Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Brussel Halle Vilvoorde: België is een regime, geen democratie – Peter De Graeve

28 september 2007

‘Vlaamse belgicisten laten zich door de Franstaligen een rad voor ogen draaien’, schreef Peter De Graeve op de Opiniepagina van De Standaard (26092007) . ‘België is een royalistisch, antidemocratisch en op egoà?sme gebaseerd regime dat alleen in stand wordt gehouden om Franstalige belangen te verdedigen.’

De ontstemde democratie
door Peter De Graeve

'Regime', volgens Van Dale: een staatsbestel of regeringsstelsel, een wijze van uitoefening van het bestuur. Het woord is afgeleid van het Latijnse 'regimen', en kwam via het Frans in onze taal terecht. 'Regimen' komt van 'regere': besturen, regeren. Reeds in de twaalfde eeuw bestond in het oud-Frans 'regisme', wat toen koningschap betekende. Het Nederlands lijkt de term pas te hebben overgenomen in 1820, tijdens het Koninkrijk der Nederlanden dus, onder het '?regime van Willem I van Oranje-Nassau.

België is onmiskenbaar een regime. De organisatie van het land wordt gekenmerkt door een bewindsvorm, niet door een echt democratisch proces. De zinvolheid van dit Belgische bewind staat vandaag, terecht, ter discussie. Het behoud van het Belgische bewind wordt vandaag, terecht, op het spel gezet. Het al dan niet overleven van dit bewind vormt de kern van de huidige crisis. België is een bewind, geen democratie. De mogelijkheid of onmogelijkheid van een waarlijk democratische hervorming van het Belgische regime zal beslissen over de uitkomst van de huidige crisis. De Vlaamse partijen benadrukken de mogelijkheid van zo'n hervorming (van een 'echt federalisme'). In de Vlaamse publieke opinie daarentegen slinkt, verontrustend snel, het geloof in die mogelijkheid. Dit laatste komt doordat het steeds scherper tot het politieke bewustzijn van heel wat Vlamingen doordringt dat de wil tot democratische hervorming geen adequate echo vindt bij de Franstalige partijen en de Franstalige publieke opinie. De zogenaamde radicalisering van de Vlaamse publieke opinie is daardoor volkomen gelegitimeerd. Ze beantwoordt aan een gerechtvaardigde wil om komaf te maken met het Belgische regime. De Franstalige partijen daarentegen zijn bereid alles in het werk te stellen om het Belgische bewind te behouden zoals het is. Daarom verzetten zij zich met hand en tand tegen de Vlaamse visie op het federalisme, dus tegen de mogelijkheid zelf van een broodnodige democratisering van het land.

Over welk regime gaat het? De grote doorbraak van de moderne democratische gedachte kwam er in ons land, zoals in de buurlanden, bij de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, net na W.O.1. Als een gevolg daarvan kwam algauw de democratisering tot stand, ook in haar 'communautaire' gestalte: de vernederlandsing van de Universiteit Gent, van het gerecht, van de administratie. Bijna twintig jaar na W.O.2 werd met het vastleggen van de taalgrens die eerste democratiseringsgolf voortgezet. Maar tegelijk werd de democratie zelf vakkundig ingesnoerd door de invoering van het huidige regime. Een zogenaamde alarmbelprocedure werd ingesteld, zogezegd ter wederzijdse bescherming van de taalgemeenschappen, in feite ter beteugeling van het algemeen enkelvoudig stemrecht, dus van de democratie. Belangrijke politieke beslissingen zijn vandaag enkel rechtsgeldig indien ze zijn goedgekeurd door een tweederde meerderheid in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, plus een absolute meerderheid in elke taalgroep. Die procedure wordt doorgaans verdedigd als een democratische rem op de mogelijke ontsporing van een essentieel democratisch systeem. In de praktijk is ze bedoeld ter bescherming van de Franstalige belangen.
Het verheffen van deze zuiver (collectief-)egoà?stische doelstelling tot één van de meest essentiële grondwettelijke regels zorgt ervoor dat de Belgische grondwet in haar geheel niet langer de democratie beschermt, maar een regime, ofwel een wijze van bewindvoering (Van Dale). De democratie is ontstemd.

Het debat over het dossier BHV helpt dit te verduidelijken. Neem als voorbeeld het recente pleidooi van professor emeritus Etienne Vermeersch. De man wil het democratische territorialiteitsbeginsel erkend en dus de faciliteiten afgeschaft zien, in ruil voor de overheveling van vier faciliteitengemeenten naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit idee is een variant op het voorstel van het FDF om de bevolking van de faciliteitengemeenten via referendum te laten beslissen over een eventuele aanhechting bij Brussel. Welnu, als de grondnorm van het Belgische regime op dit geval moet worden toegepast, lijkt mij de gewenste overheveling alleen rechtsgeldig te zijn indien twee derden van de betrokken gemeentebewoners ermee akkoord gaan, maar met een dubbele meerderheid, binnen elke taalgroep. Met andere woorden, overhevelen kan niet als niet de meerderheid van de Vlaamse inwoners hun toestemming geven.

Waarom zou een grondrecht dat goed is voor vier miljoen Franstalige landgenoten ineens niet goed genoeg zijn voor de Nederlandstalige inwoners van de faciliteitengemeenten? Dat iedereen, inclusief Vermeersch, het evident vindt dat deze dorpelingen wel heel Brussel kunnen krijgen, maar niet dit Belgische grondrecht, bewijst de grondige pervertering van de Belgische democratie. Zo wil Vermeersch het universele respect voor wet en democratie afdwingen door de wet aan zijn laars te lappen en de democratische procedures te omzeilen. Dat is geheel in de geest van het Belgische regime. Om nog te zwijgen over de vraag, o Spiritus Emeritus, waarom de Vlaamse deelstaat territorium moet afstaan om nu net het territorialiteitsbeginsel aan de Franstaligen duidelijk te maken? (Schonk u ook onmiddellijk uw hoofd weg als een student tegenover u koppig bleef?)
Als het territorialiteitsbeginsel dan toch de enige rechtvaardigheidsgrond vormt waarop u een Belgisch democratisch federalisme verdedigbaar acht (en hierin hebt u alvast gelijk), waarom het niet gewoon, heu, toepassen? Vermeersch' voorstel tot aanhechting van vier gemeenten is de Belgische onredelijkheid ten top: na vijftig jaar huwelijkse ontrouw wordt de bedrogen partij gevraagd een pink af te staan om het samenleven te redden. Als internationaal gewaardeerd Professor in Stervensbegeleiding zou Vermeersch moeten weten dat je op die manier geen levens redt.

De radicalisering van de Vlaamse publieke opinie is onomkeerbaar. Wie dit niet willen inzien, zoals de goedgelovige domkoppen onder journalisten en intelligentsia die graag doorgaan voor 'progressief' (d.w.z. die graag over de Braziliaanse, de Congolese of zelfs mondiale democratie nadenken, maar liever niet over de Belgische), staan nog enkele ontmoedigende weken en maanden te wachten. De radicalisering is onomkeerbaar om een eenvoudige maar dwingende reden. De Vlaamse opinie wil namelijk niet weten van een regime waar democratische regels verschillen al naargelang de regio waar men zich bevindt. Ze wil niet weten van een grondwet die alleen die 'demos' in bescherming neemt die het spreken van het Frans verheft tot een universeel recht, maar het Nederlands afdoet als een vervelend regionaal fenomeen. Ze wil, kortom, niet weten van een politieke kaste die zich handig wegstopt achter hoogdravende principes van verdraagzaamheid, democratie (FDF), hervormingsgezindheid (MR), solidariteit (PS) en universeel humanisme (CdH), maar die in werkelijkheid een naar de huidige Europese normen aftands royalistisch, antidemocratisch en op egoà?sme gebaseerd regime verdedigt.

