Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Het andere boek – 4 & 5 oktober 2008 – een drukke keuze

30 september 2008

Het Andere Boek
Zuiderpershuis Antwerpen

Lees verder »

Archief

David Van Reybrouck, Pleidooi voor populisme.

19 september 2008

David Van Reybrouck, Pleidooi voor populisme. uitg. Querido

15. Al te vaak wordt populisme bekeken als een ziekte, maar in wezen is het een symptoom dat aangeeft dat er onderliggende problemen spelen.
('?)
Als opleidingsniveau aan de basis ligt van een nieuwe maatschappelijke breuklijn, dan wil ik nagaan in hoeverre het populisme de stem van de laagopgeleide autochtoon verwoordt en hoe we daarmee kunnen omgaan.

65. Wat de nieuwe maatschappelijke breuklijn tussen hoog- en laagopgeleiden betreft staan we nog aan het begin en lijken we ons nauwelijks bewust van de omvang van het probleem. Maar ook hier zal een volstrekte consensus niet nodig zijn.

In zijn pamflet gaat David Van Reybrouck verder in op deze nieuw vastgestelde breuklijn.
Hij herkent in de scholingsgraad de oorzaak van het rancuneuze opbod, verzuring en afwijzing van maatschappelijke betrokkenheid door de overgrote meerderheid van de numeriek talrijkste laagstgeschoolden. Naar het sociologisch onderzoek van Koen Pelleriaux valt dit fenomeen samen met een culturele kloof, zeker in Vlaanderen.

35. Rechts populisme is inderdaad een rancuneleer, maar die rancune maakt inherent deel uit van de democratie. Niemand heeft die paradox beter omschreven dan Menno Ter Braak in 1937:
'Men kan dus de rancune niet als een uitzonderingstoestand beschouwen in een cultuur, die, als de onze, de tendens vertoont om aan alle mensen gelijke rechten te verlenen. Het is de gelijkheid als ideaal, die, gegeven de biologische en sociologische onbestaanbaarheid van gelijke mensen, de rancune promoveert tot een macht van de eerste rang in de samenleving; want wie niet gelijk is aan de ander en toch gelijk aan die ander wenst te zijn, wordt in deze samenleving niet onder verwijzing naar standen of kasten op zijn nummer gezet, maar hem wordt een premie toegekend! Zijn streven naar gelijkheid wordt theoretisch rechtvaardig geacht, ook door degenen, die er geen ogenblik aan zullen denken praktisch voor de verwezenlijking van gelijkheid, die in hun nadeel zou zijn, iets te doen! Ziedaar de grote paradox ener democratische maatschappij, waarin de rancune niet alleen aanwezig is, maar ook wordt aangemoedigd als mensenrecht!.'

51. Voor de socialist is de geëmancipeerde arbeider een soort monster van Frankenstein geworden dat zich tegen zijn maker heeft gekeerd toen het op eigen benen kon staan. Van de weeromstuit ging links zich ontfermen over een nieuwe en schrijnende groep nooddruftigen: de migranten. En dat bezegelde pas goed de boedelscheiding tussen de progressieve elite en het inheemse proletariaat. Dat een nieuwe generatie socialisten de autochtone arbeider vervolgens ook nog eens racisme verweet omdat hij het aandurfde kanttekeningen te plaatsen bij multiculturele ideaal, zorgde voor een ware leegloop.

David Van Reybrouck vindt de bewijzen voor deze scholingsbreuklijn terug in de sociale samenstelling van de verschillende parlementen met steeds minder laaggeschoolde leden.
Hij hoopt dat een vorm van herkenbaarheid van laaggeschoolden in volksvertegenwoordigers die zelf ook laaggeschoold zijn, de politieke kloof tussen de 'burgers' en hun politici kan verkleinen.
Hij koestert daarbij nog de illusie dat verkozen parlementariërs hun kiezers zouden vertegenwoordigen, laat staan de belangen van hun cultuurgenoten zouden kunnen of willen verdedigen.
Hij begrijpt niet dat de parlementaire monarchie in België niets met dit soort principes van 'directe representatieve democratie' te maken heeft.
Hij gaat ervan uit dat sociologische 'bevindingen', gelijklopende culturele verlangens en een politiek van en voor en met en ‘midden de mensen van goede wil' de herkenbaarheid en de identificatie met verkozen politici kan verbeteren waardoor minder rancune. Dit zou dan kunnen leiden tot meer betrokkenheid bij het democratische spel.
Die culturele scholingskloof is echter helemaal niet nieuw.
Meer nog, precies de mogelijkheid om via scholing en verraad aan de eigen klasse omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder is altijd het kenmerk geweest van een meritocratie. En dat systeem was alleszins veel democratischer, flexibeler, efficiënter en mobieler dan een aristocratie, of ze nu feodaal geworteld was, dan wel of ze populistisch gedragen wordt, zoals bij de zich socialistisch hetende erfelijke dynastieën.

Volgens de door Van Reybrouck geciteerde sociologen zoals Marc Elchardus blijkt de houding van autochtonen tegenover migranten sterk bepaald door hun scholingsgraad, meer dan welke klassieke sociologische variabele ook ( klasse, inkomen, geslacht, leeftijd, religie) . Hoe lager het onderwijspeil, hoe etnocentrischer. Ook algemenere gevoelens van onbehagen en wantrouwen hangen in grote mate samen met scholing. ( 41).
Hierbij wordt wel over het hoofd gezien of verzwegen dat in eerste instantie de laaggeschoolden geconfronteerd worden met de overlast van laaggeschoolde migranten. Zoals door Paul Scheffer in zijn 'Land van aankomst' en door Wim Van Rooy in zijn 'Malaise van de multiculturaliteit' werd duidelijk gemaakt.

