Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Kunsthal Rotterdam, Binnenste Buiten – Made in Holland – Huid en Haar – Bosporus

28 februari 2010

Kunsthal Rotterdam: Binnenste Buiten, Boijmans Van Beuningen op bezoek.

Een deel van de enorme collectie uit de depots van de achterburen Museum Boijmans Van Beuningen werd langs de gigantische en nog steeds onvoltooide ondergrondse autoparking/regenwaterbuffer naar de Kunsthal versleept.
Ruim 1200 schilderijen waaronder talrijke spraakmakende kunstaankopen worden op een bizarre manier gepresenteerd. De tentoonstelling moet de indruk wekken dat je door en depot van Boijmans loopt en meteen geconfronteerd wordt met een kunstkamer uit de 17de eeuw, waar iedere hoek en kant benomen wordt door een schilderij, groot en klein, alle genres door elkaar. Het weet wel nieuwsgierigheid te wekken. In de depotsleuven hangen minder bekende werken met nauwelijks en inkijk tegenover elkaar met een nummer dat je kan uitvogelen op tweemaal drie flatscreens. Een wat merkwaardige en amateuristische toepassing van moderne media in dit genre. In drie grote historische groepen worden de depotstukken aangeboden. Een tiental topstukken zitten wat verborgen tussen het visuele labyrinth. Geen van de werken heeft een vermelding, behoudens de originele op de lijst. De liefhebbers van puzzelen kunnen zich uitleven met enkele geplastificeerde nummerkaarten opgesteld.
Opvallend wordt zo het enorme kwaliteitsverschil duidelijk tussen schilders van vroeger, de toppers waren echte toppers, de middenmoot kende uitschieters, en nogal wat bleken en bleven ondermaats, ook na een paar honderd jaar. Er hangen een paar familieportretten waarop de personages figureren als houten klazen. Kostbaar maar pijnlijk. Eenzelfde fenomeen bij de moderne stromingen waar vlakheid en visuele hoogstandjes de onbenulligheid van sommige werken hooguit nog als behang kan presenteren.
De tentoonstelling stelt de noodzaak van behoud en beheer van niet vaak getoonde objecten aan de orde. Voor eenmaal hangen?deze werken uit het depot gezamenlijk op zaal: ontdek uw favorieten in de veelzijdige collectie. De Kunsthal keert Museum Boijmans Van Beuningen letterlijk binnenste buiten! Verschillende musea in Nederland maken plannen voor of zijn bezig met de bouw van nieuwe depots. Er is veel ruimte nodig om alle kunstschatten uit de Collectie Nederland te bewaren. De tentoonstelling Binnenste Buiten stelt vragen als: Hoe bewaar je kunstschatten als je weet dat in het verleden vaak andere waarderingscriteria golden dan nu? Wat is de noodzaak van het behouden en bewaren van niet vaak getoonde objecten en welke dilemma’s spelen er? Hoe snel groeit de Collectie Nederland en is ontzamelen niet een beter antwoord dan de bouw van nieuwe depots? En tenslotte, kunnen instellingen zonder collectie zoals de Kunsthal niet actiever ingezet worden om de schatten in de depots van Nederlandse musea beter zichtbaar te maken voor het publiek?’
Terecht vragen die hier geen antwoord kunnen krijgen.
Nog tot 24052010.

Made in Holland, uitvindingen en innovaties.

Kunsthal Rotterdam presenteert in samenwerking met het Nationaal Archief en de Technische Universiteit Delft een veelzijdige familietentoonstelling over Nederlandse uitvindingen en innovaties. ??Waarlijk een tochtje door een recentere versie van hollands glorie. Een reeks vernuftige ontwerpen en modellen, zeer divers filmmateriaal, octrooien en verfijnde tekeningen die duidelijk maken waarom en hoe Nederlanders uitvinden en innoveren. Vooral vroeger tot het laatste kwart van de XX ste eeuw. De tentoonstelling laat op een verrassende manier zien hoe allerhande problemen door de eeuwen heen zijn opgelost, hoe nieuwe producten worden uitgetest en hoe kleine ontwerpen onze samenleving kunnen veranderen. De collectie octrooien en tekeningen van het Nationaal Archief uit de periode 1580 tot 1990 vormt samen met de proefmodellen en ontwerpen van de TU Delft een indrukwekkend overzicht van wat Nederlandse uitvinders en ontwerpers door de eeuwen heen hebben voortgebracht. Er zijn tekeningen te zien van beroemde uitvinders als Simon Stevin en Jan Adriaanszoon Leeghwater naast de ingenieuze windbestendige SENZ stormparaplu of praatpaal van industrieel ontwerpers uit Delft. In een windturbine worden bezoekers uitgedaagd de paraplu op stormvastheid te testen.

Na de niet zo geheime geheimen van Syrische lingerie (!) te hebben doorstaan en een reeks historische trapautootjes te hebben bewonderd, blijken vooral Carolein Smit en Nicole Segers op de topverdieping de moeite waard.
Smit biedt met haar Huid en Haar prikkelhaasjes met een geveinsde arrogantie of een rode spaghetti baby die je met ontvelde grimas toelacht: balanceren tussen nieuwsgierig en walging, aantrekken en afstoten. Het heeft iets van katholieke relieken die door de eeuwen met edelstenen en goud werden bekleed om hun uitstraling meer gewicht te geven voor de argeloze gelovigen, de toeschouwers van ouder leed.

Ontmoetingen langs de Bosporus.

Nicole Segers daarentegen houdt het met haar foto’s uit 2007 langsheen de Bosporus beleefd en boeiend. Ze tast de grens af tussen Europa en Azi? waar deze Istanboel doorklieft. Met de veerpont van de grote heen en weerwolf waakt ze over ontmoetingen tussen oost en west, maar niet als clich?s. Ze doet het met liefde en respect en vooral vanuit de schijnbare rust van het water en het uitzicht op de verschillende delen van d? stad: ‘Eis t?n polin’. Dat maakt haar foto’s indrukwekkend en uitnodigend.

