Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Michael Pollan, Een pleidooi voor echt eten. Manifest van een eter. Uitg. De Arbeiderspers. 2008

29 juli 2008

Michael Pollan, Een pleidooi voor echt eten. Manifest van een eter. Uitg. De Arbeiderspers. 2008

Al is het drama dat Michael Pollan probeert te bezweren met zijn manifest voor ' echt eten, niet teveel en vooral planten' in de VS tot gruwelijke proporties uitgedijd, ook Europa deelt in de klappen van de voedingsindustrie en haar medisch-nutritionele ingehuurde ideologen.

' De voedingsindustrie heeft theorieën nodig opdat ze specifieke, bewerkte voedingsmiddelen kan herprofileren; een nieuwe theorie betekent een nieuwe lijn van producten, wat de industrie de mogelijkheid biet om weer een nieuwe draai aan het westerse voedingspatroon te geven in plaats van een radicale verandering in haar bedrijfsmodel aan te brengen. ('?)
Ook voor de medische wereld houden wetenschappelijke theorieën over de voeding de zaken prettig draaiende. Nieuwe theorieën gewinnen nieuwe medicijnen tegen diabetes, hoge bloeddruk en cholesterol; nieuwe behandelingen en methodes om chronische ziekten beter te beheersen; en nieuwe diëten rond de door elke nieuwe theorie aangeprezen ene soort voedingsstof en afgekeurde andere. Er wordt veel lippendienst bewezen aan het belang van preventie, maar de bedrijfstak gezondheidszorg kan en wil, omdat het een bedrijfstak is, natuurlijk veel meer verdienen aan nieuwe medicijnen en methodes om chronische ziekten te behandelen dan aan een grootschalige verandering in de manier waarop mensen eten.' (124)

Michael Pollans pleidooi is een pijnlijke analyse van waar en waarom het is misgelopen zodat de Amerikaanse tanks en legervoertuigen hun formaat dienden aan te passen om de arme uitgedijde G.I's toch nog van een passende plaats te kunnen verzekeren voor het strijdend sneuvelen op diverse velden van eer.
Zijn ‘Manifest van een eter’ is de moeite waard, zijn prescripten om het nutritionisme '? de Amerikaanse en medisch-nutritionele '? voedingsideologie te vermijden zijn duidelijk en mits enige inspanning goed bruikbaar.
Na een goed begrijpelijke verklaring voor het wegsmelten van de lipidenhyptohese nijgt hij zich enigszins te verliezen in wat nieuw theoretisch geneuzel voor omega 3- en omega 6 vetzuren maar gelukkig herpakt hij zich naar het einde toe in een knappe reeks aanbevelingen.
Het worden barre tijden voor de zelfverklaarde experts onder de cardiologen, nutritionisten en aanverwante farmaceutische ridders op het vlak van de vetvermijders en vetverlagers.
Het wordt wachten op de eerste schadeclaims in de VS tegen de aanbevelingen van vetarm eten, tegen de pleitbezorgers van al dan niet verrijkte margarines, want dan heten de heren haas zoals het grote wetenschappers met pretentie en veel horigheid aan de farmaceutische en voedingsindustrieën betaamt. Een kritische academische analyse van hun eigen falende paradigma's zit er vermoedelijk weer niet in. Al kan een Amerikaanse rechtbank daar wellicht verandering in brengen.
Het boek van Malcolm Kendrick die de Cholesterolhype onderuit haalde, werd gepareerd door cardiologen, internisten, neurologen en wat al niet meer die spontaan of gesponsord hun bezwerende preken voor cholesterolverlagers als een mantra herhaalden in lezersbrieven, vrije tribunes en formidabele paginagrote waarschuwende advertenties, alles met het label van de Belgische Cardiologische Liga. In een moeite gevolgd door nog grotere advertenties van hetzelfde reclamebureau vanwege de producenten van dieetmargarines.
Michael Pollan merkt dit fenomeen ook fijntjes: ' Hoewel de bewijzen voor een verband tussen cholesterol in de voeding en cholesterol in het bloed altijd mager zijn geweest, is het geloof dat het eerste een bijdrage leverde aan het laatste altijd blijven bestaan, misschien wel omdat het intuà?tief zo logisch lijkt '? en misschien wel omdat het ook sterk is benadrukt door de margarinemakers. ' (48)

' Wetenschappelijke paradigma's zijn nooit makkelijk aan te vechten, zelfs niet als ze onder het gewicht van de bewijzen voor het tegendeel beginnen te bezwijken. Er zijn maar weinig wetenschappers die nog terugblikken om te weten waar zij en hun paradigma's mogelijk hebben gedwaald; ze zijn meer opgeleid om weer verder te gaan, om nog meer wetenschap te beoefenen teneinde ons arsenaal aan kennis verder te vergroten, op te lappen en te behouden wat er van de huidige consensus in stand kan worden gehouden totdat het volgende belangwekkende idee zich aandient. Reken er dus maar niet op dat er een wetenschappelijke Alexandr Solzjenitsin opduikt die het hele vetparadigma te kijk zet als en historische ramp.' (48)