David Van Reybrouck struikelt bij zijn onderzoek over de sociologische hype van scholingsgraad als nieuwe breuklijn en ziet niet waar dit verhaal vandaan komt. Alsof wetenschap en scholing '? ook sociologie '? ooit 'waardenvrij' zou kunnen zijn.
Kan je zo ooit tot een andere conclusie komen dan het mantra van de politieke schoolmeesters die bezwerend bidden om 'meer en betere gelijke kansen'?
De rancune voor dit groot sociaal onrecht moest en zou de drive worden om stemmen te ronselen voor de nieuwe socialistische spindoctors. Dat dit een omgekeerd effect heeft, is inmiddels wel duidelijk geworden.
Nog nooit was de scholingsgraad in Vlaanderen zo hoog.
En volgens de sociologen is de scholingskloof nog nooit zo diep geweest.

61. Het populisme dat we vandaag zien is de enige, maar vaak gebrekkige reactie van het soevereine volk tegen de groei van zo'n postdemocratie. In plaats van het overhaast te beschimpen of te negeren, moeten we de voedingsbodem die eraan ten grondslag ligt ernstig nemen: wrevel over de diploma- democratie en de cultuurkloof, en die is niets anders dan rancune over de beloofde gelijkheid die uitblijft. Want ondanks al zijn negativisme verraadt het populisme nog steeds iets hoopgevend: de wil van de laaggeschoolden tot een blijvende betrokkenheid bij de inrichting van de democratie. Dat is, in tijden van kiesverzuim, lang niet evident.

In zijn analyse van het populisme probeert Van Reybrouck het te herkennen als een legitieme bekommernis en zelfs positieve uiting van betrokkenheid bij het maatschappelijke en politieke gebeuren. Een protest- of foertstem is alleszins een stem, en dus getuigt dit van meer betrokkenheid dan niet stemmen.
Hij pleit voor een democratisch en verlicht populisme als politieke stroming om meer burgers te betrekken bij het democratische proces. De vraag is dan nog maar wat dit zich als 'democratisch' proces bestempelend systeem achter de schermen van de macht inhoudt.
Want daarover gaat het in eerste instantie.

Of zoals Rik Van Cauwelaert in Knack van 17 september 2008 opmerkt:
'?Populisme is immers een verwijt dat politieke opponenten elkaar graag toe slingeren, want het maakt tegenargumenten aanbrengen overbodig.
Van de Duitse liberaal Ralf Dahrendorf is de uitspraak dat wat voor de één populisme is, voor de ander democratie is. Populistische technieken worden pas gevaarlijk als ze worden toegepast om, zoals in de Europese Unie, beslissingen buiten iedere controle tot stand te brengen en de bevolking ‘stilzwijgend tot zwijgen te brengen’. Zodat we, volgens Dahrendorf, verzeilen in ‘een democratie zonder democraten’.
Zodra we daar zijn aanbeland, maakt het niet meer uit of we hoog- dan wel laagopgeleid zijn.'?

64. Het democratisch populisme helpt om de basis van de democratie, het conflict, weer nieuw leven in te blazen. Democratie is een pacifistische slagveld. Multatuli wist het al: “Het beslissen bij meerderheid van stemmen is 't recht van de sterkste in der minne. Het beduidt: als we vechten zouden we winnen… laat ons 't vechten overslaan. Dit stelsel leiders niet zozeer tot waarheid als tot rust”.
En dat is al veel. Democratie is nooit de elegantste staatsvorm. Als elegantie het criterium is, kiest men best voor een dictatuur. De democratie is per definitie tijdverlies, prutswerk, inefficiëntie. Een schoonheidsprijs zullen er niet meer verdienen. Maar het is de enige manier om iedereen een beetje gelukkig te houden, of op zijn minst niet helemaal ongelukkig te maken. Rust in de tent, daar is het om te doen.

David Van Reybrouck demonstreert in zijn grote bezorgdheid om het voortbestaan van de parlementaire democratie ook een naà?ef geloof in het politieke theaterbestel. Hij sluit zich te nauw aan bij de officiële peptalk van de politieke partijbonzen, regeringen en parlementen. Hij vergeet het illusoire aspect van het parlementaire theater te onthullen. Het ware gevecht om de democratie speelt zich niet af in het parlementaire halfrond, maar in de coulissen van de macht.
De voornaamste oorzaak van de staat van ontbinding woekert immers reeds meer dan twee eeuwen als huiszwam in de parlementaire monarchie. Populisme is in deze hoogstens een nieuwe laag behangpapier.

Archief

‘Amerikaanse presidentskandidaten definiëren zich door het masker dat ze opzetten’

18 september 2008

Russell Shorto in Vrij Nederland: Ware Aard : ‘Amerikaanse presidenten – en presidentskandidaten – definiëren zich door het masker dat zij opzetten. Maakt het uit wat zich daarachter bevindt? Misschien wel niet.’

Vrij Nederland 13 september 2008
('?)
In het vermakelijkste deel van het boek van de Amerikaanse schrijver en wetenschapper Shelby Steele over Barack Obama en de rassenrelaties weidt hij uit over de maskers die zwarten in de Amerikaanse maatschappij dragen.
Eerst neemt hij Lewis Armstrong, de grote jazztrompettist van halverwege de vorige eeuw. Steele heeft een foto waar Armstrong verwilderd, kwaad, onverzorgd opstaat; die valt op, zegt hij, omdat hij zo anders is de gezicht dat Armstrong voor het publiek opzette: stralend, onderdanig, een gezicht dat blank Amerika voorhield dat het voor hem niet bang hoefde te zijn.
Vervolgens richt Steele zich op de figuur van Miles Davis, ook een zwarte jazztrompettist, maar uit een heel andere tijd. Davis werd beroemd omdat hij met zijn rug naar het publiek optrad – en neerbuigender houding was niet denkbaar. Davis maakte naam eind jaren 60 en hoefde dus niet hetzelfde raciale territorium te bevechten als Armstrong. Sterker nog, inmiddels had de burgerrechtenbeweging blanken zozeer bewust gemaakt van het kwaad van de slavernij en rassenscheiding, dat blanke jazzliefhebbers zich volgens Steele zelfs graag door Davis lieten beledigen. Toch was ook die gezichtloosheid een masker, een stunt voor het publiek. (..)
Barack Obama vertegenwoordigt nog weer een ander tijdperk in de zwart-blanke betrekkingen in de Verenigde Staten. Evenals zijn vriendin Oprah Winfrey is Obama een nieuw soort zwarte Amerikaan, die met zijn houding, zijn masker, de mogelijkheid opent dat beide partijen de rassenkwestie overstijgen. ('?)

