Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Rik Torfs, Het hellend vlak.

23 augustus 2008

Rik Torfs, Het hellend vlak. Uitg. Van Halewyck 2008.

In zijn gebundelde selectie van ' Het hellend vlak' uit De Standaard beoefent Rik Torfs virtueel zijn virtuoze sport van vragen stellen en behoedzaam antwoorden verzwijgen. De aandachtige lezer vindt dan vaak parels voor de zwijnen.
In zijn columns zie je soms de contouren van de schrijver, misvormd aan de periferie van het camera obscurabeeld. Wie in het openbaar op zo'n hellend vlak durft bewegen, weet zijn angst te hanteren in het passiespel van de macht.

' Politiek is eerder de kunst om verstandig om te gaan met het onoplosbare. Voor jonge politici die Machiavelli al uit het hoofd kennen, is de tijd gekomen om over te schakelen op JM Coetzee. De passie voor de impasse, niemand ontwikkelt ze mooier dan hij. ' ( 165)

In tijden van groter gelijk, uitzichtloos verlangen en kommervolle strijd wanneer de paleisverveling stilaan overstemd raakt door de achtergrondruis van de barbaren, kunnen jonge mensen met Riks Hellend Vlak oefenen in brevieren om het spel van de geest in de vingers en de voeten te krijgen.

26. Hypocrisie: ziehier het grote woord. Het grote verwijt , ook aan de kerk. Pas op, ik ben niet helemaal tegen hypocrisie. Wanneer zij met mate wordt gehanteerd, maakt ze het levn draaglijk. Waarom moet een man aan zijn vrouw na 30 jaar huwelijksleven meedelen dat ze vroeger knapper was? Waarom zwijgt hij niet gewoon, zoals de vorige 30 jaar? Soms is een vleugje hypocrisie beter dan al die ellendige eerlijkheid. Maar tegelijk mag er tussen woord en daad geen oneindige kloof gapen. Het is een kwestie van dosering.

58. Oorlog en waarheid hebben minsten één ding gemeen: collateral damage, de prijs van het grote gelijk. Oorlog doet mensen sterven, waarheid sluit ze uit nog voor ze gestorven zijn.

82. Radicale oplossingen leiden tot een troosteloze helderheid.

117. Dat is zo schitterend aan Rome. Hier wint de rede niet, en evenmin het geloof. Alleen de schoonheid is overal. Zinnelijk rekt ze zich uit, schaamteloos en loom, zodat het geloof een spel wordt en de rede een misverstand.

120. Politici zijn als foorkramers, begrafenisondernemers en spekslagers. Ze zoeken hun opvolgers in eigen kring, schoonkinderen inbegrepen. Mensen kiezen niet voor zulk beroep. Ze groeien erin op. Het kruipt onder hun huid. ('?) Je moet van jongs af aan met deze beroepen vertrouwd zijn om hun vreemde glans waarlijk lief te hebben. Met de politiek gaat het niet anders. Ze is een mengeling van geronnen idealisme en geraffineerde afrekeningen, van hunkering naar macht en bereidheid om door de medemens te orden vernederd. Je kunt er ook geld mee verdienen, maar tenzij je steelt, bestaan er beroepen die een rianter uitzicht op rijkdom bieden. ('?)
De zonen en dochters van politici die hun vader opvolgen, dat typisch kenmerk van de Belgische politiek, vervult mij geregeld met een zekere ontroering. Je ziet zoon- of dochterlief tijdens een televisiedebat uitleggen welke richting het met de wereld uitmoet. Dat weten die kinderen al.

121. Trouw aan de publieke zaak betekent immers: er zijn als het moet, en gaan vooraleer j tijd gekomen is.

132. Zolang het niet strikt verboden is, waag ik het mijn liefde te verklaren aan de democratie. Ze neemt de mens ernstig zonder hem hoog te achten. Ze garandeert de vergissing en koestert de ondankbaarheid. Ze biedt de leider die zichzelf onmisbaar begint te vinden de kans om heel lang uit te rusten.
Eigenlijk is de democratie op argeloze wijze heel erg slim. Ze erkent dat de oplossing niet bestaat, en tegelijk voorkomt ze de ontsporing.

