Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Gedichtendag 2010 – Het wordt tijd!

28 januari 2010

Het wordt tijd

Het wordt tijd dat wij orde op zaken stellen.
De woede verzamelen. Een republiek voorspellen.
Een vlag ontwerpen naar Jackson Pollocks model.

Het wordt tijd dat wij de vette gans
van de zakelijkheid villen en samen met haar,
de boswachters die hout en wild ruilen voor goud.

Het wordt tijd dat wij verloochenen wat aangeslibd is
en kiezen ons niet langer verlamt. Dat een vuist
de littekens in de handpalm vervangt.

Het wordt tijd dat wij prikkeldraad om ons heen zetten en
met rode letters op groen vlak verkondigen: Ontoegankelijk.
Herstel van landschap. Een decennium is voorbij.

Eddy van Vliet (1942 – 2002) – ter gelegenheid van Charta 91

Zoals ik door het buigen van mijn hoofd
aan de regen denk te ontkomen,
zal ik vergeten wat mij is ontnomen.

Eddy van Vliet

Archief

Richard Powers, Gen voor geluk, een revisie. Contact 2009

26 januari 2010

Richard Powers, Gen voor geluk, een revisie. Contact 2009

Na ? Het zingen van de tijd? – 2003 – en ?De echomaker? 2007 noodt ?Gen voor geluk? voor een nieuwe contemplatie naast de vervoering bij het lezen van Powers literair kunnen.
Het viel mij deze keer wel behoorlijk tegen. Powers heeft zijn schrijfstijl aangepast aan de hypertijdsbeleving in Chicago van na 911 waar alles alleen maar sneller kan en levens elkaar nauwelijks nog kunnen ontmoeten, laat staan raken.
In die zin laat hij zich verleiden tot een stijl die bij mij de vergelijking kan doorstaan met de Portugese topauteur Antonio Lobo Antunes in zijn ?Dans der verdoemden? en meer nog in ?Fado Alexandrino? waarmee ik vorige zomer mijn ogen en fantasie gemarteld heb. Na Saramago?s interpunctieloze schrijftechniek lijken de Portugezen om een of andere reden te vallen voor technisch heen en weer en wentelen op en neer.
Zo ook vele jaren later Richard Powers in de revisie van ?Gen voor geluk? waarmee hij de parallel lijkt te willen tekenen tussen het leven op het wereldwijdeweb en dat in de geest van mensen in Amerikaanse voorsteden.
Ik ben niet overtuigd dat de vorm, de stijl noodzakelijkerwijs gelijk moet lopen met de inhoud van een roman.
Chaos op papier in woorden en zinnen, posities en standpunten leiden niet noodzakelijk naar een chaotische begripsbeleving bij de lezer.
Powers is hier voor mij in deze val getrapt.
Wat niet belet dat hij in ?Gen voor geluk? wel degelijk komaf maakt met de waanzin van mineure neurobiologen en aanverwante zelfverklaarde exacte wetenschappers. Zij blijken vaak niet in staat voldoende afstand te bewaren tegenover hun fantastische ontdekkingen die zouden aantonen dat de menselijke vrije wil illusie zelfs niet als illusie mag blijven bestaan.
Dat is dan ook de verdienste van Richard Powers met deze roman.
Net zoals we over het podium onder de schijnwerpers en voor het oog van ontelbare veiligheidscamera?s ronddartelen, spelen we het spel van het leven op het drijfzand van genetische antecedenten.
Hierbij lost nieuw verklaarde ?kennis? nauwelijks wat op.
Het spel blijft het spelen waard, met passie en inzet.

84.Televisie was wat de sprookjes van Grimm wilden zijn als ze groot werden
Televisie was een achtbaanssnelweg naar de amygdala
Televisie was de enige verslaving die je sociaal beter liet functioneren
Televisie was waar de homo ergaster over dagdroomde,
aan de kust van het Turkanameer, tussen de maaltijden door.

117.Iedereen kan bevrijd worden, bij de juiste combinatie van gedragsaanpassing, medisch ingrijpen en praten. En van die drie was praten het belangrijkst.

119.Als je een generaal pardon wilt uitvaardigen voor elke sociale misdaad die we jegens elkaar begaan, hoef je het publiek er alleen maar van te overtuigen dat ons lot in onze genen zetelt.

127.Als je op verkenning uitgaat en je vindt voedsel, is dat toppie. Maar als een troep leeuwen tijdens je slaapt je schuilplaats ontdekt: einde verhaal. Het slechte kan veel meer schaden dat het goede je baat. Dus de natuur selecteert de pessimisten.
129.Seksuele selectie, de betrouwbaarste, eerbiedwaardigste vorm van eugentica, heeft ons omgekneed tot de fictiebehoevende lezers die we momenteel zijn. Een deel vna mij zou graag tot een soort horen die af en toe de vrijheid krijgt over iets anders te lezen dan zijn eigen gevangenschap. De rest van me weet dat de roman altijd een soort Stockholsyndroom zal zijn – liefdesbrieven aan de bevlieging die ons ontvoerd heeft.

171.. De meeste mensen zijn al behoorlijk gelukkig. Wat we eigenlijk willen is gelukkigER zijn. en de meeste mensen denken dat ze dat in de toekomst mee zullen maken. Dat houdt ons in de loopgraven.

260. Nobelprijswinnaar Anthony Blaze schrijft een veel gereproduceerd opiniestuk in The Guardian:
?We moeten voor eens en voor altijd af van onze verouderde idee?n over erfelijkheid. Genen bepaken niet de genetische code van eigenschappen. Ze stellen eiwitten samen. En afzonderlijke eiwitten kunnen ongelooflijk uiteenlopende dingen doen, afhankelijk van de vraag waar en wanneer ze zijn aangemaakt… We hebben geen gok-gen, geen intelligentie-gen, geen taal-gen, geen rechtloop-gen en overigens geen apart gen voor krulhaar. We bezitten ongetwijfeld geen verzameling genen die de functie hebben ons gelukkig te maken.?

274. Ze merkt nauwelijks iets van de rimpelingen. In dit land, waar culturele transformaties enkele keren per nieuws cyclus van vierentwintig uur over het hele continent wortelschieten, de biosfeer overnemen en weer wegsterven, is het enige wat ze hoeft te doen wegkruipen, het jaar afmaken en wachten totdat de aandacht van het publiek terugdrijft naar scheidingen van beroemde personen en ruzies over voogdij, zoals het hoort.