Archief

Rik Torfs, Wie gaat er dan de wereld redden? – uitg Van Halewyck 2009

23 februari 2010

Rik Torfs, Wie gaat er dan de wereld redden? – uitg Van Halewyck 2009

Zoals steeds slaagt Rik Torfs erin om weer als discrete gymleraar op te treden bij zijn programma van gymnastiek voor de geest van de lezer. Hij doet het met brio en je voelt zijn plezier in zijn zinnen. Hij laat de lezer dan ook delen in de intellectuele pret waarmee hij ondermeer zijn eigen politieke ambitie-ballonnetjes heeft gewogen en te licht bevonden. Hij doet het voorzichtig en glunderend en de lezer is niet boos wanneer hij zich erin geluisd voelt. Rik Torfs laat echter obstinaat de machtsvraag in het midden. Voor wie de wereld gaat redden is dat een ondraaglijke handicap. Al weet hij dat in kerkelijk recht redelijk te compenseren. (‘Het kerkelijk wetboek heeft het niet over mensenrechten, maar over plichten en rechten van de christengelovigen. Plichten en rechten. In die volgorde. p.99) Hij heeft de relativiteit van zijn eigen denken leren toetsen aan dat van Rik Torfs, en dat laat vaak een fijn schurend gevoel na. Schurend, zeker, want hij weet zijn lezers nog steeds hinkelend te lokken: nu eens op een linker-, dan weer op een rechterbeen, een intellectueel hinkelspel. Fijn ook, want zonder grove truken laat staan unieke zekerheden die door de strot moeten geramd. Rik Torfs haalt ze zelf met vaardigheid onderuit. Hij maakt het zelfs begrijpelijk hoe draaglijk, ja zelfs aangenaam, het geloof in de verrijzenis kan zijn. Torfs behandelt individualisme, trouw en solidariteit, normen en waarden, leven en dood. Rik Torfs lezen is balsem voor de ziel, ook van de ongelovige.

20. Je kunt immers ook knielen om je van anderen te onderscheiden. Hen op hun fouten te wijzen. Wie knielt verheft zich om wie niet knielt te vernederen.

23. Gustave Thibon: ? La solidarit? devient enfer d?s qu?on veut en faire un paradis?.

31.Gustave Thibon ziet in krampachtige trouw een cultus van het ik: ?Alle omstandigheden om mij heen kun je veranderen, maar ik voor mij verander niet, omdat ik het niet wil. Mijn verbintenis is niet afhankelijk van de levende uitwisseling waarover jij spreekt, zij heeft voor mij een absolute waarde, geheel op zichzelf, en ik zal haar nakomen tot elke prijs.?

49-50. Omdat de universiteiten hun kritische functie niet meer kunnen of willen vervullen, vluchten ze in een moreel discours. Als ze niet langer de nieuwe idee?n leveren, dan toch de moraal. Door zich op moraal en solidariteit te storten proberen hun rectoren hun macht te herwinnen. (...) De laatste decennia zijn ze zo gewoon geraakt om zich naar regeltjes te plooien, dat ze zich nauwelijks nog een werkelijkheid kunnen inbeelden die niet door die regeltjes wordt beheerst.

86. Daarbij moet worden gedacht aan een variabel solidariteitsmodel. De West-Europese solidariteit blijft bestaan. Ze moet ook in de toekomst een pijler zijn van onze samenleving, zelfs al levert ze ons dat tegenvoer Amerikanen, Indi?rs of Chinezen concurrentieel nadeel op (vaak cynisch ge?xploiteerde) schaamte en morele verontwaardiging, is er nood aan een meer pragmatische solidariteit die in het begrip zelf gradaties durft te ondertekenen, gradaties die trouwens vak overeenstemmen met de keuzes van het solidaire individu.

95. Gedeelde waarden maken het leven draaglijk. Hun charme bestaat erin dat ze niet als vrijheidsbeperkend worden aangevoeld.

97. Wanneer waarden niet langer door de burgers worden gedeeld, zijn er normen om deze lacune te ondervragen. Waarden zijn niet afdwingbaar, normen wel. De norm versterkt de waarde niet, hij vervangt haar.

98. Iets wat je spontaan doet, kan het voorwerp van rebellie worden wanneer het verplichtend wordt gesteld. (...) Als een waarde die ik altijd heb nagestreefd plotseling, zonder dat ze van inhoud verandert, tot norm wordt verheven, heb ik de neiging de nieuwe norm meteen te overtreden. De norm berooft de mensen immers niet alleen van hun autonomie, maar ook van de mogelijkheid om genereus te zijn.

101. Toch gaat er een zekere charme uit van de Romeinse norm. eerder dan een echte norm, is hij een officieel erkende en bekroonde waarde, zonder dat hij in het persoonlijke leven van concrete mensen dwingend afdwingbaar wordt. Niettemin kleeft er ??n belangrijk nadeel aan de Latijnse normcultuur: je moet een insider zijn om te weten wanneer het echt serieus wordt. Wanneer de norm niet alleen om eerbiediging, maar ook om naleving vraagt. Het volstaat niet te lezen wat er staat, zwart op wit. Je bent verplicht een kunstenaar te zijn om in te schatten of de norm naleving vereist. Een kusntenaar? Op zijn minst een levenskunstenaar. Dat vinden wij niet fijn, want levenskunstenaars wensen wij niet te worden.

119. Je dient je onder te dompelen in het bloedeloze jargon van de onderwijskundigen, een beroepscategorie die er alles aan doet om de bijzonder simpele redeneringen die zij ontwikkelt in een ontoegankelijke jargontaal te verpakken, zodat ze voor de gemiddelde burger volledig ontoegankelijk worden en er dus een schijn van geleerdheid ontstaat.

131. Normen en waarden zijn geen synoniemen. Waarden zijn gedragswijzen die door mensen spontaan worden gevolgd. Normen worden opgelegd en zijn afdwingbaar. Naarmate de waarden sterker verdampen, is er nood aan meer normen, maar dat is geen succes, en allerminst een teken van maatschappelijke gezondheid.

148. Gruwelijk is de samenleving waarin aan niemand iets te verwijten valt.

162. De idealistische Chirojongens die in de jaren zestig of zeventig van de vorige eeuw plotseling mao?st werden in plaats van naar het priesterseminarie te trekken zoals amper een decennium voordien, veranderden niet echt van mening. Ze ruilden de ene zekerheid voor de ander in, belangrijk was vooral dat ze geen dag zonder zekerheid waren.