Niemand van ons is zo van een masker afhankelijk als een politicus, en Amerikaanse politici, voor wie hun imago zo vreselijk belangrijk is, vertrouwen misschien nog meer dan anderen op hun masker. ('?)

Het masker van John McCain is overduidelijk en houdt verband met zijn tijd als krijgsgevangene in Vietnam. Het masker van McCain zegt: 'Ik heb geleden, volgehouden, offers gebracht, gevochten, ik ben een strijder'. Zijn standpunten sluiten daar grotendeels bij aan. Hij zou de Amerikaanse troepen langer in Irak houden dan George Bush; hij ziet het conflict Rusland-Georgië in scherpe zwart-wit termen. De Amerikanen mogen kiezen tussen twee maskers: de strijder van McCain en de bemiddelaar van Obama. Hun keus hangt af van hun gevoel over zichzelf, hun land, de toekomst, en hoe ze hiermee moeten omgaan.

Archief

Theodore Dalrymple, Leve het vooroordeel! De noodzaak van vooropgezette ideeën.

16 september 2008

Theodore Dalrymple, Leve het vooroordeel! De noodzaak van vooropgezette ideeën. Uitg. Nieuw Amsterdam 2008

De Engelse psychiater en auteur beleeft al jaren veel lol aan het vaardig en speels jennen van de progressieve ruimdenkende – liefst linkse – goegemeente. Wanneer hij in zijn ontluisterende spel toeslaat, hakt het er ook vaak diep in. Tot verbijstering van wie zich nog meent te kunnen laven aan de kreten en het gefluister van de grote bevrijdingsdecennia uit de tweede helft van de XX ste eeuw toen alle taboes – zeker ook de seksuele – plaats dienden te ruimen voor een nietsontziende vrijheid, openheid, blijheid, antiautoritaire grenzeloosheid.
Achteraf lijkt het wel of die eruptie van individuele vrijheid mooi aansloot bij de behoefte van een nieuwe ontwikkeling in het economische systeem, dat niet langer draaiende zou worden gehouden met gedisciplineerde contingenten proleten. De eigen creativiteit en vooral de bereidheid om zich in volle individuele vrijheid en openheid te onderwerpen aan de hoogstpersoonlijke contacten met de vrije markt, creëerde een nieuwe mens. Het consumerende individu dat in die onderwerping het summum van blijheid moest en zou ervaren.
Goed georganiseerde verzamelingen mensen als gezinnen, families, clans, stammen, buurten, klassen zijn veel moeilijker te bewerken. Zij stellen de al dan niet zelfverklaarde belangen van de groep boven de acute verlangens van het individu. Ouderen passen in dit soort groepsverbanden als bewaarders van de verhalen, dragers van de wijsheid en de identiteit van de groep. Jongeren groeien erin op en conformeren zich in min of meerdere mate naar de tucht van de groep. Dit leidt tot een spannend spel tussen veiligheid en verstikking, tussen creativiteit en volgzaamheid, tussen dissidentie en conformisme.

Dalrymple houdt een boeiend pleidooi voor het vooroordeel, waarbij hij de verschillende betekenissen van de term handig door elkaar weeft. Zo onthult hij de evolutie van behoudsgezinde, behoedende vooroordelen '? essentieel om in een vijandige omgeving maximaal op je hoede te zijn – naar de negatieve connotatie van 'vooroordelen die ons elke dag meer geld kosten'.

Althans volgens Vacature in haar reclamecampagne met een warm pleidooi voor 50 plussers (en de jeugdwerkloosheid?), buitenlands talent (lees goedkope arbeidskrachten importeren), allochtonen en mensen met een handicap die dringend aan de slag moeten om onze kijk op de arbeidsmarkt te veranderen omdat 50.000 vacatures niet ingevuld raken.
Een simpele burger denkt dan dat gezien het spel van de vrije markt van vraag en aanbod bij een verhoogde vraag naar arbeidskrachten ook de prijs daarvoor zou moeten stijgen.

Maar Dalrymple gaat veel verder. Gewelddadig gedrag van kinderen op begraafplaatsen, in stations bij het roven van mp3 spelers hebben volgens hem – en niet alleen volgens hem '? veel te maken met het stuitend gebrek aan opvoeding in een van de gestructureerde menselijke samenlevingsvormen zoals een hecht gezin, een veilige familie. Verveling kan dan wegen als een loden deken waaronder geen licht mag schijnen.

60. Het is een van de grote wapenfeiten van onze beschaving dat ze, in een mate die door andere beschavingen niet is geëvenaard, de institutionele middelen heeft geschapen om echte kennis te zoeken en te verspreiden, en dat ze tegelijk voortdurend de kracht heeft onderzocht van de bewijzen waarop die kennis was gebaseerd. Uiteraard werken de instellingen in kwestie alleen in die mate waarin zij vrij zijn: niet vrij van vooroordelen of vooropgezette ideeën, want dat is onmogelijk, maar vrij om die vooroordelen en vooropgezette ideeën te onderzoeken in het licht van nieuw bewijsmateriaal, en om ze te verwerpen of aan te passen waar dat intellectueel gezien noodzakelijk wordt. Vrijheid houdt echter niet in die vrijheid om kritisch wordt uitgeoefend; de wijzen twijfelen alleen aan dingen die de moeite van het betwijfelen waard zijn.