Naar aanleiding van de Verjaardag van België, afgelopen zaterdag, waar nauwelijks een Vlaming aanwezig was, verklaarde Milquet doodleuk dat 'blijkbaar alleen Franstaligen het Belgische federalisme nog verdedigen'. Franstalige politici lipten er, jawel, de Brabanà?onne mee, en kweelden vervolgens een obligaat 'Vive la Belgique'. Maar zolang deze kreet mee inhoudt: 'Vivent les facilités', 'Vive l'élargissement de Bruxelles' en 'Vivent les Francophones de Flandre' zal de Vlaamse publieke opinie blijven radicaliseren. Op dezelfde wijze vormen de ontelbare Belgische vlaggen die dezer dagen de ramen en gevels van de hoofdstad sieren voor de Nederlandstaligen alles behalve de uitdrukking van een reëel verlangen naar meer democratie. Ze zijn simpelweg de uitdrukking van een Belgisch nationalisme dat, zoals Antoinette Spaak onlangs nog in Knack vaststelde, door steeds meer Vlamingen wordt afgewezen, bewust, onbewogen, radicaal.
Une véritable démocratie vaut bien une crise.

De auteur is filosoof

Archief

Amos Oz, 'Verzen van het leven en de dood' – uitg. De Bezige Bij 2007

25 september 2007

In de tijd dat dieren nog als speelgoed vrij van loodverf kinderharten vertederden en voor het paasfeest kuikens op het schoolse pretmenu werden geserveerd, redden onze kinderen een eigeel kuikentje van een gewisse dood in de schredder. Het parmantige beestje had pientere oogjes en droeg reeds lang voor de wetgever er nog maar op gekomen was, fluo rode en groene dons. Het dwaze diertje overleefde al piepend koesterende liefde, teveel zon in een doos achter het raam en uitzichtloze eenzaamheid, een hele lente lang.
Pasen viel vroeg in het jaar van de haan.
Er hoorde een hok want het haantje werd steeds witter en groter en bewoog buiten zijn doos als een kreupele, voortijdig oud in denken en doen.
Maar met het hok, diende ook de eenzaamheid doorbroken en werden drie hennen opgeleverd die voor keukenafval gestaag eieren zouden aanleveren.
Ervaringsgericht leren over het alfa en omega van de natuur is immers optimaal voor kinderen.
Dit leidde de eerste dagen tot tumult en onvrede in het hok, waar de inmiddels fors uit de kluiten gewassen haan het heen en weer kreeg van zoveel gekakel om zijn forse kam.
Netto draaide de situatie uit in het voordeel van de producerende intriganten.
Zij bezetten de stok en legden eieren en hij plooide zich vanaf de eerste schemering voor de ingang van het hok, om een schijn van overzicht te bewaren over de hiërarchie binnen en de wereld buiten.
Nooit had hij in zijn beperkte leven andere hanen in actie gezien met hennen toch zagen we hem op een mooie middag zijn kippen bespringen. Hij deed het mechanisch, zonder passie, alsof het erbij hoorde. Het leek bij wijlen teder maar het was stuntelig en zonder fantasie. Het leek hem een treurige plicht, de last van het geslacht en de ouderdom. Hij leed eronder. Kraaien werd gebroken en hees. En toen, op een prille zomerse ochtend leek hij buiten het hok de wacht te houden, roerloos. Zijn afmattende hennen roerden zich niet en bleven onrustig op stok, want de heer des huizes in leeftijd en geslacht had voor altijd gefaald.

Amos Oz schrijft in 'Verzen van het leven en de dood' :
'?Op de dag dat het leven op de aardbodem is verschenen, is daarmee ook de dood verschenen.
Maar, zo beweert Arnold Bartok, dat is een volstrekt valse veronderstelling: gedurende miljoenen jaren hebben hier over de aardbodem triljoenen levende wezens gekrioeld zonder dat ook maar een ervan ooit de smaak van de dood heeft geproefd. De eencellige wezens gingen helemaal niet dood maar deelden zich onophoudelijk, één werd twee, de twee werden er vier en de vier acht. De dood bestond niet. Alleen in het huidige tijdperk, alleen toen plotseling de andere bevruchting, de seksuele bevruchting verscheen, verscheen daarmee ook de veroudering en de dood.
Hieruit blijkt dus dat niet het leven en de dood onlosmakelijk verbonden op de wereld zijn neergedaald, maar de seks en de dood. En omdat de dood later verschenen is, vele tijdperken na de verschijning van het leven, bestaat er dus hoop dat hij op een dag zal verdwijnen zonder dat het leven mee zal verdwijnen. Daaruit volgt de logische mogelijkheid van een leven dat eeuwig voortduurt. We hoeven alleen maar een manier te vinden om de seks ongedaan te maken en daarmee inderdaad ons lijden en ook de noodzakelijkheid van onze dood uit de wereld te bannen. '? (82-83).

In dit literaire kattebelletje noteert Amos Oz verwarrende invallen, commentaren en fantasieën waarmee hij de lezer een blik in zijn schrijverstechnieken suggereert '? 'écriture automatique' als aanzet voor liefde en duisternis, leven en dood.
'Verzen van het leven en de dood' draaien en keren rond werkelijkheid en verbeelding, in louterende verzinsels. Ze leveren fluwelen erotische fantasieën in het smalle ledikant van een bewonderende dictielerares, met haar jaloerse kat in de douche en zijn fallus in verelendung, door de last van reflectie over krachteloze passie.
Maar ook die tederheid van al die jaren houdt hem recht, in zijn verlangen en fantasie. Hij lijkt wel bevrijd van de drang en de dwang en hij geniet daarmee van de schoonheid en de troost, in zijn eigen verbeelding.

Was mijn voortijdig oude witte haan dan toch teder in zijn mechanisch trappen?

Schrijvers als Coetzee en Oz dragen de last van hun jaren met wankele wijsheid, de witte kuif van hun haren met kreupele kracht en ze 'trappen' geschonden schoonheid.
Maar steeds zijn hun tekenen en hun aanrakingen teder, want ze laten hun partners in de langzame dans hun waardigheid en ze respecteren hun eigen falen.
Zelfs in een kattebelletje kan afscheid tot onrust drijven.

'Het wordt nu al winter, de herfst is voorbij
de boom en de appel zijn verrot, allebei.
Nog even, dan komt het. Het doet bijna geen pijn.' (139)

'Van tijd tot tijd is het immers de moeite waard om wat licht te ontsteken en erachter te komen wat er gebeurt. Morgen wordt het ook warm en vochtig. En eigenlijk is morgen vandaag. '(150)

Archief

Erik De Bruyn – Jan Van Duppen op Kanaal Z: ‘Heeft de sp.a nog toekomst?’

24 september 2007

Op Kanaal Z 22 september 2007: een debat tussen Erik De Bruyn, die voorzitter wil worden van de SP.A, en Jan Van Duppen, die de SP.A definitief voor bekeken hield na 1 legislatuur in de nationale, Vlaamse en gemeentepolitiek.