Archief

Menno Lievers, De val van Hippocrates. De Bezige Bij 2009

23 januari 2010

Menno Lievers, De val van Hippocrates. De Bezige Bij 2009

Met een ingenieuze constructie weet Menno Lievers een roman samen te stellen die leest als een hellevaart naar de normen van Dante?s Divina Commedia, maar dan wel uitsluitend het Inferno – tot de Loutering laat staan het Paradijs zal de lezer niet doordringen. In de steek gelaten door zijn Beatrijs wordt de hoofdpersoon, Erik Liefco, een Nederlandse arts uit de jaren tachtig van de vorige eeuw overgeleverd aan duivels en hellevuur. Zijn finale einde komt als een verlossing.

Menno Lievers is zelf opgeleid als arts en verwerkte zijn eigen ervaringen uit stages en emplooi als overbodige arts-assistent die in de jaren tachtig van de vorige eeuw wegens de numerus clausus in opleidingsplaatsen (behoudens familie en goede relaties uiteraard) bruikbaar waren als goedkoop werkvee in vele perifere ziekenhuizen.
De auteur koos initieel voor geneeskunde omdat de schrijvers die hij bewonderde, zoals Slauerhoff, C?line en Tsjechov, ook arts waren: ?

Wat je meemaakt in de arts-pati?ntverhouding, geeft natuurlijk materiaal om over te schrijven. Typerend voor mijn opleidingsperiode was dat alle opleidingsplaatsen op slot zaten. Veel van mijn vrienden werden agnio zonder uitzicht op een opleidingsplaats. Ik ken vrijwel niemand die het specialisme heeft kunnen doen dat hij ambieerde. En op een gegeven moment was je te oud om je te specialiseren.? (interview Medisch Contact 21/1/2010)

Lievers zelf ontsnapte door als filosoof te promoveren in Oxford.
Hij weet als ervaringsdeskundige met voldoende afstand in tijd en ruimte – en dus met voldoende reflectiemogelijkheden – een verhaal te construeren waarin hij belangrijke themata bij elkaar brengt in de infernale leef- en werkomgeving van een ziekenhuistoren waar de hoofdpersoon ten onder gaat aan zijn allesoverheersend verlangen om lief en goed en zorgzaam bevonden te worden.
Een fenomeen dat wel meer bij jonge artsen en verpleegkundigen tot problemen kan leiden.
Bij oudere artsen is dit zeldzamer wegens intussen – al dan niet met de drager zelf – verdampt in de kolkende hitte van het vak dan wel verkild tot een ijzig sarcasme omwille van het behoud van het vege lijf en de vage hersenen, als deze als niet vertroebeld werden door overmatig en langdurig gebruik van hallucinogenen en alcohol in een werkomgeving waar door chronisch slaapgebrek de werkdruk ook zonder pillen en pep tot waanbeelden kan leiden.
Geneeskunde studeren is meer dan een vak leren, technieken oefenen of wetenschap leren bedrijven.
De medische professie eist een inwijding, een langdurige ontgroening: geen drie, geen vijf maar zeven reizen naar het licht van het leven, de gunst van de kunst, het recht om te onderzoeken, te oordelen en uit te voeren.
Nergens passen mensen zich zo goed aan hun beroep aan als in die kunst van het genezen.

?Iedere arts had zijn eigen waarheidscriterium: onzekerheid gold als een teken van zwakte, een karakterfout, gebrek aan zelfvertrouwen, onderwerping aan een ander, machtsverlies, en uiteindelijk gezichtsverlies.?

Een arts is in de optiek van hoofdpersoon Liefco iemand die ?wij? zegt waar hij ?de wetenschap? bedoelt en als een God waakt over het lichaam ?dat zich onttrok aan de menselijke wil, de toekomst, wensen, liefde, verwaarlozing, plannen?. ?En zo iemand, hield ik mij voor, wilde ik ook worden.? Maar dat betekent dat hij zich moet aanpassen aan een cultuur die hem vreemd blijft.
(Medisch Contact)

Menno Lievers tekent de metamorfose van een schuchtere studente tot een snauwerige bitch die in haar groen operatiepak op bloedbesmeurde klompen tegen het personeel en de pati?nten tekeer gaat om haar eigen onzekerheid te maskeren.
Het leven van de arts assistent en de naijverige specialisten wordt met brio beschreven, van algemene interne, over chirurgie, neurologie tot in de gynaecologie waar het morsige begin van eenieders bestaan wordt blootgelegd. Tot de fertiliteitskliniek waarbij de behandelende arts iedere hulpvraag met zijn eigen ingevroren sperma bedient.
Tussendoor wordt een steeds infantielere vorm van seksbeleving verteld – uiteraard met alle beschikbare verpleegsters – waarbij de graad van zwelgen gelijkloopt met het steeds dieper afdalen in de moederschoot van de dood.
Even terloops blijkt het routineus bedelen van de medicijnen voor een zachte dood – lang voor een euthansiewetgeving van kracht werd – gemeengoed.
En wordt Erik Liefco – wanneer hij toch niet blijkt te voldoen aan de initiatiecriteria – door het infernale ziekenhuis gedumpt.
Lievers heeft in zijn boek onder meer de zaak Lucia de B. verwerkt, de Haagse verpleegkundige die in 2004 werd veroordeeld tot levenslang en tbs voor zeven moorden en drie pogingen tot moord, maar in 2008 voorlopig op vrije voeten kwam.
Omdat na de dood door verstikking van de moeder van een ziekenhuisfunctionaris van elders in het land een interne controle start naar de vele overlijdens en al gauw blijkt dat de arts- assistent-niet-in-opleiding Liefco steeds in de buurt was, wordt hij er op statistische wijze uit geplukt en net als de Haagse verpleegkundige beschuldigd van moord. Intussen is zijn leven ook priv? een puinhoop en heeft hij zich laten verleiden tot een schijnhuwelijk om een arme Colombiaanse prostituee aan een verblijfsvergunning te helpen zodat ze als verpleegkundige aan de slag zou kunnen. Ras begrijpt het meisje dat de seksuele hulpverlening meer financieel soelaas te bieden heeft dan para-medische zorgverlening.

