Archief
Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)
Péter Esterházy, Harmonia Caelestis. uitg. De Arbeiderspers (2000-2002) '? Verbeterde Editie (2003-2004)
De auteur is een nazaat van één der oudste, machtigste en rijkste adellijke families van Hongarije.
Hij werd wel geboren in 1950 wanneer het socialisme reeds glorieus had gezegevierd en nadat zijn vader alle bezittingen in handen van de arbeiders- en boerenstaat moest overlaten om zichzelf te kunnen proletariseren.
Péter Esterházy heeft met 'Harmonia Caelestis' een turf geschreven over zijn vele vaders omdat hij alle Esterházy-vaders en voorvaderen als de zijne moet beschouwen, wil beschouwen, kan beschouwen. Daardoor heeft hij geen keuze tussen al die vaders. Hij kan er zich achter verschuilen, maar dat impliceert medeverantwoordelijkheid.
«De familie, zowel het gezin waarin ik leef met mijn vrouw en vier kinderen, als de grote familie, uit de historie, is mijn grote ervaring, met allerlei gevolgen voor mijn leven. Ik heb ze beide gekregen, zonder er veel voor hoeven te doen. Ik ben in de grote familie geboren toen deze al op geen enkele manier groot of groots meer te noemen was. Daarom is mijn relatie ermee eerder observerend en aanvaardend dan kritisch. Was ik geboren ten tijde van de volle glorie en macht, dan had ik mijn positie moeten bepalen ten opzichte van deze macht. Nu hoeft dat niet, het is voldoende me te realiseren dat ik in een interessante positie zit, dus we kunnen inderdaad die zin citeren. Of het om de geschiedenis van Hongarije of die van Europa gaat, ik kan het als familiegeschiedenis hanteren. Ik zoek even in de geschiedenisboeken op welke van mijn voorvaderen met een bepaald onderwerp te maken hadden, en ik heb meteen een levende relatie tot een tijdperk.» ( Interview In De Groene Amsterdammer)
In zijn boeken neemt hij als Hongaars auteur die verantwoordelijkheid mee op en zoekt hij naar de gronden van de Hongaarse positie binnen de EU en die van de Hongaarse houding tegenover de buurlanden met grote Hongaarse minderheden, maar ook tegenover de geschiedenis van de joden in eigen land.
'Het is geen toeval dat er geen Hongaars woord is voor Vergangenheits bewà?ltigung. Het woord bestaat niet omdat die activiteit niet bestaat. Het woordenboek stelt omschrijvingen voor: het verwerken van het verleden, vrede vinden met het verleden. Misschien betekent dit alleen maar dat de Hongaarse taal weet wat de Duitse taal is vergeten, dat je het verleden niet kunt bewà?ltigen, overwinnen, afhandelen, maar het lijkt alsof het Hongaars daaruit ook de verkeerde conclusie heeft getrokken dat ‘Vergangenheits bewà?ltigung’ als werk, als verplicht werk voor Europa, evenmin mogelijk is.
Niemand kan zijn eigen problemen alleen oplossen. Het komt onder meer door de gestelde Duitse vragen dat wij de vragen die ons aangaan niet stellen, en het komt onder meer door onze nog niet gestelde vragen dat de Duitsers de ontbrekende vragen niet kunnen stellen.
De Duitsers hebben hun eigen schuld benoemd, maar niet hun pijn.
De eigen misdaden verhullen met de Duitse misdaden is een Europese praktijk; haat tegen de Duitsers is het fundament van het naoorlogse Europa. Het onscherpe Hongaarse nationale geheugen dat het werk aan het verleden nog niet heeft verricht, ziet zichzelf graag als slachtoffer (een algemene reflex in Oost-Europa). Het Duitse nationale geheugen is al veel verder gekomen, het benoemt de eigen verantwoordelijkheid. Maar aangezien het de verantwoordelijkheid van anderen niet kan benoemen (als het dat probeert, stuit het op een hysterisch wantrouwen), en wij, de anderen, onze eigen verantwoordelijkheid niet benoemen, wordt door dit klaarblijkelijke onrecht weer het Duitse zelfmedelijden opgewekt. Iets wat één zou moeten zijn valt uiteen in zelfhaat en zelfmedelijden, de on-waarachtigheid van de moordenaar die alleen moordenaar is staat tegenover de onwaarachtigheid van het slachtoffer dat alleen slachtoffer is en daarachter bevindt zich het onbestemde wir, het onscherpe nationale geheugen. Die onscherpte verlangt op een hysterische manier naar de «normaliteit».