Bekijk het debat van 35 minuten met Veronique Goossens en Rik Van Cauwelaert:
‘Heeft de sp.a nog toekomst?’

http://www.kanaalz.be/CMarticles/ShowArticle.asp?ArticleID=12439&SectionID=143

Archief

Musée Provincial Félicien Rops Namur

23 september 2007

Musée Provincial Félicien Rops Namur

Het Félicien Ropsmuseum heeft in 2007 de Museumpublieksprijs gekregen.
Aan de Rue Fumal 12 '? met een onbereikbare website '? staat een prachtige patriciërswoning, vlakbij het geboortehuis van de kunstenaar. Niet ver van de sobere kathedraal waar boven het koor van monseigneur André-Mutien Léonard de lippen zullen geloofd worden of lippendienst geboden wordt. Léonard verklaarde recent nog in de Belgische pers Sigmund Freud aan zijn zijde te hebben in de strijd tegen de perverse homoseksaliteit en alle zondige gedachten en handelingen. Want voor hem kan de mens nog steeds zondigen in gedachten die bijaldien verre van vrij blijken te zijn.

Namen heeft echt iets surrealistisch, onwezenlijk warm geborgen tussen de vochtige lippen van Samber en Maas, na zovele belegeringen en slachtpartijen, na zovele versterkingen, afbraak en wederopbouw dat Napoleon de citadel de termietenheuvel van Europa noemde.

Het provinciale museum biedt een fascinerend overzicht van het werk van Félicien Rops (1833-1898), zijn reizen (Namen, Brussel, Parijs, New York en Chicago), zijn ontmoetingen en zijn creaties: gravures, tekeningen en schilderijen.
De rondleiding die we mochten beleven met de Nederlandstalige stadsgids Guido Colpaert was vertederend, adembenemend en confronterend.
Rops die overigens vele duizenden prachtige brieven schreef, formuleerde zijn traagzame werklust in 1863 als volgt: 'Ik denk dat echte kunstenaars en echte schrijvers vooral werken om de instemming te verkrijgen van enkele mensen met wie ze op dezelfde golflengte zitten.'Hij kende ongetwijfeld het devies : ‘Niets is wat het lijkt!’

Het beklemmende ' L'Enterrement en Wallonie' antwoordt Gustave Courbets 'Begrafenis in Ornans' (1849) waar het hele dorp uitgelopen lijkt om ritueel afscheid te nemen.
Rops begreep toen al dat achter de schijn van het realisme en naturalisme een andere werkelijkheid speelde in het hoofd en het leven van de mensen.
'Ik was in Namen en had niets omhanden. ('?) Onderweg kwam ik een begrafenisstoet tegen . Ik heb altijd een zwak gehad voor begrafenissen. Het was een trieste begrafenis, en dat is eerder zeldzaam. Achter de kist ('?) liep een blond jongetje, van dat fletse blond dat ontstaat door gebrek aan lucht en door '?tienmaal alle vervoegingen overschrijven'? als straf voor een glimlach. De arme drommel moest aan het hoofd van de rouwstoet lopen. Zijn neusje was rood van het wenen, de tranen bengelen aan zijn wimpers. Naast hem schreed waardig en beschermend een meneer, de'?lieve oom'?of een wettelijke voogd. ('?) Voorts nog een dikke, jichtige pastoor met armen die tot op de gespen van zijn schoenen bungelden, twee naargeestig groteske priesters die psalmen zongen, rood aangelopen door een slechte spijsvertering, een koster met watjes in zijn oren, twee leden '? een man en een vrouw '? van een of andere congregatie, een misdienaar, een hond, dat was alles. ('?) Tijdens de laatste gebeden besprenkelde de misdienaar de hond met wijwater en dronken de dragers een gelegenheidsborrel. Het tafereel beviel me wel, ik heb het meteen getekend op een grote lithografische steen, en dat is het. '

Ook al beweerde hij zich ver te houden van politiek en maatschappijkritiek maakte hij een schrijnende 'Medaille voor Waterloo', wat hem op een duel kwam te staan.
België werd in die tijd door intellectuelen en kunstenaars ervaren als een bruggenhoofd tegen de reactie in Frankrijk waar op de bergen lijken van Napoleon een nieuwe Napoleon III het Empire nog eens dunnetjes wou overdoen.
Rops werd op 1 juli 1861 in Namen lid van 'La Bonne Amitié No. 2 G.:O.:B.:'

Hij kende en genoot van de witgekalkte graven, de schijnheiligen en hun perverse geest.
Hij pleitte voor bevrijding van genot, voor het onthullen van het spel, voor het discreet bewaren van de geheimste gedachten.

” Voici à? peu près ce que je voulais faire dire au bon Antoine par Satan (...)
Je veux te montrer que tu es fou mon bon Antoine, en adorant tes abstractions !
Que tes yeux ne cherchent plus dans les profondeurs bleues
le visage de ton Christ, ni celui des Vierges incorporelles !
Tes Dieux ont suivi ceux de l’Olympe (...)
Mais Jupiter et Jésus n’ont pas emporté l’éternelle Sagesse,
Vénus et Marie l’éternelle Beauté !
Mais si les Dieux sont partis, la Femme te reste
et avec l’amour de la Femme l’amour fécondant de la Vie “

Over zijn fameuze 'Pornokrates' 1878 schreef hij een vriend: 'Ik heb een nogal bizarre schilderij naar Taelemans gestuurd, met de vage bedoeling dat hij het aan een nog vagere amateur zou verkopen. Ik heb het enkel en alleen gemaakt omdat ik een rijzig wijf met een antieke allure wilde konterfeiten. '

Over zijn fameuze satanische prenten schreef hij Satan zaait het onkruid:
'Een schrikwekkende grote SATAN in boerenkiel stapt, als de zaaier uit de bijbel, met reuzenschreden over dichtbevolkt gebied. Op dit moment , onder een vaal maanlicht, steekt hij parijs over. Zijn rechtervoet rust op de torens van de Notre-Dame. Zijn wapperende schort is gevuld met VROUWEN. Die noodlottige kiemen van de misdaden en de wanhoop der mensheid gooit hij met een krachtig gebaarde ruimte in. In zijn ogen schittert, onder een breedgerande Bretonse hoed, een ziekelijk genot.'

Over De Kruisiging: ‘De duivel vernietigt de vrouw; niet zij is de duivel of haar trawant. Dankzij het aanvankelijke misverstand kan de decadente esthetiek dus makkelijk twee slachtoffers ten tonele voeren. ’
Toch gooit volgens Rops de vrouw zich hier in een spontane aandrift in de klauwen van Satan , om een laatste orgastische genot te beleven. Rops kende zelfs de wurgseks, lustverhogende asfyxie!

Rops was groots in het kijken naar de ander en zichzelf, nog groter in het spiegelen van het geheim dat wij koesteren en menen te kunnen bewaren. Hij was misschien wel het grootst in het weergeven van menselijk denken. Daardoor bevrijdde hij ook zichzelf en cultuurgenoten van de drukkende gevoelens van schuld, boete en kastijding die hen werden ingeprent door een verstikkende interpretatie van vals fatsoen en religieuze machtsdogma’s.

