Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Jonathan Littell, De welwillenden. uitg. De Arbeiderspers 2008.

26 mei 2009

Jonathan Littell, De welwillenden. uitg. Arbeiderspers 2008.
Zoals ik Vasili Grossmans ‘ Leven en Lot’ waardeer voor wie ook in de verre toekomst wil proberen het Stalinisme in Rusland en de Tweede Wereldoorlog te begrijpen, zo is Jonathan Littells ‘De welwillenden’ een pendant voor de andere kant van dezelfde medaille, die van nazi Duitsland.
Littell is harder, pijnlijker, gruwelijker, wellicht door zijn voor velen onbekend standpunt, dat van een jonge idealistische jurist met een indringende homoseksuele en sadomasochistische voorkeur. Hij is afstandelijker en dus in staat tot het benaderen van nog grotere gruwel. Al is het als lezer van ‘De welwillenden’ vaak moeilijk slikken om de morele en mentale pistes die Littell onthult.
Hij heeft een meesterlijke en aangrijpende krachttoer volbracht om door de ogen van SD jurist Dr. Max Aue de filosofie en het handelen van het Derde Rijk ontdaan van moraliserende epitheta te presenteren en in de verschillende discussies van de protagonisten op zoek te gaan naar de parallellen met het joodse gedachtegoed, de maakbaarheidsideologieën van Oost en Midden Europa, de Duitse romantiek, het stalinisme.
Littell heeft zich goed gedocumenteerd, ook op het vlak van de taal. De overgrote meerderheid van de daders heeft immers na de nederlaag van het Duizendjarige Rijk al dan niet vrijwillig gezwegen. De geschriften en interviews van Waalse SS-er Leon Degrelle – die er hoog mee opliep dat hij ooit door Hitler gecomplimenteerd werd als zijn ideale zoon – hebben alvast in taalgebruik tot voorbeeld gediend voor sommige beklemmende stukken.  Over het denken, doen en de verbale kunst van de fuhrer van het Waals Legioen schreef Jonathan Littell ‘ Le sec et l’humide’.

Degrelle (1906-1994) was voor de oorlog als leider van de voorheen katholieke beweging Rex de belangrijkste extreem rechtse figuur in de Belgische politiek. Voor hem werd de ‘droge’, integere, ondoordringbare kracht van de noordelijke volkeren , inclusief de Waalse stam, tijdens de grootste en snelste militaire overwinning aller tijden gestopt in het ‘vochtige slijk’ dat volgens hem sterker was dan alle strategen.  Als SS-generaal ter dood veroordeeld sleet de Waalse collaborateur zijn dagen in het droge Spanje, niet ver van het vakantieverblijf van Koning Boudewijn te Motril.
‘ De welwillenden’ – ‘Les Bienveillantes’ leest als een Griekse tragedie.
De Eumeniden, wraakgodinnen,  moeten in het laatste deel van Aeschylos’ Oresteia de bloedwraak afzweren. Enkel wie als goedwillenden afzien van de wraak, van het oog om oog, tand om tand, kan een nieuwe maatschappij leefbaar proberen te krijgen voor de volgende generaties in Europa en daarbuiten.
Littels meesterwerk helpt daarbij.

 

29. Gestoorde gekken heb je overal en altijd. In onze rustige buitenwijken wemelt het van de pedo?elen en psychopaten, in de tehuizen voor nachtopvang zit het vol met doorgedraaide megalomanen; sommigen worden daadwerkelijk een probleem, ze vermoorden twee, drie, tien, soms zelfs wel vijftig mensen – waarna dezelfde staat die hen in een oorlog onbekommerd zou inzetten, hen vermorzelt als waren het van bloed verzadigde muggen. De rol van zulke zieke ?guren is te verwaarlozen. Het werkelijke gevaar, vooral in onzekere tijden, dat zijn de gewone mensen die samen een staat vormen. Het werkelijke gevaar voor de mens dat ben ik, dat bent u. En als u daar niet van overtuigd bent, heeft het ook geen zin om verder te lezen. Dan zult u er niets van begrijpen en u kwaad maken zonder dat iemand daar iets aan heeft, u niet en ik ook niet.
 Net als de meeste mensen heb ook ik er nooit om gevraagd een moordenaar te worden. Zou ik de mogelijkheid hebben gehad, dan had ik me zoals gezegd aan de literatuur gewijd; door te schrijven, als mijn talent groot genoeg was geweest, of anders misschien door les te geven; ik had mijn dagen dan in ieder geval doorgebracht tussen mooie, rustige dingen, me verdiepend in het beste wat door ’s mensen wil tot stand is gebracht. Wie kiest er uit zichzelf voor om te gaan moorden, behalve een gek?       