196. Wat iedereen kan delen, of toch zou moeten delen, is een publieke redelijkheid die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Daarnaast is er een soort van private, minder wetenschappelijke redelijkheid die je niet zomaar met anderen kan bespreken en al zeker niet kan opdringen. Het gaat daarbij niet langer om het zuiver rationele. Onze gevoelens sijpelen erin binnen en kleuren de idee?n.

202.Over smaken, kleuren en vrouwen kan niet worden gediscussieerd. Wat een ongelooflijke onzin! Want waarover zouden we anders in godsnaam moeten discussi?ren?

207. Over twijfel gesproken. Zit daar niet een groot deel van de spirituele identiteit van Europa? Europeanen hebben geleerd te twijfelen. Doe je dat niet, en heb je altijd gelijk, dan dreig je de andere, die helaas altijd ongelijk heeft om die reden te vermoorden. Dat hebben wij in Europa heel vak gedaan, denk maar aan de godsdienstoorlogen. Ook later speelde een gebrek aan twijfel ons parten. Adolf Hitler zal wellicht neit worden herinnerd als de man die zijn volk leerde twijfelen. Twijfel bevrijdt ons van fanatisme. Twijfel en humor, die natuurlijk ook een vorm van twijfel is, omdat humor wat absoluut lijkt van zijn voetstuk haalt.

222. Maar de vrijheid die het risico inhoudt dat er echt een mening wordt vertolkt die geprefabriceerde gedachten verstoort, stuit nog steeds op meer argwaan dan doorgaans wordt vermoed. Zeker aan de universiteiten, maar ook in creatieve milieus.

238. We zijn ons verrijzenisgeloof kwijtgespeeld omdat we bang zijn om te dromen en te vertrouwen.

Archief

Het vijfde Gravensteenmanifest: Driemaal links is ook rechts.

21 februari 2010

22 februari 2010
Het vijfde Gravensteenmanifest: Driemaal links is ook rechts.

Politiek links in Vlaanderen smelt weg. Klopt het hart van de Vlamingen inderdaad rechts, zoals de recente publicatie, Rechts Vlaanderen van Henk de Smaele, beweert? Of is het eerder zo dat de kiezers zich niet meer herkennen in wat ?linkse partijen? hen te bieden hebben? De Gravensteengroep, bestaande uit leden met verschillende politieke en ideologische achtergronden, neigt naar het tweede antwoord.

Ten eerste stelt links geen structurele hervormingen meer voor, maar beperkt het zich tot een sociaal beleid. Links voert geen economische strijd meer. Ten tweede kiest links na de sterke opkomst van rechts in Vlaanderen voor de moraliserende reactie. Het morele oordeel vervangt analyse en onderzoek. Links hypothekeert hiermee zelf de mogelijkheid tot effici?nte politieke acties. Ten derde: ter compensatie van zijn slinkende kracht in Vlaanderen, teert links op de macht van de linkse partijen in Franstalig Belgi?.

Precies de weerstand van de Franstalige partijen tegen een democratische staatshervorming verhindert echter de effici?nte organisatie van een sociaal beleid. Dit beleid omvat de belangrijkste hefbomen voor een herverdeling van de welvaart, zoals fiscaliteit, sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid. ?Solidariteit? in Belgi? lijkt steeds meer op liefdadigheid, omdat de federale overheid geld verdeelt zonder structurele aansporing tot economische aanpassingen of tot politieke verantwoordelijkheid (onder meer door de Bijzondere Financieringswet 1989). Vlaams links biedt geen verzet, want het denkt in termen van de Belgische machtsstructuren. Zo gaat het echter voorbij aan de culturele en sociale strijd van zijn eigen verleden. De Rode Leeuwen zijn tricolore muizen geworden.

De linkse leegte

Linkse politici hebben de opmars van de (neo)-liberale politiek niet tegengehouden, integendeel: sinds het einde van de jaren 1980 hebben ze mee overheidsbedrijven geprivatiseerd, de pensioenen naar de beurs verplaatst, regelgeving en controle op de financi?le markten afgebouwd (Schr?der in Duitsland, Jospin in Frankrijk, het duo Blair-Brown in Groot-Brittanni?, Clinton in de VS). In Belgi? tolereert links een onrechtvaardige fiscale politiek.

In deze context vormt ?solidariteit? niet langer de inzet voor een politiek-economische strijd ter verdediging van de zwakkeren. Die solidariteit garandeert zelfs geen billijke herverdeling meer. Links legitimeert de eigen inertie door te stellen dat het (neo)-liberalisme de enig overblijvende ideologie is waartegen het, ook op Europees vlak, bitter weinig vermag. Het bewijst lippendienst aan een slecht omschreven ?solidariteit?, maar staat sprakeloos tegenover het onbeperkte streven naar winstmaximalisatie.

Het potenti?le linkse electoraat haakt af, omdat deze voorgestelde ?solidariteit? hoofdzakelijk inspanningen vraagt van de traditioneel belangrijkste component van dat electoraat, namelijk de werkende bevolking. Opdat zij zonder morren zou bijdragen aan banken in crisis, aan schatkisten zonder bodem, en aan nieuwkomers in nood.

Links spitst zich intussen toe op het sociaal beleid. Daardoor verschuift zijn doelpubliek van de werknemers naar de sociaal hulpbehoevenden. Als deze laatste groep vandaag een linkse stem uitbrengt, dan doet ze dat om iets te behouden, niet om iets te veranderen. Tegenwoordig is er dan ook geen strijdend electoraat meer dat zich in een politieke partij verenigt. Er zijn slechts politieke partijen op zoek naar een electoraat.

Elke linkse beweging heeft een verankering in de bevolking nodig. Maar een eigen volksbeweging klinkt wel meteen verdacht voor links in Vlaanderen. Links houdt dan ook weinig rekening met de verzuchtingen van zijn traditionele electoraat uit angst voor de associatie met rechtse partijen. Met het kiezersvolk dat naar populistische partijen overloopt wil dit links niets te maken hebben. Wie van links identificeert zich immers nog met de arbeidsklasse? Niemand die in politieke zin macht heeft. Maar links denkt wel te kunnen overleven dankzij Belgi?... Zo draait de spiraal neerwaarts. Het klassieke electoraat van links kiest nu voor rechts. Wie overblijft op links kijkt naar Belgi? voor steun. Belgi?, schijnbaar de enige garantie dat rechts niet het hele politieke spectrum overneemt.

