Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

30 maart 2008

Philippe Claudel, 'Il y a longtemps que je t'aime ', een film om niet te vergeten.

Het is natuurlijk géén toeval dat een schrijver als Claudel een film maakt die in roulatie komt tijdens een hernieuwd debat over euthanasie in Frankrijk en België.
In Frankrijk kreeg Chantal Sébire van de rechtbank geen toestemming voor euthanasie wegens ondraaglijk en uitzichtloos lijden door een bottumor in het aangezicht.
Jamais je ne t'oublierai…
In België besliste Hugo Claus om de dood tegemoet te treden op het tijdstip dat hijzelf verkoos omdat hij de verwarrende verbrokkeling van zijn woorden als ondraaglijk en uitzichtloos herkende voor zichzelf en zijn geliefden.
Jamais je ne t'oublierai…
Philippe Claudel werkte ruim twee jaar aan zijn eerste langspeelfilm en als een groot schrijver weet hij de sluipende pijn in een samenleving te traceren en durft hij het aan de oorzaak van dat leed te onderzoeken.
In zijn boeken worstelen vooral mannen met hun positie in de maatschappij en hun plaats in zichzelf, waarbij terugtreden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’abandonne ‘ – Zonder mij.
In zijn film proberen vrouwen hun positie in de maatschappij te handhaven en hun plaats in zichzelf te behouden, waarbij naar voren treden vaak de beste oplossing (b)lijkt: ’ J’y suis ‘.

Zoals in zijn literair werk bouwt hij in de film met ogenschijnlijk losse stapstenen een spanning waarop de toeschouwer kan steunen met de eigen stemme. Het beeldenspel van aangezichten, waarin we elkaar herkennen, wordt door de muziek in verschillende lagen uitgelicht. Hij kiest opzettelijk voor een verhaal en een beeldentaal die ruimte laat voor interpretatie, ook bij de finale onthulling.
De dreigende vragen rond vijftien jaar gevangenschap wegens moord door een jonge arts en moeder blijven wegen als een moreel dilemma tussen wie uitgesloten uit gevangenschap terugkeert en een maatschappij die niet weet hoe ze ermee om moet gaan.
'Il y a longtemps que je t'aime ' wordt in heel het Franse taalgebied onmiddellijk gevolgd door de tweede regel van het oude 'kinder'-liedje 'à? la claire fontaine' : 'Jamais je ne t'oublierai '.
Vrouwen vergeten niet, zij bewaren de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Mannen moeten daarentegen leren vergeten en vergeven, zoals in 'Het verslag van Brodeck' door de burgemeester wordt opgemerkt.
Philippe Claudel onderzoekt in zijn literair en cinematografisch '? maar daarom niet minder literair '? werk het menselijk gedrag en zijn drijfveren. Zijn bevraging helpt beter begrijpen en biedt stapstenen voor het vermijden van nog meer pijn en lijden.
En daaraan dreigt de komende decennia hoge nood: het kan geen toeval zijn dat God weer terug is van weggeweest, als handzaam middel om de kudde kopschuw te drijven waar ze volgens zelfverklaarde herders hoort en volgens hun horige honden wezen moet. Fulminerende kardinalen en etalerende pausen, bezwerende imams en televisiedominees dreigen met hel en verdoemenis, met schuld en schaamte, gewetenloos egoà?sme en gebrek aan respect voor de ander, de stigmata van eigenbelang en het brandmerk van de weigering van de uitgestoken hand in het gedeelde lijden voor al wie zich dreigt te onttrekken aan de angst voor de dood. Alsof mensen die zelf hun lot en leven in eigen handen nemen en daarvoor in medemenselijkheid de volle verantwoordelijkheid opnemen, het vleesgeworden kwaad vertegenwoordigen.
Het kwade, jazeker, het kwade en bedreigende voor wie zich de macht heeft toegeëigend en het spel van en met die macht niet wil onderwerpen aan de kritiek van de kudde.
Want wie zich van die angst voor de dood heeft bevrijd, laat zich niet kopschuw maken, door hond noch herder.
In die zin is Philippe Claudel een behoedzame, solidaire en medelevende humanist, in woord en beeld.
In die zin is zijn film een ode aan de menselijkheid in een stad als Nancy die in haar huizen, straten, pleinen, parken en musea schatten van medemenselijkheid bewaart.
Niet alleen Karel de Stoutmoedige vond er de dood.

De muziek van Jean Louis Aubert, het spel van Elza Zylberstein als Léa Fontaine en van de Engelstalige Kristin Scott Thomas als Juliette Fontaine maken ‘Il y a longtemps que je t’aime’ onvergetelijk.

à? la claire fontaine
1.
à? la claire fontaine
M'en allant promener,
J'ai trouvé l'eau si belle
Que je m'y suis baigné.
Il y a longtemps que je t'aime,
Jamais je ne t'oublierai.
2.
Sous les feuilles d'un chêne,
Je me suis fait sécher.
Sur la plus haute branche,
Le rossignol chantait.
3.
Chante, rossignol, chante,
Toi qui a le cœur gai;
Tu as le cœur à? rire,
Moi je l'ai à? pleurer.
4.
J'ai perdu mon amie
Sans l'avoir mérité,
Pour un bouquet de roses
Que je lui refusai.
5.
Je voudrais que la rose
Fût encore à? planter
Et que ma douce amie
Fût encore à? m’aimer.

Philippe Claudel, Rivier van vergetelheid (Meuse l’oublie), uitg.De Bezige Bij 2006.

64. Slaap maakt ons naakt. Je kunt nooit dichter bij iemand komen dan wanneer hij slaapt: alsof je met de brutaliteit van een boerenkinkel zijn onwetende intimiteit, zijn onschuld betreedt. Of de leugen van zijn intimiteit.