De linkse goegemeente hult zich nog graag in het mantra van de gelijke kansen, waar dit duidelijk een verkeerd effect heeft en er niet in slaagt iets bij te dragen aan sociale emancipatie van wie door diezelfde goegemeente gemerkt wordt als sociaal zwak. Het Verlichtingsideaal van de soevereine mens die zonder god en vrij van vooroordelen de wereld kan onderzoeken, beheersen en veranderen, wordt door Dalrymple afgewezen. En dat is vaak moeilijk slikken voor de zelfverklaarde Ridders van de Verlichte Ronde Tafel. Nochtans leidt een beetje introspectie en een beetje respect voor de werkelijkheid al gauw tot het besef dat een mens een sociaal dier is, dat gemaakt wordt door zijn omgeving met alle ge- en verboden, met alle sociale controle en alle gevechten naargelang ieders temperament. Dit ontwikkelingsspel is een opvoedingsproces waarbij sommigen zich in een meer soevereine richting zullen ontwikkelen dan anderen. Dat houdt de dynamiek van een mensengemeenschap gaande en geeft eenieder de kans tot dissidentie of conformisme. De afwezigheid van een opvoeding als socialisatieproces in stabiele gezins- en onwikkelingssituaties leidt helemaal niet tot soevereine individuen, maar tot in zichzelf gekeerde neuroten die allemaal god willen zijn in hun diepste gedachten.

139. Er is oordeelsvermogen nodig om te weten wanneer we vooroordelen moeten handhaven en wanneer die moeten prijsgeven. De vooroordelen zijn net vriendschappen: ze moeten worden onderhouden. Vrienden ontgroeien elkaar soms, en mensen moeten soms ook hun vooroordelen ontgroeien; naar vriendschap verdiept zich vaak met de jaren en de ervaring, en dat kan ook met vooroordelen gebeuren. Vooroordelen geven mensen karakter en houden hen bijeen. We kunnen ze niet missen.

Op donderdag 2 oktober 2008 gaat Theodore Dalrymple over de vooroordelen in discussie met Graham Lock op de Soeterbeecklezing aan de Radboud Universiteit van Nijmegen.
Graham Lock is hoogleraar Politieke theorie en filosofie van de Managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en Faculty Fellow in European Philosophy aan de Oxford University. Hij introduceert de term 'dogma', als hij het heeft over vastomlijnde denkbeelden die nauwelijks ter discussie staan. In onze laatmoderne tijd wordt het dogma verafschuwd, en 'dogmatisch' is een scheldwoord geworden '? en dat is volgens Lock onterecht. Is het vooroordeel van Dalrymple hetzelfde als het dogma van Lock? De denkers discussiëren hierover aan de hand van spannende voorbeelden uit politiek, sociaal en persoonlijk leven.

Lees verder »

Archief

Philippe Claudel op Zuiderzinnen

11 september 2008

Zondag 21 september 2008 om 1545 uur spreekt Jean Pierre Rondas met de Franse auteur Philippe Claudel op Zuiderzinnen in het Zuiderpershuis aan de Waelse Kaai te Antwerpen.

Archief

W.G. Sebald, Duizelingen.

7 september 2008

W.G. Sebald, Duizelingen. Uitg. De Bezige Bij

De Nederlandse vertaling van 'Duizelingen' is een eerbetoon voor de lezers van W.G. Sebald (1944 '? 2001) omdat je in deze debuutroman beter begrijpt waar zijn techniek, zijn denkwereld en zijn associaties vandaan komen. Hij deed het reeds in 'Duizelingen', maar dan niet zo indringend en op zo'n grote hoogte als in zijn later werk waar hij vaak boven zijn persoonlijke interpretaties uitstijgt tot universele vaststellingen die je als ruggesteun beklijven.
Je merkt ook hoe hij reeds als kind zijn positie bepaalde, de kleine onopvallende toeschouwer die dingen opmerkte die hij niet mocht horen of zien, die hij niet mocht herkennen, laat staan interpreteren.
Door zijn alerte blik slaagt hij erin een andere werkelijkheid te benaderen, vaak zeer verschillend van de gebruikelijke varianten.

Sebald lezen helpt je het puin te herkennen dat in grote ringen discreet maar steeds present rond de planeet van ons denken wentelt. Hij houdt iedere melancholische weltschmerz in een heilzaam korset gevangen. De ringen van Saturnus' 1995.

Archief

Eugeen Van Mieghem Museum Antwerpen

7 september 2008

Eugeen Van Mieghem Museum Antwerpen
Zelden zo'n boeiende en gedreven rondleiding mogen meemaken als die door Erwin Joos, de voorzitter van de gelijknamige stichting wanneer hij voor bezoekers de geheimen onthult in het Eugeen Van Mieghemmuseum op de Antwerpse Linkeroever .

Zelden op zo'n kleine oppervlakte zoveel liefde zien schitteren voor mensen aan de rand het water, waar voor miljoenen het leven abrupt ophield in de hoop aan de overkant een nieuw elan te krijgen. Eugeen Van Mieghem zag aan de ouderlijke café langs de Montevideostraat de volksverhuizers rond de vorige eeuwwisseling op de vlucht voor de pogroms uit het oosten. Hij had oog voor gewone mensen, havenwerkers, en havenmeisjes. Hij schreef zijn leven in tekeningen. Hij leidde het volhoudend aan de rand van de haven, bij het water en wat er aanspoelde.

Erwin Joos heeft sinds 1982 van de herontdekking van de schilder Eugeen Van Mieghem zijn levenswerk gemaakt. Hij doet het met veel empathie en tederheid voor de schilder en zijn omgeving. Hij leidt je aan de hand van de tekeningen en schetsboeken door het Antwerpen van het einde van de XIXde en het begin van de XXste eeuw waar de oude wereld verkruimelde op de rand van rijkdom en kunst om plaats te maken voor nieuwe waanbeelden over schoonheid, macht en onnoemelijk veel leed tijdens de eerste wereldoorlog.