In werkelijkheid is het precies de Belgische constructie die haaks staat op een progressief project. Ondertussen lijkt Vlaams links enkel nog betekenisvol voor wie meegaat in de illusie dat Belgi? een soort non-identiteit biedt waarbinnen een louter sentimenteel voorgestelde ?solidariteit? mogelijk is. De rechtse partijen in Vlaanderen worden groter, want met zijn elitaire opstelling heeft dit links zichzelf de pas afgesneden om een volwaardige beweging te kunnen worden.

De linkse politieke actie wordt dan vervangen door het morele (voor)oordeel. Zo?n houding laat niet langer toe dat er nog kritische vragen worden gesteld bij de organisatie van de (federale) staat. Zelfs niet als die staat minder democratisch wordt en de ontwikkeling van de solidariteit steeds meer beperkt.

Vragen bij de Belgische organisatie van de ?solidariteit?

Solidariteit op lange termijn verzekeren veronderstelt ingrijpende veranderingen aan de huidige status quo. Een systeem wordt pas solidair, geloofwaardig en aanvaardbaar wanneer het effici?nt, doorzichtig en met politieke verantwoordelijkheid wordt georganiseerd, wanneer het dus anders verloopt dan in Belgi? het geval is. Dit veronderstelt een duidelijke reorganisatie van de solidariteit tussen regio?s, zonder de federale overheid als mistgordijn.

Geeft men met deze positie toe aan rechts in Vlaanderen? Neen, want een staatshervorming dient niet om de solidariteit af te schaffen, maar om haar mogelijk te maken als iets dat de liefdadigheid overstijgt. Een open pleidooi voor meer autonomie zou de linkse partijen in Vlaanderen juist kunnen versterken.

Zal een hervorming van de solidariteit de verarming van de bevolking in het zuiden van het land met zich meebrengen? Niet noodzakelijk. De duidelijkste verliezer van een structurele hervorming is de huidige Franstalige politieke elite, die aan invloed verliest naarmate ze verantwoordelijk wordt gesteld voor het door haar gevoerde beleid. Hoe kan dat een slechte zaak zijn voor de gewone burger?

De Belgische natiestaat verliest in elk geval op twee niveaus aan belang. Het politieke zwaartepunt verschuift naar de regio?s en de economische markt kent steeds meer een Europese of zelfs globale integratie. Links heeft er dus alle belang bij de organisatie van deze veranderingen goed te begeleiden en op de evolutie te anticiperen. Indien links elk streven naar een staatshervorming, ook uit progressieve hoek, probeert te herleiden tot een voorbijgestreefd en ?ego?stisch? romantisch nationalisme, vervreemdt het verder van zijn bestaande en potenti?le kiezersvolk, dat zich terecht vragen stelt bij de Belgische constructie. Belgisch links slaagt er niet in om het sociale en fiscale beleid transparant, effici?nt en met politieke verantwoordelijkheid te organiseren. Ondertussen strijdt links evenmin tegen het systeem dat de economische crisis veroorzaakte. De ?solidariteit? wordt gegijzeld door het partijpolitieke machtsspel. Ze leidt niet tot gelijkwaardigheid. Vlaams links implodeert dan ook door zijn voorkeur voor de oude Belgische machtsstructuren. Wie zich in Vlaanderen links voelt, blijft verweesd achter.

Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Brigitte Raskin, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.
www.gravensteengroep.org

Archief

Marc Chavannes, Niemand Regeert – De privatisering van de Nederlandse politiek – NRC Boeken 2009.

7 februari 2010

Marc Chavannes, Niemand Regeert – De privatisering van de Nederlandse politiek – NRC Boeken 2009.

Wie eens vluchtig door een land reist, wie een vakantie spendeert, mensen benadert en zich benaderd voelt omwille van een mimetisch genot, een utopisch verlangen, een oud zeer of vertrouwen dat op wederzijdse sympathie en respect leunt, mag zich gelukkig prijzen wanneer hij of zij zich op die wijze in den vreemde ophoudt.
Wie langer in een land, een stad, een samenleving schuil gaat of beweegt, wie dieper doordringt in de eigenaardigheden, de merkwaardigheden van het dagelijkse leven en lijden, heeft nood aan reflectie en afstand, maar kan dit enkel vinden in het eigen verleden, de eigen cultuur en de herinneringen aan wie hij- of zijzelf ooit is geweest.

Dan is het handig om een boek als ?Niemand regeert? van Marc Chavannes te mogen spellen, en te reflecteren op de illustraties van Ruben L. Oppenheimer.
Hij onderzoekt reeds jaren als journalist van NRC in zijn columns wat de transitie in Nederland teweeg heeft gebracht, hoe diep de privatisering inhakt op het sociaal weefsel en op de politiek in wat ooit en bakermat van de westerse democratie is geweest.
Het is een pijnlijk boek, een villeinig boek en handleiding voor erger en elders.

99. En dat is waar het deeg niet wil rijzen. De bonusmiljoenen komen in veel gevallen ook als het helemaal niet goed gaat. Alle verhalen over globalisering en de markt voor CEO’s ten spijt, er zijn weinig Nederlandse topmanagers waar het buitenland om schreeuwt. De beloningsspiraal in de top van steeds meer bedrij- ven is eerder te verklaren door falende controle, oude-jongens- krentenbrood-commissarissen. Angst niet mee te tellen, in plaats van rationele economische argumenten.
De onevenwichtige loonvorming bij bovenbazen wordt verergerd door buitenlanders in raden van commissarissen,die uit grotere landen met grotere monden komen. En geen zin hebben in gezeur, zeker niet tegenover kandidaat-ceo’s die de verlegenheid exploiteren van commissarissen die merken dat het bedrijf in ondiep water terecht is gekomen, terwijl zij andere lucratieve baantjes deden.
Heel handig, de kwadraatverdieners hebben ieder begin van moreel besef tot notdone verklaard. Trap er niet in, er wordt niet te veel gemoraliseerd in deze discussie, maar te weinig. Bovenbazen die vijftig keer het jaarloon van een geschoolde of gestudeerde vakman verdienen, beseffen die echt niet hoe verwoestend voor de onderlinge verhoudingen hun uitgestreken smoel is? Hoe demotiverend die impliciete degradatie is van de mensen die het bedrijf met hun inzet en talent tot een succes maken?
Het is niet de schuld van het boardroomproletariaat dat in de toplaag van semi- en ex-overheidsorganisaties deze schaamteloze zelfophemeling wordt gekopieerd. Woont ??n Nederlandse huurder beter sinds de directeur van zijn woningbouwcorporatie 4,5 ton euro is gaan verdienen? Rijden de trams in Amsterdam beter onder directeuren die meer verdienen dan de minister- president? Is het besturen van de Vrije Universiteit anderhalf keer zo moeilijk als het leiden van een groot ministerie als Ver- keer of VROM?
Wie niet bereid is het ROCAmsterdam te leiden voor 171.000 euro, de Balkenende-norm, gaat gerust wat anders doen. Zijn opvolger zal echt niet slechter zijn en misschien zijn prioriteiten als dienaar van de publieke zaak beter op orde hebben. Het is goed dat het kabinet, zij het heel voorzichtig, op dit gebied doet aan morele herbronning.