'?In Mallarmés appartement bevond zich een Venetiaanse spiegel, een soort talisman. Daarin voelde hij zich wegzinken gedurende het proces dat hem 'de Duisternis in had gesleept, wanhopig en eindeloos'. De spiegel weerkaatste inmiddels niet langer diegene die erin keek en zijn spiegelbeeld bestudeerde.'?(p.82) '?Achter de wankele coulissen van wat zich ' werkelijkheid ' laat noemen, komen de stemmen in opstand. Als niemand naar ze luistert, maken ze zich meester van de kleren van de eerste de beste die langskomt en bestormen ze het toneel, met alle desastreuze gevolgen vandien. Wat geen gehoor vindt, is per definitie gewelddadig.'?(p.131) '? Als kennis niet wordt ontdekt maar verzonnen (Nietzsche), houdt dat in dat de verbeelding daar een belangrijke rol bij speelt. Nietzsche durft zelfs te beweren dat het intellect juist in het verbeelden zijn voornaamste vermogens ontplooit.('?) Met één klap kende Nietzsche de kunst een hoofdrol toe bij het doorgeven van kennis. Kennis en verbeelding waren niet langer tegenstanders maar bondgenoten.'?(p.133) Roberto Calasso, De literatuur en de goden.

Het Musée Provincial Félicien Rops koestert ook een prachtige tuin. Rops was een gedreven liefhebber van bloemen en planten waarvan hij zich bewust was dat hij ze plantte voor al wie na hem zou komen. ‘Le carré d’ardoise’van Anne Jones bewaart in de voortuin kanonskogels uit gesneden leien die de daken van de stad bedekten en die zo vaak aan diggelen werden geschoten in deze aloude garnizoensstad.

De Waalse hoofdstad Namen '? met het parlement als een volmaakte rechthoek en het 'Elysette' van de minister-president '? heeft met het provinciaal museum Félicien Rops een intellectuele topper die beklijft.
Menige schouw wordt er nog gesierd door een grote Venetiaanse spiegel die ietwat uit de haak niet degene die kijkt weerspiegelt, maar bij een open raam het sterrenbeeld van de Grote Beer laat zien: Septentrion, het Noorden.

Archief

Stefan Hertmans, Het zwijgen van de tragedie. Uitg. De Bezige Bij

19 september 2007

Stefan Hertmans, Het zwijgen van de tragedie. Uitg. De Bezige Bij.

Passend is het, en recht en goed voor de lezer die in 'Het zwijgen van de tragedie' beschouwingen kan beproeven die met de smaak van pijn, bloed in de mond, ongemakkelijke woorden tot zwijgen kunnen helen.
'Gemaskerd treden ze naar voren om zo te laten zien wat het ware gezicht is als het laatste
masker af valt: het gruwelijkste masker van alle, het onbegrijpelijke oeroude gezicht van Dionysos, het ontbreken van een zinvol subject achter al deze gruwelen. Nooit zullen hun motieven zonneklaar worden; altijd zal de laatste sluier het grootste geheim verbergen. 'Larvatus prodeo' vat het zwijgen van de tragedie uiterst bondig samen.'(260).

In De vloek van Oedipus. Taal, democratie en geweld in de Griekse tragedie'? helpt Michiel Leezenberg een pak gemeenplaatsen en liberaal-democratische illusies de wereld uit met de klemtoon op de onvermijdelijke noodzaak van het conflict, de 'stasis', binnen en buiten de stad, de staat, de culturele gemeenschap, de familie en het gezin.
Met Het zwijgen van de tragedie'? dringt Stefan Hertmans verder in ons denken, dieper in onze twijfels. Hij weegt zijn en onze angsten en koestert onze 'Kopnaad' als mentale poort waaronder zijn vragen zwijgend voortwoekeren. Als 'livre de chevet' biedt het gemaskerde zwijgen van Hertmans lemma's als stapstenen waarop je kan steunen met je denken bij nacht en ontij of waar je doorheen kan glijden als in een ijzig wak.
Met de analytische eruditie achter de schermen van zijn literair, poëtisch en theaterwerk houdt Hertmans de lezer een teleidoscoop voor op Medea, Antigone en Empedokles, op Hà?lderlin en Paul Celan: van ver en zeer nabij wervelen zijn woorden er om- en doorheen. Soms trekt hij vergelijkingen naar belangrijke politieke en ideologische themata van vandaag die je dwingen terug te treden op platgetreden paden. Maar ze houden de lezer alleszins alert.

Verbazend was dan ook het stuk in De Standaard 31082007 waar Gretel Van den Broek zijn antwoord op haar vraag – Hebben mensen vandaag niet opnieuw een aanvoelen van een kosmisch geheel, buiten goden om? – als volgt weergeeft:

‘Veel mensen voelen dat er een tekort is in het beleven. Ik ben mijn godsgeloof tijdens mijn studies verloren, maar heb het wel gekend. Ik weet dat het moeilijker leven is als er geen troost is en je alles zelf op je moet nemen. Het lijkt vandaag haast taboe om te stellen dat seksualiteit iets transcendents heeft. Mensen die geen transcendentieschaamte hebben, zullen zich ook niet schamen om zich verbonden te voelen met anderen. Ze zullen bereid zijn de taak van het troosten op zich te nemen. Kunnen we voorkomen dat een profane samenleving ik-gericht is en ironisch tot de dood? Ironie en moreel besef botsen geregeld met elkaar. Echt over de grens is cynisme. Cynische mensen stralen hun ongeluk uit. Ze beweren dat de wereld zo slecht is dat ze zelf ook het recht hebben om immoreel of egocentrisch te worden. Cynici zijn vaak ontgoochelde sukkels.’

Een simpele interpretatie van het ‘cynisme’ versus het verzwegen ‘kynisme’ van ‘Diogenes en zijn hond die op zoek is naar een mens’.
Is kynisme niet eerder een verstandige sceptische levenshouding van twijfel, wanneer je als modale burger geconfronteerd wordt met politici die een verhaal slijten van gratis belastingverlagingen en zich specialiseren in oppervlakkige populistische verhalen?
Is kynisme niet een waardevolle poging van de slachtoffers van de ‘bedrijfssaneringen’ zoals bij Janssen Pharmaceutica om zo de continuà?teit van hun leven en werken met anderen te bewaren wanneer omwille van de verhoging van de winsten op de beurzen hun job, hun inkomen, hun werkomgeving en vaak hun zelfrespect werd beschadigd of vernietigd.
Het verwijderen van mensen heet in de winstoptiek – en andere illusoire zuiverheidsideologieën – een daad van ‘hygiënische sanatie’, zoals het ruimen van riolen, het afbreken van krotwoningen, het opbreken van sociale netwerken.
Een gezonde vorm van kynische rede is een houvast om een maatschappelijk en persoonlijk engagement te blijven voldhouden voor mensen die zich bevragen op hun positie in de samenleving of wat er nog van rest. Hun gefundeerde wantrouwen maakt een relatie met de wereld, de stad en de ander mogelijk, als een podium waarop passie en liefde bevrijdend kunnen werken voor de coulissen van de illusie.