Bij de upgrading van het Eilandje wordt gelukkig het verleden een belangrijk houvast. Met de Van Mieghemwandeling, de Red Star Line en het volksverhuizers in het MAS wordt recht gedaan aan de geschiedenis. Waar ooit vlug genot, valse hoop, zelfverzonnen of aangeprate illusies mensen rechthielden in de stormen van de geschiedenis en hen de Atlantische Oceaan opdreef of lokte, zullen beelden naar het werk van Van Mieghem de passanten de kans geven te reflecteren over de wind en het water, over de stank voor dank.

Archief

Vandaag ‘Le Silence de Lorna’, wanneer ons ‘Lorna Plan’?

4 september 2008

Le SILENCE DE LORNA van Luc & Jean-Pierre Dardenne
met Arta Dobroshi, Jérémie Renier, Fabrizio Rongione,

De nieuwste film van de gebroeders Dardenne heeft iets van een stripverhaal, ' La BD de Lorna'. Soms is er een kleurvoering die je niet vergeet zoals bij Hergé.
Dan weer een reeks plaatjes na elkaar waarbij het verhaal perfect voorspelbaar blijkt.

De strip van de hoofdrolspeelster is het enige hoogtepunt in de benauwende stilte.

De opening met het vooral verwarrende spel van de koppen van Lorna en Claudy wordt ruimer en triester, want zij blijkt als Albanese een papieren huwelijk te hebben gesloten met een junk om zo de Belgische nationaliteit te verwerven. Dan kan ze met haar Albanese geliefde een snackbar beginnen in een troosteloze wijk van Luik.
Eens Belgische moet ze zo snel mogelijk scheiden en als dat niet kan weduwe worden.
Om zo door haar passenpooier uitgehuwelijkt te worden aan een criminele Rus die dringend om een Belgische pas verlegen zit.
Kwestie van wat centen te mikken voor het gezamenlijke project.

De film speelt zich af in het hoofd van de hoofdrolspeelster, Arta Dobroshi.
Zij vertoont een evolutie in haar emoties en enig reliëf in haar gedrag en weet haar rol overtuigend te brengen. De overige personages zijn vlak en figureren als stripfiguren.
De film biedt ook enig inzicht in de sms-cultuur en de betekenis van een gsm voor gerafelde mensen aan de eenzame rand van de samenleving.

Dat de gebroeders Dardenne met deze film het stilte-taboe hebben doorbroken dat heerst over de asiel- en mensenhandel siert hen evenwel.
Dat ze de moed gehad hebben om met deze strip van Lorna het solidariteitsgewauwel van cdH minister van werk en gelijke kansen, Joelle Milquet, te doorprikken siert hen evenzeer.

Wanneer Laurette Onkelinx in 2000 na de Rosetta film van Luc en Jean Pierre Dardenne een Rosetta startbanenplan lanceerde was dit een mediagenieke vondst in de strijd tegen de jeugdwerkloosheid, zij het met een wel erg kwakkele uitvoering.

Een Lorna Plan is vandaag even noodzakelijk en mediageniek – en liefst minder kwakkel – in de strijd tegen professionele mensensmokkelaars en dito organisatoren van hongerstakingen en kraanklimoefeningen.

Waar wachten vice premier Milquet en de minister van migratie- en asielbeleid, Annemie Turtelboom, nog op om een degelijk Lorna Plan op te zetten.

Dames, zet hem op, sla de handen in elkaar, peil elkaars droeve blik en doorbreek de stilte van Lorna.
Jullie zijn de schaamte toch reeds lang voorbij, mogen we hopen.

Archief

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon.

4 september 2008

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon. Uitg Wereldbibliotheek 2006

Ook al is het een ingewikkelde constructie, de schrijver – filosoof – leraar, is er met glans in geslaagd om met deze ‘Nachttrein’ de lezer in te wijden in de angsten, de pijnen, de illusies van personages die een leven proberen bijeen te houden onder de last van de jaren, de herinneringen aan veel leed en lijden van een tijd waarin Portugal en Zwitserland kreunden onder de pijnlijke scheuren in het decorum van de macht.
Het heeft wat van Carlos Ruiz Zafà?n ’ Schaduw van de wind ‘ in Barcelona, maar dan gemanieerd, ietwat gekunsteld.
Al blijven sommige bedenkingen beklijven, ook zonder het verhaal.

72. Als de diktatuur een feit is, is de revolutie een plicht.

79. Je had mensen die lazen en je had de anderen. Of iemand een lezer was of een niet-lezer '? dat merkte je snel. Er bestond tussen mensen geen groter verschil dan dat. Mensen waren verbaasd als hij dat beweerde en sommigen schudden hun hoofd over zo'n zonderlinge bewering. Maar het wás zo. Gregorius wist het. Hij wist het.

82. De afstand tot de anderen waartoe dit bewustzijn ons brengt, wordt nog veel groter als we beseffen dat onze uiterlijke gestalte door de anderen anders wordt waargenomen dan door onze eigen ogen. Mensen zie je niet als huizen, bomen en sterren. Je ziet ze in de verwachting hen op een bepaalde manier te kunnen ‘ontmoeten’ en hen daardoor tot een deel van het eigen innerlijk te maken. Het inbeeldingsvermogen dwingt ze in een vorm waarin ze bij de eigen wensen en verlangens passen, maar maakt ze ook zo dat in hen de eigen angsten en vooroordelen kunnen worden bevestigd. We kunnen zelfs niet met zekerheid en zonder vooringenomenheid de uiterlijke contouren van een ander waarnemen. Onderweg wordt de blik afgeleid en vertroebeld door alle wensen en drogbeelden die ons tot de bijzondere, unieke mens maken die we zijn. Zelfs de buitenwereld van binnenwereld is een deel van onze binnenwereld, om maar niet te spreken van de gedachten die wij over die vreemde binnenwereld ontwikkelen en die zo onzeker en wankelbaar zijn dat ze meer over ons zelf zeggen dan over de ander.