Lievers licht zijn talrijke behoorlijk realistische sekssc?nes in Medisch Contact toe als: ?Ik wilde laten zien dat medische kennis de beleving van seksualiteit verandert. Door de kennis van de anatomie en fysiologie van de seksualiteit verdwijnt het mysterie uit de beleving ervan, omdat je als arts al zoveel hebt gezien dat je niet snel meer wordt verrast.?

?De Val van Hippocrates? is een ontluisterende roman. Het is geen fraai verhaal, maar helaas niet ver bezijden de waarheid en de realiteit.
Aankomende artsen kunnen het lezen als een waarschuwing, hoe ze het niet moeten doen, hoe ze zich niet moeten gedragen, hoe ze voldoende afstand moeten kunnen nemen en houden van hun werk, collega?s en pati?nten om ze voldoende nabij te kunnen zijn. Pas dan kunnen ze hun eigen geestelijke gezondheid en fysische integriteit beschermen.

De val van Hippocrates kan alleen maar gestuit worden wanneer de geneeskunde haar wetenschappelijke basis en pretenties in vraag kan stellen, wanneer ze niet alleen in de opleiding maar ook in de nascholing ruimte maakt voor een filosofische, ethische en menselijke benadering van ziekte, gezondheid en helende relaties. Dan wordt de roeping en het vak weer een kunst in plaats van een beroepsopleiding op universitair niveau.
Een academisch opleidingsniveau eist een kritische graad van zelfreflectie die in de dagelijkse (ziekenhuizen)praktijk doorgaans ver zoek is. Bij de universitaire initiatie evenzeer.

39.Het was vreemd: over de hele wereld hadden miljoenen artsen miljoenen boeken en artikelen geschreven die je volgens hen zelf beter ongelezen kon laten, omdat het om de praktijk ging: om wat je met je eigen oren en ogen en neus had gehoord, gezien en geroken. Om je eigen ervaringen, niet om die van een ander. Iedere arts had zijn eigen waarheidscriterium: onzekerheid gold als een teken van zwakte, een karakterfout, gebrek aan zelfvertrouwen, onderwerping aan een ander, machtsverlies, en uiteindelijk gezichtsverlies.

145. Alles wat bewaard moest worden lag in de kelder. Langs kasten met uitpuilende statussen, gerangschikt op geboortejaar, liep ik naar mijn locker. Ik vroeg me af hoeveel informatie er klopte in medische statussen. Wat was eigenlijk de status van het medisch feit? Artsen lazen wel literatuur, maar hielden vooral van de Russen, de joodse vertellers, een enkeling las Dickens. Als ze wisten dat er boeken bestonden waarin schrijvers en filosofen beweren dat ieder leven beschouwd moet worden als een tekst die op talloze manieren gelezen kan worden, zouden ze die schamper terzijde schuiven. Artsen waren empiristen, geen idealisten. Het leven was voor hen een ontdekkingsreis, geen uitvinding. En toch, de anamneses die hier in de medische statussen waren opgeslagen als objectieve medische feiten, waren de schriftelijke neerslag van een gesprek tussen arts en pati?nt. Het waren verhalen. De zieke vertelde wat hij dacht dat hij moest vertellen en maakte uit de flarden informatie die hem in zijn zenuwen bij de dokter te binnen schoten een verhaal, waarin hij sommige gebeurtenissen benadrukte en andere wegliet. De arts stelde een aantal vragen om het verhaal in de richting van een ziektegeschiedenis te duwen en noteerde zijn interpretatie van de zelfinterpretatie van de pati?nt. Een archief symboliseerde in de literatuur orde in de chaos, maar een medisch archief was naar de letter en de geest de grote chaos zelf.

Archief

Europalia China Het omhelzen van de maan, Spiegel van de Tang dynastie.

17 januari 2010

Europalia China Het omhelzen van de maan, Spiegel van de Tang dynastie.

Nog tot 14 maart biedt het Antwerpse Provinciehuis ruimte aan een boeiende tentoonstelling waarbij zoals wel vaker de catalogus meer te betekenen heeft dan de expositie zelf.
De presentatie is mooi, met veel aandacht voor de ontwikkeling van het Chinese boeddhisme, enkele mooie stukken keramiek en vroeg porselein, een schitterend vergulde bronzen draakje en enkele mooie kleine vergulde bronzen, alsmede een reeks mooie terracotta beelden van dieren en mensen.
De stukken zijn bijna allemaal afkomstig van het Shaanxi History Museum, het Zhaoling Museum met objecten uit de necropolis van de grote tweede Tang-keizer Taizong (reg. 626-649) en het Beilin Museum voor het merendeel van de boeddhistische stukken. De tentoonstelling kadert in 25 ste verjaardag van de vriendschapsbanden tussen de provincies Antwerpen en Shaanxi in China, die dateren van de Janssen Pharmaceutica vestiging in Xi?an, de hoofdstad van Shaanxi.
Destijds werd de interesse van Paul Janssen voor de Chinese Volksrepubliek gewekt door twee personeelsleden die zich toen tot het Marxisme Leninisme en de Gedachte Mao Zedong bekenden. Zij werden wel ontslagen maar hun zaad zou kiemen en Paul Janssen kwam in Shaanxi terecht waar hij de eerste grote farmaceutische joint venture oprichtte in China met Xian-Janssen.

Meteen is de exclusieve band met Shaanxi en de selectie aldaar een minpunt voor de toch wel beperkte tentoonstelling over de Tangkunsten.
Er zijn nauwelijks beelden van de fantastische Tang paarden in de typische kleurenglazuur, en al helemaal geen van de fameuze Tang vrouwen met forse boezem, laat staan hofdames die voor het eerst en als enigen tot vandaag hun borsten prominent etaleerden.
In de Chinese geschiedenis een cultuurschok die zich enkel kan meten met wat er vandaag aan de hand is in het Rijk van het Midden.
Er wordt wel veel aandacht besteed aan de kledij van de voluptueuze Tang vrouwen, die een tot dan ongekende vrijheid hadden.
Dit leidde tot een extreem gevarieerde opsmuk en hoge haarstukken, tot het dragen van mannenkleren, diepe decollet?s en forse amazones in spreidstand op weelderige paarden.
De collectie bronzen paardentuig is mooi, met bewerkte gespen en vele gebalanceerde stijgbeugels, uit een periode dat men in West Europa onder Merovingers en Karolingers nog geen stijgbeugels kende. In China werden ze reeds teruggevonden in sites uit de derde eeuw. In Europa pas vanaf de 8ste en 9 de eeuw.