95. Deze verloren aanwezigheid van de goden vormt het verhaal
dat niet verteld kan worden maar waarnaar verwezen wordt.
De ware toedracht lijkt altijd op dat deel van de geschiedenis
dat door een koor moet worden verteld '? het is te groot, te oud,
te omvattend, het kan haast niet in herinnering worden
gebracht maar het is onderhuids de hele tijd aanwezig.
De Grieken hadden voor dit begrip van offstage een mooi woord:
teichoskopie, letterlijk het staren naar de muur.
Overigens is de Duitse term voor de vorm van offstage
die door het Griekse koor wordt vertegenwoordigd
een letterlijke vertaling hiervan: Mauerschau.
Wat ziet het ontstelde koor op die denkbeeldige muur geprojecteerd worden?
Waarover kan het eigenlijk nooit afdoende spreken?
De verzonken orale geschiedenis die tot deze gruwelijke verhalen heeft geleid?
Is dit de muur van de grot waar Plato over spreekt, waarop wij de schimmen
zien van een leven dat wen ooit in de ogen zullen kunnen kijken?
Is dit het oeroude projectiescherm waarop de film zichtbaar wordt
over het verzonkene van beschavingen, die nog botsen in individuele levens?
Of is die muur juist de metafysische horizon van het conflict
tussen het goddelijke en het menselijke?
Zoals hierboven gezegd, wordt de gebeurtenis altijd tragisch
wanneer het individuele lot de verbeelding van een heel volk op zich neemt;
wie naar de strijdende Medea en Jason kijkt, ziet hoe zich naast de
een hele verzonken wereld zwijgend mee-manifesteert.
Deze waarheid kan alleen verbeeld worden, of er kan zwijgend naar verwezen worden;
het zwijgen van de tragedie is het bekennen van haar diep verzonken geheugen.
.

Wie niet behoedzaam reflecteert over de talloos nieuwe praatjes van politieke kopstukken, ceo’s, reclamegoeroes en vaak ook journalisten en publicisten, dreigt te verstikken in een omarming van een wurgslang.
Politiek is een keihard gevecht om de macht, niets anders dan de macht en dat rond thema's die de organisatie van een maatschappij zouden moeten behelzen. Politici spelen een theater waarmee ze dingen naar de gunst van de kiezer met de belofte dat ze de troon van de macht zullen verlaten als de kiezer dat wil. Toch klampen de partijbonzen zich vast aan die macht en zijn ze grif bereid de potentiële kiezer in alles naar de mond te praten.
Niet alleen bij de sp.a wordt het partij- en verkiezingsprogramma bepaald door marktonderzoek en opiniepeilingen. Na het succes van de Nederlandse SP die zich erop beroept de linkse klank van Neerlands Hoop te verpersoonlijken bouwen zelfs de Belgische PvdA – kopstukken hen na met de ontboezeming dat zij als doorwinterde Stalinisten enkel de stem van het eigen volk willen zijn: zij doen enkel wat de mensen willen!
Is het dan niet verstandig dat een bezorgde burger een gezonde dosis bevrijdende argwaan koestert wanneer politieke partijen plots hun basisideologie in willen ruilen?
Is dit niet het staren naar de muur: Mauerschau of teichoskopie…
Is het cynisme van Diogenes niet eerder een blijk van sceptische twijfel tegenover de goede bedoelingen van onze politieke toppers die zich graag als slangen vervellen om zich aan de troon van de macht vast te klampen?
Van een metselaar moet je vakwerk verwachten, van een politicus een standvastig personnage dat de gevolgen van verlies en afwijzing kan incasseren door in de coulissen te verdwijnen.
Het infantiliseren van de kiezer is puur ‘sarcasme’ vanwege de partijleiders – het vlees wordt vernietigend, afstandelijk en arrogant losgescheurd van de beenderen – en dat is moreel en maatschappelijk veel erger dan het voor hen beangstigende cynisme dat zij steeds vaker bij de burgers menen te ervaren.
Cynische burgers ontberen de logica van het geweld en ontwijken de val van de waanzin.
Zij laten zich niet opjutten door nationalisme en verfijnde wij-zij-logica.
Niets is immers wat het lijkt, zwart en wit glijden best over in grijswaarden, de keuze voor het minste leed, voor menselijkheid bij het samenleven in de polis.
De vraag is wie dan de ontgoochelde sukkels zijn.
Daarover past het zwijgen van de tragedie.

Merkwaardig is Hertmans in zijn uitlatingen in De Standaard in tegenstelling met beschouwingen uit ‘Het zwijgen der tragedie’:

73. Medea: het zwijgen van de moraal
'Wanneer de redelijkheid berust op de logica van geweld, is haar enige keus de soort van waanzin
waarmee ze kan reageren.'
André Brink, De andere kant van de stilte

180. Een van mijn studenten, in een scriptie waarin negativiteit wordt besproken: 'Verlangen naar de stilte is het geweld van een lawaaierige wereld laten zien'.

191. 'Dat is juist de tragedie, dat zelfs de stappen voorwaarts van de mensheid het offer eisen van ontelbare Antigones, die heden ten dage nog steeds broers, zonen en vaders begraven, metgezellen die uit het leven werden gerukt door het geweld van mannen' (Claudio Magris).

256. Is de oproep tot vergeten van het historische denken niet een oproep tot revolutionaire politiek? Is het grote vergeten van Empedokles (namelijk door in de mond van de goden te springen) niet de aanzet tot de radicaliteit van het heldenleven dat elke grote politiek vereiste volgens de romantische ethica/ esthetica (en waar, enigszins roekeloos, Alain Badiou weer toe oproept)?

271-272. De Vlaamse filosoof Marc de Kesel reageerde hierop door op te merken dat de zogenaamd 'bevrijdende' lach van het publiek in feite zou neerkomen op verdringing van de traumatische kracht van de gebeurtenis. De poging om in de tragedie de ironie te laten zien '? de dramatische techniek bij uitstek van onze tijd '? lokt niet noodzakelijk de kritische impuls uit
die men ervan verwacht. De in de lach schietende toeschouwer is, zo merkt De Kesel op, veeleer iemand die door de lach opnieuw zijn 'subject herstelt', zichzelf weer in de greep probeert
te krijgen en zo de kans verijdelt om werkelijk te kijken in de angstwekkende kloof waarmee de tragedie hem opzadelt: het inzicht dat geen enkele wet ons kan beschermen tegen de
eindeloosheid van het verlangen om voor de anderen werkelijk te bestaan.

277. Tragedies zijn onmogelijk geworden omdat wij niet sacraal, maar ironisch redeneren: we
kunnen relativeren, we beschouwen een tragisch voorval als een ontwikkeling waaraan mensen zelf schuldig zijn, niet als een hogere fataliteit. We redeneren horizontaal en causalistisch, niet verticaal en sacraal. We geloven heilig in de relativering van waarheid '? dat is onze anti-sacrale sacraliteit.

Lees verder »

Archief

Lieven De Cauter, De zaak Slangen vs. Sanctorum – Opniemakers De Morgen 14092007

14 september 2007

De zaak Slangen vs. Sanctorum
door Lieven De Cauter

Voor Open Vld, een partij die de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel draagt, zijn de intimidatiepogingen vanwege haar huisstrateeg beschamend