Philippe Claudel, Grijze Zielen

152. De menigte zwelt aan, krijgt iets dreigends, sluit zich steeds dichter om de gevangenen heen, waarom weet niemand, misschien omdat menigtes altijd erg dom zijn. Er wordt met vuisten gezwaaid, er vliegen beledigingen en daarna stenen door de lucht. Wat is een menigte nou eigenlijk?
Als je één op één met mensen praat, zijn de mensen niets, een stelletje onschuldige heikneuters. Maar als ze met z’n allen zijn, dicht op elkaar pakt in een geur van lichamen, zweet en ademen, en elkaars gezichten zien, kunnen ze bij het minste woord in dynamiet veranderen, in een helse machine, een soepterrine gevuld met stoom die in je gezicht uit elkaar kan ploffen als je hem alleen maar aanraakt.

Archief

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

22 maart 2008

Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck. Uitg. De Bezige Bij 2008

Met 'Het verslag van Brodeck' heeft Philippe Claudel een nieuw literair onderzoek naar het menselijke en het kwade opgeleverd. Het verslag is indringend, beklemmend en pijnlijk herkenbaar. Het is prachtig geschreven en vertaald ( al bezigt een pastoor in een roomse kerk een 'preekstoel' in plaats van een 'spreekgestoelte'). 'Het Slot' en 'Het Proces' van Franz Kafka lichten op tussen de lijnen van het verslag.
Wanneer ik in september 1983 met de fiets van Athene naar Antwerpen reed heb ik de streek doorkruist waar de eeuwenoude en onduidelijke grenszone is gesitueerd tussen Frankrijk en Duitsland: Elzas-Lotharingen, de erfenis van Lotharius waartoe ook het huidige Koninkrijk der Belgen ooit behoorde.
Het was goed fietsen langs de groene hellingen met onder mijn blikkerende spaken eindeloze weiden en de zilverglinsterende rivier in het dal. In de verte lagen dorpjes verstijfd in de oksels van de bossen, in de plooien van het landschap.
Het leven is er vanouds zweterig en broeierig in het Rijk van het Midden, op de grens tussen twee grootmachten die elkaar een millennium lang bestreden. Niet alleen de taal en het gedrag van mensen wier voorouders ooit gekozen hebben en de gevolgen van die keuze generaties moeten dragen, lijdt onder schimmel en gist. Ook de wijnen vertonen een schitterend variërend pallet dankzij die schimmels en gisten, op de druiven en in de lucht. Het lokale idioom is generaties gegroeid uit een heen en weer geschuif van de rijksgrens, waardoor de invloeden van Berlijn en Parijs elkaar te lijf gingen, waardoor de oude taal van passerende handelaars en wisselaars herkenbaar bleef voor wie gedoemd was het leven in de dorpen te koesteren.
Claudel heeft zijn 'Het Verslag' gesteld in een taal en een tijd die universeel lijkt, zeker voor de grensstreek waar het zich afspeelt.
Zijn 'Verslag' handelt over het menselijke en benadert daarmee de klassieken sinds de Odyssea. Het blijft dus schrikbarend herkenbaar en van alle tijden. De hoofdrolspelers zijn universeel menselijk en dus gruwelijk in het leed dat ze dragen en veroorzaken.
In een dorp waar mensen proberen samen te leven in gewapende vrede met de rug naar elkaar, worden wisselende bondgenootschappen uitgeprobeerd om de historische vetes uit de vele oorlogen draaglijk te maken De leden van een select en geheim genootschap proberen de al te gevaarlijke elementen te bezweren of onschadelijk te maken in het belang van het voortbestaan van het dorp. Het dorp heeft de trekken van een premoderne samenleving waar de groep bepalend is voor elk individu – een enkeling niet te na gesproken die elders kan studeren '? op kosten van het dorp '? en die nadien terugkeert om te onderwijzen over meten en weten, en beter voorkomen dan genezen, wat de burger in angsten leert leven.
In de loop der eeuwen zijn er teveel legers gepasseerd die meer dan as van vuur en zaad hebben nagelaten. Wie zich heeft kunnen handhaven in deze kudde, draagt het zwijgen van de tragedie in zich. Wie dat zwijgen doorbreekt, rijt generaties van wonden open: automutilatie in de hoop nog iets te kunnen voelen van menselijkheid.
De oude onderwijzer kon het 'weten' niet langer aan:

'Misschien is Diodème wel gestorven omdat hij alles wilde begrijpen en woorden en verklaringen wilde vinden voor alles wat niet uit te leggen valt en wat je niet behoort te weten.' (35)

De pastoor herkent zich als het rioolputje in de biechtstoel voor alle smeerlapperij van het dorp en heeft na een nieuwe oorlog alle hoop opgegeven, in zijn God en in zijn parochianen. Hij blijft echter leven en lijden temidden van zijn beminde gelovigen:

'En nu weet ik dat Hij niet bestaat '? of anders voor eeuwig is vertrokken, maar dat is hetzelfde: we staan er alleen voor, daar komt het op neer. Toch blijf ik op de winkel passen; misschien doe ik het niet zo goed, maar hij staat nog overeind. Ik doe er niemand kwaad mee en er zijn hier nog wat oude zielen die nog eenzamer en verlatener zouden zijn als ik een eind maakte aan het toneel. Want weet je, iedere voorstelling geeft ze weer wat kracht om door te gaan. Toch is er één principe waaraan ik altijd trouw ben gebleven: dat van het geheim, het biechtgeheim. Dat is mijn kruis en dat zal ik dragen. Ik zal het dragen tot het einde.' (142)

De burgemeester doet in varkens en ziet zich als de herder van de kudde:

'Weten die dieren überhaupt wel dat ze een herder hebben die zoveel voor ze doet? Beseffen ze dat wel? Ik denk het niet. Ik denk dat ze zich alleen interesseren voor wat ze onder hun poten en voor hun neus vinden: gras, water, stro om op te slapen. Verder niets. Een dorp is klein en kwetsbaar. Dat weet je. Dat weet je heel goed. Het onze had het bijna niet gehaald. De oorlog is erbovenop gevallen als een gigantische molensteen die geen graan maalde, maar het dorp verpletterde en verstikte. Toch zijn we er uiteindelijk in geslaagd om die steen een beetje in beweging te krijgen. Hij heeft niet alles verpletterd. Niet alles. Met wat er over was, hebben we het dorp gerepareerd.' (324)