Lees verder »

Archief

Vasili Grossman, Leven en Lot. uitg. Balans

24 mei 2009

 

Vasili Grossman, Leven en Lot. uitg. Balans

 

Het heeft bijna 50 jaar geduurd eer er een – overigens schitterende – Nederlandse vertaling verscheen van het XXste eeuwse ‘Oorlog en Vrede’ .

Grossmans epos werd dan ook ooit ‘ gearresteerd’ door de KGB in 1960. Alle exemplaren van het manuscript werden geconfiskeerd.  De schrijver die er tien jaar aan gewerkt had stierf drie jaar later in en van ellende.

In 1980 verscheen in Zwitserland een editie op basis van een achtergehouden microfilm.

Tien jaar later kwam een oude vriend van de auteur met een gecorrigeerd manuscript boven water. Op basis van beide versies werd het levenswerk van Grossman eindelijk uitgegeven.

Ik heb het boek gelezen op het ritme van de Transsiberische spoorweg, waar het monotone geluid van de ijzeren wielen op de spoorovergangen reizigers in extase of verdwazing schokt. Het landschap aan het einde van de winter doet nog een schep bovenop leven en leed in Eeuwig Rusland. Het heeft iets van een reis naar het einde van de nacht, in de goelag.

Grossman beschrijft de lotgevallen van enkele families tussen 1942 en 1943 wanneer de slag om Stalingrad Rusland en de hele wereld in haar greep hield. Hij weet op magistrale wijze het verlangen naar en de angst voor vrijheid te verwoorden, vrijheid voor de schapen onder de ogen van de wolven in het bos en van de honden van de vaderlijke herder.

Angst vermaalt menselijke radertjes tot ijzervijlsel. 

Grossman beperkt zich niet tot de Russische kant van de oorlog. Zijn beschrijving van de nazi-kampen, de Jodenvergassing en de gelijkenis tussen het nationaal-socialisme en de Russisch ‘socialisme in één land’ variant is ijzingwekkend en menselijk.

Pas met Grossman besef je de intellectuele grootsheid van het standbeeld van Maarschalk Zjoekov dat pas in 1995 op het Manegeplein voor het Historisch Museum werd geplaatst. Hij diende als cavaleriegeneraal op het Rode Plein de overwinningsparade af te nemen wegens Stalin moeite met te paard zitten.

Het standbeeld van Zjoekov is groots omdat hij staande in de stijgbeugels zijn rechter arm met gestrekte hand naar beneden houdt, als om zijn troepen, alle soldaten, alle teruggekeerde overlevenden tot kalmte te manen en tot behoedzaamheid wanneer zij van het gruwelijke krijgsgeweld weer een weg moeten zien te vinden in een burgermaatschappij waar ook nog eens zoveel leed geleden werd.

Bij Grossman gaan humor en bloedstollende pijn hand in hand.

Hij weet de ijzige spanning in een winters Stalingrad  – waar alleen in een voorpost midden de Duitsers vrijheid van meningsuiting kan bestaan – te koppelen aan menselijke warmte. 

Hij bouwt de angst van een succesvolle joodse kernfysicus gestaag uit tot een finale waarbij deze verplicht wordt door zijn jaloerse collega’s een petitie te tekenen die de zwaarste straffen eist tegen de joodse artsen die Stalin laat vervolgen. Wanneer hij zich door vrienden en collega’s verlaten steeds meer opsluit in zijn eigen tobben en alleen nog wacht op de KGB  agenten die hem van zijn bed komen lichten, rinkelt de telefoon.