Lieven De Cauter e.a. over spindoctors en vrije meningsuiting

Lieven De Cauter is cultuurfilosoof en lid van het platform voor vrije meningsuiting.
Terwijl het verzet tegen de Irakoorlog steeds meer toeneemt in de VS en Groot-Brittannië, kwam pas recentelijk aan het licht hoe tussen 1997 en 2003 Blairs spindoctor, Alastair Campbell, de desinformatie organiseerde rond die oorlog en alle andere aspecten van het beleid. Hij was niet zomaar een woordvoerder of een ‘spreekbuis’ van de premier, maar iemand die controleerde hoe, wanneer en met welk nieuws de overheid naar buiten kwam. Hij zette de pers onder druk en orkestreerde mediacampagnes om politieke tegenstanders monddood te maken.
Het fenomeen is sinds eind jaren 90 schering en inslag geworden in de politieke wereld, die haar discours uitbesteedt aan marketingspecialisten, niet onderhevig aan enige democratische controle. In de schaduw van de legitieme politieke besluitvorming broeden die ‘adviseurs’ strategieën uit om de publieke opinie te manipuleren en in het gareel te houden. Institutionele en overheidscommunicatie verworden van langsom meer tot anticommunicatie, die eigenlijk een (post)moderne versie is van de klassieke propagandatechnieken. De ingehuurde spindoctors zien het publiek als een vijand, of in het beste geval als een te bewerken markt: de invloed van de reclamewereld is dan ook opvallend. Bonafide communicatiewetenschappers ervaren dat als een smet op hun blazoen en willen daarmee allerminst geassocieerd worden.
In mei 2006 publiceerde cultuurfilosoof en freelancejournalist Johan Sanctorum in verschillende bladen een kritisch artikel waarin de machtspositie van de spindoctor aan de kaak werd gesteld. Hij constateerde een groeiende normvervaging in het politieke landschap, die ook gepaard gaat met een afbrokkeling van ideologische profielen: maatschappijvisies zijn steeds minder aan de orde, de kiezer wordt een shoppende consument die moet verleid worden via imagocampagnes.
Onvermijdelijk kwam in dit artikel ook de figuur van reclamemaker Noël Slangen ter sprake, tussen 1999 en 2003 communicatie-adviseur van premier Verhofstadt, en momenteel partijstrateeg van Open Vld. Hoewel Sanctorum als voormalig werknemer niet eens focust op de figuur of het bedrijf van Slangen, maar eerder een globaal-politiek en cultuurhistorisch perspectief ontwikkelt, wordt hij door deze toch voor de rechter gedaagd.
Behalve een exorbitante schadeclaim proberen Slangens advocaten ook een publicatieverbod bij de auteur af te dwingen omtrent teksten waarin zijn figuur ter discussie staat. De schadeclaim wordt handig verpakt als een “eis tot terugbetaling” (namelijk van het integrale loon dat Sanctorum tussen 2000 en 2003 als werknemer ontving, plus RSZ en allerlei andere verzonnen ‘kosten’). De zaak komt in eerste aanleg voor op 26 oktober.
Sindsdien bleef Johan Sanctorum teksten publiceren over het fenomeen van de spindoctor. Alle worden ze gedetailleerd geciteerd in de aanklacht, als “bewijsmateriaal”. Wij vinden dat een verontrustende evolutie. De reactie van Noël Slangen bewijst dat er wel degelijk iets loos is: in de coulissen van de democratie functioneren parallelle krachten die zich boven elke verdenking trachten te stellen. Ze willen de pers controleren maar dulden niet dat ze zelf geobserveerd worden. Het juridisch stalken van critici is daarbij een nieuwe vorm van censuur door intimidatie.
Terwijl journalisten van grote media nog kunnen schuilen onder de paraplu van een machtige persgroep, pakt men momenteel vooral freelancepublicisten en onafhankelijke onderzoekers aan.
Er is sinds 9/11, de antiterrorismewet en de bijzondere opsporingsmethodes een klimaat van repressie en censuur ontstaan: de aanklacht van Electrabel tegen Greenpeace voor bendevorming, de veroordeling van Bahar Kimyongür als terrorist, het afluisteren van activist Didier Brissa en de aanklacht tegen journalist Douglas De Coninck als bendeleider zijn stuk voor stuk onaanvaardbaar.
Daarenboven bestaat het risico dat activistische organisaties en zeker ook individuen aan zelfcensuur gaan doen. Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Denk aan de roep om het stakingsrecht in te perken en de reflexen van zelfcensuur in vakbondsmilieus.
Wij vinden dat een democratische rechtsstaat niet alleen de vrije meningsuiting en het recht op activisme moet waarborgen, maar zichzelf ook bepaalde normen moet opleggen inzake openheid van discussie en transparante communicatiestijl – weg met de dictatuur van de marketeers en de spindoctors.
De zaak-Slangen-Sanctorum heeft in al die opzichten een belangrijke symboolwaarde, die de nodige aandacht verdient vanwege de media en de waakzaamheid van alle burgers.
Voor Open Vld, een partij die de vrijheid van meningsuiting historisch toch hoog in haar vaandel draagt, zijn die intimidatiepogingen vanwege haar huisstrateeg beschamend.
Wij verzoeken de heer Noël Slangen, naar eigen zeggen zowat de uitvinder van de ‘opendebatcultuur’, met aandrang om zijn klacht in te trekken.

Een van de gewraakte stukken van Johan Sanctorum kunt u lezen op www.visionair-belgie.be/Artikels/Communicatie.htm.

Archief

Frans Buelens, Congo 1885 – 1960, een financieel-economische geschiedenis. Uitg. EPO

11 september 2007

Op dinsdag 10 februari 2004 was de Belgische Senaat tot aan de nok gevuld met bordeauxrode klapstoelen waarop de resterende excellenties van de roemruchte Belgische natie zich presenteerden aan de Kongolese president Joseph Kabila die van op het rostrum verklaarde: '?De geschiedenis van de Democratische Republiek Kongo is ook die van de Belgen, de missionarissen, de ambtenaren en ondernemers die geloofden in de droom van koning Leopold II om in het centrum van Afrika een staat te bouwen.”
Terwijl de jonge Kabila als eerste Kongolees ooit de hoge vergadering verder voorhield “dat elke generatie haar fouten moet erkennen” kon ik moeilijk anders dan denken aan een vroeger bezoek van wijlen Laurent-Désiré K.
Zijn (pleeg)-vader was in 1979 – korter en breder – present op het stichtingscongres van de PvdA '? voorheen Amada '? in het intussen afgebroken Brusselse Rogiercentrum gehuld in een krijtstrepen pak met foulard, omringd door vergelijkbare kleerkasten. Hij kreeg als toenmalige voorzitter van de Bevrijdingsbeweging van Zuid-Kivu veel steun van de Volksrepubliek China, en dus ook van de kersverse zusterpartij in België, de PvdA.
Internationale Solidariteit oogde toen nog gewichtig.

Van Che Guevara zou later bekend worden dat hij Laurent Désiré Kabila in 1965 met 100 Cubanen ter plekke probeerde te bewegen tot een revolutionaire opstand naar Cubaans voorbeeld. Che had echter snel door dat LDK vooral in alcohol en vrouwen geà?nteresseerd was en zijn afspraken niet nakwam. Exit Che. LDK verder in zaken en later schatrijk.

Een glunderende senaatsvoorzitter Armand De Decker '? later federaal minister van ontwikkelingssamenwerking '? verklaarde in zijn antwoord dat België “zich zeer bewust is van de verantwoordelijkheid die het in het verleden in uw land en in Centraal-Afrika heeft gedragen. Het is zich ook bewust van wat het daar heeft bijgebracht. De Belgische politieke klasse heeft veel te weinig belangstelling getoond voor het lot van uw land, getraumatiseerd als zij was door de dekolonisatie en de herinnering aan de kolonisatie en ontmoedigd door het inheemse wanbeheer van de opeenvolgende Kongolese regimes”.

Het had iets onwezenlijks, een variante op Kuifje uit Kongo.
Koning Leopold II, Kabila I en II, ze hebben allemaal iets van Kuifje.
Kuifje de verkenner, Tintin l'explorateur.
Onderzoeksjournalistiek was Kuifjes levensdoel, met tijdsgebonden invalshoeken.
Onderzoeksjournalistiek kan je immers op vele manieren bedrijven.
Je kan met gevlei en geslijm aan informatie en investeringen proberen te komen.
Je kan je ook moeizaam een weg banen doorheen immense archieven en financieel economische gegevens die over Kongo en Midden-Afrika in Belgische schatkamers begraven liggen.