141. Waarheen de man ook vlucht, de macht gaat met hem mee.

156. De enige bok die je nooit mag schieten, is de zondebok. Wan als hij dood is, word je verantwoordelijk voor je eigen mislukkingen.

173. De vrees voor een radicale verandering verhinderde heel af en toe de nuchtere analyse waarin Raymond Aron een onovertroffen meester was. De vrees is dus niet alleen de vijand van de daad, maar ook van het denken. Dat laatste valt pas echt op bij iemand die waarlijk verstandig is: slechts dan zie je dat het uit angst is dat de gedachte stokt, en niet uit onvermogen. De angst die de werkelijkheid een statuut toebedeelt dat ze niet verdient. De angst die de macht dient door haar te vrezen.

183. Dat de ene cultuur niet superieur is tegenover de andere, erken ik volgaarne. Mar dat binnen elke cultuur twijfel te verkiezen valt boven de afwezigheid ervan, daaraan twijfel ik geen ogenblik. Tijdens de haastige reis van geloof naar ongeloof, heeft Europa zich te snel en te onbarmhartig van elke aarzeling bevrijd. Wij zijn niet langer wie wij waren, terwijl wie anders is ons woordeloos vraagt wie wij zijn.

189. Wij kunnen á la limite wel de kerk, maar zeker niet de hypocrisie missen.

190. Wat ik aan godgeleerdheid altijd bijzonder aardig heb gevonden, is dat de praktijk er vaak aan de theoretische fundering voorafgaat. Toen het verplichte priestercelibaat in de twaalfde eeuw definitief werd ingevoerd, lagen daar heel praktische motieven aan ten grondslag. Rondtrekkende clerici waren op seksueel vlak al te uitbundig. En grote familiefortuinen konden best een beetje celibaat gebruiken. De theologische grondslag van datzelfde celibaat, met ondermeer de totale beschikbaarheid van de priesters voor God en de gelovigen, werd pas later in zijn volle glorie uitgewerkt. Eerst komt de praktijk, en dan de fundering. Eerst is er de boom, daarna komen de wortels.

Archief

Jean Rustin nog tot 07092008 in Dr. Guislain te Gent

18 augustus 2008

Jean Rustin nog tot 07092008 in Dr. Guislain te Gent

Merkwaardig dat we de voorbije 19 jaar waarschijnlijk het vaakst het Museum Dr. Guislain te Gent hebben bezocht: gedreven of gelokt?
Dat heeft niets te maken met de vaste collectie en onze interesse in de psychiatrie vroeger en nu. Die dingen heb je na een keer of drie grondig geëvalueerd, al is de recentste herschikking weer een aanleiding geweest voor het bezoek van vorig jaar.
Wellicht ligt het verlokkelijk van Dr. Guislain in de soms schitterende tijdelijke tentoonstellingen die jaarlijks een bezoek meer dan de moeite waard maken.
Blijkbaar verzamelt het museum op die manier ook een eigen collectie '? Outsider Kunst Verborgen Beelden '? als selectie van de vroegere tentoonstellingen.

'Kermis of Kennis’ met de wassen beelden uit de Spaanse Roca collectie was een verzameling onderbelichte flauwe kul met veel te weinig toelichting zodat menige fysieke gruwel even pathognomonisch werd gepresenteerd als op de kermis of in het Barcelona van de vorige eeuwwisseling. Het is een verzameling horrorporno uit de tijd dat de pelicule nog te duur was voor huis-, tuin- en keukenwerk.

Marc Maet 'ik woon in de schilderkunst' vraagt een forse inspanning van de bezoeker om door te dringen tot zijn werk.

Jean Rustin daarentegen vraagt een forse inspanning van de bezoeker om de confrontatie aan te gaan met zijn figuren.
Menselijke trekken in karikaturale vormen kijken vervlakt vanaf een grauwe achtergrond of lijken lusteloos bespied
bij het
mechanisch beroeren van hun geslacht
.
Bij zijn tachtigste verjaardag is dit alleszins een indringende tentoonstelling. Na groot succes als abstract schilder met levendige kleuren, sloot hij de deuren van het succes in 1971 en kwam hij tien jaar later weer naar buiten met menselijke figuren die geen mens onberoerd laten.

