, en dat deze historische eigenschap de ramkoers verklaart waarop het bontgekleurde flottielje van onze staatsinstellingen al jarenlang vaart.
Om dit duidelijk te maken is het aangewezen om enkele behaaglijke leugens, convenient lies, over de Belgische natie tegen de lamp te houden. Dit zijn de belangrijkste:

1. België was van bij de aanvang een progressieve, liberale natie.
2. België is een 'republikeinse monarchie'.
3. België is vandaag een federaal land.
4. De communautaire problemen zijn puur symbolisch, door politici in stand gehouden tegen de wil van de bevolking in.
5. De Vlaming, en de Vlaamse Beweging, is van nature autoritair en rechts.
6. Het Vlaamse nationalisme is de ware bedreiging voor een vreedzaam co-existeren van de gemeenschappen, de gewesten en de individuele burgers in een Belgische multiculturele context.
7. Vlaanderen is onverdraagzaam tegenover zijn Franstalige minderheid.
8. Brussel verdient, als hoofdstad van Vlaanderen, van België én van Europa, en als zetel van enkele mondiale organisaties, meer respect, meer financiële armslag en meer ruimte.

Zelf leg ik daar graag enkele eigen opvattingen naast, die haaks staan op de doorsnee opinie '? mijn inconvenient truth, zo je wil.

Lees verder »

Archief

Albert Vigoleis Thelen, Het eiland van het tweede gezicht – Uit de toegepaste herinneringen van Vigoleis

4 augustus 2007

Albert Vigoleis Thelen, Het eiland van het tweede gezicht – Uit de toegepaste herinneringen van Vigoleis. 1981 – Ned vert. Uitg. Signature Utrecht 2004

Een indringende titel voor een zwaar en groot, uitputtend boekwerk, waarvan door de auteur zelfs 300 pagina's in razernij werden verscheurd en aan het vuur prijsgegeven omdat de Nederlandse uitgever van het Duitse origineel, Geert Van Oorschot, vond dat het wat beperkter mocht: ergo de vernietiging van ongetwijfeld boeiende stukken over de relatie tussen Vigoleis en de Nederlandse dichter Hendrik Marsman.

'Het eiland van het tweede gezicht' is een meesterwerk, een 'light' versie van de 'Man zonder eigenschappen’, uit het midden van de XXste eeuw.
Vigoleis past er zijn voor de zoveelste keer herschreven herinneringen toe op zijn verblijf met zijn geliefde Beatrice op Mallorca, meer bepaald in de hoofdstad Palma, van 1931 tot 1936. Toen reeds was de stroom toeristen op gang gekomen, waarvoor hij zelfs de meest gegeerde gids werd wegens de manier waarop hij de grootste onzin over de toeristische hoogtepunten voor waar wist te verkopen, vooral aan nazi-duitse bezoekers met hun kroost.
Al zijn schrijfsels vielen herhaaldelijk ten prooi aan de ratten, de muizen, de schimmel, het vuur, de scheurliefde, de papiernood, de angst voor de fascistische milities'?
En toch is Albert Vigoleis Thelen erin geslaagd 'Uit de toegepaste herinneringen van Vigoleis' een magnum opus op te leveren dat lichtvoetig de gruwelen en de ellende van Beatrice en Vigoleis temidden van onzekere vrienden, terende familie, behoeftigen, bedelaars, hoeren, misdadigers, Spaanse Grandes, Amerikaanse, Engelse en Duitse kunstenmakers en rijkaards op de woeste baren van de wereldgeschiedenis.
Niet voor niets is hij geboren en uiteindelijk na vele omzwervingen (Frankrijk, Zwitserland, Mallorca, Barcelona, Portugal) ook gestorven bij Dülken, nu een deelgemeente van Viersen '? Nordrhein-Westfalen '? vlakbij de Nederlandse grens.

Geert van Istendael wijdt een schitterend hoofdstuk in zijn boek 'Mijn Duitsland'aan het oeroude fenomeen van de Narrenmühle in Dülken :

Carnaval in Dülken.
Elftausend Gecken
reiten auf Stecken'?
Elfduizend zotten
rijden op stokken. ('?)
Freude bringen,
das ist der Sinn der Sache.

Dat weet Vigoleis als geen ander in de treurnis van de Spaanse burgeroorlog en de opkomst van Nazi-Duitsland uit zijn pen te puren. Hij weet steeds de hilarische kant van de grootste gruwel en de diepste wanhoop te schetsen:
Hij tekende zijn laatste brieven met : 'Alaaf! Semper Alaaf!'