Een doffe stem met een Georgisch accent, die hij zo goed kent van radiotoespraken, beneemt hem de adem. 

Josip Visarionovitsj belt zelf even om te informeren hoe het met hem gaat en of hij wensen heeft die zijn werk kunnen bevorderen, want zijn ontdekking levert een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van de Russische kernbom.

 

Naast Jacq Vogelaars ‘ Over Kampliteratuur’ zal Grossmans ‘Leven en Lot’ nog door vele generaties als het belangrijkste boek over de eerste helft van de XX ste eeuw gelezen worden.

Partijideoloog Soeslov beet Grossman bij de arrestatie van zijn boek toe dat ‘Leven en Lot’  pas binnen twee- driehonderd jaar zou kunnen gelezen worden. Soeslov vergiste zich, zoals wel vaker. 

Grossman zal binnen een paar eeuwen nog gelezen worden, door wie deze moeilijke eeuw van oorlogen en nationalisme wil begrijpen. Net zoals Tolstojs ‘Oorlog en Vrede’ vandaag ook nog gelezen wordt door wie weten wil.

 

147 – 149: de rouw van een moeder om haar gesneuvelde zoon, een piëta uit taal gehouwen.

‘Ze zag de takken van de bomen, de gepolijste grafstenen die glansden in de zon, het bordje met de naam van haar zoon: ‘S j a p os j n- stond er in grote letters, en ‘-ikov’ was er naast gepriegeld. Ze had geen gedachten en geen wil. Ze had niets meer. Ze stond op, pakte de brief op, sloeg met verkleumde handen de kluitjes aarde van haar jas en klopte hem uit, ze veegde haar schoenen schoon en schudde langdurig haar hoofddoek uit tot hij weer wit was. Ze deed hem om haar hoofd en met de punten veegde ze het stof uit haar wenkbrauwen en boende ze de bloedvlekken van haar lippen en haar kin. Zonder om te kijken liep ze naar de poort, niet langzaam en niet snel. ‘ 

187.  Maar wat heeft berouw voor zin; het is nooit meer goed te maken. Dat was het eerste wat ik je wilde zeggen. Het tweede is dit: we hebben de vrijheid niet begrepen. We hebben haar verpletterd. Ook Marx had niet genoeg respect voor de vrijheid, terwijl die het fundament is, de zin, de grondslag der grondslagen. Zonder vrijheid kan er geen proletarische revolutie zijn. Dat ten tweede. En ten derde: we doorstaan het kamp en de taiga ons geloof is sterker dan dat alles. Maar dat is geen kracht, het is zwakte, instinct tot zelfbehoud. Daar, aan de andere kant van het prikkeldraad, gebiedt het instinct tot zelfbehoud mensen om te veranderen, anders gaan ze ten onder of belanden in een kamp. De communisten hebben een afgodsbeeld opgericht, epauletten en uniformen aangetrokken, ze belijden het nationalisme, ze hebben de hand opgeheven tegen de werkende klasse en als het moet eindigen ze als de Zwarte Honderd-beweging. Maar hier in het kamp gebiedt hetzelfde instinct mensen om niet te veranderen; als je nog niet in je kist wil, blijf je tientallen jaren dezelfde in het kamp, daarin ligt je redding. Dat is de keerzijde van de medaille.’ 

Lees verder »

Archief

Les Ballets C. de la B.: ‘Pitié!’

24 mei 2009

Les Ballets C. de la B.: Pitié!

 

Hoe enthousiast ook de recensies, hoe mooi ook sommige vroegere stukken, hoe virtuoos de bewegingen, hoe indringend ook de muziek, ik blijf steeds meer op mijn honger suffen bij dit soort opvoeringen van modern danstheater.

Fenomenaal, repetitief, schitterende stemmen, een gedurfde bewerking van Bachs Mattheus passie … en toch rimpelt dit wervelende ‘ballet van het medeleven en het medelijden’ tot een verstijvende brij van overdaad, mij droef te moede. Zoals gisteravond in CC De Warande te Turnhout.