En toch is er naar mijn mening in deze hoop glorend. Het immense lijden van de vetvermijdende vetzuchtigen is een ideaal thema voor de advocaten, patiëntenverenigingen, verzekeraars en ziekenfondsen waar de onbeheersbare kosten van de obesitasepidemie door cholesterolverlagende maatregelen en vetvermijdende diëten toch kunnen afgewenteld worden op anderen, in casu de voedingsindustrie en haar medisch-nutritionistische huurlingen.
Iets gelijkaardigs heeft zich enkele decennia geleden voorgedaan bij de Amerikaanse tabaksindustrie. Toen kregen Amerikaanse rechters ook de bewijzen boven gespit waaruit bleek dat de eigen studies reeds lang het verband hadden aangetoond tussen roken en allerlei gesels der verslaafden.
Wetenschappelijke argumenten tegen de cholesterolhypothese en ten nadele van veel zogenaamde voedingsmiddelenverbeteraars '? die later zelfs kankerverwekkend of hormonaal actief bleken te werken, tegen de vethypothese – vetarm voedsel is gezonder en vermijdt overgewicht '? worden vermoedelijk ook reeds jaren in de la gehouden bij gesponsord wetenschappelijk onderzoek van de farmaceutische en nutritionistische sectoren. Dat heb je natuurlijk met onderzoek dat betaald wordt door beursgenoteerde bedrijven die veel beloven en weinig geven en aldus de dwaas met graagte onnozel in vreugde laten leven. Zij zijn immers in hun denken de enige, echte eigenaar van de onderzoeksgegevens, ook als ze hun belangen bedreigen, en dus beter weggehouden worden van markt en media.
Amerikaanse rechtbanken oordeelden vroeger in de tabakskwestie dat de kankerbevestigende onderzoeksresultaten niet exclusief eigendom waren van de tabaksproducenten en dus dienden publiek gemaakt te worden.
Dit levert gegarandeerd stof voor passionele en compassionele filmscenario's en bestsellers voor de Amerikaanse en nadien de Europese markt.
'In de laatste decennia heeft de nadruk bij de Amerikaanse nationale voedingsadviezen steeds gelegen op het beperken van de vetconsumptie. In het publieke debat zijn de woorden ' vet eten' synoniem geworden aan overgewicht en hart- en vaatziekten, terwijl de woorden ' vetarm ' en' vetvrij' synoniem zijn geweest aan en gezond hart en gezonde bloedvaten ('?)
Het wordt nu in toenemende mate erkend dat de campagne voor vetarm eten op weinig wetenschappelijk bewijs gebaseerd is geweest en mogelijk onbedoelde gevolgen voor de gezondheid heeft gehad. ('?)Frank B. Hu et al. , Journal of the American College of Nutrition, Vol 20, I, 5-19 (2001)
Verbazingwekkend genoeg is er weinig rechtstreeks bewijs voor een verband tussen een hogere consumptie van eieren en een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. (Eieren bevatten een hoog gehalte aan cholesterol). (44)

Michael Polllan pleit voor anders eten, anders omgaan met voedsel en met de mensen die ons voedsel maken. In feite pleit hij voor een andere manier van leven. Dat vraagt meer tijd, geld en energie voor het bijeenzoeken, bewerken en klaarmaken van ons voedsel, waar we dat niet langer individueel met een bakje vreten in de magnetron kunnen en moeten rooien. De socialiserende betekenis van omgaan met voedsel in gemeenschappelijke maaltijden is daarbij van onschatbare waarde. Tenslotte blijven we genetisch directe afstammelingen van jagers- verzamelaars die in de jongste steentijd succesvol landbouw en veeteelt leerden bedrijven.
En voorzeker, Michael Pollan laat zelfs zien waarom het veelbelovend extatisch succes van de moleculaire keuken met dure instrumenten voortijdig geaborteerd zal worden.
Tijd voor slowfood, lankmoedig leven en langer genieten van gezonde gezelligheid.