83. Zou een schilder ons moeten uitbeelden met wijd uitgestrekte armen, wanhopig in de vergeefse poging de ander te bereiken? Of moet het portret van de schilder ons laten zien in een houding waarin de opluchting wordt uitgedrukt over het bestaan van die dubbele barrière, die ons immers ook bescherming biedt? Moeten we dankbaar zijn voor de bescherming van die vreemdheid voor elkaar? En dankbaar voor de vrijheid die die vreemdheid mogelijk maakt? Hoe zou het zijn als wij, onbeschermd door de dubbele breking die het geduide lichaam inhoudt, tegenover elkaar zouden staan? Als we, omdat er niets wat scheidt en vertekent tussen ons in zou staan, als het ware totaal in elkaar op zouden gaan?.

134. Niemand die aan de discussie deelnam liet ook maar even doorschemeren dat er door de argumenten die door de anderen naar voren werden gebracht, verandering was opgetreden in zijn overtuiging. En plotseling, met een schrik die ik zelfs in mijn lichaam voelde, besefte ik: zo is het ‘altijd’. Tegen een ander iets zeggen: hoe kun je verwachten dat dat iets bewerkstelligt? De stroom van gedachten, beelden en gevoelens die voortdurend door ons heen gaat, die sterke stroom heeft zo’n geweldige kracht dat het een wonder zou zijn als hij niet alle woorden die iemand anders tegen ons spreekt met zich zou meesleuren en aan de vergetelheid prijs zou geven als ze niet toevallig, heel toevallig, bij de eigen woorden passen.

157. Hield hij van haar? Of was het gewoon omdat ze een mens was? ” Hoe heet ze? Namen zijn de onzichtbare schaduwen waarmee de anderen ons bekleden, en wij hen. Weet je nog?”

165. De galeislaaf op het schip is vastgeketend, en toch kan hij denken wat hij wil. Maar wat Hij, onze God, van ons vraagt, is dat wij onze slavernij eigenhandig tot een onze diepste diepte in ons opnemen en dan ook nog vrijwillig en met vreugde. Kan er een grotere bespotting bestaan? (...)

Wat is een mens zonder geheimen? Zonder gedachten en wensen die alleen hij, en hij alleen, kent? De beulen van de inquisitie en folteraars van tegenwoordig wisten en weten het heel goed: voorkom dat hij naar binnen vlucht, doe nooit het licht uit, laat hem nooit alleen, weiger hem slaap en stilte: dan begint hij te praten. Dat martelingen ons van onze ziel beroven, betekent dat ze ons van de eenzaamheid met onszelf beroven die we nodig hebben als de lucht die we inademen. Heeft de Heer, onze God, er nooit aangebracht dat hij ons met zijn mateloze nieuwsgierigheid en zijn weerzinwekkend voyeurisme onze ziel afneemt, en ziel die nota bene onsterfelijk heet te zijn?

201. Het glashelder bewustzijn van eindigheid dat Jorge midden in de nacht overviel en dat ik in menig patiënt ontketen door de woorden waarmee ik hun de dodelijke diagnose mededeel, brengt ons zo sterk in verwarring omdat we, vaak zonder het te weten, toeleven naar een zekere heelheid en omdat elk ogenblik dat wij als levend mens als geslaagd ervaren, zijn bestaan ontleent aan het feit dat het een stukje is van de puzzel waaruit die onbekende heelheid bestaat. Zodra het besef ons overvalt dat die heelheid niet meer bereikt kan worden, weten we plotseling niet meer wat we verder moeten beginnen met de tijd, die dan niet meer met het oogmerk van die heelheid kan worden doorgemaakt. Dat is de reden voor de merkwaardige, schokkende ervaring die sommige van mijn ten dode opgeschreven patiënten hebben: dat ze met hun tijd, hoewel die zo beperkt is geworden, niets meer weten te beginnen.

208. Het leven is niet het leven dat we leven; het is het leven dat we ons voorstellen te leven, luidde een aantekening in Prado’s boek. (..)

De mensen verdragen de stilte niet, stond in een van Prado’s korte aantekeningen, dat zou betekenen dat ze zichzelf konden verdragen.

250. Ik geloof dat een zaak onder woorden brengen betekent dat de kracht ervan wordt bewaard en de verschrikking ervan wordt weggenomen, schrijft Pessoa.

315. Woedende eenzaamheid.
Want de gevreesde eenzaamheid – waaruit bestaat die eigenlijk? Uit de stilte van de verwijten die we dan niet te horen zouden krijgen? Uit de niet meer aanwezige noodzaak met ingehouden adem stilletjes over het mijnenveld van echtelijke leugens en amicale halve waarheden heen stappen? Uit de vrijheid bij het eten niet tegenover iemand te moeten zitten? Uit de enorme hoeveelheid tijd waarover we komen te beschikken als een spervuur van afspraak is opgehouden? Zijn dat geen heerlijke dingen? Is dat geen paradijselijke toestand? Waarom zijn er dan zo bang voor? Is het in laatste instantie een angst die alleen bestaat omdat we nog nooit hebben nagedacht over de aard ervan? En angst die ons is aangepraat door gedachteloze ouders, leraren en priesters? En waarom zijn weinig eigenlijk zo zeker van dat de anderen ons niet zouden benijden als de zouden zien hoe groot onze vrijheid is geworden? En dat ze dan niet ons gezelschap zouden opzoeken?.

317. Kitsch is de meest verraderlijke van alle gevangenissen. De tralies zijn met het goud van simpele, onechte gevoelens bekleed zodat je ze voor de zuilen van een paleis houdt.

330. De contouren van de wil van de angsten van de ouders worden met gloeiende griffels in de ziel van de kleine kinderen geschreven, die volstrekt onmachtig zijn die er geen idee van hebben wat er met hen gebeurt. Wij hebben er een leven lang voor nodig om de ingebrande tekst te vinden en te ontcijferen en we kunnen er nooit zeker van zijn die helemaal te begrijpen.