121. Het opvallende van de crisis is dat de meeste gewone mensen allang wisten wat er mis was. Grootspraak, hebzucht en onverschilligheid. Marktdogmatisme als dekmantel voor een egomaan kapitalisme. Sociale samenhang achterhaald verklaard, net als ‘het milieu’. Het economisch neo-liberalisme verhief financi?le gegevens tot d? prestatierneter. En wij pikten het.
De auto, ooit een kenmerk van vooruitgang, werd een monu- ment van stilstand. Detroit verhulde jarenlang zijn gebrek aan industri?le fantasie met de suv; de PC Hooft-kruiser werd hier een agressief-snobistisch symbool van onverschilligheid. Ook opkomende landen verbruiken steeds meer schaarse grondstoffen. Wat overblijft gaat nog steeds over de schutting. In 1972 zei de Club van Rome al dat er ‘grenzen aan de groei’ waren. Meer dan actueel gezien de herontdekkingvan waarden die gaande is.
De soevereine staat, door de financi?le paniek weer vluchtig populair, moet zichzelf opnieuw bewijzen. Jaren gehoond om zijn ambtelijke traagheid vocht het duo politiek en bestuur terug met beloftes van bedrijfsmatige efficiency die hun ingebouwde mislukking overschreeuwden met nog flitsender pretenties. De burger als klant en klager, de werknemer een kosten- en lastpost. In beide rollen worden we gereduceerd tot ballast.
Materi?le welvaart ?n onbehagen – dat is onze gemoedspendule in een post-ideologische wereld. Ieder jaar meer kunnen kopen voelt niet goed als de thuiszorg voor je ogen wordt afgebroken. In veel Westerse landen voltrok zich eenzelfde ontwikkeling, met andere voorbeelden. Amerikanen verloren hun baan, maar konden meer lenen om de producten die zij vroeger maakten goedkoper uit China te importeren. Zij leefden boven hun stand, met drie creditcards en een hypotheek-op-drijfzand.
Bemard Madoff, de oplichter van de eeuw, gaf met zijn piramide-beleggingsfonds een perfecte parodie op de financi?le sector die de crisis deed ontvlammen: ondoorzichtig en vol spreadsheetfantasmen. Zelfs de gepolijste bankiers die speciale fondsen oprichtten om honderden miljoenen naar Madoffs bodemloze put te sluizen kregen geen inzage in zijn boekhouding. En zij zwegen zolang de rendementsballon thermiek had. Het werd steeds gewoner: oplichting en derivaten van oplichting.
Kredietbeoordelaars en accountants laten zich betalen door de firma’s wier gezondheid en eerlijke financi?le berichtgeving zij moeten bevestigen. In een aantal gevallen zijn zij medeplichtigen van de hoofddaders. Toezichthouders wereldwijd zijn daders noch medeplichtigen, maar uit de feiten is niet af te leiden dat zij voldoende hebben gedaan waar zij voor zijn: streng toezien op een integer financieel systeem en eerlijke markten. In het Amerika van George W. Bush was hun falen bijna een ideologische instructie, in West-Europa schoten kennelijk inzicht en wilskracht tekort.
Zo kon een financi?le tulpenmanie groeien die werd verkocht met allengs verdachter geurende begrippen als aandeelhouderswaarde, risk management, leveraged buy out en credit default swaps.

163. Tegelijk moesten gelijkere kansen voor minder bevoorrechte milieus worden afgedwongen. Wie kon dat beter dan de over- heid? De ene na de andere bewindspersoon ging aan de slag. Minder autoritaire onderwijsmethoden en bezuinigingen lagen wonderwel in elkaars verlengde. De output moest omhoog, dus gingen de normen omlaag. Iedereen doctorandus, heb ik dat wel eens genoemd. Ook al weer achterhaald. Goede bedoelingen zijn niet genoeg.

199. De hele Betuweroute was toch goed voor de werkgelegenheid? Om steenkool naar Oostenrijk te rijden heb je niet veel Nederlandse handen nodig. Zo zijn er wel meer problemen te bedenken waarvoor de Betuweroute de ideale oplossing was.
Het vervelende is dat dit land kennelijk het publieke raffinement mist om zich internationaal te ori?nteren op hoe je zoiets doet, hoe je een probleem definieert, hoe je de beste alternatieve oplossingen verzamelt, hoe je tot een afweging komt, hoe je het best lijkende plan optuigt en financiert en hoe je het gekozen project zo beheert dat je kan bijsturen en profiteren van nieuwe ontwikkelingen.
Bij de Zuiderzeelijn, ook zo’n Tramlijn Begeerte, in dit geval vooral politiek afgedwongen, is men wel tijdig opnieuw gaan denken. Dat blijft nodig bij de Betuweroute. Hoe lang subsidieren? Waneer komt het moment er een pretpark van te maken? Heel Duitsland komt kijken. Denk eens aan de hotel- en horeca- banen die dat genereert.