Misschien omdat ze appel doen op medemenselijkheid door hun oervormen, oerverhoudingen en oerbezigheden. Er zit teveel herkenbaarheid in al zijn het geen portretten van geesteszieke mensen, maar imaginaire modellen. Die herkenbaarheid heeft te maken met de houding, de handeling, de kleur, en de manier waarop de figuren van Rustin bedrukt worden door de omgeving waaronder ook de toeschouwer die hen lijkt te confronteren. Soms doet het denken aan tekeningen van Louis Paul Boon in zijn donkerste dagen, al behoedde Louis zijn figuren voor de frontale confrontatie. Anderzijds is Jean Rustin erin geslaagd zijn menselijke figuren te ontdoen van ieder spel, ieder veinzen, ieder gevoel van schaamte. Rustin geeft hen de kans niet om hun naaktheid te bedekken, hun relatie te spelen. Zijn menselijke figuren lijken betrapt bij hun handelingen. Ze weten dat ze begluurd worden, maar gaan er toch mee door. De enige illusie ontstaat in het hoofd van de toeschouwer.
Verder vallen bij de kritieken over Rustin namen als Lucian Freud, Francis Bacon, Balthus'?

Dank zij Antwerps mecenaat is er nu ook een Fondation Rustin in Parijs.

FONDATION RUSTIN
38, boulevard Raspail
75007 PARIS
Metro Sevres-Babylone

Archief

Juan Gabriel Vásquez, De Informanten.

16 augustus 2008

Juan Gabriel Vásquez, De Informanten. Uitg. Signatuur 2008.

Op je vijfendertigste geroemd worden als leerling van Philip Roth, Mario Vargas Llosa en een pluim krijgen van Carlos Fuentes is niet veel schrijvers gegeven. Vanuit Bogotá in Colombia verhuizen naar Parijs en later Barcelona '? waar ' De schaduw van de wind' om iedere hoek fluistert- is misschien een doordachte strategie voor een Latijns-Amerikaanse auteur, maar eens zal hij terug moeten keren naar Colombia om daar de toekomst te schrijven over wat er in dat land reeds een halve eeuw aan de gang is.
Met ' De informanten' onderzoekt hij alvast de invloed van de tweede wereldoorlog op het land, zijn bewoners en de talloze Duitse en joodse immigranten en vluchtelingen in Colombia aan de hand van een moeizame vader-zoon relatie. Een boek over het leven van zijn vader blijkt de camera obscura te zijn waarin teveel protagonisten hun herinneringen onderkennen omdat hun interpretatie van het eigen heden zonder dat van hun verleden al te wankel wordt. Ook bij zijn vader die zich als vele anderen spelers hulde in het zwijgen van de tragedie al was hij bij uitstek de man van het woord.
' Nooit zult gij de vergrijpen uitwissen die ge daar begaan hebt! Daarvoor zult ge geen woorden genoeg hebben! ' Demosthenes, Kransrede.

Juan Gabriel Vásquez moet verder op een veel gevaarlijker pad. De officiële en persoonlijke geschiedvervalsing in Colombia tijdens en na de tweede wereldoorlog belichten, is niet niks. Daarover in 2008 schrijven zoals hij, is knap.
Maar iemand moet na de aftakeling van de FARC en bij het verkruimelen van de invloed van Uncle Sam beginnen schrijven aan de toekomst van dit land, van heel Latijns-Amerika. Dat is ongetwijfeld veel riskanter en veel moeilijker.
Pablo Neruda, Gabriel Garcia Marquez, Julio Cortázar, Joäo Ubaldo Ribeiro, Mario Vargas Llosa en vele andere grote Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben het hem voorgedaan, met wisselend succes.
Met ' De informanten' heeft Juan Gabriel Vásquez laten zien dat hij dit zou kunnen.
' Wie wenst het woord? Wie wil het verleden aanklagen? Wie wil zich borg stellen voor de toekomst? ' Demosthenes, Kransrede.