Steeds vaker zie ik moderne dans en muziek zichzelf herhalen in het stramien van een vraag- en antwoordspel waarbij de toeschouwer noch de vraag noch het antwoord mag vatten. En naar mijn onbescheiden mening de acteurs en theatermakers het vaak ook niet (meer) weten.

Ondanks het uitermate repetitieve – kijk eens mama, zonder handen, en nog eens en weer een keer en nu nog meer! – slaagt Alain Platel er voor mij niet in om ‘erbarmen’ menselijk te houden. Erbarmen is geen patsersgevoel, geen lust van mannelijke torsen en onderhuids vrouwelijk vet, laat staan obligate suggesties van geopenbaard lijfelijk contact, mentale en fysieke spasticiteit waardoor de intimiteit van het lijden ontdaan wordt van haar verbeeldingskracht. Erbarmen suggereert menselijk ontmoeten over beklemmend leed waarover de toeschouwer zich kan ontfermen. De kracht van Bachs Mattheus passie zit precies in die uitnodiging tot barmhartig mededogen, tot reflectie over eigen leed en dat van de ander.

Dat lijkt me moeilijk te ontlokken bij mensen die zich dienen te vergapen aan verwrongen lijven en opengesperde monden van monstrueuze figuren die uit een hels tafereel van Bosch of Breughel werden geknipt.

Overdaad schaadt, zeker bij ‘Pitié’ waar medelijden opgeblazen wordt tot hysterische vormen van deernis, inclusief de verscheurde gewaden en ingehuurde klaagvrouwen waarmee in oosterse culturen medeleven pleegt gekocht te worden. Vooral bij vermoeden van enige nabijheid van tv-camera’s. 

Grote cinema en groot theater speelt zich niet af op de scène maar in de hoofden van de toeschouwers. 

Platels ‘Pitié’ daarentegen speelt zich af voor de ogen van wie kijkt en luistert.

Het lijkt me stilaan tijd voor een vernieuwing in het danstheater: nieuwe tijden hebben nood aan nieuwe verhalen die als een skelet beeld en klank kunnen dragen om te vermijden dat een tsunami van repetitief bewegend geweld en geluid menselijk gevoel versuft tot de grote onverschilligheid.

 

Ayez pitié de nous, Seigneur, pour l’abondance

Et la légèreté de toutes nos paroles …

Archief

Reanimatie is een soort bezwering en medisch gezien betrekkelijk zinloos.

19 mei 2009

Hugo van der Wedden: Reanimatie, een sociologische analyse van een modern ritueel
Universiteit van Amsterdam, sociologie

 

Via Relevant kwam ik deze maand op een bachelor scriptie van de Nederlandse sociologiestudent en voormalig verpleegkundige Hugo van der Wedden.

Een boeiende benadering van het fenomeen reanimatie en urgentie dat voor gewetensvolle en reflecterende artsen zeer herkenbaar is en vaak tot gewetensproblemen aanleiding geeft.

Het draait immers bijna altijd rond de perceptie van de omstaanders en nabestaanden, wanneer amper 14 procent succesvol verloopt, met of zonder defibrillator en angstfilmpjes om de kassa van sommige verenigingen, isntellingen en specialismen draaiende te houden.

Reanimatie als een ritueel
 
Reanimatie is medisch gezien betrekkelijk zinloos, stelt Hugo van der Wedden in zijn afstudeerscriptie. 

Wat is de zin van reanimatie als er zo weinig levens door worden gered? Antwoord: onder meer het geruststellen van toeschouwers. Hugo van der Wedden schreef er een bachelor-scriptie over.
Toen sociologiestudent Hugo van der Wedden nog verpleegkundige was, zag hij tientallen pogingen tot reanimatie. Hij kende daardoor de zwaarte van het werk. Van tevoren weten verpleegkundigen immers dat de kans van slagen erg klein is – amper 14 procent – en dat de schade vaak groot is. In zijn bachelor-scriptie Reanimatie. Een sociologische analyse van een modern ritueel legt Van
der Wedden uit dat een mislukte poging om iemands leven te redden in elk geval uitstel biedt. Als op straat iemand onwel wordt en sterft, is dat voor de omstanders moeilijk verteerbaar. Als ambulancemedewerkers iemand reanimeert en meeneemt, ontstaat het idee dat een leven is gered. Reanimatie wordt daarmee een soort bezwering; het biedt publiek én direct-betrokkenen een manier om zich een houding te gevenen zich minder snel schuldig te voelen. ‘Er is alles aan gedaan’, denkt men. (RELEVANT2/2009 –  NVVE Nederland)

Hugo van der Wedden maakte als verpleegkundige tientallen reanimaties mee. Het onderwerp liet hem niet meer los en als student sociologie schreef hij er een bachelorscriptie over.