Brodeck was als kind van vermoedelijk joodse ouders na een pogrom op de kar van een oude vrouw in het dorp aangekomen. Hij was verstandig en leerde snel. Hij werd dan ook naar de hoofdstad gestuurd om er te studeren. Na de kristalnacht keerde hij terug met een vrouw en werd nadien door het dorp uitgeleverd aan de bezetter omwille van zijn 'anders zijn'. Als hond aan de leiband van een bewaker overleefde hij het kamp en keerde hij weer naar het dorp van zijn geliefde, die een kind bleek te hebben gebaard als overlevende.
Brodecks naam diende van het oorlogsmonument te worden gehakt, maar zijn letters bleven doorschemeren als was hij één van de doden, zij het geofferd door het dorp.
Hij krijgt als geletterde van de burgemeester en de leidende broederschap de opdracht om een verslag maken van wat er zich in dit dorp heeft afgespeeld dat tot de moord heeft geleid op 'Anderer'. Die kwam met paard en ezel door het bos vanuit het oosten over de grens in het dorp. Hij schilderde en tekende het dorp en zijn bewoners en schonk hen de afbeeldingen waarin ze hun geheimen herkenden. Het zwijgen en het onuitsprekelijke leek doorbroken, wat ondragelijk werd voor de herders en hun honden.
Claudel spant in 'Het Verslag' zoals in 'Grijze zielen' een snaar die hij in de loop van zijn analyse van het kwade meesterlijk aanslaat, waardoor de klank in het hoofd van de lezer blijft zinderen.
Philippe Claudel blijft een bron van hoop voor de Franse literatuur, eens te meer niet uit Parijs, maar uit de periferie '? Nancy.
Vernieuwingen komen doorgaans uit grensstreken, van 'Anderer', bannelingen, van wie dorp, stad of cultuur heeft verlaten en verraden. Wie in staat is zijn of haar wortels te verlaten, kan genoeg afstand houden om terug te blikken. Die kan vanaf de hellingen een overzicht krijgen, van zichzelf en wie hem of haar heeft voortgebracht.
Wie leest, die leeft. Wie schrijft, die blijft.
Ook in grensdorpen en '?steden en op de grenzen van culturen als (slechte) buren.
Maar ook onderwijzers en pastoors die bij hun schapen blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen.
Het vereist veel moed en liefde om desondanks temidden van de kudde te leven. Dat is rechtgelovigen en maakbaarheidsideologen niet gegeven. Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.
Philippe Claudel heeft met 'Het verslag van Brodeck' een meesterwerk opgeleverd.
Al mis ik in zijn verslag de aanblik van het dorp en zijn bewoners door de ogen van de 'Anderer', van achter de gebroken spiegel die hij hen voorhoudt. De vraag naar het waarom van zijn komst, zijn gedrag en zijn kennis, wordt nergens beantwoord en houdt de drukkende molensteen verder dreigend over de burgers. Dat is een boeiende literaire truc, maar levert een aspect van het Kwade dat niet onderzocht wordt. Het dorp, zeker op de grens langs wegen naar erger, heeft recht op het onderzoek naar de 'Anderer'. Dat vermijdt alleszins dat de angst als een gierende brand om zich heen grijpt en blijft smeulen als veenbrand. Zoiets dek je niet toe met vergeten, want vergeten kan niet meer, omdat er altijd mensen zullen geboren worden die willen weten.
Als metafoor voor de confrontatie binnen het eengemaakte Europa tussen de Anderer die van verre komen en de 'autochtonen' die na eeuwen onderlinge oorlogen erin geslaagd zijn elkaar te verdragen, vraagt Brodecks Verslag om een vervolg en een verder onderzoek naar het kwade.
Wat is vrijheid immers onder het oog van de honden en de wolven in het bos?
De burgemeester besluit met : '

Een herder moet altijd aan de dag van morgen denken. Alles wat aan gisteren toebehoort, behoort toe aan de dood, en waar het om draait is leven, dat weet jij beter dan wie dan ook, Brodeck, jij die bent teruggekeerd van waar men niet terugkeert. En ik moet alles doen wat nodig is om de anderen ook te kunnen laten leven en ze naar de dag van morgen te laten kijken…'
Toen werd het me duidelijk.
'Dat kun je niet menen…,' zei ik. 'En waarom niet, Brodeck? Ik ben de herder. De kudde
rekent erop dat ik het gevaar op afstand hou, en van alle gevaren is het gevaar van de herinnering een van de grootste; dat hoef ik jou toch niet te vertellen, jij die nooit iets vergeet, die je alles herinnert?' (326)

Lees verder »

Archief

Hugo Claus, 1929 – 2008

20 maart 2008

Bewegen
I

Alsof door de wenteling van je lenden
een heldere nachtmerrie ontstaat
alsof de daimoon in je gewrichten
schokschoudert van het lachen

Dat bewegen van jou en mij
spelingen van het licht

De verwanten zijn ver weg
De liefdes, praat er niet over,
ik registreer alleen die dagelijkse
nonchalante dood van mij
een ridder
vol rare woorden

Uit ‘In geval van Nood’
opgenomen in ‘Hugo Claus – Nu nog, een keuze uit de gedichten’ – De Bezige Bij 2007, p. 345

De Morgen 20032008

‘Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.’

‘Ik verkies een elegante, goedgemaakte leugen tegenover me te hebben die ik herken als leugen en waar ik mijn eigen hoffelijke en hoofse leugen tegenover kan zetten, in plaats van dat geëtter over de waarheid.’

‘Het enige serieuze is: de wellust.’