231. In Nederland is een strijd gaande tussen beroepsbeoefenaarsen bestuurders, mensen die wat kunnen en de maatschappijkneders. Bij de politie gaan de seruize stakingsactiesover geld ?n over waardering. Vergelijkbare breed gevoelde vormen van onbehagen zijn ook te zien in het onderwijs – van basisschool tot universiteit – en in de zorg – van thuiszorg, huisartsen, psychologen tot verpleegkundigen en medisch specialisten.
Het kabinet-Balkenende IV wilde professionals weer hun plaats geven. Minister Plasterk zei het eerder bij Beter Onderwijs Nederland en onlangs gaf hij als bewijs zijn zegen aan een voorzitter van de Publieke Omroep uit omroepkring – geen tweedehands politicus zoals meestal. Maar de regelpretentie is epidemisch. Gratis schoolboeken. Zorgmakelaars. Een kaste van maatschappijmonteursrolt over Nederland een laag van dwingende regelsystemen uit. Zij werken bij ministeries en adviesbureaus en delen een na?ef vertrouwen in de maakbaarheid van menselijk gedrag en de alkunde van informatisering.
Kijk voor de grap eens naar het dwingende padvindersproza op verwijsindex.nl. Daar wordt meegedeeld: ‘Informatie-uitwisseling in de jeugdketen vormt een probleem. Organisaties werken soms langs elkaar heen en delen informatie over jongeren onvoldoende.’
De jeugdketen. Dat wist u niet, maar die bestaat. Alleen werken de organisaties langs elkaar heen. Soms. In het weekeinde kunnen zij de politie niet helpen. ‘De Verwijsindex is een initiatief van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin.’ Het virtuele ministerie van Andr? Rouvoet, die van het elektronische kinddossier, weeft een web van waarneminkjes over jongeren. Hoe geldig die indrukken zijn, wie er naar kijken mag, wat er mee gebeurt, dat regelen we later.
De maatschappijknedersbestellen enorme systemen om uw probleem voor altijd te regelen. Jeugd, thuiszorg, files, ‘uit de pan rijzende kosten van de gezondheidszorg’. Om de benodigde miljoenen te krijgen wordt een markt verzonnen en moet de beroepsgroep even worden gekleineerd.
236. Deze fundamenteel beledigende mechanismen zijn sleutelelementen van het nieuwe zorgstelsel. Dat is al een tijdje geleden ingevoerd, maar in werkelijkheid is het nog in aanbouw. Gelovigen in de zegeningen van de markt verwachten kwaliteits-prijs- wonderen als een groter deel van de zorg wordt opengesteld voor concurrentie. Daar tussendoor wordt een gekrnakende bureaucratische bemoeistructuur opgetuigd. Zie het dbc-drama bij psychiaters en psychotherapeuten.
Als de Kamer lering wil trekken uit twintigjaar voorgekauwde en doorgedrukte onderwijsvernieuwingen, dan is dat moedig en absolute winst. Maar laat die helderheid niet verloren gaan als nu onder hun ogen weer zo’n monstersysteem wordt opgetuigd waar iedere Nederlander gaandeweg meer mee te maken krijgt. Andere Kamercommissie, maar een vergelijkbare mate van pretentie bij de zieners. Dwingelandij gebaseerd op drijfzand – dat is waar de Kamer van af wilde.
Minister Donner sprak wijze woorden toen hij economiestudenten in Rotterdam er op wees dat het gevaarlijk is te doen alsof de overheid een BV is. Dat wekt verwachtingendie niet kunnen worden waargemaakt. En dan ‘faalt’ de overheid weer in de beeldvorming. Hij had er bij kunnen zeggen: zo mogelijk nog gevaarlijker is het wanneer de overheid zich voordoet als een bedrijf ?n de serieus werkende vakman en -vrouw behandelt als een veelpleger die tegen zichzelf moet worden beschermd.

Archief

Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009

7 februari 2010

Joke J. Hermsen Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst. Arbeiderspers 2009

Haar boek opent met een vers van Gerrit Kouwenaar uit ?De tijd staat open? (1996)

Het is laat zoals ieder jaar,
de tijd zit krap in zijn heden,
vandaag is steeds weer geweest
steek dus het licht aan dat de toekomst nog uitspaart,
spreek het brood aan dat nog niet doof is,
maak de taal waar achter zijn tekens,
spel het vlees, stil de tijd, leef nog even –

Joke J. Hermsen heeft met haar werk een aanlokkelijk pleidooi geschreven voor een langzame toekomst, vooral tijdens vakantieweken in midden Itali?, Etruri? rondom de navel van de wereld in het Bolsena meer. Ze doet dat met een aangename eruditie en een verleidelijke stijl. Ze weet moeilijke filosofische begrippen invoelbaar en begrijpelijk te presenteren. Ik heb ervan genoten, zelfs in Rotterdam bij nacht en ontij.
Haar pleidooi nodigt uit tot reflectie bij de lezer. Zo durft ze Ernst Bloch met ‘Das Prinzip Hoffnung’ ruimte te geven om weer illusies te leren hanteren als drijvende kracht tot verandering, ondank de ellende waarin maakbaarheidsideologie?n mensen hebben geleid.

?De belangrijkste functie van de utopie is volgens Bloch dat zij ons in staat stelt te bekritiseren wat er reeds is. Zodra samenlevingen dit vermogen verliezen en de utopie als een gevaarlijke illusie uitbannen, belanden zij op een even gevaarlijk als dood spoor. In een interview uit 1964 met de Duitse filosoof Adorno stelt Bloch dat hij dit zowel voor als achter de Berlijnse Muur heeft waargenomen: beide ideologie?n hebben de hoop verbannen en verstarren op gevaarlijke wijze in hun eigen dogmatiek: ‘Zowel het Oostblok.als de westerse samenlevingen zijn aan boord gegaan van een sinister schip dat elk utopisch verlangen verboden en verbannen heeft.’ (155)
Ernst Bloch: ? Ik ben, maar ik heb mijzelf niet. Daarom word ik.? De meest kenmerkende ervaring van de mens is dus een onvoltooidheid, een niet volledig bij zichzelf thuis zijn en dus een onderweg ?zijn, een voortdurend in wording zijn. (?) De zin van het menselijke bestaan schuilt juist in het wordingsproces zelf. Mens-zijn betekent een voortdurende zelfoverschrijding en verkenning van de mogelijkheden die zich in de duistere kern van onze subjectiviteit schuilhouden. (160).