102. Je was in die tijd op je tweeëntwintigste natuurlijk al wel een volwaardige persoon, we waren volwassen, vandaag, de dag is een dertiger nog een kind. Maar dat doet er niet toe, we waren heel jong. Hoe is het mogelijk dat wij dat allemaal meemaakten? Doe je sommige dingen niet pas als je ouder bent, staat er geen minimumleeftijd voor, vooral als die dingen je voor het leven tekenen? Ik stel mezelf deze vragen al zovele jaren dat het antwoord me inmiddels bar weinig kan schelen. Eigenlijk wil ik het niet eens meer weten, want een onverwacht of raar antwoord zou me dwingen mijn leven te herzien. En er komt een moment waarop je daar geen zin meer in hebt. Ik heb geen zin meer om dingen te herzien. Gabriel heeft het geprobeerd, bijvoorbeeld, en ik weet niet wat zijn vriendin ervan gedacht heeft, maar zo simpel is het niet. Je kunt niet even je leven gaan herzien en vervolgens verdergaan alsof er niets gebeurd is. Verboden te herzien en verdergaan alsof er niets gebeurd is, zou er in je geboorteakte moeten staan; dan weet je waar je aan toe bent, dan doe je niks stoms.
123. We waren allebei bijna twintig, maar we kwamen pas net kijken., natuurlijk; je voelt je op die leeftijd de verlosser van de wereld, het is een wonder dat je je eigen fouten overleeft. Ja, je hebt er natuurlijk bij wie dat niet zo is, je hebt mensen die op hu zestiende o zeventiende of achttiende de enige fout van hun leven maken en daar e rest van hun leven mee verder moeten. Op die leeftijd besef je dat wat ze tot dan toe verteld hebben, allemaal gebakken lucht is, dat de wereld heel anders in elkaar steekt. Maar krijg je er soms een actuele gebruiksaanwijzing bij, een garantie op z'n minst? Niks. Zoek het maar uit. Dat maakt de wereld zo wreed. Het wrede is niet het feit dat je geboren wordt, dat is psychoanalyse voor beginners. Ook niet dat je familie omkomt bij een ongeluk, ongelukken willen niks zeggen. Het wrede is dat ze je tot de overtuiging laten komen dat je weet hoe de dingen werken. Want dat is meerderjarig worden.
246. ('?) ik vergat de dingen niet, ze veranderden gewoon in de loop der tijd; en wie dingen onthoudt, wie daar een levenswijze van maakt, is gedwongen het tempo van het geheugen bij te houden, dat nooit stilstaat, zoals wanneer je naast iemand loopt die langer is dan jij.
258. Het is merkwaardig hoe verzoenend het geven van een hand kan zijn, tegen wil en dank zelfs. Alsof je een bom onschadelijk maakt, zo heb ik het altijd gezien: een hand geven is een hele rare formaliteit, een gewoonte die allang uit de mode had moeten zijn, net als het hoofdknikje van de man of de vrouwen die hun jurk optilden en een stukje door de knieën gingen. Maar nee, het is niet uit de mode geraakt. Waar je ook gaat of staat pak je de vingers van de ander vast, want het is alsof je daarmee wil zeggen: ik wil u geen pijn doen. U wilt mij geen pijn doen.
262. Ik dacht, nu gaat hij wat zeggen, en werd bang; ik wist heel goed waar hij met woorden toe in staat was. Maar hij deed het niet, hoe ongelooflijk dat ook mag lijken. Hij sprak niet, hij verweerde zich niet, hij probeerde me nergens van te overtuigen. Voor één keer in zijn leven zweeg hij. Hij accepteerde dat hij had gefaald. Het was als een wet die faalde. Een wet van vergeven en vergeten, de amnestie die ij als dictator in ruste had verleend. Het viel in een paar seconden tijd allemaal in duigen. Ik zal niet ontkennen dat hij het elegant opnam.
263. Als ik jouw boek eerder gelezen had, als ik had geweten wat er achter zijn bezoek zat, had ik misschien niet gezegd wat ik zei. Maar dat kan natuurlijk niet, hé, die gedachte is absurd. Het ene is een boek en het andere was het leven. Eerst komt het leven en daarna het boek. Vind je het achterlijk wat ik zeg? Ja, zo is het altijd. Dat verandert niet. En vervolgens blijkt dat we de belangrijke dingen in het boek lezen. Maar dan is het te laat, dat is het probleem, Gabriel, sorry dat ik zo eerlijk ben, maar dat is het probleem met die rotboeken.