‘Poëzie is de kern van mijn werk. Een gedicht is een bliksem, proza is een stroom. Daartussen pendel ik.’

‘Schrijven is knutselen, niet de vloed van de ziel weergeven.’

+++++++++++++++++++++++++++++++++

Op kousenvoeten leek het wel,
Dat zijn dood zou komen
En wachten zou op zijn hoe en waar
Want hij durfde kiezen
Als een ridder van het woord
Die dat zelf gestand deed
Voor wie hem dierbaar was en
Bij wie hij blijven zal
In beelden en zinnen, kleuren
En klanken van een stem
Die de toppen van de ironie
Koesterde als een hoeder
Van de verhalen die niet
Meer zoeken naar een stem..

Archief

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

18 maart 2008

Anne Provoost, Beminde ongelovigen – atheà?stisch sermoen. Uitg. Em. Querido 2008

De Vlaamse schrijfster Anne Provoost heeft met 'Beminde ongelovigen' een boeiend essay geschreven voor gelovigen en ongelovigen.
Ze onderzoekt de verschuiving die in de laatste 20 jaar duidelijk wordt in de richting van het islam-fundamentalisme, creationisme en religieus sektarisme en levert meteen een bruikbare religiometer.
Haar atheà?stisch sermoen is een ferme oproep aan gemakzuchtige ongelovigen, lauw- of kleingelovigen, in slaap versukkeld door de vadsige evidentie van het rationele gelijk.
Tolerantie tegenover andersdenkenden is voor velen een mantra van gemeenplaatsen geworden die er gemakshalve vanuit gaat dat de andersgelovigen zich ook graag koesteren in de vreedzame en verdraagzame middenmoot van de religiometer.
Het gevecht om de publieke ruimte met religieuze symbolen, al dan niet vestimentair geprovoceerd, wordt al te vaak getolereerd vanuit een ongelooflijke arrogantie van de vrijzinnige humanist of zachtgelovige die ervan uitgaat dat twijfel en ratio tenslotte ook de al te zelfverzekerde andersgelovigen in de heilsleer zal bekeren. Als teken van minachting tegenover de ware gelovigen in de Ene en de Ware levert dit alleen maar een omgekeerd streven naar het zuivere gelijk op, steeds hoger op de religiometer:

' We verwarren tolerantie tegenover andersdenkenden met het kritisch onderbouwen van onze eigen opvatting. Een denkgebied dat blijft hangen in gemeenplaatsen maakt zich kwetsbaar, het zal in geen tijd worden veroverd door filosofieën die plausibeler concepten aandragen. Prat gaan op onze verlichting zal niet mogelijk blijven als de groep die profiteert van die verlichting deze niet meer weet te beargumenteren.'(p.11)

Anne Provoost stelt de lezers met dit pamflet een handzame religiometer ter beschikking om bij onszelf en onze vrienden – vijanden, kennissen '? kunstenaars, familieleden '? collega's een graad van gelovigheid te bepalen.
Aan de hand daarvan kan je het echte breukvlak vinden:

'waar god zijn metafoor overschrijdt, en er sprake is van een ontwerp of een plan. Vanaf de zevende graad op de schaal van (on)gelovigheid hebben we te maken met een interveniërende god. Ineens blijkt hij een mandaat te hebben, en een buiten zijn oevers tredende wil. De schepping beschikt dan over een cockpit met daarin een master brain dat alles bestiert, vanaf de achtste graad ook het lot van wie niet in hem gelooft. Tegen die ontegensprekelijke en verzegelde god moeten we op, wij atheà?sten zowel als de gematigde gelovigen. (p. 41)
Atheà?sten, ietsisten, gematigde gelovigen en agnosten voelen niet de behoefte om het mysterie te versimpelen, de gelovigen in de hoogste graden van de religiometer doen dat wel.( p. 42)

Anne Provoost maakt een boeiende oefening waar ze religie ontleedt als kunst:

‘Het is een van de vele manieren om de verbeelding in te schakelen bij datgene waar ons inbeeldingsvermogen niet kan komen. Of we nu atheà?sten zijn of agnosten, ietsisten of gematigde gelovigen, we zoeken ieder op onze eigen manier naar metaforen. Welke beeldspraak we hanteren, hoe we onze verbeelding inzetten voor wat we ons niet kunnen inbeelden, is niet de kwestie. Allen zoeken we vooral een middel om niet waanzinnig te worden in de kosmos. De niet-gelovige put overwegend hoop uit wat er zich voor de grens van het kenbare afspeelt, de gelovige put evengoed hoop uit wat zich erachter afspeelt, de twee zienswijzen veroorzaken geen essentiële tegenstelling. De atheà?sten houden koppig vol dat er geen extramateriële werkelijkheid is, de gelovigen zien die wel, maar omdat het mysterie voorbij de grens van het kenbare toch onpeilbaar is, is het naast elkaar bestaan van deze zienswijzen geen probleem. (p.40)

Wat ik wel mis in het atheà?stisch sermoen van Anne Provoost is de analyse van het machtsaspect van een godsdienst.
De gestage klim van het ware geloof in de godheid met een uitgewerkt en geopenbaard plan is immers ookeen onderdeel van een machtstrategie, zo ongeveer vanaf graad zeven op de schaal van tien in de religiometer.
Sociologisch is een religie een groepsdynamisch gebeuren dat onontbeerlijk is om grote groepen mensen in een bepaalde richting te doen afmarcheren.
Rationele, onbevangen, vrijdenkende of gelovige mensen met respect voor de anderen '? tot graad zes op de religiometer – zijn niet bereid om de rattenvangers blindelings te volgen.
Wie zich daarentegen al te gretig herkent in het grote gelijk en de beloftes van een transcendent geloof in het plan van de Ene en de Ware voor hen en hun geliefden, voor de zondaars en tegen de afvalligen en godloochenaars, is makkelijk te sturen en volgzaam te leiden.
Religies die een exclusieve uitverkorenheid beloven voor de eigen gelovigen, zijn een handig middel om machthebbers af te schermen van de woede van hun onderdanen.
Was het niet Constantijn de Grote die als eerste grote machtsdrager in het Romeinse Keizerrijk begreep dat hij de plaats van de Allerhoogste vooral niet zelf als keizer diende te claimen? Hij deed vrijwillig en grootmoedig afstand van zijn goddelijke status van Augustus ten voordele van de ene en ware god van de Christenen. Zichzelf benoemde hij tot hoogste bruggenbouwer, Pontifex Maximus tussen de nieuwe alleenheersende rijksgod en zijn schapen. Ergo, alle problemen kon hij pareren met de goddelijke wil, alle successen kon hij genieten als opperste dienaar van de rijksgod.