43. Het wegsmelten van de lipidenhypothese.
Het nutritionisme is goed voor de voedingsmiddelenhandel. Maar is het ook goed voor ons? ('?)
De belangrijkste van dit soort voedingscampagnes was de dertigjarige poging om de voedselvoorziening en onze eetgewoonten te hervormen in het licht van de lipidenhypothese '? het idee dat het vet in onze voeding verantwoordelijk is voor chronische ziekten. Op aandringen van de overheidscommissies, voedingsdeskundigen en gezondheidsfunctionarissen hebben we onze manier van eten en over voedsel denken ingrijpend veranderd, bij wat als het grootste experiment in de toegepaste voedingswetenschap uit de geschiedenis geldt. Dertig jaar later hebben we goede redenen om aan te nemen dat het feit dat het menu en de keuken aan de nutritionisten ebben toevertrouwd niet alleen een onnoemelijk aantal maaltijden om zeep heeft geholpen, maar hoogstwaarschijnlijk ook nog eens weinig meer voor onze gezondheid heeft gedaan dan haar verslechteren.
Dat is een krasse uitspraak, ik weet het. Hier zijn er nog een paar: wat de Sovjet-Unie was voor de ideologie van het marxisme, is de campagne voor vetarm eten voor de ideologie van het nutritionisme: zijn opperste beproeving en, zoals nu duidelijk begint te worden, zijn meest abjecte mislukking. Je kunt natuurlijk betogen, zoals sommige onverbeterlijke volhouders zullen doen, dat het probleem gelegen was in de onjuiste uitvoering, of je kunt accepteren dat de onderliggende beginselen van de ideologie het zaad van de uiteindelijke ramp al in zich droegen.
44. Frank B. Hu et al. , Journal of the American College of Nutrition, Vol 20, I, 5-19 (2001): In de laatste decennia heeft de nadruk bij onze nationale voedingsadviezen steeds gelegen op het beperken van de vetconsumptie. In het publieke debat zijn de woorden ' vet eten' synoniem geworden aan overgewicht en hart- en vaatziekten, terwijl de woorden ' vetarm ' en' vetvrij' synoniem zijn geweest aan en gezond hart en gezonde bloedvaten ('?)
Het wordt nu in toenemende mate erkend dat de campagne voor vetarm eten op weinig wetenschappelijk bewijs gebaseerd is geweest en mogelijk onbedoelde gevolgen voor de gezondheid heeft gehad. ('?)
Verbazingwekkend genoeg is er weinig rechtstreeks bewijs voor een verband tussen een hogere consumptie van eieren en een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. (eieren bevatten een hoog gehalte aan cholesterol).
47. Wetenschappelijke paradigma's zijn nooit makkelijk aan te vechten, zelfs niet als ze onder het gewicht van de bewijzen voor het tegendeel beginnen te bezwijken. Er zijn maar weinig wetenschappers die nog terugblikken om te weten waar zij en hun paradigma's mogelijk hebben gedwaald; ze zijn meer opgeleid om weer verder te gaan, om nog meer wetenschap te beoefenen teneinde ons arsenaal aan kennis verder te vergroten, op te lappen en te behouden wat er van de huidige consensus in stand kan worden gehouden totdat het volgende belangwekkende idee zich aandient. Reken er dus maar niet op dat er een wetenschappelijke Alexandr Solzjenitsin opduikt die het hele vetparadigma te kijk zet als en historische ramp.

Lees verder »

Archief

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

20 juli 2008

Trudy Dehue, De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen . Uitg. Augustus. 2008

Het worden barre tijden voor de farmaceutische industrie. Nog net niet zo erg als voor de banken en hypotheekfirma's in de VS, maar met een paar jaar vertraging gaan ze dezelfde heilloze en perfide ondergang tegemoet.
Al jaren zit er nauwelijks wat veelbelovends in de 'pijplijn'. De praatjes van de pillensector klinken door hun hoog mantra-gehalte eerder hilarisch dan bezwerend. Het heeft wat van de sjamaan of de keizer die geen kleren aanheeft.
Jarenlang hebben ze zich overmatig gelaafd aan de bronnen van fortuinen die collectief in de gezondheidszorg dienden gepompt wegens alle mensen toch maar mooi gelijke rechten en dito kansen en dies meer.
Nu het cholesterolverhaal als laatste grote angstbron voor forse winsten gestaag in het wetenschappelijke leutermoeras verdwijnt, stevent ook het gezwijmel over genetische designdrugs voor specifieke ziektes en vermeende problemen resoluut naar een fiasco, net zoals de wijdverbreide begoochelingen over preventie en behandeling van dementie met dure pillen.
Van een exclusieve branche met het aura van hoogwetenschappelijke geneeskunst zette de farmaceutische sector vlot en vaardig de stap naar het heil voor allen, ook voor wie alsnog geen klachten meende te hebben.
Meten is weten en voorkomen is beter dan genezen, deed en doet de burger in angsten verder leven. En daar is dus nog wel een en ander uit te puren. Tot voor kort kon dit alleen via voorschriften van deskundigen uit de medische sector, maar daar is het uit met de makkelijke winsten wegens sterk commercieel opbod tussen de verschillende zorgverzekeraars in Nederland die erg lage prijzen bedingen bij elkaar wegconcurrerende generieken.
Rest hen bij een kwakkelend verhaal van nieuw en beter enkel nog de ultieme sprong voorwaarts: een pil voor iedere dag biedt geluk en gezondheid voor iedereen. In tegenstelling tot het Europese verbod op geneesmiddelenreclame streeft de farmaceutische sector nu naar een Amerikaanse vrije-markt-beleving waar de pillenboer rechtstreeks het koopvee kan en mag bewerken.
Bureaucratische eisen van strikt meetbare behandelschema’s slaan nu ook toe in de Nederlandse psychiatrische en psychotherapeutische sectoren. De ’ biologische’ stroming vaart er wel bij wegens een of meer pillen voor iedere kwaal, eerder dan een vertrouwensrelatie op te bouwen.
Moet kunnen, niks mis mee en vooral heil voor de farmaceutische benadering van de menselijke geest en gedragingen.