Archief

Theodore Dalrymple. De filantroop '? testament van een seriemoordenaar.

10 augustus 2008

Theodore Dalrymple. De filantroop '? testament van een seriemoordenaar. Uitg. Nieuw Amsterdam 1995-2007

Een hyperintelligente autodidact en seriemoordenaar presenteert zich in zijn testament als een filantroop die de maatschappij verlost heeft van ellendige klaplopers die hem als ambtenaar van een sociale huisvestingsmaatschappij het leven hebben zuurgemaakt en dus ook de maatschappij vervelen en handenvol geld kosten. Theodore Dalrymple doet dit op een briljante manier, waarbij geen enkele redenering krom klinkt, geen argument al niet ooit officieel aangevoerd werd door de beleidsmensen en hun denkers om asociaal gedrag van mensen aan de onderkant te verklaren en te vergoelijken. Deze Engelse psychiater en schrijver heeft praktijk gevoerd in de halve wereld van het Britse gemenebest en heeft decennia lang ervaring opgedaan met de bajesklandizie en zijn patiëntenbestand in de achterstandswijken van Birmingham. In zijn later werk zal hij meticuleus de vinger op de 'linkse wonde' van ongelijke kansen, sociaal zwakke opvoeding en dito levensomstandigheden weten te leggen waarachter zo velen geholpen worden zich te verschuilen. Deze nieuwe erfelijke adellijke klasse van lamlendige klaplopers wordt door zijn filantroop gefileerd. Dalrymple opent met dit pijnlijk schitterend kleinood zijn boekenreeks.

142 – 145. Ik denk dat ik afdoende heb aangetoond dat superieure technische kennis van en toegang tot medicijnen het verschijnsel van zelfdestructie onder artsen niet kunnen verklaren. Een mens heeft per slot van rekening maar weinig kennis van de fysiologie nodig om te begrijpen dat defenestratie van twintig hoog schadelijk is voor de gezondheid.
Ook kan niet worden gezegd dat artsen van nature labiele mensen zijn, dat de kiem van de zelfmoorddrang al vanaf jonge leeftijd in hen sluimert. In tegendeel: de veeleisende studie die hun op de medische faculteit wordt opgelegd is voor het grootste deel volstrekt overbodig, vanuit praktisch oogpunt bezien van ieder nut gespeend, en vormt eerder een rite de passage of zelfs een godsgericht dan de educatie in de eigenlijke zin des woords. Niemand kan ontkennen dat de studie veeleisend is, hoe nutteloos ook, en het vereist behoorlijk wat psychische stabiliteit om haar te voltooien '? naast brandende ambitie, snobisme en hebzucht uiteraard.
Nee, de impuls van de arts om zichzelf van kant te maken komt van elders '? die komt om kort te gaan van jullie, het publiek, dames en heren. De langdurige en onvermijdbare omgang met het menselijke ras, waar jullie onloochenbaar toe behoren, met zijn lichtzinnige maar tijdrovende eisen, zijn halsstarrige weigering om de verantwoordelijkheid voor zichzelf te nemen, zijn slechte manieren, zijn gebrek aan elementaire persoonlijke hygiëne, zijn onbesuisdheid, zijn onwetendheid en stomheid, zijn laagheid, zijn slechte smaak en banaliteit, drijft doktoren tot wanhoop en daarom plegen ze zelfmoord.('?)
De arts, hoezeer hij heimelijk ook hunkert naar macht, rijkdom, maatschappelijk aanzien en zo voort, moet zijn hele mentaliteit hullen in een mantel van welwillendheid en menslievendheid. Om te worden toegelaten tot de medische faculteit moet hij al een onnatuurlijke betrokkenheid bij het welzijn van anderen veinzen, en die huichelarij vergezelt hem gedurende zijn gehele professionele leven. Als je een rol maar lang genoeg speelt, begint die uiteindelijk zo'n belangrijk deel van je persoonlijkheid te vormen dat ze de rest samenbindt; en als je om de een of andere reden ophoudt die rol te spelen, stort je persoonlijkheid volledig ineen.
Nu moet de arts, om de illusie va universele weldadigheid in stand te houden waarop hij zijn leven ha gebaseerd, (tegenover anderen, maar vooral ook tegenover zichzelf) net doen of iedereen hem consulteert, hoe verwerpelijk, agressief, vuil en ongemanierd ook, enkel een lijdende ziel is die zijn sympathie verdient en recht heeft op zijn medeleven. Hij moet de uiterlijke schijn negeren en uit de onwenselijke eigenschappen van zijn patiënten niet hun wezenlijke slechtheid afleiden, hij moet die eigenschappen zien als de onontkoombare uitdrukking van iets anders, of dat nu ziekte is, een ongelukkig gezinsleven, een laag inkomen, onverwijtbare onwetendheid of een gebrek aan intelligentie als gevolg van slechte voeding tijdens de kinderjaren.
Op den duur levert het te veel spanning op om dit alles te moeten blijven geloven. Uiteindelijk verplettert de zichtbare werkelijkheid de theorieën die de arts gebruikt om haar te verhullen met haar volle gewicht en valt het starre maar wankele bouwsel waarmee hij zichzelf voor die werkelijkheid heeft afgeschermd in puin. Maar zelfs in dit late stadium kan de arts zijn rol van universele weldoener nog niet helemaal opgeven, want als hij dat deed zou hij de zin van zijn hele verleden in twijfel trekken '? de frustraties en beproevingen van dat verleden blijken niet te zijn doorstaan in dienst van en hoger doel, maar om een leugen na te jagen. Verscheurd tussen twee 'Weltanschauungen' neemt hij wraak, niet op de mensen die zijn misère hebben veroorzaakt, maar op zichzelf.