Godsdienst is niet alleen opium van het volk, een authentieke vorm van endorfines die mensen individueel in de eigen hersenen aanmaken om minder de pijn van het trieste uitzichtloze zijn te lijden.
Godsdienst is medisch-sociologisch ook een narcotiserend hallucinogeen waardoor grote groepen mensen de oorzaak van hun twijfels en angsten, hun vernederingen, ongemakken en ressentimenten herkennen in de ander in plaats van in de heerser.
Het helpt de beminde gelovigen een reusachtig verongelijkt woedekapitaal op te laten bouwen.

Peter Sloterdijk heeft in zijn 'Woede en Tijd' een en ander scherp geformuleerd:

101. Chronologisch gezien begint de revue van het fundamentalisme met het optreden van de evangelistische fundamentalisten in de VS, die het wereldbeeld van de moderne natuurwetenschappen hardnekkig als het werk van de duivel veroordelen en die hun invloed op de Amerikaanse samenleving al tientallen jaren uitbreiden; zo wordt voortgezet bij de ultra orthodoxe joden van Israël die hun seculiere staat liever vandaag dan morgen veranderd zouden zien in een rabbinocratie en wier agitaties door geen enkele regering meer helemaal genegeerd kunnen worden; ze eindigt en onvermijdelijk met de recente islamitische fenomenen.

De derde inzameling – Kan de politieke islam een nieuwe wereldbank van het protest oprichten?

287. Wat de politieke islam geschikt maakt als mogelijke opvolger van het communisme zijn drie voordelen die men op analoge wijze bij het historisch communisme, kon waarnemen.
1. Het eerste heeft te maken met het feit dat in het islamisme een meeslepende missiedynamiek is ingebakken. Hierdoor heeft het de mogelijkheid om een snel aangroeiend collectief van merendeels pas bekeerden, d.w.z. een 'beweging' in engere zin, te vormen. Het richt zich niet alleen quasi universalistisch 'tot allen', zonder onderscheid van natie en sociale klasse; het oefent juist op de benadeelden, de besluitelozen en verontwaardigden (voorzover ze niet van het vrouwelijke geslacht zijn en soms ook op hen) een bijzondere aantrekkingskracht uit. Dit komt doordat het als belangenbehartiging van de spiritueel en materieel verwaarloosde armen optreedt en als hart van een harteloze wereld sympathie wekt. De bescheidenheid van de toetredingsvoorwaarden speelt hierbij een beslissende rol. Zodra iemand in de gelederen van de gelovigen is opgenomen is hij al volledig inzetbaar voor de strijdende gemeenschap – in sommige gevallen meteen al als martelaar. Doordat ze worden opgenomen in een vibrerende commune krijgen de nieuwelingen vaak het gevoel dat ze voor het eerst een vaderland hebben gevonden en dat ze een niet onbelangrijke rol in het drama van de wereld spelen.
2. De tweede aantrekkingskracht van de politieke islam heeft te maken met het feit dat het – net als destijds het communisme – zijn volgelingen een overzichtelijk, strijdbaar en grandioos theatraal wereldbeeld heeft te bieden, dat berust op een duidelijk onderscheid tussen vriend en vijand, een niet mis te verstane opdracht om te overwinnen en aanlokkelijke utopische toekomstvisie: de hernieuwde stichting van het wereldemiraat, dat het islamitische millennium een wereldwijde thuishaven zal bieden, van Andalusië tot aan het Verre Oosten. Daarmee wordt de figuur van de klassenvijand vervangen door die van de geloofsvijand en die van de klassenstrijd door die van de heilige oorlog – met behoud van het dualistische schema van de strijd der principes, van een onvermijdelijke lange en bloedige oorlog, die uiteindelijk, zoals gebruikelijk, door de partij van de goeden zal gewonnen worden.
Voorzover het fundamentalisme politiek wordt gebruikt, heeft het, zoals men gemakkelijk inziet, minder te maken met het geloof dan met een prikkeling tot handelen, preciezer gezegd het creëren van rollen waardoor grote aantallen potentiële acteurs in staat worden gesteld van de theorie op de praktijk over te stappen – beter gezegd van de frustratie op de praktijk.('?)
3. De derde en in politiek opzicht veruit belangrijkste reden voor de onvermijdelijke toenemende dramatiek van de politieke islam (ook al lijkt het op dit moment, na een reeks nederlagen, iets van zijn eerste aantrekkelijkheid te hebben ingeboet) heeft te maken met de demografische dynamiek van zijn rekruteringsveld. Net als de totalitaire bewegingen van de 20e eeuw is het in essentie een jeugdbeweging, preciezer gezegd een jongemannenbeweging. Zijn elan resulteert voornamelijk uit het overschot aan vitaliteit van een onophoudelijke aanzwellende reuzengolf van werkloze en sociaal wanhopige mannelijke jongeren tussen de 15 en de 30 – in meerderheid tweede, derde, vierde zonen, die hun uitzichtloze woede alleen door deelname aan het eerst het beste agressieprogramma kunnen uitleven. Doordat de islamitische organisaties in hun thuislanden tegenwerelden voor de bestaande orde creëren, vlechten ze rasterwerken waarin de toornige jongemannen met ambities zich belangrijk kunnen voelen – daartoe behoort de drang om nabije en verre vijanden te lijf te gaan, liever vandaag dan morgen.
290. De nieuwe mobilisaties – of ze nu overeenstemmen met de theorie van de koran of niet – zouden bij onveranderd hoge geboortecijfers alleen al in de Arabische hemisfeer tot het midden van de 21e eeuw een reservoir van enkele honderden miljoenen jongemannen kunnen beà?nvloeden, die voor een existentieel aantrekkelijke zinverlening op politiekreligieus bemantelde zelfvernietigingprojecten zijn aangewezen. In de duizenden Koranscholen, die sinds kort overal waar overkokende jongemannen overschotten bestaan uit de grond worden gestampt, worden de onrustige groepen in de begrippen van heilige oorlog getraind. Slechts een klein deel hiervan zal zich in het externe terrorisme kunnen manifesteren; veruit het merendeel zal in levensverslindende burgeroorlogen op Arabische bodem worden geà?nvesteerd – oorlogen waarvan het Iraaks-Iraanse bloedbad (1980-1988) een voorproef heeft gegeven en waarvan de kwantitatieve proporties hoogstwaarschijnlijk tot in het monstrueuze zullen uitdijen.
291. Deze verwijzingen naar de actuele massabasis van radicaal-islamistische bewegingen geven meteen ook de grens aan waar hun overeenkomsten met het historisch communisme eindigen. Zowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen.