Frans Buelens – TEW Universiteit Antwerpen – heeft met zijn forse studie 'Congo 1885 '? 1960. Een financieel-economische geschiedenis' een boeiend Kuifjesalbum opgeleverd.
Het leest als een spannende 'who done it?'
Wie, wat, waar, waarom en voor hoeveel: Frans Buelens heeft het zoals steeds consciëntieus uitgespit als een van de vele wetenschappers die met hun onderzoekswerk blijvend recht doen aan de geschiedenis die als een engel voortschrijdt terugdeinzend bij de aanblik van wat hij heeft aangericht.

De 671 pagina dikke en goed leesbare turf is een intelligente handleiding voor een bezoek aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.
Het bevat de stambomen van de rijkste Belgische families en een verklaring voor het vaak zeer succesvol ondernemersschap van hun voorvaderen: Lippens, Van Thillo, Lambert, Umicore, Unilever en natuurlijk de Saksen-Coburg-Gotha club.
De uitgebreid gedocumenteerde zakenbelangen en de gedetailleerde toelichting over de economische en financiële structuren en processen in Congo als Vrijstaat en later als Belgische kolonie is soms adembenemend spannend, gênant, misselijkmakend.
Maar ook hilarisch.

Frans Buelens vlooit de genialiteit uit waarmee Leopold II zijn 'Belgische Natie' oplichtte en zijn eigen familie financieel in het ootje nam.
Met 'Rendementen en winstvoet bij de werking van de kapitaalmarkt bij de Congolese investeringen' argumenteert hij grondig waarom ' Congo goud waard is voor het moederland', veel te klein voor zo’n groot vorst.

Alleen de autochtone bevolking van Kongo is er niet beter van geworden, behoudens een paar families die het heerlijk religieuze spel van veel beloven en weinig geven in de vingers hadden en hebben.

'Sociologisch waren de oude maatschappelijke structuren opgebroken en was de Afrikaanse dorpsgemeenschap in de verdrukking door de vlucht naar de steden, die soms tot waterhoofden uitgroeiden. De kloof tussen stad en platteland was immers verbreed en al waren de steden echte bidonvilles, toch bleven ze voor velen een toevluchtsoord. Heel wat landen hadden geen duurzame landbouwbasis voor hun economie om op z'n minst de bevolking te kunnen voeden.
Er was weliswaar een zekere infrastructuur tot stand gekomen met wegen, spoorwegen, telefonie en telegrafie maar deze infrastructuur was voor een groot deel in functie van mijnbouw en export uitgebouwd. De geldeconomie was geà?ntroduceerd maar er was vrijwel geen kapitaalsaccumulatie tot stand gebracht waarover Afrika zelf beslissingsmacht had. De industrie stond over het algemeen extreem zwak en wat meer is, de oude ambachten waren ten gronde gegaan, en met hen de technische kennis. En vooral had de mens, toch de belangrijkste productiefactor, helemaal niet de kans gekregen om zich tot zo'n niveau te scholen dat hij de nieuwe instituties zo maar kon overnemen. In dit opzicht blonk het Belgische beleid in Congo zowat uit. Afrika was weliswaar ingeschakeld in de wereldeconomie maar dan wel als een extreem verzwakte schakel. ' ( 606-607)

Archief

Radio 1 De Ochtend: ‘de paplepel als maatbeker’. Op naar een echte NieuwsRadio: NIRA!

9 september 2007

Naar aanleiding van de vernieuwing van Radio 1 ben ik de eerste week van september redelijk wezenloos op mijn honger gebleven, wegens dagelijks ochtendluisteraar en dus verweesd op zoek naar nieuws uit de wereld, de stad en het land.
Dat er vernieuwd wordt, dat er van alles moet veranderd, lijkt een idee-fixe waaruit steeds meer zelfbenoemde creatievelingen financieel een fors slaatje weten te slaan.
De managers, de directeuren en de raden van bestuur of commissarissen weten blijkbaar van geen hout meer pijlen te maken en laten maar wat graag de verfrissende vernieuwing over aan jonge mensen die zelfverklaard bruisen van creativiteit en vooral hun netwerk goed onderhouden om de daaraan gekoppelde onkostennota's te cashen.
Van verweesdheid kwam wrevel. Radio 1 lokt 'bug'-ontwijkend gedrag uit. De meeste medische '? en waarschijnlijk ook vergelijkbare andere – informaticaprogramma's vertonen nogal wat technische 'bugs' die je als intense gebruiker vaardig moet leren ontwijken. Zo ook met Radio 1 waar 'De Ochtend' in de onzalige eerste week het karakter had aangenomen van een verzameling 'bugs': door jingles opgejaagde woordenkramerij, domme vragen van kakelende of kirrende presentatrice Imbo.
Beck brengt wellicht meer rust in de tent…
En dat allemaal om een nieuw en jong publiek te kunnen boeien ?
De intellectuele en sociale emancipatie, toch bij uitstek een hoofdopdracht van de VRT die voornamelijk met gemeenschapsgeld van de belastingbetaler wordt onderhouden, blijkt verworden tot een schrijnende denivellering. De norm wordt getoetst aan mensen die nog steeds geloven dat het leven in deze wereld om hun eigenste zelf en hun onmiddellijke behoeftenbevrediging draait, dan wel zou moeten draaien. Nog steeds lopen er creatieve managers rond die zich graag verliezen in de cultuur van het vleien: het naar de mond praten van de grootste gemene deler van de potentiële luisteraars.
JA!, wij zeggen, wij spelen, wij zenden uit wat u denkt!
Populisme als hoogste cultuuruiting.

En dan kwam er vrede over mij, de vrede van koning Knut waarover John Maxwell Coetzee in zijn 'Dagboek van een slecht jaar' schrijft:

128. Over Engelse uitdrukkingen.
De nieuwe overeenstemmingsregel die opgeld doet, lijkt te zijn dat het getal van het werkwoord niet door het onderwerp wordt bepaald maar door het getal van het zelfstandig naamwoord dat er het dichtst aan voorafgaat. Misschien zijn we op weg naar een grammatica (een zich eigen gemaakte grammatica) waarin het begrip grammaticaal onderwerp niet aanwezig is.
('?)
Als ik naar mijn oudere tijdgenoten kijk, zie ik maar al te velen die verteerd worden door knorrigheid, maar al te velen die hun hulpeloze verbijstering over de gang van zaken het hoofdthema van hun laatste jaren laten worden. Zo zullen wij niet worden, beloven we, wij allemaal: wij zullen de les van de oude koning Knut in acht nemen, we zullen genadiglijk wijken voor het tij van de tijden. Maar heus, het valt niet altijd mee.

Misschien zie ik het fout, misschien merk ik het prachtige manoeuvre niet waarmee geprobeerd wordt om naast ‘Klara’ eindelijk ‘Nira’ op te zetten, een kwaliteitszender voor nieuws en achtergrondinformatie. Een ochtendlijke NieuwsRadio die niet alleen de naam van het Nederlandse Radio 1-programma 'De Ochtenden' heeft overgenomen, maar die ook de rest van die programmering wil volgen: stand.nl; Dingen die gebeuren; kritische indringende en boeiende interviews met gasten over binnen- en buitenlandse thema's.