Trudy Dehue is hoogleraar psychologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen en heeft een moedig afgewogen, behoedzaam en boeiend werk geschreven met ' De depressie-epidemie'.
Het boek is van een goed begrijpelijk en degelijk wetenschappelijk niveau waarbij geen heikel thema uit de weg wordt gegaan. Man en paard worden genoemd.
Dit is een handboek voor alle studenten medische en paramedische wetenschappen, voor alle artsen en dokters, voor psychologen en psychiaters, voor sociologen, pedagogen, maatschappelijk werkers én vooral voor journalisten, die zich al te licht en onwetend voor het ’ wetenschappelijke’ karretje van de geraffineerde commercie in welzijn en geluk laten spannen.
Professor Dehue maakt met een historische analyse brandhout van de pseudowetenschappelijke statistische terreur in de psychomedische sector en bevrijdt de lezer van de dwang van EBM, RCT's, DSM IV en DBC's die allen steunen op de meetbaarheideisen van de verzekeringsmaatschappijen en niets van doen hebben met het heil van de patiënt.
Ze ziet een constructief perspectief in een maatschappijbeeld dat in tegenstelling tot de liberale competitie en een illusoire meritocratie aandacht, respect en waardering biedt in een ‘aidocratie’ die niet winstbelustheid maar toegewijdheid belangrijk acht.

' Anders dan in de meritocratie krijgen in zo'n samenleving ook mensen status die het maatschappelijk belangrijke werk doen van het dagelijkse onderhouden, van het ' zorgen', in allerlei beroepen en rangen. In zo'n maatschappij krijgen psychotherapeuten weer de kans om hun professionaliteit in te zetten in plaats van productie te moeten draaien en dat geldt ook voor universitaire docenten, leraren, verpleegkundigen of politieagenten. De aidocratie acht dergelijke professies niet lager dan het werk van de directies van grote bedrijven en stelt grenzen aan hetgeen de winnaars in competitieve beroepen voor zichzelf kunnen binnenhalen. Ze legt ook lang niet zoveel nadruk op het labelen van mensen en het voortdurend meten van prestaties, maar is meer gebaseerd op inzicht dat het lot niet altijd aan te sturen valt.'
Een volgend boek '? maar dat wordt een politiek verhaal – zal de strategische lijn in de strijd om de macht moeten behandelen, want met een goede analyse van de bestaande en komende ellende is nog maar een eerste stap gezet in het keren van de competitieve eenzaamheid met een sausje van meritocratie als eigen schuld dikke bult.
En dat is een kwestie van bedrevenheid in het schaakspel van de macht eerder dan goed gedocumenteerde wensdromen over respect en toewijding.