383. ‘Dus is het woord het licht der mensen’, zei hij.’ En de dingen bestaan dus pas echt als ze met woorden worden uitgedrukt’.

‘En de woorden moeten een ritme hebben’, zei Gregorius, ‘een ritme, zoals bijvoorbeeld de woorden bij Johannes hebben. Pas dan, pas als de poëzie zijn, werpen ze werkelijk licht op de dingen. In het wisselende licht van de woorden kunnen dezelfde dingen er immers heel verschillend uitzien.’

384. Gebiedende intimiteit.
Door intimiteit zijn we met elkaar verbonden en de onzichtbare banden zijn bevrijdende boeien. De verbondenheid is gebieden’d: ze vereist exclusiviteit. Delen is verraden. Maar het is niet zo dat we slechts een enkele persoon mogen, liefhebben, en aanraken. Wat te doen? Regie voeren over de verschillende intimiteiten? Een penibele boekhouding voeren over onderwerpen, woorden, gebaren? Over gedeelde kennis en over geheimen? Dat zou een geruisloos druppelend gif zijn.

Archief

Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde

3 september 2008

Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde – Tien ware verhalen uit een psychotherapeutische praktijk. Uitgeverij Balans.

Psychiater Yalom weet als ‘Scherprechter van de liefde’ een boeiende reeks verhalen op te leveren uit het vakgebied van geestelijk lijden. Hij ontleedt menselijke angst als diepe drive voor menselijk handelen. Als scherprechter haalt hij echter niet het literaire niveau van zijn vorige schitterende boeken – Nietzsches tranen – De Schopenhauerkuur – Therapie als geschenk – De therapeut – al zal menig therapeut en patiënt zinvolle insteken herkennen.

12. Mijn voornaamste klinische veronderstelling is altijd geweest dat fundamentele angst voort komt uit iemands pogingen, bewust en onbewust, om het hoofd te bieden aan de harde, onontkoombare werkelijkheid, de gegevenheden van het bestaan, en de op deze veronderstellingen heb ik mijn aanpak gebaseerd.
Ik ben tot de ontdekking gekomen dat vier gegevenheden voor de psychotherapie bijzonder relevant zijn: de onvermijdelijkheid van de dood voor onszelf en voor diegenen die we liefhebben; de vrijheid die we hebben ons leven de vorm te geven die we willen; onze essentiële eenzaamheid en tenslotte de afwezigheid van een duidelijke zin of betekenis van het leven. Hoe grimmig deze gegevenheden ook mogen lijken, ze bevatten de kiemen van wijsheid en bevrijding.

20. Hoewel er voor existentieel isolement geen oplossing bestaat, moeten therapeuten valse oplossingen ontmoedigen. Iemands pogingen om aan isolement te ontkomen kunnen zijn relaties met andere mensen schaden. Veel vriendschappen en huwelijken zijn stukgelopen omdat een van beiden de andere gebruikt als schild tegen het isolement in plaats van in de relatie voor elkaar te zorgen en elkaar te ondersteunen.

43. De meeste van mijn diepste overtuigingen over therapie en mijn intense interesse voor bepaalde terreinen van de psychologie vloeien voort uit persoonlijke ervaring. Nietzsche beweerde dat het gedachtensysteem van een filosoof altijd uit zijn levensgeschiedenis voortkomt en ik geloof dat dit voor alle therapeuten geldt en eigenlijk voor iedereen die nadenkt over het denken.

47. Pas wanneer iemand het inzicht in zijn botten voelt, heeft hij het echt. Pas dan kan iemand ernaar handelen en veranderen. Populaire psychologen hebben het altijd over het ‘aanvaarden van verantwoordelijkheid’, maar het zijn alleen maar woorden. Het is buitengewoon hard, zelfs angst aanjagend, om het inzicht te hebben dat jijzelf helemaal alleen je eigen leven ontwerpt. Daarom is het probleem in de therapie altijd om van een ineffectieve intellectuele acceptatie van een waarheid te komen tot een of andere emotionele ervaring ervan. Pas wanneer therapie sterke emoties mobiliseert, wordt het een kracht die verandering ter weeg kan brengen.

102. Ik heb altijd het idee gehad dat de manier waarop iemand de dood tegemoet treedt voor een groot deel wordt bepaald door het voorbeeld van zijn ouders. Het laatste geschenk van een ouder aan zijn kinderen is hen te leren hoe men de dood gelijkmoedig tegemoet kan treden door zelf het voorbeeld te geven.

109. Het is de relatie die geneest, de relatie die geneest, de relatie die geneest, zo bid ik de rozenkrans van mijn beroep. Ik zeg dat vaak tegen studenten. En ik zeg ook andere dingen, dingen die slaan op de relatie die ze met de patiënten moeten vormen. Voorwaarden voor een goede relatie zijn: onvoorwaardelijk respect, aanvaarden zonder veroordeling, authentieke betrokkenheid en empatisch begrip.

130. Patiënten profiteren net als iedereen het meest van een waarheid die ze zelf ontdekken.

131. We blijven allemaal met een zekere mate van plots angst doodsangst zitten. Het is de toegangsprijs voor zelfbewustzijn.

134. Een van de axioma’s van psychotherapie is dat belangrijke gevoelens die je ten opzichte van een ander heb altijd langs een of andere weg worden overgebracht, zoniet verbaal, dan non-verbaal. Zolang als ik me kan herinneren, heb ik mijn studenten geleerd dat wanneer er in de relatie tussen de therapeut en de patiënt over iets belangrijks niet wordt gepraat er ook niets anders van belang besproken zal worden.