Zonder herinnering kan er geen moraal bestaan, las ik ergens. Maar je kunt je niet herinneren zonder te vergeten. Daarbij kan de paradoxale werking van literatuur behulpzaam zijn. Het collectieve weten en de collectieve acceptatie maken het voor het individu mogelijk om te vergeten. Het boek vertelt een verhaal opdat jij je eigen verhaal niet hoeft te vertellen. Er is een Hongaarse uitdrukking die gebruikt wordt als men ergens niet meer over wil praten: laten we er een sluier overheen leggen. Die uitdrukking is exacter dan het Duitse Schwamm darüber. Een sluier wist dat waar hij overheen gelegd wordt niet uit, het is er nog, we kunnen het nog een beetje zien, maar het is niet meer direct en pijnlijk aanwezig.' ( Toespraak bij de ontvangst van de Duitse Vredesprijs 2004)
Hoe dik deze hemelse harmonie ook wordt gepresenteerd,
hoe intens de auteur ook zoekt en draait en keert om alle Esterházys
và?à?r hem als vaders van zijn vaders te willen, te kunnen, te moeten beschouwen,
precies dardoor verliest hij de keuze tussen al die vele vaderen.
Als bewaarder van de zinssneden uit het leven van zijn familie,
als dragen van de bekentenissen van zijn familie,
probeert hij er zich achter te verschuilen, maar dit impliceert
voor hem een vorm van medeverantwoordelijkheid, en die is niet gering.
Nauwelijks had Péter Esterházy 'Harmonia caelestis' als essentie van de familienaam na 10 jaar literaire arbeid bij de drukker, of uit de pas geopende archieven doken de eerste gegevens op over de prestaties van zijn vader als spion voor de Hongaarse staatsveiligheid.
Hij voelde zich maandenlang gedwongen en gedreven om de rapporten in het typische handschrift van zijn vader te spellen, te proeven, te verbijten. Hij reconstrueert dank zij de addenda en commentaren van diens officieren -opdrachtgevers soms de precieze omstandigheden waarin zijn vader de bewuste spionagerapporten had geschreven. Hij realiseert zich op een bepaald moment dat de kinderen niet in vaders werkkamer mochten komen omdat papa in een geur van alcohol geconcentreerd diende te kunnen schrijven. Soms dachten zijn moeder en haar opgroeiende zonen dat vaders telefonisch gemispel draaide om verraad in vrouwenkwesties in plaats van verklikkerswerk. Péter beseft plots dat zijn vader in 1969 bij het opstellen van zo'n verklikkersrapport even oud was als hijzelf wanneer hij
de vruchten van vaders arbeid in 2000 doorheen een vloed van tranen tot zich neemt.
Hij maakt tal van sluipende omtrekkende bewegingen om de rapporten van zijn vader heen tot hij eindelijk beseft dat deze van een gedwongen tot een vrijwillige, ongedwongen en onbetaalde informant verworden was.
In zijn 'Verbeterde editie' is Péter Esterházy magistraal als schrijver en als zoon.
Hij hanteert zijn pen met liefdevolle tederheid en tastbare angst voor erger om het verraad van zijn vader en zijn verraad aan zijn vader te ontsluieren.
Aandoenlijk speurt hij in de lullige verklikkersrapporten van zijn vader naar tekenen van afgrijzen, afwijzing, begrip, passief verzet of superioriteit. De ontgoocheling groeit wanneer alleen passieve volgzaamheid blijft bovendrijven.
'Persoonlijk gesproken was er maar één ding belangrijk en dat is dat ik mijn vader emotioneel niet verloren heb. Ik was in een absoluut irreële situatie beland, omdat wat ik te horen kreeg met geen enkele van mijn herinneringen, of die van mijn broers, in overeenstemming was te brengen. Ik werd dus geconfronteerd met een waarheid die in mijn leven geen plaats had gehad. Soms krijg je klappen in het leven en in Oost-Europa komen die vaak van de geschiedenis. Het toont aan hoe fragiel de mens is, al is dat geen enkele rechtvaardiging voor wat mijn vader gedaan heeft. In een bepaalde situatie, die u en mij onbekend is, is hij zwak gebleken. Dat is legitiem, maar het had zwaarwegende gevolgen. Er is een eenvoudig woord voor: verraad. Maar tegelijkertijd is zijn geschiedenis veel gecompliceerder.’Lees verder »
( Interview NRC Handelblad)