29. Wetenschapsbeoefenaren schrijven dikwijls historische inleidingen op hun vak. Ze vertellen dan doorgaans over de pioniers die met hun ontdekkingen op het spoor kwamen van tegenwoordige overtuigingen. Dergelijke verhalen hebben de logica van een spannende zoektocht naar de heilige graal, mar aan de normen van professionele geschiedschrijving voldoen ze niet. Dat komt door hun finalistische structuur.
Vakhistorici gebruiken negatieve termen zoals ' finalisme' of ' presentisme' en ' voorwoordgeschiedenis' als iemand het heden als standaard gebruikt om te bepalen welke gebeurtenissen of auteurs uit het verleden in het verhaal mogen figureren. Tegenwoordige inzichten lagen in dergelijke geschiedenissen als het ware altijd al klaar om door de juiste mensen stapsgewijs te worden ontdekt. Het heden brengt ook samenhang aan in het verhaal. ('?) Het verleden beweegt zich in deze geschiedenissen naar het heden ' als ijzervijlsel naar een magneet' .
31. Finalistische geschiedenissen onderstrepen het gelijk van het heden met historisch wortels die ze daar zelf aan hebben vastgeknoopt.
46. Van ziektenaam naar ziekteoorzaak.
Ook de huidige vierde versie van de DSM doet geen uitspraken over de eventuele oorzaken van de beschreven problematiek en presenteert haar labels slechts als samenvattingen van een reeks bij elkaar gegroepeerde symptomen. In de praktijk pakt dat echter vaak anders it. ~De zieken van DSM kregen al gauw de status van oorzakelijke entiteiten, zoals sommige leden van de taakgroep in de jaren zeventig vreesden. Terwijl bijvoorbeeld de term ADHD niet méér pretendeert te zijn dan een samenvattende beschrijving van een aantal gedragskenmerken, zijn kinderen en volwassenen nu toch druk en ongeconcentreerd omdat ze ADHD ' hebben' ( en steeg de wereldwijde verkoop van medicatie ertegen tussen 1993 en 2003 met 274%, waarbij Nederland niet achterbleef).
50. Wetenschapsbeoefenaren geven de verschijnselen vorm vanuit het perspectief waarmee ze werken. Voor zover bekend was de Poolse bioloog Ludwik Fleck de eerste die dit proces uitvoerig beschreef. Fleck publiceerde in 1935 een Duitstalig boek waarvan de titel in vertaling luidt: ' Het ontstaan en de ontwikkeling van een wetenschappelijk feit. Inleiding in de leer van de denkstijl en het denkcollectief.' Flecks term ' denkstijl' stond voor meer dan het begrippenkader dat een ' denkcollectief' gebruikt, want ook de manieren van werken vallen eronder en zelfs de dingen die men waarneemt. De denkstijl omvat standaarden voor de juiste manier van onderzoeken, voor goede argumenten en voor de vraag wanneer iets goed of fout moet heten. Hij behelst ook allerlei keuzen en gewoonten die bepalen wat een zinvolle formulering van het onderzoekonderwerp is. Langs al deze wegen bepaalt de denkstijl wat de mogelijke uitkomsten zijn van het onderzoek, evenals de effectieve manieren van ingrijpen in de praktijk. ('?)
Zijn boekje bleef aanvankelijk totaal onopgemerkt totdat de wetenschapshistoricus Thomas Kuhn in 1962 zijn werk ' De structuur van wetenschappelijke revoluties' publiceerde met e beroemd geworden termen ' paradigma' en , wetenschappelijke gemeenschap' , die een verwant beeld van wetenschap schetsen, zodat Kuhn naar Fleck verwees.

Lees verder »

Archief

Gravensteengroep: Politieke solidariteit, een noodzaak voor de democratie

4 juli 2008

Politieke solidariteit: een noodzaak voor de democratie

België kreunt onder een gebrek aan politieke solidariteit. Recente gebeurtenissen illustreren dit scherp. Franstalige politici hebben opnieuw een aantal beslissingen van het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering verdacht gemaakt in de Raad van Europa. Ook de Verenigde Naties werden onlangs in dit proces ingeschakeld.
Dit zijn zorgwekkende feiten. Redelijke en rechtvaardige Vlaamse standpunten worden voortdurend geassocieerd met een extreem rechts gedachtegoed, zoals het eerste Gravensteenmanifest reeds stelde. Die kritiekloze aanname creëert een klimaat waarin de Vlamingen als onverdraagzaam worden voorgesteld. Er zijn Franstaligen die zich nu verheugen omdat men in het buitenland denkt: 'Vlaanderen is racistisch'. Alsof dat zelf geen racistische gedachte is. Dergelijke praktijken verzieken de omgang tussen Vlamingen en Franstaligen.

Internationale spelregels
Een consequente toepassing van Europese principes in België zou het Vlaamse standpunt vooral bevestigen. In het huidige Europa kan een grens niet langer worden beschouwd als een slagboom, of het grondgebied als een slagveld. De binnengrenzen van Europa functioneren vandaag veeleer als spelregels. Wie Luik verlaat richting Aken, of Kortrijk richting Parijs, komt voorbij de voormalige staatsgrenzen weliswaar in een andere taal en cultuur terecht, maar gelukkig niet langer in een andere wereld, of een ander Europa.
Vandaag hebben Fransen rechten in Duitsland. Ze genieten er, zoals alle EU-burgers, de bescherming van Europese wetten en verdragen. Ze kunnen er wonen, werken, studeren, leven'? Maar ze hebben er ook plichten. Ze worden geacht de taal en cultuur te respecteren van het land dat hun gastvrijheid biedt. Er zijn spelregels: elke grensovergang is als het betreden van een nieuw vakje in een gezamenlijk spel.
De Gravensteengroep gaat uit van een '? voorwaardelijk '? vertrouwen in de onomkeerbaarheid van de Europese eenwording. Dit Europa is nog niet ideaal. Maar het is zeker niet langer de speeltuin van een Bismarck, of een Napoleon.
Als de negentiende-eeuwse versie van de natiestaat achterhaald is, dan geldt dit ook voor België. De Gravensteengroep vraagt niets anders dan dat Europese en dus inter-nationale regels ook in ons land worden gerespecteerd. Het territorialiteitsbeginsel maakt daar deel van uit, als de politieke basis voor een vreedzaam samenleven in federaal verband. Maar ook het respect voor de meerderheidsregel behoort tot die regels, evenals de politieke verantwoordelijkheid van de bestuurders voor het gevoerde beleid ('no taxation without representation').