Archief

Lou Ye ‘Summer Palace’ en ‘Chinees Blauw’ van Micha X. Peled

9 maart 2008

'Summer Palace' – in het Frans 'Une jeunesse chinoise' – weegt op de kijker die soms tergend traagzaam de protagonisten kan volgen van het noordelijke Tumen naar de overvolle studentenkamertjes met de geur van lichaamsvocht en goedkope sigaretten, van de Beida – Universiteit in Beijing. De Lente van 1989 overwint de Hemelse Vrede in het hart, in een wolk van zaadpluisjes en gierende hormonen die hijgend verlangen naar de geur van wat als vrijheid wordt voorgespiegeld.
Geen jaar zal voor de generaties uit de tweede helft van de XXste eeuw meer betekenen dan 1989: meer dan 1953, meer dan 1956, meer dan 1968, meer dan 1984, meer dan 2000. Al zal het nog jaren duren eer we dat ook in ons hebben opgenomen: meer dan een nacht lang zitten janken voor de eindeloze reply op CNN van de student die met zijn plastik tasje een rij tanks probeert op te houden.
Een geloof dat ons jarenlang bitter had gedreven bleek een leugen van de macht. Een utopische zoektocht naar vrijheid, gelijkheid en broederschap bleek met het oog op de Hemelse Vrede niet haalbaar, erger nog: vooral niet wenselijk wegens als een beklemmende harmonie vanuit de Hemel telkens weer op de kudde neergelaten.
1989 was ook een verademing met veel onzekerheid over wat komen zou: in het voorjaar de Lente van Bejing , in de zomer het verbrokkelen van het Sovjet imperium, in het najaar de val van de muur in Berlijn en het einde van het Genie der Karpaten.

Voor de cineast Lou Ye is '1989' in zijn film 'Summer Palace' als de Lang-Leven-Heuvel waar de overbodigen en de overgeblevenen zich onsterfelijk weerspiegelen in het Kunming Meer aan de voet van de Heuvel, dat eeuwig de Tuinen van de Harmonie voeden zal.
Het leven van China's toekomst na 1989 is als de labyrintische chaos van het Zomerpaleis met honderden kamers, hoeken en kanten voor alle emoties van de menselijke metamorfose.

In een interview met Niels Ruëll in De Standaard (05122007) lichtte Lou Ye dit toe:

De gebeurtenissen op het Tiananmen-plein spelen slechts zijdelings een rol in ‘Summer palace’. Waarom zoomt u liever in op het seksleven van een jonge studente?

‘Door de heisa is het misverstand ontstaan dat Summer palace over 1989 gaat, maar de film strekt zich uit van 1987 tot 2001. Om 1989 te begrijpen, moet je ook kijken naar de jaren ervoor en erna.’
‘Ook als je een liefdesverhaal vertelt, is het goed te kijken naar voor en na. En als je eerlijk over de liefde wil praten, dan moet je openhartig zijn over seksualiteit. Seks is belangrijk en speelt ook een grote rol in mijn herinneringen aan 1989. Jongeren die voor het eerst de liefde ontdekken, vallen altijd ten prooi aan een lawine van emoties. In Summer palace komt daar ook nog eens de onzekerheid bij van veranderende tijden. Dat maakt het allemaal nog complexer en vermoeiender.’
‘Het hoofdpersonage leeft in voortdurende onzekerheid: is het nog aan? Ziet hij mij nog graag? Als het te goed gaat, wordt ze argwanend. Maar als het slecht gaat, voelt ze zich helemaal ellendig. Je mag van de liefde niets verlangen. De liefde brengt niet noodzakelijk geluk en leidt niet automatisch tot een lang huwelijk.’
‘Er is zoveel te vertellen. De razendsnelle groei van de economie veroorzaakt veel problemen. Het land staat onder extreme druk. Het voordeel daarvan is dat de overheid niet al te veel tijd heeft om zich zorgen te maken over kunstenaars. Schilders en muzikanten worden met rust gelaten. Filmmakers springen helaas iets meer in het oog.’

Door Beijing na de Lente te ontvluchten naar Berlijn werd Lou Ye niet meegesleept in de collectieve depressie die destijds vele studenten onder overviel:

'In de jaren negentig heeft mijn generatie economisch gezien het nodige bereikt. Maar geestelijk kwamen velen in een vacuüm terecht.
'Summer Palace' is in China verboden maar zal in beperkte kring wel illegaal worden verspreid. Veel mensen zullen tot tranen toe worden geroerd. Het zal hen pijnlijk herinneren aan hun passie en het gevoel dat hun hart heeft verloren. Nu hebben ze alleen mooie huizen en een snelle auto om hun leegte te compenseren.'