?Het omhelzen van de maan ? verwijst als titel van de tentoonstelling naar een vers van de beroemdste Tang-dichters, Li Bai.
Voor de Chinese cultuur is de maan de spiegel van de zon, yin tegenover yang, ?als droom en bezinning tegenover werkelijkheid, als de schaduw van het hiernamaals tegenover de realiteit van het heden, ontastbaar, maar toch erg aanwezig.?
De ruimte is ingericht als een gestileerde tuin met doorgangen en doorkijkjes, met een discrete belichting maar te weinig toelichtingen.
Een audiogids was handiger geweest dan een gekopieerde wandelgids.

Curator Annemie Bonneux heeft met de literaire aspecten van de tentoonstelling een prachtige spiegel gemaakt.
Met veel aandacht voor Li Bai (701-762) en zijn verzen over het drinken van de wijn onder de maneschijn.

Een vraag aan de maan met wijn in de hand.
Hoelang al staat de maan wel aan de hemel?
Ik zet mijn beker neer en vraag het haar.
De mensen reiken naar de maan,
Maar kunnen haar niet grijpen;
Toch is zij op hun pad een trouwe gezellin.

Er wordt tijd en ruimte besteed aan de Wijn, de Maan en de Weg van de Tao.
Dus ook aan de drinkgelagen en drankgedichten.

Li Bai paste naar verluidt zijn po?tische analyses van de Tao toe bij zijn eigen euthanasie: stomdronken in een bootje probeerde hij de maan te omhelzen in het water.

Chang?an ? Hemelse Vrede ? was gedurende vele dynastie?n de hoofdstad van het rijk.
Vandaag als Xi?an nog steeds een fenomenale stad, niet alleen door de terracottalegers en de vele grafsteden,
maar ook als het historische einde van de zijderoute en dus een verzamelplaats van vele volkeren en culturen.
De verzen op de banieren in de tentoonstelling zijn goed gekozen.

Boven de muren van Chang?an
Lijkt de maan van gebleekte zijde. ( Cui Hao)

?Nachtgedachten? van Li Bai werden eind april 2009 een herinnering
toen ik boven de Pagode van de Grote Wilde Gans de maan zag verschijnen aan een blauwe hemel
terwijl ik de verkopers van alle mogelijke antiquiteiten en grafvondsten van mijn lijf probeerde te houden.

Ik kijk omhoog naar de heldere maan
ik kijk omlaag en denk aan thuis

Archief

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

13 januari 2010

Luc Devoldere, Lucifers bij de brand. Atlas 2009

’ Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifers bij de brand af te strijken’, aldus M. Vasalis
Voor de ook in 2009 overleden vader heeft Luc Devoldere zijn Lucifers bij de brand gehouden.

Met dit ’ Boek als werkplaats’ heeft Luc Devoldere lezers van het nachtkastje indringende nachten te bieden. Hij streeft niet naar de waarheid, hij is geen lamerende nostalgicus. Geen pleitbezorger van verkrampte idealen. Hij zwelgt niet in een cultuur die nooit bestaan heeft, behoudens in het gesloten denken van verborgen maakbaarheidsideologen.
? Lucifers bij de brand? pleit niet hoogdravend voor geestelijke adelbewijzen.
Luc Devoldere houdt zich verre van protserig etaleren van zijn opmerkelijke eruditie als classicus en hoofdredacteur van Ons Erfdeel.

Ik hoorde hem voor het eerst op het 28ste Medisch-Psychologisch weekend van de toen nog Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen te Blankenberge, begin oktober 1997.
Hij sprak daar na een briljant discours over taal en betekenis door de diep betreurde Patricia De Martelaere en een reeks doordenkers van Sam Ijsseling over de macht van het woord. Ijsseling was net gewipt als filosofieprof aan de Leuvense faculteit geneeskunde omdat hij volgens de decaan met zijn verwarrende woorden alleen maar twijfel zaaide bij de aankomende artsen, die wel wat anders dan twijfel nodig zouden hebben in hun vakgebied.
Devoldere hield voor de verzamelde Vlaamse huisartsen die dieper wensten te graven in de twijfels over hun vakgebied een lezing over
?LITERATUUR LIEGT DE WAARHEID, Over macht en onmacht van het woord, over vergelijkingen en koolstofatomen?.

Hij begon met het vers van Judith Herzberg.

Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

Hij duidde voor de aanwezige huisartsen aan de hand van citaten van de Siciliaanse Griek Gorgias de retorica: de peithous d?miourgos is de vervaardiger, bewerker van de overreding, die ook altijd verleiding is. Het woord is niet alleen machtig. Het verleidt ook, het fascineert. De tragedie (die) bedriegt, maar op zo?n manier dat de bedrieger rechtvaardiger is dan wie niet bedriegt, en de bedrogene verstandiger dan wie zich niet laat bedriegen.

Door de macht van die woorden werden wij wegens herkenning geraakt en besmet. Het hielp ons nadenken over de positie van een huisarts als bewaarder van de verhalen van hen die niet meer zoeken naar een stem. Het leerde ons beter begrijpen waarop ons helen steunde wanneer wij in een vertrouwensrelatie met een pati?nt die we noch naar taal, noch naar gedrag konden verstaan toch genezende woorden konden spreken en helpende handelingen konden verrichten, een essenti?le houding voor een vertrouwensdokter, behoedzaam met machtsmiddelen.

Het was een verademing op die manier te mogen nadenken over je vak als huisarts.
Intussen zijn we beiden vele jaren verder op onvermoede wegen, langs peilloze ravijnen over twijfelachtig drijfzand van eens zo geroemde wetenschappelijke zekerheden.

Een verslag van die tocht krijgt de aandachtige lezer van Luc Devoldere aangereikt in ?Mijn Itali??.
Met ?Lucifers bij de brand? gaat hij verder en mag de lezer een heel eind mee.