Lees verder »

Archief

Ian McEwan, Aan Chesil Beach – Zaterdag, uitg. De Harmonie-Manteau

2 augustus 2007

Ian McEwan, Aan Chesil Beach – Zaterdag, uitg. De Harmonie-Manteau

Merkwaardig trof mij de manier waarop Ian McEwan in zijn recent vertaalde 'Aan Chesil Beach' een kernprobleem van menselijke relaties in een oud fotonegatief weet te suggereren.
Hij situeert de onmogelijkheid voor beide partners in een prille huwelijksnacht om tot elkaar te komen en de levenslange gevolgen hiervan in de prille jaren zestig van de vorige eeuw.
In vele burgerlijke en kleinburgerlijke kringen werd voor de finesses van seksuele handelen verwezen naar castrerende boekjes, miserabele parabels dan wel 'Doe maar wat Eduard wil, of volg maar wat Florence zegt': 'Dit was nog de tijd '? die later in dat beroemde decennium zou eindigen '? dat jong zijn een sociale handicap was, een teken van onbenulligheid, een lichtelijk beschamende aandoening waarvoor het huwelijk een begin van genezing bood. Als bijna vreemden stonden ze, vreemd tezamen, op een nieuwe top van het bestaan, verheugd dat hun nieuwe status hen beloofde te verheffen uit hun eindeloze jeugd – Edward en Florence, eindelijk vrij!'
Aan Chesil Beach speelt zich het Middeleeuwse drama af van twee mensen die niet tot elkaar konden komen.
Het waren twee koninghs kindren,
Sy hadden malkander soo lief;
Sy konden by malkander niet komen,
Het water was veel te diep.

Door het afdrukken van een zorgvuldig opgebouwd zwart-wit negatief weet Ian Mc Ewan in het slot van zijn verhaal de vraag naar anders en beter te suggereren bij de lezer.

“Il n’y a qu’une communication universelle authentique: l’ échange des corps par le langage secret des signes corporels.” Pierre Klossowski -La monnaie vivante , ed. Eric Losfeld 1970

De bruid kan haar onzekerheid en haar angst voor de daad waaraan zij verondersteld wordt deel te hebben rationeel niet onder controle krijgen. De fysieke toenadering van haar teergeliefde bruidegom doet haar kokhalzen en drijft haar naar een houding op het huwelijksbed: ‘Om één afschuwelijk moment te overleven, te ontvluchten, moest ze de inzet verhogen en zich aan het volgende wagen, en de ongewenste indruk wekken dat ze er zelf naar verlangde.’
Haar hevig verlangende koningszoon kan zijn reflexen na een week onthouding van handwerk niet langer onderdrukken en zij vlucht het hotel uit naar de kiezelstranden van Chesil Beach '? intussen een beschermd natuurgebied waar een mens, en zeker Ian McEwan '? nooit nog een steentje mag verleggen.
Lag het aan haar relatie met haar vader die zich net als haar Eduard uitkleedde in het zeiljacht waarin hij haar vaak meenam over het Kanaal'? Of was het haar afstandelijke academische moeder Violet die er nooit in geslaagd was haar het plezier van fysieke aanraking te bieden: 'Ze had Florence nooit gekust of omarmd, ook niet toen ze klein was. Violet had haar zelfs nauwelijks ooit aangeraakt. Dat was misschien maar goed ook. Ze was mager en knokig, en Florence hunkerde nu niet bepaald naar haar tedere gebaren. En nu was het te laat om er nog mee te beginnen.'
Of was het Eduard die zijn lagere sociale positie al te vaak ingepeperd had gekregen door zijn toekomstige schoonfamilie, waar hij zelfs in het bedrijf van zijn toekomstige schoonvader aan de slag kon.
De communicatie tussen de nagekomen bruidegom in vertwijfeling en de schaamtevolle bruid loopt mank en ze keren elkaar aan Chesil Beach de rug toe, voor altijd, een hele verdere leven lang.
Wie niet waagt, niet wint. Een heel leven vullen ze verder met herinneringen aan hoe het ooit samen zou kunnen geweest zijn.
Nochtans was er een andere mogelijkheid om het angstwater over te steken in een eerste huwelijksnacht, zonder allebei een gewisse psychische dood tegemoet te treden. Wanneer menselijke relaties drijven op onzekerheid, angst, gezichtsverlies, verraad en twijfel, hou je jezelf alleen recht door het nemen van risico's, door de hand te reiken aan wie je nabij komt, ook al vermoed je maar een fractie van de verlangens of de angsten van de ander.
In feite overstijgen we op die manier de ziekte van een mensenmaatschappij die teert op onmiddellijke behoeftebevrediging, leed en verlangens van de ander. We investeren dan in elkaar, zelfs wanneer we ervan uitgaan dat een veilig antwoord op een uitgestoken hand zeldzaam zal zijn.
Sommigen omschrijven dat als geloven in de goedheid van dé mens of van sommige mensen.
Het kan helpen om je eigen eenzaamheid te bestrijden en maakt je hoe dan ook sterker.
Maar dit vereist passie en emotie om behoedzaam en indirect naar een toenadering te bewegen die de beide partijen kan veranderen.