Lou Ye prijst zich gelukkig dat hij als filmer een uitlaatklep heeft voor zijn gevoelens en die van zijn generatiegenoten. Als die niet worden gesublimeerd, kunnen ze volgens de filmer ontaarden in woede en geweld: het grote gevaar voor China.

'Voor de jeugd van nu in China zal de film minder herkenbaar zijn. Ze is volslagen afgesneden van de geschiedenis. Zij hoeven niet te leven met de vernedering van de culturele revolutie en ze weten ook niets van de pijn van de studenten van 1989. Op een bepaalde manier is dat gevaarlijk maar het is tegelijkertijd ook een zege voor China. Die onwetendheid waarborgt veel openheid en levensmoed.'

'Summer Palace' is zeker niet filmisch maar wel historisch een Chinese versie van 'La Meglio Gioventà? ' van Franco Tullio Giordana.
De protagonisten worden uit elkaar gedreven. Zhou Wei vlucht vanuit Beijing naar Berlijn. Na de zelfmoord van Li Ti keert hij terug naar China. Yu Hong trekt naar Shenzen, Wuhan, Sjanghai om finaal terecht te komen in de monsterlijk groeiende stad Chongqing, met meer dan 40 miljoen inwoners het barstende waterhoofd van centraal China
De slotscène van 'Une jeunesse chinoise' speelt zich af op het eindeloze strand van Beidaihe waar de ‘overgebleven bloem’ uit het noorden, Yu Hong de eens zo intense beminde Zhou Wei ontmoet als de poëtische omschrijvingen van jaren geleden: 'Liefde is als een wonde. Eens genezen is het voorbij'
'Summer Palace ' werd in China verboden en Lou Ye kreeg (na 2 jaar cameraverbod voor ‘Suzhou river’ een filmverbod van 5 jaar) voor de originele beelden uit de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede en vooral omwille van de vele seksscènes die ‘Summer Palace’ ongetwijfeld een cultstatus zal verlenen als voorlichtingsfilm in het land van de publieke preutsheid.
Triester is de cultstatus die 'Summer Palace' zal krijgen als film noir over de onmogelijkheid van vriendschap en liefde in tijden van vrijheid en verlossing.

Op het graf van Li Ti in Berlijn staat geschreven:

'Of vrijheid en liefde bestaan of niet, in de dood is iedereen gelijk. Ik hoop dat de dood je einde niet is. Je hield van het licht, dus je zult de duisternis niet vrezen.'

De uitbarsting van emotionele, seksuele en sociale vrijheid in 1989 lijkt een peilloze leegte over te laten die moeizaam gevuld wordt met neurotisch consumeren van de nieuw verworven rijkdom. De jeugd van toen doorstond het loden tijdperk en kan zijn kinderen vandaag de schoonheid, kracht en wijsheid niet voorhouden van een vrijheid die zich onbevangen durft te binden aan de ander. Wie liefde ervaart als een wonde, is dermate misbruikt en mishandeld dat het een hele generatie drijft tot automutilatie. Wie zich niet durft te binden en geen engagement meer durft aangaan, is gedwongen zijn hele leven te lijden in angst en neurose. Menselijke relaties worden verengd tot kille zakelijke contacten waardoor het pluis van de lente vergeefs zal wolken in het land van de overgebleven één-kind-gezinnen, waar één schoonheid uit het noorden een land kon ruà?neren:

'n Zeldzame schoonheid uit 't noorden.

is de mooiste vrouw ter wereld. Aan één oogopslag van haar gaat een stad ten onder, Eén aanraking ruà?neert het hele land. Liever dan de rede van het weten
Proeven wij de vernietigende passie
van een schoonheid als deze'?
Uit 'House of Flying Daggers' van Zhang Yimou

“Chinees Blauw” van Micha X. Peled op Lichtpunt – Canvas
Zondag 9 maart 2008 23 uur '? als DVD bij http://www.lichtpunt.be/intern/programma/voorwaarden_01.html

Het kostte de filmmaker Micha Peled enorm veel moeite om een fabriek te vinden waar ze in volledige vrijheid mochten filmen. Uiteindelijk hapte een directeur toe die het een eer vond om in een Amerikaanse film te mogen spelen. Zijn fabriek is ontegenzeggelijk een van de betere van het land, maar dan nog werken de arbeiders er minimaal elf en maximaal vierentwintig uur per dag. Ze mogen tijdens hun dienst twee keer naar de wc en wonen vlak naast de fabriek met twaalf personen op één kamer waar ze moeten betalen voor warm water. En nee, het loon wordt niet netjes iedere maand op dezelfde dag uitbetaald. Het is steeds maar weer afwachten wanneer het komt en hoeveel het is.

Dat geldt ook voor het jonge meisje Jasmine dat op zestienjarige leeftijd werk vindt in de spijkerbroekenfabriek. Ze wordt te werk gesteld als draadjesknipper, wat inhoudt dat ze voor vijf eurocent per uur de losse draadjes van broeken afknipt. Na zeven uur ’s avonds is de officiële werkdag afgelopen, maar Jasmine werkt geregeld langer door. Dat kan oplopen tot wel vijfendertig uur extra per week. Onbetaald, want overwerk wordt nooit vergoed. Door de krankzinnige werktijden slaapt Jasmine zelden meer dan vier uur per nacht. Als haar eerste, slopende maand is afgelopen, hoort ze dat ze geen loon krijgt, maar overstappen naar de concurrent doet ze niet, want niemand wil het risico lopen om ook daar de eerste maand niet betaald te krijgen. Klagen heeft geen zin, want vakbonden zijn verboden en voor elke vacante plek zijn er in China niet tien, maar duizenden gegadigden.

