Milos Crnjanski, Bij de Hyperboreeërs – Roman over Rome. Uitg. De Arbeiderspers.
‘Bij de Hyperboreeërs’ van de Servische schrijver Milos Crnjanski ( 1893 – 1977) behandelt zijn periode als persattaché van de Joegoslavische ambassade te Rome van 1938 tot 1941 waar hij zijn bureau in de kelder had van de Villa Borghese tussen keuken en toilet met zicht op de schoenen van de passanten. Zijn ‘Roman over Rome’ geeft een idee van de sfeer waarin hij dank zij zijn rantsoen van vele duizenden Amerikaanse sigaretten kon ronddwalen en blijven dromen van een vreedzaam geluk ver achter het noorden, hyperborea. Crnjanski’s ‘Roman over Rome’ is zeer de moeite om in Rome te lezen voor wie er naartoe reist en wie er verblijft. Maar ook boeiend voor wie er geweest is en voor wie er nooit naartoe wil reizen.
Het werd mooi vertaald door Guido Snel die met zijn nawoord veel vragen beantwoordt voor de Hyperboreeërs die zich herkennen in deze interpretatie van de Eeuwige Stad.
17. Als je jong bent, verlang je op reis naar interessante belevenissen. En naar romans. Maar als je ouder wordt, zie je in dat er in het leven geen andere roman is dan die ene, die over het ouder worden.
De hele reeks zelfportretten van Rembrandt vertelt alleen maar die ene roman, te lezen op het gezicht van een mens, over het ouder worden. Die roman hoeft niet eens geschreven te worden, ieder beleeft die, kent die, iedereen.
28. Voor iemand die jarenlang in Rome woont, opent de Eeuwige Stad zich als een onderbuik, als een ravijn, waar men slechts op één plek rust vindt. Er zijn meerdere Romes, om zo te zeggen, ze zijn gestapeld als geologische aardlagen, de een op de ander, in de buik van de aarde. De lagen worden onderscheiden aan de hand van fossielen, alsof je in een mijnschacht afdaalt. Voor degenen die in Rome wonen, zijn er daar enkele van.
Rome is een opeenstapeling van volkeren, eeuwen, barbaren, beeldhouwwerken, architectuurstijlen, de vergankelijkheid van het al. Je kunt onmogelijk al die Romes kennen, liefhebben. Doorgaans krijgt men er uiteindelijk maar één lief.
Sommigen houden van het antieke Rome, anderen van de catacomben, weer anderen alleen maar van het Rome van Michelangelo. Er is ook het Rome van de pausen, het Rome van Napoleon, het Rome van de romantiek, het Rome van de eenwording en vrij recent het Rome van koning Umberto I. Wat mij betreft, ik heb me ooit verdiept in het ronde van Tiberius (maar dat was een zonderlinge bevlieging).
Elk van die Romes is niet alleen maar een gelaagde hoop architectuur, gesteente, geschiedenis, tragedies, maar ook dode en vergaande ideeën. Als je van het gezicht van Rome het masker wegneemt, krijg je een afschuwwekkende stad. We weten dat het gezicht van ieder mens een masker is. Ook het gezicht van Tiberius.
De mens is van nature zo beperkt dat in Rome zelfs de grootste en beroemdste mensen van slechts één deel, wijk of hoek van Rome hielden. Die plek verlieten ze slechts met moeite, zoals het schimmen trouwens ook betaamt. Caesar, die de snelste mens van zijn tijd was, bracht hier de dag door tussen twee rijen cipressen. Keizer Augustus altijd in dezelfde tuin. Cicero ging altijd naar dezelfde villa in de bergen. Nero naar zijn terras. En in een vochtig, donker steegje brandt nog altijd het olielampje van de apostel Paulus.
171.
‘Plechtig staan op de top van Monte Mario
tegen een kalme lichte hemel de cipressen
schenk op de top van die verlichte heuvel,
schenk, vrienden, goudgele wijnen waarin de zon
weerkaatst: glimlach vandaag, schonen.
Morgen zullen we sterven.
Giosué Carducci 1867
177.
Morgen, zeg je, zul je beginnen met leven, oh Posthumius?
Morgen?
Zeg eens, Posthumius, wanneer breekt die morgen van jou nou eens aan?
Hoe ver weg ligt dat, dat morgen van jou? Waar ligt het? Waar vandaan moet het komen?
Verschuilt zich nog bij de Perzen, of is het in Armenië?
Dat morgen van jou is al zo oud als Priamus.
Zeg eens, hoeveel moet dat morgen van jou kosten?
Morgen ga je beginnen met leven?