153. Het verliezen van een ouder of een oude vriend betekent vaak dat iemand zijn verleden kwijtraakt: de overledene was misschien de enige getuige van belangrijke gebeurtenissen in zijn leven. Maar het verlies van een kind betekent dat men zijn toekomst verliest: wat men kwijtraakt is niet minder dan zijn levensproject; datgene waarvoor men leeft, hoe men zich in de toekomst projecteert, hoe men hoopt de dood te overstijgen, iemands kind wordt in feite zijn onsterfelijkheidsproject. Dus, in vaktaal uitgedrukt, het verlies van een ouder is ‘objectverlies’ (het object is een persoon die een instrumentele rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van iemands innerlijke wereld); terwijl het verlies van een kind ‘projectverlies’ is (het verlies van iemands centrale, organiserende levensprincipe, dat niet alleen het wáárom maar ook het hà?e van het leven verschaft). Geen wonder dat er geen zwaarder verlies is dan het verlies van een kind, dat veel ouders vijf jaar later nog rouwen en dat sommigen er nooit overeenkomen.

161. Het gevoel dat men niet genoeg heeft gedaan, weerspiegelt in mijn ogen het onderliggende verlangen het onbeheersbare te beheersen. Als men namelijk schuldig is doordat men iets niet heeft gedaan wat men had moeten doen, vloeit daaruit voort dat er iets gedaan had kunnen worden; een troostrijke gedachte die ons afleidt van onze pathetische machteloosheid als we tegenover de dood staan. Gevangenen in de veelomvattende illusie van onbeperkte macht en vooruitgang, onderschrijft ieder van ons, tenminste tot de midlifecrisis, het geloof dat het leven bestaat uit een eeuwige opwaartse spiraal van succes, die alleen afhankelijk is van de menselijke wil.

165. Onthoudt dat je niet al het werk kan doen. Wees er tevreden mee dat je een patiënt helpt te beseffen wat er gedaan moet worden en vertrouw dan op zijn of haar verlangen naar ontplooiing en verandering.

177. Als beginnend therapeut streefde ik ernaar de waarheid over het verleden te ontdekken, om alle coà?rdinaten van iemands leven te bepalen en daardoor de pathologie, de drijfveren en het handelen binnen zijn huidige leven op te sporen en te verklaren.
Ik voelde me toen zo zeker. Wat een arrogantie! En wat voor soort waarheid streef ik nu na? Ik denk dat ik op illusies jaag. Ik voer strijd tegen magie. Hoewel illusies vaak op monteren en troosten, geloof ik dat ze uiteindelijk de geest onveranderlijk verzwakken en beperken.
Maar de beoordeling en de keuze van het moment moeten goed zijn.
Neem iemand nooit iets af als je niets beters hebt te bieden. ontdoe een patiënt niet van zijn illusies als hij de kilte van de werkelijkheid niet kan verdragen. En put jezelf niet uit door de strijd aan te binden met religieuze magie, want je zult het onderspit delven. De wortels van het geloof zitten de diep en de gevoelens worden door de cultuur in hoge mate versterkt.

188. Als je in een dilemma geraakt of twee sterk botsende gevoelens hebt, kun je het beste het dilemma of beide gevoelens met de patiënt delen.

189. Wil de therapie effect hebben, dan is het nodig dat de patiënten erop vertrouwen dat de therapeut geà?ntegreerde persoonlijkheid heeft en dat hij zijn eigen problemen onder ogen heeft gezien en opgelost.

212. De onmogelijkheid om de echte papegaai te ontdekken, maakt een einde aan Barnes’ geloof dat de ‘echte’ Flaubert of de ‘echte’ wie dan ook gevangen kan worden. Maar veel mensen ontdekken nooit hoe dwaas zo’n onderzoek is en blijven geloven dat ze iemand kunnen afbakenen en verklaren als ze maar genoeg informatie krijgen. Er heeft altijd een controverse bestaan tussen psychiaters en psychologen over de waarde van persoonlijkheidsdiagnose. Sommigen geloven in de verdiensten van de onderneming en wijden hun leven aan het ontwikkelen van nog nauwkeuriger diagnostische methoden. Anderen, en daaronder rangschik ik mijzelf, verbazen zich erover dat men diagnose serieus kan nemen, dat men denkt dat het ooit meer zou kunnen zijn dan een eenvoudige cluster van symptomen en gedragskenmerken. Niettemin komen we onder steeds sterkere druk te staan van onder andere ziekenhuizen, verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties om een persoon te beoordelen door hem van een diagnostische aanduiding te voorzien en hem in een numerieke categorie onder te brengen.
Zelfs het meest liberale systeem van psychiatrische nomenclatuur doet het wezen van een ander geweld aan. Als we met mensen omgaan in het geloof dat we hen in categorieën kunnen onderbrengen, zullen we de delen, de belangrijkste delen van de ander die categorisering te boven gaan, noch kunnen opsporen noch kunnen koesteren. Een relatie waarin het mogelijk wordt iemand te helpen, veronderstelt altijd dat de ander niet volledig kenbaar is.

238. Mijn oude leermeester, John Wright, heeft me geleerd dat men een ‘psychose’ kan diagnosticeren door middel van de therapeutische relatie: de patiënt, opperde hij, moet als psychotische worden beschouwd als de therapeuten op geen enkele manier meer het gevoel heeft dat hij en de patiënt bondgenoten zijn die samenwerken aan de verbetering van de psychische gezondheid van de patiënt.

293. Het is het moment waarop men voor de afgrond komt te staan en besluit hoe men de meedogenloze, existentiële feiten van het leven het hoofd zou bieden: de dood, eenzaamheid, onzekerheid en zinloosheid. Natuurlijk zijn er geen oplossingen. Men kan slechts uit enkele houdingen kiezen: men kan ‘onverschrokken’ zijn of ‘gefascineerd’; moedig opstandig of stoà?cijns aanvaardend; of men kan de rationaliteit laten varen en vervuld van verbijstering en ontzag zijn vertrouwen stellen in de voorzienigheid van het Goddelijke.