189. De mooiste zin die ik hoorde is deze: ’ S’il y a blessure, il y a deux l?vres, er ces l?vres laissent l’ espace aux paroles. (...) L’ ?crivain donne a la douleur le repos de la forme.?

’ Toen hij nog jong was, dacht hij dat cynisme ’ een wind was en geen mes’, dat het ’ bloeide uit de gletsjerspleet’. Zo schreef hij het toch op. Cynisme was toen nog een literaire pose, de mali?nkolder van een adolescent. Nu ademt hij fijn stof in tussen mensen met messen op zak.’

Soms hilarisch, soms heel persoonlijk, soms ontroerend, vaak met schitterende commentaren bij bedenkingen van anderen en zichzelf dwingt Luc Devoldere de lezer van steunbeen te wisselen om een nieuw evenwicht te zoeken. Hij doet het niet brutaal, noch ruw, maar heel behoedzaam, zoals egeltjes het plegen te doen.
Een millennium van oorlogen heeft het Westen (immers) sterk gemaakt, een eeuw van ‘psychologie’ heeft het in het nauw gedreven’ aldus Emile Cioran.
Dat vereist enige omzichtigheid ook al loeit het laaiende vuur.
Daarom laat Devoldere ons schroomvol toe bij zijn volstrekt overbodige pogingen om lucifers af te strijken bij het vuur.
Een fascinerende – bittere, verzengende, louterende – werkplaats, voor de lezer.

‘Dingen zijn producten geworden; situaties heten voortaan opportuniteiten, vriendenkringen netwerken en van werk veranderen is een uitdaging. In de politiek worden de studiediensten vervangen door communicatiecellen. Communicatie heeft conversatie gedood. Opleiding neemt het over van vorming; informatie van kennis. Vaardigheden hebben kennis overigens verdrongen. Welkom in de eenentwintigste eeuw.’

Luc Devoldere heeft met zijn ‘Lucifers bij de brand’ niet alleen voor zijn vader een volstrekt overbodig maar waardevol monument geconstrueerd.
Voor ons, zijn lezers, heeft hij een uitnodiging geschreven: ?HOSPES COMESQUE? waardoor we ons telkens weer eventjes zijn gast en gezel kunnen voelen.

Zijn vergelijking tussen Descartes en Montaigne is snijdend en zal vele al dan niet zelfbenoemde wetenschappers een ferme opkikker bieden.
Spinoza’s Ethica, Emile Verhaeren en de donkere wateren van de Schelde bij Sint Amands, Nietzsche, Cioran, Margueritte Yourcenar, vader en zoon en de zoon die zelf vader is geworden, samen en afzonderlijk in een esthetische verleiding.
Lucifers lezen is verleidelijk.

Lees verder »

Archief

Rob Riemen Adel van de geest, een vergeten ideaal. Atlas 2009

10 januari 2010

Rob Riemen Adel van de geest, een vergeten ideaal. Atlas 2009

Als directeur van Nexus aan de Universiteit van Tilburg probeert Rob Riemen intellectueel weerwerk te bieden aan de intellectuele leegte die hij in de hele westerse wereld waarneemt.
Voor de eerste uitgave van Nexus koos hij het motto van Marguerite Yourcenar uit haar beroemde roman Herinneringen van Hadrianus:
“Ieder die het geluk heeft in zekere mate voordeel te trekken uit dat culturele erfgoed was volgens mij verplicht het aan de mensheid door te geven.”
Nexus pleit nu voor ?Inzicht door samenhang?.
?Het Nexus Instituut bestudeert het Europese cultuurgoed in zijn kunstzinnige, levensbeschouwelijke en filosofische samenhang, om zo inzicht te bieden in eigentijdse vragen en uitdagend vorm te geven aan het cultuurfilosofische debat. Als culturele denktank beoogt Nexus een stijl van kwaliteit, eruditie en tolerantie, om op die wijze een contrapunt te zijn voor kleinheid van geest, verzuiling en nationalisme, de troosteloosheid van het niets weten en het fanatisme van het enig weten. Nexus wil zich op deze wijze scharen in de Europese humanistische traditie.?
Rob Riemen gaat met ? Adel van de geest, een vergeten ideaal? dieper in op de figuur en de betekenis van Thomas Mann. Hij gebruikt heel veel citaten van Europese denkers ? Socrates, Spinoza, Goethe en de Italiaanse verzetsstrijder Leone Ginzburg ? om westerse intellectuelen die de aanslagen van 9/11 aangrepen om het materialisme en de decadentie van de westerse maatschappij ervan langs te geven. Voor hem is dat een voorbeeld van het hedendaagse verraad van de intellectuelen: hun politieke (deels anti-Amerikaanse) denkbeelden prevaleren boven het fundamentele verschil tussen goed en kwaad. Hij vergelijkt dit met Julien Benda’s ‘Verraad van de klerken’ uit 1927.
Hij eist dat precies de intellectuelen niet hun eigen politieke denkbeelden, maar ?de waarheid zelf als enige richtsnoer nemen voor hun denken en handelen?. Dit is voor hem de kern van het streven naar adel van geest. Volgens hem vereist dit een grote moed, zoals Socrates die had.

Inhoudelijk is ? Adel van de geest? waarschijnlijk een interessante inkijk in wat rest van een vergeten ideaal, althans voor nieuwkomers. Voor de ouderen is het eerder een gekend verhaal, daarom niet minder betreurd.
De hoop die Riemen nastreeft zal ijdel blijken, maar is daarom niet minder aantrekkelijk.
Mij komt het een ietsje te glad en te na?ef voor want dat ‘streven naar waarheid’ is historisch een huizenhoge dooddoener zoals er dertien in een dozijn gaan. Mooie intentieverklaringen, lofzangen op de Europese adel van de geest (die in het verre en recente verleden behoorlijk wat menselijke ellende heeft voortgebracht, niet alleen in West-Europa) zonder verdere effecten behoudens intellectuele melancholie naar een wereld die nooit bestaan heeft. En dat was en is het dan wel ongeveer met die adelborsten.