Iemand een hartmassage en mond-op-mondbeademing geven, is geen sinecure. Het gaat alles behalve zachtzinnig, is een mentale en fysieke uitputtingsslag en veel minder vaak succesvol dan de meeste leken denken. Van de 25.000 pogingen tot reanimatie in Nederland is nog geen veertien procent een succes. En zelfs als de patiënt overleeft, zijn er de nare gevolgen van de tijd dat de hersenen het zonder zuurstof moesten doen.

Reanimatie heeft dus een veel positiever imago dan recht doet aan de werkelijkheid. Met dank aan de helden uit de televisieserie ER en de promotiefilmpjes van de Hartstichting.

Het reanimeren van een ernstig zieke bejaarde is voor verpleegkundigen vaak een traumatische ervaring. Volgens Van der Wedden weten ze immers al vaak van tevoren dat het niet goed zal aflopen. Een coma, klaplong en versplinterde ribben, een onpersoonlijke dood op de intensive care en zelf slapeloze nachten omdat je iets hebt gedaan waar niemand beter van is geworden.

Het gebeurt volgens hem geregeld dat verpleegkundig personeel daarom een reanimatie saboteert, door expres traag te handelen of stomme fouten te maken. Van der Wedden weet niet hoe vaak dit voorkomt, maar heeft op een paar discussiefora op internet aanwijzingen gevonden die zijn persoonlijke ervaring bevestigen. ( Het Parool)

http://www.nursing.nl/leren-en-loopbaan/studenten/article/4691/reanimatie-ritueel-rondom-de-dood