Archief

Dokter worden.

10 augustus 2008

Dokter worden. Onder redactie van Oderwald, Neuvel, Hertogh en van Tilburg. Uitg De Tijdstroom 2005

Een noodzakelijk boek voor geneeskundestudenten en artsen die liever dokter willen worden of het menen te zijn omwille van de uitgebreide literaire referenties aan schrijvende dokters en hun literaire werk, aan getuigenissen en essays over de opleiding tot arts '? van archi iatros,
helen door macht '? en dokter '? van docere onderwijzen.

28. ' Kunst is een menselijke activiteit die hieruit bestaat dat een mens door middel van bepaalde tekens bewust aan anderen gevoelens die hij heeft ervaren doorgeeft, op zo'n manier dat anderen deze gevoelens in zich opnemen en deze ook ervaren. ' Tolstoi, Wat is kunst?
81. ' Zorg is niet een kwestie van competentie of titel, maar van attitude. Een echte hulpverlener kent het verschil tussen een gebaar van zorgzaamheid en een demonstratie van macht. Je kunt niet tegelijk zorg verlenen en macht uitoefenen. Daar waar macht is, is geen
zorg mogelijk. Want macht verderft en corrumpeert.' Martin Winckler (Marc Zaffran) Les trois médecins. 2004
86. ' Het zien van de dokter wordt een dubbelzien, want hij ziet zijn medemens twee keer, een keer als iemand die lijdt en een keer als drager van pathologie. Maar dubbelzien is een lastige handicap en om daarmee te kunnen omgaan moet je soms een oog afplakken, of je
gedeeltelijk voor de werkelijkheid afsluiten. Dat laatste doen dokters onder meer door zich te verschuilen achter het masker van hun functie, achter de fraaie begrippen waarin zij het lijden vangen, achter hun witte jassen en achter de instrumenten die zij als intermediaire objecten
tussen zichzelf en de patiënt plaatsen: het speculum om niet te (hoeven) voelen, de stethoscoop om niet te (hoeven) luisteren. Alle uiterlijke tekenen en instrumenten van de medische orde hebben steeds deze dubbele functie van afsluiten en ontsluiten. Maar de dokters weten dit niet waardoor zij niet alleen hun voor patiënten, maar ook voor
zichzelf verborgen blijven. In dit onbewuste leerproces ligt de heimelijke reden voor de grote aantrekkingskracht van het specialistendom.
www.literatuurengeneeskunde.nl

Archief

Rudy Aernoudt, Wedervaren van een 'cabinetard'. Politiek en machtsmisbruik.