50. Dit erfgoed ziet hij bedreigd door de Zivilisationsliteraten (een onvertaalbaar neologisme van Mann) met hun ‘politisering van de geest’. Zij verkondigen dat al het geluk te danken is aan politieke ideologie en maatschappelijke instituties. Het geluk van de mensen is daarom geen metafysisch of religieus vraagstuk, maar een politiek probleem. Zij geloven in de perfecte maatschappij en de perfecte mens. En juist deze gedachte riep bij Thomas Mann de meeste weerzin op, want zij betekende in feite de ontkenning van wat hij tot de essentie van het bestaan rekent: de dood; de menselijke beperktheid; de mens als het wezen met vragen waarop geen antwoord komt.

66. Nog geen half jaar later moet Mann een In memoriam schrijven. Hij memoreert het volgende moment tijdens deze ontmoeting. De oude Fischer geeft een oordeel over een gemeenschappelijke kennis:
‘Geen Europeaan,’ zei hij met zijn hoofd schuddend. ‘Geen Europeaan, Herr Fischer, hoezo niet?’ ‘Van grote humane idee?n begrijpt hij niets.’ En Mann vervolgt: ‘Ik heb geen woorden om te beschrijven hoe diep geraakt ik was. Hier sprak, al bijna in de dood, een generatie die groter en beter was, dan de generatie die haar nu het heft uit handen neemt.’
De grote humane idee?n. Dat is de Europese cultuur. Dat is de traditie waar hij met het schrijven van Der Zauberberg bewust in was gaan staan. Echter, tegelijk met de publicatie van dit monument voor het Europees humanisme dringt de bange vraag zich op of deze cultuur wel zal blijven bestaan, of zij niet slechts een episode in onze geschiedenis zal blijken te zijn.

Lees verder »

Archief

Marcel Van Dam, Niemands land ? biografie van een ideaal. De Bezige Bij 2009

3 januari 2010

Marcel Van Dam, Niemands land ? biografie van een ideaal. De Bezige Bij 2009
?

?Kon ik wat woede is
Maar in zijn deugd begrijpen
En er natuur van maken
Als boom van wortel blad.?

?

Met dit citaat van de Nederlandse dichter-tekenaar Chr. J. Van Geel opent Marcel van Dam zijn ?Niemands land?. Hij slaat beter laat dan nooit een mea culpa, een paar keer spijkers met koppen en soms de bal behoorlijk mis.
Maar hij heeft ten minste de moed gehad en de verantwoordelijkheid genomen om zeer belangrijke maatschappelijke problemen te onderzoeken, ook als hij daarin zijn eigen fouten en die van zijn partij en ideologie blootlegde.
Mijn eigen kortstondige maar intense carri?re in de sp die dan weer (van) “.a” werd en mijn ballingschap als huisarts in een achterstandswijk van Rotterdam heeft me toch menig bevoorrechte blik gegund achter de coulissen van het politieke theaterspel en de mogelijkheden voor sc?nespelers, dan wel de rolverdeling in het ?multiculturele straattheater? van een wereldhavenstad.
Vermits backbenchers en koorleden ? laat staan de populistische toppers ? wel moeten verkondigen dat ze de problemen van de mensen zullen aanpakken, wat zeg ik ?zullen oplossen?, hoewel ze goed beseffen dat dit een doorgaans ijdele belofte blijven zal, rest hen indien vitaal en actief enkel het eigenhandig cre?ren van een ?belangrijk maatschappelijk? probleem waarrond ze amechtig trachten te mobiliseren via de media.
De mooiste en ook schrijnendste voorbeelden hiervan vormen de propagandatheorie?n over de vergrijzingkosten en de globalwarming die we de laatste maanden ten overvloede in de maag gesplitst kregen.
?

Marcel van Dam was decennia lang een zeer prominent sc?nespeler en dito poppenspeler in de coulissen van de sociaaldemocratische machtscenakels van Nederland.
?

336. Het recht op een redelijk bestaansminimum verdraagt zich ook niet met de nieuwe horigheid die in de neoliberale prestatiemaatschappij is gekoppeld aan het verkrijgen van een uitkering. Het is vernederend om van zoveel mensen doorlopend te eisen dat zij zich verantwoorden voor hun habitus. Sociale rechten en plichten van burgers horen niet samen te vallen. Als een sociaal recht ook plicht wordt, resteert plicht. Ik deel de opvatting van de Duits- Engelse socioloog Ralf Dahrendorf, die het in zijn in 1988 verschenen boek The Modern Social Conflict als volgt verwoordt: ‘Burgerschap is een niet-economisch concept. Het definieert iemands positie onafhankelijk van diens bijdrage aan het economisch proces. De elementen van burgerschap zijn dus onvoorwaardelijk. Dat geldt voor zowel rechten als plichten ( ... ) Op het moment echter dat rechten en plichten hun onvoorwaardelijke karakter verliezen, staat de deur open voor de onzichtbare hand van de markt (die overigens ook welwillend kan zijn), maar bovenal voor de zichtbare hand van de machthebbers die mensen vertellen wat ze wanneer moeten doen. Aldus leidt (... ) workfare tot vormen van dwangar-beid.
?

Over de vrije wil en ons denken en handelen beklijft bij Marcel van Dam het meest de zogenaamd wetenschappelijk bewezen illusie van de vrije wil.
Op die manier wil hij verder toch wel weer bevoogdend vasthouden aan de vroeger gehuldigde maakbaarheidsidealen.
Wie echter de ?illusie van het ‘ik’ en de vrije wil als de zintuigen door de evolutie geproduceerd? ziet ? omdat ze bruikbaar zijn,? mist het plezier van het spel, ook het politieke en maatschappelijke veinzen waarmee mensen kunnen en willen communiceren en ook de bereidheid betuigen om hun verantwoordelijkheden te nemen en de gevolgen ervan te dragen. Wie deze interpretatie van de ?vrije wil? afwijst ontneemt de ander zijn menselijke waardigheid. Of het nu gaat om de betuttelende ?doe het goed om het goede houding ? al dan niet in een sfeer van naastenliefde of solidariteit tegenover armen, sociaal zwakkeren, derde wereldbewoners. In die zin weigert hij te erkennen dat iemand als Theodore Dalrymple wel degelijk de vinger in de wonde legt met de analyse dat maatschappelijke oorzaken en het ontbreken van de vrije wil mensen ieder gevoel van verantwoordelijke betrokkenheid en eigenwaarde kunnen ontnemen. (p.262 e.v.)
?