Je mag als VRT natuurlijk niet té lang wachten om zo'n Nira op te zetten, want anders ben je je luisteraars kwijt aan wie wel veel aandacht besteedt aan nieuws, pers, binnen- en buitenland.
Hier ligt met de vernieuwde Radio 1 een gapend gat in de markt, nog steeds zonder putdeksel!
In De Standaard heeft Marcel Van Nieuwenborgh met zijn column 'Alles welbeschouwd' reeds een paar keer behoedzaam en bezorgd 'De ochtenden van Radio 1' gefileerd:

Epo bij de Radio:
Het jinglepakket dat ze in de studio hebben afgezet, is zo’n beetje het equivalent van flipperkastgeluiden. Ze moeten bij de luisteraar het gevoel van raakheid, trefzekerheid en triomf onderstrepen van alles wat op de zender ten gehore wordt gebracht. De Amerikaanse, met de Pulitzerprijs bekroonde columnist George Will was ad rem toen hij het had over een geà?nfantiliseerde samenleving. Ook bij Radio 1 wordt nu de paplepel als maatbeker gehanteerd. Een schepje voor de contentmanager, een hapje voor de aanbodmanager… Elsschot had die titels niet kunnen bedenken, maar op de VRT bestaan ze echt.

George Will noemt de dubieuze vernieuwingen in de media ‘niet meer dan een verfijndere presentatie van de domheid’. En de ethiek laat zich in deze verkleuterde samenleving volgens de Amerikaanse Newsweek-columnist terugbrengen tot een bejubelen van de eigen keuze. Dat is ook het geval van Radio 1. Binnenkamers blijft men wild enthousiast over de restyling. De voorbereidingen van de vernieuwing hebben langer geduurd dan de vorming van een regering in dit land zou kunnen duren. Ten slotte nam men zijn toevlucht tot wat met een lichtvoetige benaming werd aangeduid als ‘stijlfascisme’. Men zou er de nieuwe verfrissende, snedige stijl desnoods in rammen. Uit voorzorg werd op de zender iedereen boven de vijftig die er bovendien ook nog van verdacht werd te kunnen spellen, naar Klara verbannen. Op Radio 1 zou men voortaan ‘flirten met de actualiteit’, aanraken en uitdagen, proeven en smaken.

Het is gewoon crimineel dat een steengoede nieuwsdienst zoals die van de VRT zich in dat soort formats moet laten dwingen, waarin journalisten nauwelijks ademruimte krijgen om iets uit te leggen, laat staan te nuanceren. Ik geloof niet dat je op zo’n zender nog veel ongemakkelijke waarheden kunt laten horen, laat staan een redenering volledig weergeven.

Men moet niet te beroerd zijn om het roer nog om te gooien. Oudere lezers herinneren zich nog die ochtend in de krantenwinkel toen de kopers van een vertrouwd tv-weekblad zich een hoedje schrokken van de nieuwe, heldere, progressieve restyling die hun blad had ondergaan. Dat magazine heeft, onder protest van zijn klanten, de gedaanteverandering compleet ongedaan gemaakt. Met excuses. Maar misschien zijn de bazen van Radio 1 ondertussen wel Oost-Indisch doof geworden.

Golven bij de Radio:

Lees verder »

Archief

J.M. Coetzee, Dagboek van en slecht jaar – Portret van een jonge man – Langzame man. Uitg Cossee.

6 september 2007

Op het bovenste gedeelte van iedere pagina in zijn ‘Dagboek van een slecht jaar’ ventileert de Nobelprijswinnaar Literatuur 2003 uit Zuid-Afrika ‘Uitgesproken Meningen’. Hij presenteert ze op een bedje van min of meer synchrone bedenkingen en emoties van zijn schrijvend alter ego en diens zelfverleide secretaresse over elkaar, hun gedrag, konkel- of schrijfwerk. Coetzee heeft hiermee een bijzonder irritante procedure opgezet om die synchroniciteit van denken en handelen in tijd en geest van de personages te suggereren. Er zijn betere benaderingen van dit probleem denkbaar dan drie streepjes verhalen onder elkaar per pagina. Het is een truuk die mij eerder als een zwaktebod voorkomt voor een schrijver van zijn formaat.
Coetzee is in dit ‘Dagboek’ omzichtig en behoedzaam, eerder in zijn fantasieën dan in zijn ‘Uitgesproken Meningen’.
Daarmee fietst hij verder in het spoor van de ‘Langzame man ’ waar zijn hoofdpersoon veel briljanter en verleidelijk ontspoort in zichzelf. Hij confronteert zijn spiegelbeeld als oudere man die in de ogen van de jeugd een ‘langzame man’ is geworden. Hij doet dit indringend, openhartig en uitnodigend naar zijn oudere lezers. Hij noodt tot reflexie en inzichtelijk overzicht over het eigen bestaan en weet een matte glans te onthullen voor het langzame leven in tegenstelling tot de subjectieve snelheid waarmee de laatste levensjaren doorgaans exponentieel lijken voorbij te razen.

Coetzees boeken pleiten overtuigend voor een trager leven, waar de hype van het moment of de weetjes van vandaag en morgen hoogstens achtergrondruis vormen voor een symfonie die hijzelf in zijn hoofd componeert en die zijn aandachtige lezers tot navolging nodigt.
Je voelt in zijn werk van om en nabij de recente verhuis van Zuid-Afrika naar Australië dat er nog heel veel meer uit te leggen valt, maar dat hij daar nog omheen hinkt en hikt als om een hete brei.
Niet zozeer in ‘Uitgesproken meningen’ als in de vele ‘onuitgesproken meningen’.
Dit laat natuurlijk ruimte voor de fantasie van de aandachtige lezer, maar in Australië moet een auteur van zijn formaat toch met een nieuw dagboek voor de pinnen kunnen komen over ‘een schitterend ongeluk’ want ‘Mensen gaan (immers) wel dood aan onverschilligheid tegenover de toekomst’ zoals hij in de ‘Langzame man’ verklaart.

Lees verder »

Archief

Charles Ducal, Poëtica

1 september 2007

Poëtica

Er is geen poëzie in een te helder leven.
Op het behang is altijd een plek
die wacht op het vocht. Een vuile bek
zoekt in de laden naar onzegbaarheden.

Alles wat toonbaar is moet overschreven,
ieder gedicht gewassen in inkt
die blind van de moerassen zingt,
waarvan men ziende niets kan weten.

Er is geen poëzie in een te helder leven,
in zuivere spiegels is geen gat
waardoor men in de afgrond stapt
en in het woord valt, woest en ledig.

Charles Ducal, In inkt gewassen '? uitg. Atlas 2006

'Charles Ducal brengt alles en iedereen terug naar hun natuurlijke staat, om vervolgens de naakte feiten en de ongekleurde waarheid te verpoëtiseren. En binnen die taal is de verbeelding het hoogste goed. Kostbaarder dan de logica, want dankzij de verbeelding is het relativeringsvermogen voor een dichter geloofwaardiger.
Maar een gedicht is ondanks dit vervormingsproces slechts een benadering van wat de dichter gezegd wil hebben. Tussen het denken en doen gaapt er een kloof die het zuivere gedicht verwondt. Het bereitk het blad papier geschonden, en zal nooit meer beter worden, al verzorgt hij de wonden met de accuratesse van een chirurg.
Elke versregel '? al dan niet gesplitst '? heeft een basisgedachte, gevolgd door een corrigerende, al wisselen zij soms van plaats. ('?) Welbeschouwd is dit gedicht een beginselverklaring. '

Guido Lauwaert, Poëstille, in De Geus, september 2007,