Zelfs als je vandaag nog zou beginnen, Posthumius, ben je te laat.
Wijs is diegene die gisteren heeft geleefd.
190. Giordano Bruno (1548-1600)
‘De liefde opent een poort
die van diamant is,
en zwart!’
‘Voor zijn hart, zijn geest en zijn ziel
zijn het niet het genot of de vrijheid,
wel het leven die hem een glimlach geven,
die hem helpen, hem behagen,
die zoeter en mooier zijn dan het lijden,
dan zelfs het juk en de dood,
die zijn natuur, wil en lot zijn.’
207.
’ Ik ben een wandelend graf en in mij draag ik een dood man.’
Giacomo Leopardi (1798 – 1837)
253. Giuseppe Belli ( 1791 – 1863)
SPQR - Senatus PopulusQue Romanus
Soli Preti Qui Regnano – Alleen priesters regeren hier.
Rome is aan zes en niet aan vier letters ten onder gegaan:
aan de initialen van de zes woorden Papa, Preti, Principi, Putane, Pulci, Poveri.
Paus, Priesters, Prinsen, Prostituees, Platluizen en Paupers.
(...) De enige waarheid die de priesters in de kerk beweren. ligt volgens Belli. in wat ze mompelen: ‘Heer, ik ben u niet waardig!’
Giuseppe Belli – Verkeerd ingericht
‘t Is toch maar knudde met het beste stuk
dat Jezus Christus Vader Adam gaf,
het lijkt maar zelden op een toverstaf,
probeer het maar; haast nooit heb je geluk.
De ene wil niet, of je moet haar trouwen.
De andere wil wel, maar dan eerst betalen!
En als we ooit een buitenkansje halen
dan moet je ‘t in de biechtstoel weer berouwen.
Maar wat een heerlijk lot hebben de honden!
die hoeven er zo zwaar niet aan te tillen,
die gaan hun gang, waar en met wie ze willen;
de biechtstoel zelfs gebruiken zij er voor!
Ze zijn niet bang, als wìj voor onze zonden,
en hebben schijt aan hel en aan pastoor.
(Vertaling H.L.Prenen)
Het schandaal:
Verdomde kwezels, zwarte ouwe wijven!
zelfs jullie waren hoeren indertijd; – maar nu misgun je elke jonge meid
wat jullie zelf zo graag hadt willen blijven.
Jazeker: bij mìj woont een jonge man,
die slaapt met mij, dat doet hij elke nacht,
de bedstee kraakt ervan, en niet zo zacht,
en ik ben blij hoe zalig hij het kan!
Wat gaat ‘t je an? ‘t Blijft tussen hem en mij.
Door jullie wordt geen man meer opgejut,
dát is de oorzaak van je huichelarij.
Barst maar van nijd hoe wij hier samenleven; – want wie de kans krijgt en het niet benut
vindt nooit een biechtvaer die ‘t ons zal vergeven!
261. Mijn arts zegt tegen mij, terwijl we zitten te eten, dat Rome voor ons, buitenlanders, niet meer dan een bladzijde uit Andersen is, een episode uit een eeuwigdurend Romeins karnaval. Voor hen, Romeinen, ligt dit geheel anders. Het is een ernstige, bloederige aangelegenheid. Rome, zegt hij, is een doorlopend theater waarin zich drama’s afspelen waarvan wij vreemdelingen geen flauw benul hebben.
322. Kierkegaard ziet deze vermoeidheid – taedium vitae – als een eerste aankondiging van het stervensproces en als een voorwaarde voor de dood. Zolang deze vermoeidheid niet in de mens optreedt, is de dood zwakker dan wij en wacht af. En mens rijpt langzaam voor de dood, als een peer.
385. De tenor en de prima-donna zongen, schreeuwden vergenoegd.
Ze kregen vorstelijk betaald.
Het koor was zichtbaar uitgehongerd, versleten, afgestompt, het opende en sloot de mond alsof het een kikker doorslikte, telkens wanneer het dirigeerstokje dat wilde.
De ogen van die mannen en vrouwen zwierven wanhopig de hoogte in als ze even stopten, in de richting van het plafond, en staarden gehypnotiseerd naar het dirigeerstokje als men weer verderging. Het verschil tussen degenen die de rol van tenor en prima donna vervulden en degenen in het koor ( noi altri) was opvallend.
Dat verschil is waar dan ook ter wereld het voornaamste wat men in het oog dient te houden.
396. Waarom dacht Kierkegaard dat iemand die zich met politiek bezighoudt, die revolutionair is, een romanticus moet zijn?