?
Beter laat dan nooit doet hij in ?Niemands land? kond waar het ? mede door zijn eigen beleidstussenkomsten – de voorbije 25 jaar is misgelopen tot ?Niemandsland?. Hij ziet Nederland vandaag bestuurd als een naamloze vennootschap zonder aandeelhouders: ?De cultuur is de laatste tientallen jaren over de volle breedte dienstbaar gemaakt aan economische doeleinden en ieder segment van de samenleving ondervindt er de gevolgen van. Humanitaire waarden als rechtvaardigheid, zorgzaamheid, gelijkwaardigheid, gelijkheid voor de wet, mededogen en solidariteit worden doorlopend aangepast aan het streven naar een optimale rentabiliteit van alles en iedereen. Minder langzaam dan we denken, in ieder geval heel zeker, glijden we af naar het sociaal-economisch model van de Verenigde Staten, naar het rampenkapitalisme van Naomi Klein. Nederland loopt daarmee tamelijk ver voorop in Europa. Terwijl het erop lijkt dat Obama in Amerika de weg naar meer humanisering weer is ingeslagen. Nederland dreigt een buitenpost van de beschaving te worden.?
?

Kostenpost
Ouderen heten nu een groeiende kostenpost ? zeker in de ogen van hysterische klaplopers, gefrustreerde prinsen en politici op zoek naar goedkope populistische oneliners.?De doorgedreven vermarkting van de Nederlandse samenleving maakt alles van waarde niet alleen weerloos maar ook waardeloos.
In ?Niemands Land ? heeft hij haarfijn voorgerekend hoe het Centraal Planbureau in deze probeert te voorspellen. De uitsluitend in het Engels gestelde nota ?Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances? gaat ervan uit dat de volgende honderd (!) jaar alle overheidsvoorzieningen ? uitgaven voor huisvesting, defensie, gevangenissen, milieu, infrastructuur ? het groeipercentage van de economie zullen volgen.
Op die manier wist de studie in 2006 reeds te voorspellen dat in 2011 een tekort van 3 % zou ontstaan. Evenzo voorspellen economen en statistici dat in de volgende honderd jaar de AOW (algemene ouderdomswet voor het basispensioen) met 4% zal stijgen en de zorg met 4,25%.?Nu al kan voorgerekend worden dat die extra basispensioenkost betaald zal worden met de belastingen op de steeds belangrijker wordende aanvullende bedrijfspensioenen. De re?le kost van een mogelijk ?vergrijzingsprobleem? zal dan eerder 1,3% van het BBP bedragen. Cijfers die in het niet verdwijnen bij de ramingen van de gevolgen van de financi?le crisis die eind 2009 maar liefst 7% krimp van het bruto binnenlands product bedroegen.

Weerloos
Jarenlang wordt er hoog opgegeven over de dramatische kostenstijging in de gezondheidszorg, vooral bij hoogbejaarden. Onmiddellijk gekoppeld aan de noodzaak van maximale medische voorzieningen. Alsof alle ouderen die bij hun zinnen zijn, daar ook maar een beetje zin in zouden hebben.?Blijkt intussen sinds enkele weken dat ook die prognoses behoorlijk overschat zijn. Ouderen blijven ook nog eens langer gezond en doen minder lang beroep op de duurste voorzieningen, als ze het al zouden wensen. Steeds meer hoogbejaarden beschouwen hun leven als voltooid en hebben een fysieke en mentale weerzin tegen ?therapeutische volharding? bij artsen en zorgverleners.

Weermannen
Wanneer de directeur van het CPB geconfronteerd werd met deze ernstige ramingfouten, vond hij niet dat zijn organisatie gefaald had. Hij vergeleek de CPB voorspellingen met die van de weerman. Als de weersvoorspellingen drie dagen later niet uitkomen, zal hij ook niet zeggen dat hij heeft gefaald.?? Dat is waar?, aldus Marcel van Dam, ?En dat is ook niet erg, omdat op de voorspelling van de weerman geen overheidsbeleid wordt afgestemd. Sterker nog: in de meteorologie is duidelijk geworden dat het weer op langere termijn theoretisch niet is te voorspellen, omdat kleine veranderingen in de beginvoorwaarden tot grootschalige weersveranderingen kunnen leiden. Net zoals dat het geval is in complexe systemen als de economie. Dat is natuurlijk niet zo vreemd. Economisch gedrag is menselijk gedrag. Dat is net zo onvoorspelbaar als het weer en kan op hypeachtige momenten volkomen onbeheersbaar worden.?De directeur van het CPB kan wel deemoedig verklaren dat zijn organisatie slecht is in het voorspellen, en ook in de rapporten die worden gepubliceerd wordt altijd vermeld dat er grote onzekerheden zijn, maar politici nemen de cijfers tot achter de komma serieus en baseren daar hun beleid op. Ook verkiezingsprogramma?s worden ermee doorgerekend en partijen nemen elkaar de maat met de uitkomsten.?Veronderstellingen bedenken voor het gedrag van mensen in de komende honderd jaar, op die veronderstellingen berekeningen maken voor de overheidsfinanci?n en daar vervolgens het beleid op baseren is tekenend voor de armoede van de hedendaagse politiek.?Door politici en hun vaak hooggeleerde fluisteraars wordt het verdedigd met de dooddoener: het is weliswaar onzeker, maar we hebben niet beter. Maar cijfers krijgen pas betekenis door de betekenis die je eraan geeft.? (Niemands Land, p. 205)
?

Heel wat Nederlandse intellectuelen gingen de gewezen PvdA minister voor in dit belangrijke debat, met moed en bravoure. Zij vechten om boven te blijven.
?In Belgi? daarentegen is de toestand nog steeds hopeloos. Maar niet ernstig.
De meeste burgers in Belgenland koesteren reeds eeuwen een fundamenteel wantrouwen en ongeloof tegenover iedere overheid die beweert hen op uniforme wijze in juiste banen naar blijvend geluk te zullen leiden.
?Om die reden vind ik het ook leuk om in beide landen te spelen. De mensen lachen met verschillende dingen?, weet theatermaker en lachtherapeut Wim Helsen. ?De Nederlanders houden het graag helder en duidelijk, de Vlamingen volgen mij in de meest absurde verhalen en verbanden. Wij zijn blijkbaar meer aan chaos gewend dan zij. We voelen ons zelfs meer op ons gemak bij chaos. De Nederlanders zitten ook veel dichter op elkaar, ze geven voortdurend commentaar op de anderen. Wij gunnen elkaar meer vrijheid. Daarom kunnen wij, Vlaamse komieken en cabaretiers, de Nederlanders ook vaak verrassen. We brengen humor vanuit een invalshoek die ze niet verwachten.?
?