3 augustus 2008

Rudy Aernoudt, Wedervaren van een 'cabinetard'. Politiek en machtsmisbruik. Uitg. Roularta Books 2008.

' Le mal, c' est la servitude, l' arbitraire politique, l' hypocrisie sociale et les calculs égoà?stes.' J.J. Rousseau, Emile, 1762.

Rudy Aernoudt heeft een boekje geschreven over zijn wedervaren in de politieke wereld van Wallonië, het federale België en Vlaanderen, waar hij bruusk gedumpt werd door zijn minister Moerman van de Open VLD.
Kort daarna werd zij zelf gedwongen de verloren eer aan zichzelf te houden wanneer het rapport van de Vlaamse ombudsman publiek werd. Waarna ook de ombudsman het veiligheidshalve voor bekeken hield.
Aernoudts wedervaren leest als Kuifje in Kongo. Als een goedmenende, zelfbewuste en gedreven specialist trekt hij van Europa naar het Waalse kabinet van Kubla, waar hij zoveel successen bleek te boeken dat hij spoorslags diende te verdwijnen. Het werd dan maar een federaal kabinet van Fientje Moerman, die hij naar de door haar als 'schepencollege' omschreven Vlaamse regering diende te volgen.
Het verhaal leest als een ontdekkingstocht waarbij de reiziger zijn maagdelijkheid verliest ook al probeert hij zich als expert te onttrekken aan corrumperende inwijdingsrituelen en de politieke geloofsbelijdenissen.
De gespeelde onschuld wordt afgewisseld met uitgebreide analyses van economische en organisatorische draaiboeken die de auteur in zijn hoedanigheid van kabinetchef meent te hebben gerealiseerd.
Het lijden is dan toch niet vergeefs geweest.
Zijn argumentatie om de kabinetten van de ministers in de diverse regeringen van de Belgische staat, gewesten en gemeenschappen op te doeken is correct, treffend en lovenswaardig.
Maar het blijft de gespeelde onschuld van Kuifje in het barbaarse Kongo, te goed voor de dagelijkse noodzakelijke smeerlapperij, maar weer niet goed genoeg om inzicht te houden in de politieke roetsjbaan van het verbrokkelende vaderland, wat hem als Belgicist – die zich niet kan noch wil inlaten met taalkwesties en andere onbenulligheden – blind maakt voor de maatschappelijke onderstroom die de fundamenten, ook onder zijn ambities, wegspoelt.

Zijn boekomslag draagt de ' Pornokrates' van Felicien Rops als symbool van de Belgische politiek die als een blinde naakte hoer geleid wordt door een schrander zwijn.

Enkel van zijn lievelingscitaten zijn meesterlijk:

Collectieve criminaliteit heeft geen individuele verantwoordelijken. Napoleon Bonaparte.

Ministers zijn in de ogen van partijbonzen dienaars van het partijbelang. Walter Zinzen.

De rechtvaardige politieker dient zijn woorden in daden te vertalen en vervolgens zijn daden te verwoorden. Confucius.

Om succes te hebben in het politieke leven moet men in het openbaar geloofwaardig kunnen spreken over allerlei onderwerpen. Plato, De jacht op de sofist.

Archief

Peter Claessens, Alle lust wil eeuwigheid. Het magistrale levensscenario van Friedrich Nietzsche.