Ze heeft ook een mooie argumentatie uitgewerkt waarom ook bij de oude Grieken de toekomst herkend werd als achter ons liggend.
Niet alleen de Aymara uit de Andes bleken deze tijdsbeleving te hebben, ook de Oude Grieken hadden een andere visie op de tijd van nu, morgen en vroeger.

20. Niet voor niets stamt het woord ? school? af van het Griekse woord ?schol??, dat ondermeer rust betekent. Pas in rusttoestand, in het interval tussen twee handelingen, kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Pas als we nietsdoen opent zich de ruimte van het denken en van de creativiteit, verschijnselen die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laten sturen of opjagen.

47.Want Bergson had wel degelijk oog voor die tragiek, die hij met name in de vervreemding van de mens ten opzichte van zichzelf zag, en die daarmee ook een gemakkelijke prooi voor manipulatieve, totalitaire doctrines kon worden. Want de mens als een ‘meestentijds van zichzelf vervreemde automaat’, die alleen nog in staat is ‘op praktische wijze op de prikkels uit zijn omgeving’ te reageren is volgens Bergson niet alleen zijn vrijheid maar ook zijn geweten
en menselijkheid kwijt.
De Franse filosoof Merleau-Ponty was een van de weinigen die later openlijk zouden toegeven dat ‘we geen zorgvuldige lezers van Bergson zijn geweest. Hadden we dat wel gedaan, dan zou hij ons dingen geleerd hebben die we nu als de ontdekkingen van de existentialistische filosofie zijn gaan beschouwen.’
Sartres kritiek op de mechanisering van het wereldbeeld door de wetenschap en zijn pleidooi voor de ontwikkeling van een niet objectgericht bewustzijn kan inderdaad met Bergsons denken vergeleken worden, maar zijn idee van vrijheid staat er eerder haaks op. Voor Sartre zijn we immers pas authentiek – of onszelf – als we onze absolute vrijheid op ons nemen. Het bewustzijn van die vrijheid leidt voor Sartre echter onherroepelijk tot angst; niet angst voor iets
specifieks, maar, in de voetsporen van Heidegger, angst voor het niets. Een groter verschil met Bergson is nauwelijks denkbaar. Authenticiteit en vrijheid ontstaan bij hem juist tijdens de schaarse momenten waarop de ervaring van de tijd als duur door de mechanische en onvrije handelingen van het door kloktijd geregeerde ik heen kan breken.

61. We staan, sinds de kwantumfysica, niet alleen voor een grondige herziening van ons wetenschappelijke wereldbeeld, maar ook voor de opgave om een van de meest structurerende principes van ons bestaan – de tijd – te herinterpreteren.
Want we leven niet zozeer in de tijd en we hebben niet alleen veel of weinig tijd, ‘we zijn ook de tijd’, zoals Bergson schreef.
Zoals we over de tijd denken, zo denken we over onszelf. ‘Er zijn twee ervaringen bij de mens die belangrijk zijn’, stelt Ilya Prigogine. ‘Er is de ervaring van de herhaling: de zon die opkomt, de getijden, het repetitieve. Daarop zijn de mechanische en rationele wetten gebaseerd. Maar er is ook de creativiteit
en de drang tot vernieuwing bij de mens. Bergson maakte zo veel indruk op mij, omdat hij stelde dat creativiteit een universele ervaring is en tijd altijd vernieuwing. Einstein zei nog: tijd is illusie. Voor mij (evenals voor Bergson) is tijdrealiteit, Als er een gemeenschappelijk ding is in het universum, dan is het wel tijd. Dus heb je een fysica nodig waarin de tijd een belangrijke rol speelt. We staan nu in zekere zin weer aan het begin in de wetenschap. We weten nu zeker dat het niet de geometrische, statische wereld is die we dachten te zien.

73. Neurowetenschappers als John Eccles en Wilder Penfield betogen, eveneens in overeenstemming met Bergsons gedachtengang, dat de hersenen als een soort ? boodschapper van het bewustzijn? beschouwd moeten worden, als een gecompliceerd orgaan dat bewustzijn registreert, selecteert en doorgeeft.

134. Literatuur richt zich voor Bachmann op datgene wat nog niet gezegd is, op het utopische van de taal, en is daarom altijd in een strijd met het onzegbare verwikkeld. Het onzegbare verwijst enerzijds naar datgene wat er in de naoorlogse tijd allemaal ongezegd bleef en verzwegen werd, en anderzijds
naar datgene waarvoor de tijd nog niet gekomen is. De literatuur moet zich, wil zij iets nieuws kunnen zeggen, op een taal richten die nog niet bestaat en kan in die zin met Ernst Blochs concept van de hoop vergeleken worden, zoals we in
het volgende hoofdstuk zullen zien. Literatuur probeert volgens Bachmann te vertrekken uit de Gaunersprache, waarmee ze de triviale, alledaagse taal bedoelt die de betekenis van de woorden vervlakt en uitholt en waarbinnen de sleetse meningen, stereotiepe uitdrukkingen, clich?s en vooroordelen overheersen.
De literatuur voert strijd tegen deze taal, maar kan dit alleen doen als ze zich daarbij richt op een andere taal: ‘De literatuur dus, hoe dicht ze ook bij de tijd en de gewone taal moet blijven, moet geroemd worden vanwege haar wanhopig
onderweg zijn naar een taal die nog nooit geregeerd heeft, en is alleen daarom roem en hoop van de mensen.’

201. Ook Seneca in zijn De brevitate Vitae ging uit van een toekomst die achter ons ligt, en daarom voor ons niet zichtbaar is. Als die toekomst w?l voor ons lag, dan zouden we wel beter met onze tijd omgaan, zo vermaant hij de lezers. (?) De toekomst dut of dringt van achteren, en het volume of gewicht waarmee ze dat doet zijn de mogelijkheden die nog voor ons in het verschiet liggen.