?

Marcel van Dam is ook vaak moedig in zijn bekentenissen:
?

60. Zelfs het deelnemen aan het schrijven van een verkiezingsprogramma in het midden van de jaren negentig en het kennisnemen van alle informatie die daarbij beschikbaar komt, hadden me niet op het goede spoor gezet. Onder mijn ogen was het afbraakproces begonnen van ongeveer alles waarin ik geloofde en dat naar ik vreesde zou kunnen leiden tot een samenleving die wreder en onrechtvaardiger was dan die tijdens de industri?le revolutie in de tweede helft van de negentiende eeuw – niet vanwege een terugval van de welvaart tot het peil van toen, maar door een vorm van postmoderne onderdrukking en slavernij van meer dan 10 % van de bevolking, die geen? perspectief zou hebben ooit als volwaardig lid van de samenleving te worden geaccepteerd.
In kleine kring had ik me vaak laatdunkend uitgelaten over het falen van de elite bij het kritisch volgen van de politiek. Ik kwam tot de ontdekking dat de elite en ik elkaar niets te verwijten hadden: we hadden beiden niet minder dan een breuk in de beschaving over het hoofd gezien, een breuk waardoor de meerderheid zich alleen nog maar verantwoordelijk voelde voor het eigen welzijn, in plaats van dat van iedereen.
De sociaaldemocratie was in stilte ter ziele gegaan en ‘van de armen’ begraven. Het is een stelling met een hele zware lading, die niet kan blijven zweven. Loyaliteit aan de PvdA zou voor mij verraad betekenen aan de beginselen van de partij waarvan ik in mijn studententijd lid ben geworden, waarin ik altijd ben blijven geloven en waarvoor ik me altijd heb proberen in te zetten.
Wat ik ontdekte ging het belang van het bedanken voor de PvdA ver te boven. Dat was een steentje in een vijver, en waar ik achter kwam had het karakter van een stormvloed. Daar moest ik over schrijven.
Maar waar te beginnen? ‘Als je dat niet weet, kun je het beste bij het begin beginnen: zei Harry Mulisch. Voor mij lag het begin in de jaren zestig, waarin ik, volwassen geworden, meegezogen werd in de turbulentie van de tijd. Die jaren zijn door velen euforisch bejubeld en door nog meer men- sen verguisd, ze zijn schuldig verklaard aan alle tekortkomingen van latere jaren. Beide slaat nergens op. De tijdgeest is een product van miljarden kleine veranderingen in denken en gedrag van mensen die dat zelf niet in de gaten hebben. Tot in een nieuwe generatie al die kleine veranderingen samenkomen en een soort schokgolf in de cultuur veroorzaken.

Lees verder »

Archief

Blogs in 2009 op www.deredactie.be

3 januari 2010

Blogs in 2009 op www.deredactie.be

?Alles van waarde moet zich weren?
Kannibalen in Kopenhagen
Rekeningrijden in Niemandsland
Grieppaniek in prikkenland
De doden weten zich te gedragen
Een gewilde zwangerschap en het Antilliaanse probleem
Placebo?s, parkieten en mensen
Merels
Meeuwen

Lees verder »
Categorie: Actualiteit | Reageren uitgeschakeld

Archief

‘Fin du si?cle, d?but du mill?naire’ Decennium-bedenking I

1 januari 2010

Luc Devoldere in ’ Lucifers bij de brand’ :

Stephen Toulmin onderscheidt in de moderniteit twee tradities.
De ene is die van de zeventiende-eeuwse Descartes: het is de traditie van de abstracte en economische rationaliteit, die met zo weinig mogelijk inspanning een maximaal rendement wil realiseren. De abstracte rationaliteit wil de mens met zijn ondoordringbaarheid, zijn massieve en concrete lichamelijkheid wegredeneren, de werkelijkheid bekijken sub specie aeternitatis, vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid, buiten elke context. Het symbool van deze traditie is het meetkundig traktaat; de grote metafoor ervan, de machine die afstelbaar, organiseerbaar en voorspelbaar is. Natuurlijk heeft deze rationaliteit voor een ongekende vooruitgang gezorgd op alle terreinen van het menselijk leven. De industri?le en technologische revolutie zijn zonder haar niet denkbaar.
Maar deze cartesiaanse rationaliteit heeft een andere traditie van de moderniteit verdrongen: die van de zestiende-eeuwse Montaigne, die van de sceptisch-humanistische redelijkheid en van het essay. Die traditie heeft oog voor context, voor de concrete situatie en de aan plaats en tijd gebonden mens, en voor het belang van literatuur. In literatuur wordt immers onnadrukkelijk en zijdelings een diep inzicht over de mens aangereikt.
Literatuur biedt geen oplossingen voor problemen, maar ze kan door de schepping van een symbolische wereld de werkelijkheid wel inzichtelijker maken.
Het is niet doordat de menswetenschappen (recht, geschiedenis, ethiek, politiek, esthetica) niet het abstracte rationaliteitsmodel vertonen van de wiskunde en de positieve wetenschappen, dat er niet ook gedacht en geredeneerd wordt: alleen blijven de conclusies bij de menswetenschappen controversieel. ‘

Luc Devoldere ?Lucifers bij de brand?, uitg. Atlas p.34-35

Overigens is het intussen reeds lang duidelijk dat de echt grote spelers in de Beta- en Gammawetenschappen, net als die van de Alfa?s, begrijpen dat de premisses en pradigmata van hun eigen vakgebieden vooral geen beperking mogen en kunnen vormen voor een gestalt benadering van de werkelijkheid en wat wij ons daarvan voorstellen. Tenslotte is niets wat het lijkt en wit nooit geheel tegengesteld aan zwart.