IJzeren Rijn
Wij wensen dat de Franstaligen in België eindelijk ophouden onze problemen vanuit een eng nationaal kader te benaderen. Dat bovendien een deel van de Vlamingen onze zoektocht naar een democratische en Europese benadering niet bijtreedt, blijft een probleem. Zelf kritiekloos de Belgische natie verdedigen maar anderen nationalisme verwijten, is niet ernstig.
Het aankaarten van het democratisch deficit in België is het tegendeel van 'Vlaamse navelstaarderij'. Hoe meer je onze buurlanden bestudeert, hoe duidelijker blijkt dat de basisprincipes van een volwaardig, democratisch federalisme in ons land niet worden toegepast. Eén van die principes is de politieke solidariteit. In het tweede Gravensteenmanifest stelden we dat solidariteit het eigenbelang overstijgt. Politieke solidariteit betekent onder meer dat politici van het ene landsdeel niet moedwillig handelen tegen het belang van een andere deelstaat in.
Een illustratie van dat laatste was het optreden van het Waalse Gewest in het dossier van de 'IJzeren Rijn'. De Vlaamse regering heeft jarenlang moeizaam onderhandeld met Nederland over de aansluiting van de Antwerpse haven op het Duitse Ruhrgebied via het spoor. Het traject liep niet over Waals grondgebied en kwam niet ten laste van de Waalse begroting. Toch vond de toenmalige minister-president van het Waalse Gewest, Elio di Rupo, in een advies aan het provinciebestuur van Maastricht dat het hele project 'weggegooid geld' was. Terecht noemden de sp.a-ministers deze visie 'ongehoord, inconsequent en dom'. Wie de elementaire principes van de politieke solidariteit niet respecteert, ondermijnt zelf het samenleven in de federale staat België.

Machtsvacuüm
In België wordt de doorwerking van de democratie al decennialang tegengewerkt. Vandaag behoort het tot het politieke spel om de meerderheidregel niet te respecteren. Franstaligen steigeren als in de Kamer van Volksvertegenwoordigers de Vlamingen hun meerderheid gebruiken om een kieswet aan te passen. Nochtans hebben deze laatsten daar volgens de Grondwet het volste recht toe. Anderzijds eisen de Franstaligen dat de meerderheid in een faciliteitengemeente zou mogen beslissen over een aanhechting bij Brussel, terwijl voor een dergelijke procedure geen grondwettelijke basis bestaat. Er wordt geen moeite gespaard om een democratische maatregel als de Vlaamse wooncode voor te stellen als een dwangmaatregel van een racistische overheid.
Door dit alles zijn wij in een crisis van de democratie zonder voorgaande beland. De meerderheid kan haar democratische visie op het toekomstige beleid niet realiseren. Zij wordt voortdurend afgeblokt door de minderheid, die nochtans in de wetgeving ruime bescherming geniet. De scheiding der machten is zonder voorwerp, aangezien er geen macht meer is maar een steeds zorgwekkender vacuüm. Dìt België ter discussie stellen, lijkt ons een daad van democratisch verzet.

Herstel van de democratie
De loodzware taak van de huidige regering is niet alleen het vestigen van goed bestuur, maar eerst en vooral het herstel van de democratie. Dit zal enkel slagen indien het belang van enkele fundamentele regels wordt erkend: De erkenning van het territorialiteitsbeginsel. Waardering, te goeder trouw, voor de democratische spelregels in de Belgische politiek. Respect voor de meerderheidsregel. Verantwoordelijkheid van de verschillende overheden voor het eigen beleid, wat moet leiden tot ruime fiscale autonomie.
Wie het Belgische federalisme nog een toekomst wil geven, stemt ondubbelzinnig in met een institutionele pacificatie, waarvan de vanzelfsprekende splitsing van B-H-V een hoeksteen vormt. Als de Franstalige minderheid werkelijk wil dat dit land, waarvan zij nu enthousiast de vlag hijst, door de Nederlandstalige meerderheid in ere wordt gehouden, dan moet zij voor die meerderheid zelf het nodige respect opbrengen.
De macht uit haar vacuüm en de democratie uit haar diepe crisis halen, zal meer vergen dan 'vijf minuten politieke moed'. Het veronderstelt bij de verantwoordelijken een visie die uitgaat van de dringende behoefte aan politieke solidariteit. Het vereist een overtuigingskracht die daaraan beantwoordt. Zonder politieke solidariteit, zowel bij de overheden als de burgers, wordt verdraagzaam en democratisch samenleven onmogelijk. Alleen de bewuste keuze voor politieke solidariteit zal het land uit het huidige vacuüm halen.
Wij pleiten ervoor dat de stilaan uitzichtloze Belgische crisis wordt benaderd vanuit een democratische, rationele invalshoek. Wij kunnen niet langer aanvaarden dat de redelijkheid van de democratie in heel Europa mag zegevieren, behalve in België. Wij eisen geen grond, geen geld en geen macht. Wij wijzen op principes die moeten leiden tot meer democratie.
www.gravensteengroep.org