In zijn eerder meesterwerk 'Zaterdag' speelt Ian McEwan op een andere menselijke interactie. De wat wereldvreemde succesvolle neurochirurg wordt op zijn vrije zaterdag geconfronteerd met de voor hem onbegrijpelijke gewelddadigheid van straatcriminelen die huizen tussen zijn chique Londense woning, het ziekenhuis waar hij werkt en de squash club waar hij zich uitleeft. Hij redt zijn hachje en zijn dure Mercedes door de crimineel te confronteren met de symptomen van de Chorea van Huntington die hij bij hem herkend wanneer deze aanstalten maakt om hem verder af te tuigen. Dank zij zijn klinische blik kan hij het dodelijke lot van diens vader spiegelen in het geheugen van de crimineel en hem zo isoleren van zijn bendeleden die al dat geneuzel over een rare erfelijke ziekte maar niets vinden. En dus kan de neurochirurg ontsnappen. Voorlopig althans.
Bij de familiereünie 's avonds duikt de zware kerel met Huntington echter weer op. Met een mes op de keel van zijn vrouw die op zaterdag haar werk als advocaat op een grote krant pas laat weet af te ronden, dringt hij de woning binnen.
Hij penetreert de privacy van de familie en terroriseert het hele gezin in een orgastisch verlangen naar macht in de vernedering van alle aanwezigen. Hij raakt van de wijs door een gedicht dat de dochter des huizes moet voorlezen, nadat hij haar dwong zich uit te kleden en zo haar zwangerschap onthulde.
Door een handig eentweetje met zijn zoon weet de neurochirurg de indringer van de trap te kieperen. Per ambulance wordt deze met een ernstig hersentrauma naar zijn ziekenhuis afgevoerd, nog voor de politie arriveert.
Hij is bereid om hem zelf te opereren wegens de collega's met griep in bed en de assistent misschien te onervaren.

Ian Mc Ewan tast hier de grenzen af van relaties, ook die tussen arts en patiënt: zelfs wanneer deze hem en zijn familie met de dood bedreigde en hij hem met een list gebaseerd op zijn medische kennis opnieuw te snel af was en de schedel wist te breken, ‘redt’ de arts hem het leven.
De sfeer in 'Zaterdag' is zwanger van angst, spanning, onzekerheid en terreurdreiging tijdens de protestbetoging tegen de plannen van Tony Blair tot deelname aan de oorlog in Irak.
Bij het krieken van de dag zag de hoofdrolspeler een brandend Russisch vrachtvliegtuig op de Londense luchthaven landen.
Hij blijft de hele nacht twijfelen over zijn handelen ten opzichte van de gewapende indringer.
Hij redt hem het leven, maar veroordeelt hem tot een vegeterend leven als hersenbeschadigde Huntingtonpatiënt.

Is er een subtielere vorm van wraak te bedenken?

25. Maar een stad kweekt van nature slapeloze mensen; ze is zelf een slapeloze geheel waarvan de bedrading altijd maar door gonst; onder zovele miljoenen zijn er onherroepelijk mensen die uit het raam turen terwijl ze normaalgesproken zouden slapen. En niet elke nacht dezelfde mensen. Dat hij het is en niet iemand anders is een kwestie van willekeur. Hierbij speelt een eenvoudig antropische beginsel een rol. De primitieve gedachtegang van iemand met een bovennatuurlijke inslag komt neer op iets wat zijn psychiatrisch collega’s en referentieprobleem of -denkbeeld noemen. Een overmaat van subjectiviteit, de ordening van de wereld krachtens je behoeften, een onvermogen om je eigen onbeduidendheid onder ogen te zien. Volgens Henry behoort zo’n redenering in een spectrum waarvan aan het uiteinde, verheven als een verlaten tempel, de psychose ligt.

45. Wie een utopie nastreeft, duldt uiteindelijk elke uitwas, elk meedogenloos middel om haar te verwezenlijken. Als vaststaat dat uiteindelijk iedereen voorgoed gelukkig wordt, wat kan het dan voor misdaad zijn om nu een paar miljoen mensen af te slachten?

75. Vaak komen mensen naar het plein om hun drama’s op te voeren. Een straat is kennelijk niet zo geschikt. Hartstochten hebben de ruimte nodig, de weidse aandacht van een theater. Op een andere schaal (...) is dit misschien wel de aantrekkingskracht van de Iraakse woestijn. – het vlakke en vermoedelijk verlaten landschap dat vrijwel gelijk staat aan de kaart van een strateeg waarop een furie van industriële afmetingen kan worden losgelaten. Een woestijn is naar verluidt de droom van elke legerleiding. Een stadsplein is het burgerequivalent.

321. Hoed u voor utopisten, gedreven mensen die zeker zijn van de weg naar de ideale maatschappelijke orde. Ze zijn er weer, totalitaristen en in een andere vorm, verspreid nog en zwak, maar groeiend in aantal, en verbolgen, en verlangend naar een nieuwe massamoord. Honderd jaar om zover te komen. Maar misschien laat hij zich wel gaan en is dit een loze, overspannen fantasie, een nachtgedachte over een tijdelijke stoornis die zal worden opgelost en hersteld door de tijd en het gezond verstand.