Door niet alleen de arbeiders te volgen, maar ook de trotse directeur Lam en zijn staf reikt Chinees Blauw verder dan een oppervlakkige verkenning van ellende. Het eenzijdig verhogen van de arbeidslonen is namelijk niet de allesomvattende oplossing van dit probleem. Verhelderend is een gefilmd gesprek tussen de directeur en een Engelse importeur over een grote bestelling spijkerbroeken. De importeur biedt niet meer dan €2,75 per broek. Vraagt Lam meer, dan gaat de importeur simpelweg naar een concurrerende fabriek waar de arbeiders in nog slechtere omstandigheden werken. Lam zakt dus met zijn prijs in de overtuiging dat hij die bewuste order alleen winstgevend kan houden door de lonen nog verder te verlagen.

Regie: Micha X. Peled.
Productie: Teddy Bear Film en ITVS., met de steun van de Corporation for Public Broadcasting, het Sundance Documentary Fund en NAATA., VS 2005.

© Lichtpunt 2008

Archief

Voor medici en wetenschappers: ‘Vaak blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.’

3 maart 2008

‘Vaak blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.’
Frits L. Meijler, em. hoogleraar hart- en vaatziekten
in Arts&auto 4/2008 p. 19 – Oswin Schneeweisz

'Ik ben altijd al gefascineerd geweest door het schilderij dat Rembrandt
in 1654 maakte van de bijbelse figuur Bathsebah
'?, zegt Frits L. Meijler.

'?Zijn vrouw Hendrikje stond model. Als je goed kijkt, zie je op haar linkerborst
een verkleuring en intrekking van de huid. Aangezien Hendrikje kort na het
gereedkomen van dit portret overleed, rijst dan ook de vraag of zij is gestorven
aan borstkanker. Misschien dat mijn oog daarom op het boek van James Olson
viel. Het portret van Rembrandt siert de cover van dat boek.'?

Olson verhaalt over de geschiedenis van borstkanker van de oudheid tot nu
en beschrijft hoe mensen al eeuwen bezig zijn vat te krijgen op deze ziekte.
Meijler: '?Tot op de dag van vandaag weten we nog steeds de oorzaak niet,
waardoor een goede behandeling ontbreekt. Natuurlijk zijn we vooruitgegaan,
maar we behandelen mensen nog steeds zonder dat we echt weten hoeveel zin dat heeft.
De ene vrouw leeft er een half jaar langer door, de ander geneest.
Juist omdat de kennis zo beperkt is, zie je hoezeer de geneeskunde zich
laat beà?nvloeden door allerlei hypes. Men verschuilt zich achter nietszeggende
statistieken of mutileert vrouwen in de hoop dat een stevige behandeling enig effect heeft.
Er is zelfs ooit een serieus voorstel geweest om bij alle vrouwen de borsten preventief te amputeren. Dat geeft de onmacht van de medische stand wel aan.'?

Het boek geeft talloze voorbeelden van die onmacht. Dat maakt het niet
alleen voor oncologen, maar ook voor andere medici interessant. Meijler ziet
bijvoorbeeld raakvlakken met de cardiologie.

'?De kransslagaderchirurgie is op precies dezelfde manier begonnen als de
borstkankerchirurgie. We sneden van alles weg in de hoop dat het effect had.
Pas zeer recent is men terughoudender geworden met borstkankerchirurgie
omdat de effecten soms te beperkt zijn, maar dat besef heeft wel honderd jaar
geduurd. Het boek toont niet alleen het gevecht dat medici voeren. Het gaat ook
over de enorme impact die borstkanker heeft op het leven van een vrouw: het verlies
van intimiteit en toekomstidealen. Niet zelden voelen vrouwen zich onbegrepen
door een mannelijke chirurg.'?

Wat de belangrijkste les is van Batsheba's Breast?

Meijler: '?Dat medici net mensen zijn. Ze hebben een blind vertrouwen in de wijsheid van vandaag, maar niet zelden blijkt de wijsheid van vandaag de vergissing van morgen.

'?

Archief

Luuk Gruwez – Lagerwal. Gedichten. uitg. Arbeiderspers

2 maart 2008

Een nieuwe bundel gedichten van Luuk Gruwez: ‘Lagerwal’, ook over moeders en helden die we niet zijn, noch willen of mogen zijn.
Daartussen een hele fijne over de hoofdstad van Limburg en een slotakkoord zoals het in de Stoomstroopfabriek kan klinken.
Voor de prachtige rede van Luc Devoldere bij de voorstelling van ‘Lagerwal’ in Brugge verwijzen we graag naar De Contrabas: met een van zijn mooiste verzen ‘Sourdine’ (uit: Een huis om dakloos in te zijn, 1981):

En als er geen tederheid meer is,
laten wij de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens
.

Hasselt

Zijn groene boulevard die nog niet lang bestaat,
zijn blauwe boulevard die nog lang niet bestaat,
zijn vaak geprezen smaak en of die wel bestaat
behalve in zijn jonge klare of in Petotjes speculaas.

Stad waar obers mankementig leerden nijgen – het sexappeal van omeletten in hun blikken
en altijd weer die rouwrand om de vrouwen
die ze niet langer dan één koffie kunnen houden.

Stad met te veel toekomst, stevig
ingepakt in een petieterig verleden.
Nachtwinkels die vloeken met de chic
van brasseriën, coiffeurs en boetieks.

Geen plek heeft zoveel nood aan overal:
wij zijn, welja, modern hier in Hasselt,
modern maar modest en ons kent ons
en onze eurocenten die wij niet verliezen willen.

Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen
die zich moedwillig van lippen vergissen
iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen.
Zij kijken hun wimpers los van hun ogen.


Niets

Niets eindigt zoals het hoort. Niet
het dankwoord en niet de lustmoord,
niet het rustoord en niet het slotakkoord.
Geen enkel rijmwoord. Niets zoals het hoort.