Etienne Vermeersch (ere-vice-rector Universiteit Gent), Jan Verheyen (regisseur),
Frans-Jos Verdoodt (em. prof. Utrecht, prof. Universiteit Antwerpen), Tuur Van Wallendael (gewezen journalist, sp.a), Piet van Eeckhaut (gewezen voorzitter provincieraad Oost-Vlaanderen, sp.a), Jan Van Duppen (gewezen gemeenschapssenator en huisarts), Luc Van Doorslaer (docent Lessius, K.U.Leuven, journalist), Jef Turf, (oud-vice-vooritter KP), Johan Swinnen (prof. VUB, Hogeschool Antwerpen, Sorbonne), Bart Staes (Europarlementslid Groen!), Brigitte Raskin (schrijfster), Jean-Pierre Rondas (producer Klara), Yves Panneels (communicatiedeskundige), Chris Michel (journalist), Bart Maddens (prof. K.U.Leuven), Karel Gacoms (ABVV-militant), Paul Ghijsels (voormalig journalist en ambtenaar), Peter Hoogland (bedrijfsleider), Pierre Darge (journalist), Paul De Ridder (dr. historicus, medewerker TV Brussel), Dirk Denoyelle (cabaretier), Peter De Graeve (prof. Universiteit Antwerpen), Eric Defoort (em. prof. K.U.Brussel), Jo Decaluwe (acteur-regisseur), Willy Courteaux (gewezen journalist), Jan Bosmans (arts, auteur), Tinneke Beeckman (dr. filosoof VUB), Ludo Abicht (voormalig prof. Universiteit Berkeley)

Archief

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

2 juli 2008

Imre Kertész, Dossier K. Een onderzoek. Uitg. De Bezige Bij 2006

De eerste Hongaarse Nobelprijswinnaar literatuur 2002 speelt in Dossier K. een spel met zijn interviewer Zoltán Hafner die hij na een diepte-gesprek de vragen en antwoorden ontfutselt om een Dossier K. te herschrijven, dat als handvat kan helpen om doorheen zijn oeuvre te ploegen op zoek naar de betekenis van de sterk geurende truffels in het herfstige woud van het Hongaarse leven.
In de Groene Amsterdammer van 19/10/2002 heeft Graa Boomsma het over Kert'sz als 'het geheugen van Hongarije':
'Voor Imre Kertész ' – privé-overlevende van Auschwitz-Birkenau – is schrijven zowel noodzaak, vlucht als redmiddel «om mijn geestelijke wereld te redden». Zijn balpen is zijn spade, de aard van zijn schrijfwerk is graven, «het verder graven aan een graf in de hemel».
Teruggekeerd uit Auschwitz en Birkenau wordt Kertész journalist en partijlid. Maar de stalinistische ideologie is aan hem niet besteed. Hij trekt zich terug uit de maatschappij. Hij leeft 35 jaar op een piepklein flatje in Boedapest, in een straatje ingeklemd tussen twee drukke verkeersaders. Zijn vrouw werkt, hij schrijft, in een drukkend isolement. Het jaar 1989 is niet echt een bevrijding voor hem. In 1995 sterft zijn vrouw. Hij hertrouwt. Zijn literaire kwaliteiten worden in Amsterdam, Berlijn en andere steden zeer gewaardeerd. In Boedapest blijft het akelig stil.
In een interview heeft Imre Kertész eens gezegd dat Hongarije een trauma aan de Eerste Wereldoorlog heeft overgehouden, toen het, met Duitsland, tot de verliezers behoorde. Dat trauma zorgde ervoor dat Hongarije in de Tweede Wereldoorlog eveneens tot de daders ging behoren. Het is die historische rol van Hongarije, met alle gevolgen van dien voor de zevenhonderdduizend Hongaarse joden, die nog steeds niet in de volle openbaarheid wordt bediscussieerd.
Wat hield dat trauma – waarvoor Kertész en vele honderdduizenden moesten bloeden of waarvoor ze de gaskamers werden ingejaagd – nu in? De Vrede van Trianon in 1920 zorgde ervoor dat Hongarije – eens onderdeel van de machtige Habsburgse monarchie – tweederde van zijn grond gebied kwijtraakte. Admiraal Nikolaus Horthy streefde in de jaren dertig naar drastische verschuiving van de Hongaarse grenzen en sloot zich aan bij de expansiedrift van het fascistische Italië en nazi-Duitsland. Maar toen Hitler er in 1944 lucht van kreeg dat Horthy, die de nederlaag van de As-mogendheden aan zag komen, uit opportunistische redenen een afzonderlijke vrede wilde afsluiten met de westelijke geallieerden en met de Sovjet-Unie, betekende dat het begin van het einde van het Hongaarse Horthy-tijdperk. Op 12 februari 1944 schreef Horthy een brief aan Hitler waarin hij de terugkeer eiste van negen Hongaarse divisies die aan het oostfront vochten. Hij had die zogenaamd nodig om de Karpatische kust tegen het oprukkende sovjetleger te verdedigen. Hitler vond toch al dat de Hongaarse divisies bij Stalingrad weinig voor elkaar hadden gebracht. Hij besefte dat Hongarije van twee walletjes wilde eten. Horthy had Hongarije uit de oorlog willen halen; Hitler meende dat de Hongaarse joden als vijfde colonne opereerden, iets waar Horthy niets aan deed. Daarom, en om de broodnodige grondstoffen, bezette Hitler op 18 en 19 maart 1944 Hongarije en installeerde hij een marionetten regering in Boedapest.
In het kielzog van het Duitse bezettingsleger bevonden zich Eichmanns troepen. Binnen een paar dagen pakte de gewillig meewerkende Hongaarse politie duizenden joden op. De eerste treinen naar Auschwitz begonnen al in april 1944 te rijden. Een van de passagiers in de veewagens was de vijftien jarige Imre Kertész.
Begin juni waren er maar liefst driehonderdduizend joden uit Pest en elders naar hun dood getransporteerd. In juli, toen er exact 437.402 Hongaarse joden naar de gaskamers waren gestuurd (zie Ian Kershaws biografie Hitler, Nemesis 1936-1945), liet Horthy de transporten stoppen. ('?)’