Conclusie uit de scriptie van Hugo van der Wedden:
De reanimatiepraktijk is in Nederland in een relatief korte periode verworden tot wat de
socioloog Emile Durkheim ‘un fait social’ noemt. Het is vrijwel onmogelijk om plotseling te
sterven in de publieke ruimte zonder dat er een reanimatie wordt opgestart. Voor deze
ontwikkeling heb ik in mijn inleiding twee reden gegeven. Succesvol beleid en een zeer
positief imago.
Een derde reden voor de snelle verspreiding van de reanimatiepraktijk is wellicht in het
verloop van deze scriptie aan de orde gekomen. Een reanimatie, ook al slaagt deze niet, heeft
vijf belangrijke rituele functies. Het draagt, op de eerste plaats, bij aan het geciviliseerd
verlopen van een crisissituatie. Hoe minder emoties, hoe groter de kans op succes. Op de
tweede plaats zorgt een reanimatie er doorgaans voor dat het sterven plaatsvindt achter de
coulissen van het maatschappelijk leven, daar waar het sterven binnen onze cultuur normaal
gesproken plaatsvindt. Op de derde plaats bevestigt een reanimatie de sociale waarde van het
slachtoffer en is het fenomeen reanimatie een uiting van gemeenschapszin. Door elkaar te
reanimeren, mocht dat nodig zijn, maken we zichtbaar dat we één gemeenschap vormen
waarin iedereen belangrijk is. Op de vierde plaats onderdrukt een reanimatie schuldgevoelens
die samenhangen met het sterven van een naaste. Met het uitvoeren van een reanimatie laten
we zien dat er echt alles aan gedaan is, hetgeen een belangrijke bijdrage levert aan het
rouwproces dat op het afscheid volgt. Op de vijfde plaats creëert een reanimatie ruimte voor a
good fight en awareness of dying, twee fases die volgens Allen Kellehear belangrijk zijn
willen we het sterven als “goed” bezien.
Zodoende is reanimatie meer dan een medische, levensreddende handeling. Het is een ritueel
rondom de plotselinge dood dat naadloos aansluiting vindt bij de wijze waarop we normaal
gesproken omgaan met sterven in onze cultuur. Door te reanimeren zijn wij beter in staat de
dood een plaats te geven. En ook dat verklaart misschien, naast de levensreddende
kwaliteiten, het brede draagvlak voor de hedendaagse reanimatiepraktijk.
Het zeer positieve imago is hoe dan ook van enorm belang om reanimatie als zinvol ritueel
rondom de dood te laten functioneren. Wanneer het geloof in de reanimatie als
levensreddende handeling wegvalt, vallen ook de latente functies weg. Dan wordt een
reanimatie net zoiets als bidden terwijl er niet in God wordt geloofd, en verandert de
reanimatie in een zinloos, zelfs gewelddadig ritueel. Er wordt dan ook veel in het werk
gesteld, onder andere door de Hartstichting, het succesvolle imago van de reanimatiepraktijk
in stand te houden.
Dat het succesvolle imago niet in overeenstemming is met de werkelijkheid leidt in
samenhang met de latente, vaak symbolische functies, tot een problematische
reanimatiepraktijk binnen het ziekenhuis. Wanneer de dokter om medische redenen af wil
zien van een reanimatie, ontneemt hij daarmee ook een deel van de sociale waarde van de
patiënt en de mogelijkheid voor de familie om het gevoel te krijgen dat er alles aan gedaan is.
Om een conflict of spanningen te voorkomen wordt er dan soms toch gekozen om te
reanimeren ook al is de kans op succes te verwaarlozen. Deze praktijk leidt er toe dat van
verpleegkundigen wordt verlangd dat ze soms geweld toepassen op hoogbejaarden die in hun
beleving overleden zijn. De reanimatie verandert daardoor soms in een matig toneelstuk, dat
wordt uitgevoerd uit angst voor juridische consequenties en om de familie tevreden te stellen.
Veel van wat in deze Bachelorscriptie aan de orde is gekomen verdient diepgaander
onderzoek. Met name de vraag of de latente functies van de reanimatiepraktijk wel echt zo
latent zijn lijkt mij van belang. In mijn Masterscriptie, die ik volgend jaar ga schrijven, zal ik
misschien wel op deze vraag in gaan, want klaar met dit boeiende thema ben ik nog lang niet.

Archief

Bij het overlijden van Ton Lutz

14 mei 2009

Op 3 mei 2009 is de Nederlandse toneelvader des vaderlands Ton Lutz in zijn 90ste levensjaar gestorven.

http://www.eenlevenlangtheater.nl/ton%20lutz/

Ik heb aan hem vooral de onvergetelijke en telkens weer te beluisteren Odysseia van Imme Dros te danken.

Ik kan het alleen aan ieder verstandig mens aanraden om die cd-reeks te kopen, te beluisteren en opnieuw te beluisteren.

Het is een balsem op de wonde van de ondraaglijke lichtheid van hedendaagse communicatie via radio en tv.

http://www.janvanduppen.be/?p=199

Geen file is nog te lang, geen autorit nog vervelend met de stem van Ton Lutz op de radio-cd speler die de Odysseia in een prachtige vertaling van Imme Dros leest. Dertien cd’s lang geniet je van het meesterwerk van Homeros, je vergeet er zelfs het vaderlandse en wereldnieuws bij. Je voelt de file – ellende in het niets verdwijnen bij het spannende verhaal van Odysseus’ reizen over de asgrauwe zeeën waar Posseidon hem voortdurend belaagt. De tekst van Imme Dros uit 1991 is in een heerlijk metrum geschreven, prachtig Nederlands. Ton Lutz leest de 24 boeken met zwier en indringend timbre. De achtergrond muziek helpt je oren te spitsen door soms twijfel te zaaien aan wat je denkt te horen.
Na Roberto Calasso’s ‘Bruiloft van Cadmus en Harmonia’ kon ik niet anders dan in één ruk de hele Odysseia te lezen. De keuze ging tussen de vertaling van 1992 van H.J. de Roy van Zuydwijn en die uit 1991 van Imme Dros. De eerste lijkt me nauwer bij het oorspronkelijke Grieks aan te leunen, de tweede klinkt mooier in het Nederlands. Het werd dus Imme Dros toen nog bij Querido, intussen net als de cd uitgave bij Athenaeum – Polak & Van Gennep.