3 augustus 2008

Peter Claessens, Alle lust wil eeuwigheid. Het magistrale levensscenario van Friedrich Nietzsche. Uitg. De Arbeiderspers 2008

73. ' Das gebet an das Leben', dat Lou von Salomé aan Friedrich Nietzsche schenkt eindigt met de woorden gericht tot het leven: ' Kun je mij geen geluk meer geven, welaan ! dan heb je nog '? je pijn'?' Ze heeft het begrepen: pijn wordt niet als bezwaar tegen het leven aangevoerd. Hier is een vrouw aan wie hij zich kan spiegelen.
87. In het 'muziekoord' (Turijn) , waar natuurlijk net met 'successo piramidale' de Carmen wordt opgevoerd, neemt Nietzsches leven een definitieve wending in het theatrale. Het verandert in een komedie, een goddelijke komedie. Het lachen om de absurditeit van het bestaan breekt hem aan alle kanten uit. ' Ik knoop aan de ergste dingen een staartje klucht vast, bericht hij aan Georg Brandes. Dat is pas de ware ' gaya scienza', dat is pas de vrolijke wetenschap.

Archief

Luc Devoldere, De verloren weg. Van Canterbury naar Rome. Uitg. Atlas

3 augustus 2008

Luc Devoldere, De verloren weg. Van Canterbury naar Rome. Uitg. Atlas

Zij het acht jaar na het jubeljaar, het verloren reisboek van Luc Devoldere helpt nog steeds om het licht te doen schijnen in veel duisternis tussen Canterbury en Rome.

' Wie zou zo dwaas zijn te sterven zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend? Gij ziet het, broeder Henri, ik ben werkelijk een pelgrim. De weg is lang, maar ik ben jong.'
' De wereld is groot', zei Henri-Maximilien.
' De wereld is groot', zei Zeno op ernstige toon.
' Moge het Hem die misschien is behagen het menselijke hart te verruimen tot de omvang van het hele leven.'
('?)

' Een ander wacht me ginds. Ik ga tot hem. '
Hij begon weer te lopen.
' Wie?' vroeg Henri-Maximilien hoogst verbaasd. ' De prior van Leà?n, die aftandse kerel?'
Zeno draaide zich om:
'Hic Zeno', zei hij. ' Ik zelf.'
Marguerite Yourcenar.

70. Behoud
Behoud de begeerte.
Vergeet waarvoor je in de kou
wou staan en sterven
toen je dacht dat de wereld een lente
was of een tuin of en vrouw.

Verwacht dag en nacht
maar vergeet de vrees die je was.
Betaal gen rente voor je gedrag.

Morgen versnelt.
Gisteren zwelt
liefde doodt, gaat niet dood.

Behoud geen resten.
Stap over haar schreef.
Zij blijft de welriekende dreef
in jouw verwoeste gewesten.
(Hugo Claus, Wreed geluk. 1999)

115. ' Madame, tout est perdu, fors l'honneur'. Na de slag bij Pavia, in 1525 schreef Frans I in een brief aan zijn moeder deze laconieke zin. De koning van Frankrijk zat toen gevangen in de Certosa buiten de stad. Haast een derde van zijn leger was gesneuveld of gevangengenomen door de troepen van Karel V. In Pavia draaide ik rond deze zin, probeerde hem anno 2000 te begrijpen.
Wat rest er, als je alles hebt verloren? ' Ik heb alleen maar het idee dat ik vorm van mezelf om me recht te houden in de zeeën van het niets,' schreef Montherlant. Wat is de mens? De men is een dier dat de ' eer' heeft uitgevonden. Het is een paradoxaal ding, die eer; het gaat om een zelfbeeld, dat toch de blik van de andere nodig heeft. De mens ' die de eer aan zichzelf houdt' , stelt zijn daad in de openbaarheid. Kan men ' eervol' handelen, als niemand het ' weet? Eer heeft met schaamte te maken: wie zich beschaamd voelt, voelt zich eerloos. Geldt ook het omgekeerde? Is de eerloze ook beschaamd? Eer heeft zeker met prestige te maken. De eer is een toren die men opricht in de leegte, en die nergens toe dient: hij is puur en alleen zichzelf.
Wat er ook van zij, eer tilt de mens boven zichzelf uit, boven zijn pure en schamele feitelijkheid, zijn eigenbelang en overlevingsdrang. Misschien is de eer van God die Thomas Becket beweerde te dienen, niet meer dan een projectie van die verschroeiende, menselijke eer die hij als een kazuifel rond zich had hangen.