Een bezoek aan Boedapest in november 2007 was een belevenis. Niet zozeer omwille van de herkenning van het Nyugati-plein voor het westelijke station waar de vrolijke bruin-oranje kleuren uit de jaren zeventig vergrijsd waren zoals de Magyaren die zich doorheen de koopspelonken bewogen. In de vroegere Stalinallee – nu weer Andrássy út 60 – waar de staatsveiligheid traditioneel huis hield onder de diverse regimes, worden nu hun prestaties en erelijsten herdacht. In het Szobor park ver buiten de stad werden de monumenten van de socialistische arbeiders- en boerenstaat verwameld, want nog steeds kan Hongarije niet uit de voeten met het eigen verleden.
Aan het einde van de Baros út waar ooit de hoeren het Orczy Ter bevolkten, liepen we over de Fiumei Ut naar de Kerepesi begraafplaats waar de groten van vroeger zoals Kossuth en Deák hun mausoleum hebben en waar modernisme handig inwisselbaar bleek om de steeds wisselende helden en voorgangers van de arbediers- en boerenstaat te herdenken in vervuilde witte travertijn. Doorheen het gerestaureerde gedeelte van de Ervin Szabà? bibliotheek was de jeugd van Boedapest aan de studie te zien in luxe van vroeger. In het Hongaars Nationaal Museum was de nationalistische ellende nog steeds niet te overzien.
Maar het meest aangrijpende waren luttele foto’s in het Joods museum van de grote synagoge. Ze toonden hoe de Hongaarse politiediensten joodse medeburgers ophingen aan rechtopgezette treinbiels, het snoer om de hals en over de kop van de staande dwarsliggers, en dan het opstapje wegtrekken.
Het was daarna belangrijk voor mij om even te bekomen in de schaduw van de zilveren treurwilg voor Raoul Wallenberg.

Halverwege 1945 keerde Imre Kertész terug in Boedapest, als zestienjarige jongen. De hoofdpersoon uit ‘Onbepaald door het lot’ – die op onbegrip stuit – beseft dat hij er geen genoegen mee kan nemen dat alles alleen maar een vergissing was, «een blind toeval, een uitglijder van de geschiedenis of – erger nog – iets wat vergeten moet worden».

Hongarije mag dan veel hebben verdrongen van zijn eigen heikele historie, wie Imre Kertész leest kán niet meer vergeten. Met de Nobelprijs voor literatuur werd het geheugen van Hongarije passend eer betuigd. Al zullen heel veel Hongaren daar een heel andere mening over koesteren.

Lees verder »