http://www.klassieken.nl/boekboek/show/id=96377/dbid=4685/typeofpage=66357

 

Het was tijdens de vakantie dagelijks smullen, per boek of gezang, maar de voordracht van Ton Lutz stak hoog boven mijn gedoseerde lezen uit. Dit is de mooiste weerlegging van de illusie dat versimpelde teksten beter liggen dan de originelen zoals Alessandro Baricco,
De Ilias van Homerus (Omero, Iliade, 2004) uitg. De Geus.
Zo’n Homerisch gedicht is gemaakt om aanhoord te worden. Dan pas geniet je ten volle van de epitheta ornantia, dan pas hebben die echt betekenis, waarbij Ton Lutz elke tussenkomst van een spreker afsluit met een goedgeplaatste: ‘Zei hij, zei zij, zeiden zij ‘.
Het gaat in deze uitgave om de radio voordracht van Ton Lutz bij NCRV in 1994, die later op cassette en nu dus op cd verkrijgbaar is.

Dit is een meesterstuk voor alle humaniorastudenten. Ik beklaag mezelf nooit voorheen de hele Odysseia te hebben gelezen. De vertalingen uit mijn jeugd waren afschrikwekkend.
Maar dat kan nu geen excuus meer zijn met deze uitvoering en deze uitgave, die recht doen aan wat volgens Roberto Calasso de ware inhoud van de Odysseia is:

Odysseus zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Và³à³r allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal.’ (p.301)

Odysseus is het prototype van de moderne mens. De naam die hij krijgt van zijn grootvader is Odysseus, hij die de haat kent!

Archief

Bij de dood van mijn vader

10 mei 2009

Gierle, 9 mei 2009

 

Miëster Van Duppen is doeëd.

Lodewijk Van Duppen is tot as weergekeerd.

De herinnering aan Louis Van Duppen draagt ieder van ons met zich mee.

Wij hebben hier vandaag met jullie afscheid genomen van wie hij was voor ons en voor de gemeenschap van dit dorp.

En wat wij voor hem betekend hebben.

Wij moeten spreken over het zwijgen om erger te voorkomen.

Zijn vrienden en kameraden hebben samen met hem als jonge mensen door hun zwijgen dit dorp vele ellende bespaard tijdens en na de tweede wereldoorlog.

Er is hier toen veel gebeurd, er is hier al die jaren veel verzwegen.

Maar er is hier ook veel vergeven en dat heeft aan deze dorpsgemeenschap de mogelijkheid van nieuw leven gegeven.  Onderwijzers en pastoors die bij hun gemeenschap blijven, zijn onmisbaar in hun rol als geweten, geheugen en biechtstoel voor wat mensen elkaar blijven aandoen. Het vereist veel moed en liefde om desondanks te midden van de kudde te blijven leven.

Respect voor de grijze zone, voor kleine verschuivingen, voor de indirecte taal, de schuine blik en het tedere spel van geven en nemen, van veinzen en liegen kan een bevrijdende onbevangenheid toelaten.

***

Er was een tijd voor ik jou kende,

dat ik onrustig en vol ellende de wereld

voor mijn ogen aan flarden geschoten zag

en mijn woorden zinderden als een klok

aan spuug en touw om mijn denken vast te knopen

aan een leven dat altijd anders worden zou.

Ook al droomden wij luidop

steeds weer diezelfde verhalen

over wat wij beter zouden doen,

de keuzes die wij in ons leven maakten,

stonden vast !

 

Die ervaringen hebben Louis Van Duppen gedreven tot een grote behoedzaamheid die hij naar zijn kinderen moeilijk kon verwoorden:

‘Zijt toch maar voorzichtig, mijn jongen!’

Zijn engagement voor en zijn verwachtingen naar deze gemeenschap waren groot, ook in zijn werk als onderwijzer, voetballer, commissielid en -voorzitter van openbare onderstand, kerkfabriek, harmonie, toneelkring, Davidsfonds.

Zijn engagement voor en zijn verwachtingen naar zijn gezin waren zo mogelijk nog groter.

Hij leerde ons op een niet altijd even subtiele wijze om de lat zeer hoog te leggen. Daarin was hij een onderwijzer, met hart en ziel.

Dat heeft veel nadelen gehad, maar ook voordelen, voor ons als zijn kinderen en voor de gemeenschap waarin hij wou blijven wonen en sterven.

Hij was dan ook onze vader en dat was niet altijd makkelijk te dragen, noch voor hem noch voor ons.

***

Omdat wij de echo van onze stemmen geloofden

en niet hoorden hoe hun klank kleurde

als hoop en angst

van wie in onze wieg tot de dag dat zijzelf stierven

hun eigenste dromen fluisterden in onze oren.

Al waren hun lippen dun en bloedeloos geworden,

hun stemmen blijven murmelen boven onze hoofden.

 

 

Meester Van Duppen werd met de jaren milder zij het niet vanzelf.

Dat had ongetwijfeld te maken met de volharding van zijn vrouw, onze moeder.

Hun engagement naar elkaar was niet gering.

Toch konden ze dit gestand blijven.

Zij hebben daardoor prachtige tijden beleefd en genoten.

Maar ook moeilijke, niet alleen de laatste jaren wanneer door de last van de fysieke bezwaren hun horizon bleef krimpen, niet het minst door het vergeten.

Maar ook de jaren dat hun zoons de vader met vastberadenheid naar de kroon staken waren ongetwijfeld zwaar omdat zij het vanzelfsprekend allemaal beter wisten.

Het heeft ook lang geduurd eer hun kinderen begrepen dat behoedzaam zwijgen, de indirecte rede en het veinzen veel leed kan vermijden, persoonlijk en maatschappelijk.

***

Zo ook hebben wij onze dromen geschreven

met de inkt uit de ogen van onze kinderen

Zo ook hebben wij onze angst en hoop

gekoesterd in de oren van zij die na ons komen

opdat vier van onze zonen dit verder verhalen

aan hun kinderen en de kinderen van hun kinderen

zodat zij zacht en zinderend zullen zingen

over al die dromen van wie voor hen was gekomen.

 

Louis Van Duppen was onze vader.

Margriet Heylen is onze moeder.

Wij zijn elkaars broeders.

Dat hebben onze partners en onze kinderen reeds lang voor ons begrepen wanneer zij de klank herkennen van zijn stem in onze woorden, de lichaamstaal lezen in bewegingen die ook zij zullen bespelen in de ogen van wie na hen komen.

Wat Meester Van Duppen voor ons en voor dit dorp gedaan heeft, is zeker nu hij er niet meer is de moeite van het overdenken waard.

Zijn dood biedt aan wie hem dierbaar was en aan wie hem heeft gekend de mogelijkheid nader te komen tot zichzelf en elkaar om herinneringen te delen en van elkaar mee te nemen.

Het verhaal van wie wij zijn, wordt geschreven door wie na ons komt, dat geldt voor hem, voor mij, voor ons en voor ieder van jullie. We kunnen ons enkel overgeven aan de herinnering in de hoofden van onze kinderen, waarvoor we zelf een grote verantwoordelijkheid dragen.

***

En als de dood zal komen,

dan zal zij in jouw ogen

alle verhalen gelezen hebben

die zij zelf heeft geschreven

in de palm van de hand van haar kroost

waar wij ‘ of we het nu willen of niet’

deze zullen bewaren zodat wij al deze woorden

zullen blijven horen

als de klank van één hand die klapt,

het oorverdovend applaus in de spiegel

waarin gij altijd over onze schouders mee zult kijken

naar onze kinderen om hun stemmen te horen

en de klankkleur ervan te herkennen als warm

én van jezelf.

En als de dood zal komen,

dan zal hij in jouw ogen

het mededogen lezen

want daar alleen kan vreugde wonen,

daar alleen is ‘t leven zoet,

waar men stil en ongedwongen

alles voor elkander doet.

 

En weet dat het goed geweest zal zijn!