207. Dit soms tamelijk neurotisch plannen van de toekomst en voortdurend gericht zijn op wat er komen gaat, doet velen van ons westerlingen het nu, het leven bij de dag, vergeten. Volgens Van Hasselt leven de Grieken juist heel erg bij de dag, en vinden ze langer dan een paar dagen vooruitkijken al bijna een
onmogelijke opgave. Ze zijn heel goed in staat bij het uur te leven, zonder zich over welke toekomst dan ook veel zorgen te maken. Dit gaat zelfs zover dat tot voor kort alle Griekse bioscopen de films achter elkaar door draaiden en men op ieder gewenst moment de zaal kon binnengaan en de draad van het verhaal gewoon ergens halverwege oppakte. Het ging om de sc?ne die nu draaide, wat eraan vooraf was gegaan, deed er eigenlijk niet zoveel toe. Met deze carpe-diem-houding, gecombineerd met het zwakke besef van controle over de tijd, bevinden zij zich volgens Van Hasselt op het snijvlak van de oosterse en de westerse cultuur.

Archief

Fotomuseum Antwerpen – Carl De Keyzer ‘Congo (belge)’ en ‘Congo belge en images’ nog tot 16052010

7 februari 2010

Fotomuseum Antwerpen – Carl De Keyzer ‘Congo (belge)’ en ‘Congo belge en images’ nog tot 16052010

De ellende is niet te overzien, zelfs in kleur wordt de schrijnende tegenstelling met de bijna 100 jaar oude fotocollectie uit het Museum van Tervuren niet minder erg.

?Congo (belge)? van Carl De Keyzer is een unieke fotoreeks met historische betekenis, die confronterend is omdat ze zowel vragen oproept bij de manier waarop Belgi? deze kolonisatie architecturaal en urbanistisch heeft ingevuld, als bij de oorzaken van de huidige staat van chaos en verval. Het is het eerste allesomvattende fotografische project dat over Congo gemaakt is.
?Congo Belge en images? vormt de neerslag van een ?ontdekkingsreis? doorheen de immense fotocollecties van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Fotograaf Carl De Keyzer en architectuurhistoricus Johan Lagae kozen bijna 100 zeldzame of nog nooit eerder gepubliceerde foto?s van Belgisch Congo uit de museumarchieven, waarvan het merendeel dateert uit de periode 1885-1908.
De tentoonstelling biedt geen historische overzicht van de fotografie in Belgisch Congo en focust evenmin op de koloniale beeldvorming of het gebruik van foto?s in de koloniale propaganda. Ze plaatst daarentegen de koloniale fotograaf als auteur op de voorgrond. Via actuele reproductietechnieken worden? beelden die stammen uit de vroege periode van de koloniale fotografie hier voor het eerst in hun volle detail getoond.
Door de keuze voor onconventionele beelden die vaak in de archieven verborgen zijn gebleven, biedt ?Congo belge en images? tegelijk ook een blik op een ongekende, complexe koloniale realiteit die ons dwingt het verleden van Belgisch Congo op een andere manier te bekijken.

Juist, ja. Daartoe word je als toeschouwer waarlijk gedwongen.
De ellende is niet te overzien, de chaos peilloos, het gevoel van verlies en miserie onoverzichtelijk.
Je zou nog respect krijgen voor de Kongolese ambtenaar die zich afvraagt waarom de Belgen niet gewoon terugkomen, zij kennen Congo toch beter en vooral gingen zij volgens hem heel wat beter om met de inboorlingen dan de Chinezen die er nu aan zet zijn.
Je zou Karel De Gucht nog gelijk geven als hij verklaart dat de Kongolese elite eerst orde op zaken moet stellen in eigen land voor ze wat dan nog kunnen vragen of eisen.
Je zou monseigneur Van Gheluwe, bisschop van Brugge, nog gelijk geven dat het niet kan dat Afrikaanse priesters in Vlaamse parochies het woord Gods verkondigen omdat ze daardoor als onderdeel van de reeds zeer beperkte intellectuele elite aldaar hun volk en land beroven van een geschoold iemand, zij het dat de scholing zich doorgaans beperkt tot het Woord Gods.
Adembenemende ellende.

Archief

Brugge Poezie in Dubbeltijd – Een ritselende revolutie

7 februari 2010

Brugge Poezie in Dubbeltijd – Een ritselende revolutie

In Brugge kan het goed zijn om je stappen te horen tussen gevels van vergeten dromen en verlaten angsten omdat in een koude waterige zon langs een traject waar nauwelijks toeristenstromen komen, een vers als excuus kan dienen om na een fijne tafeltijd bij Zeno – de voetstappen te volgen van wie ons is voorgegaan.

Zeno, het hoofdpersonage van Marguerite Yourcenars historische roman ?Het hermetisch zwart?, is een arts, alchemist en reiziger, geboren en opgegroeid in het 16e eeuwse Brugge.
Zijn persoon staat voor het ontstaan van het vrije denken.
Zijn zoektocht naar bewustwording, doorheen Europa, en in het bijzonder in de alchemie oversteeg het toenmalig erkende normbesef.
Dit huis staat op haar beurt voor een zoektocht naar smaken, producten en bereidingen die door hun alchemistisch proces het gewone naar het buitengewone laten evolueren.
In vrijheid van geest creatief omgaan met de materie is het doel.

Voorwaar een boeiende opening voor een culinaire reis.

In haar ?Carnets de Note de L?Oeuvre au Noir? schrijft Yourcenar: ?In 1971 ben ik in de straten van Brugge alle gangen van Zeno nog eens nagegaan (?) Ochtendwandelingen, een hele aprilmaand lang, soms in de zon, vaker in nevel of motregen. En met mij Valentine, het mooie, lieve, blonde wezen, dat krachtig blafte tegen de paarden (wat ik haar belette), dat vrolijk over de binnenplaats van Gruuthuse rende, dat in de tuin van het Begijnhof rondsprong tussen de narcissen ? en nu (zes maanden later, 3 oktober 1971) even dood als Idelette, als Zeno, als Hilzonde.
Yourcenar hield ook heel veel van de buurt rond de Sint-Annakerk en de Jeruzalemkerk, die gewijd was aan de Heilige Elisabeth van Hongarije die ze als kind had uitgebeeld in de processie op de Zwarteberg. Bij zijn vertrek uit Brugge vraagt Zeno aan Wivine die bij haar oom, pastoor van de Heilig Kruiskerk van Jeruzalem te Brugge, woont om een bundel te maken van zijn schriften om ze naar Jean Myers te brengen.

?Deze buurt is nu ook in de wandeling van Gwy Mandelinck voor ‘Een ritselende revolutie’ opgenomen en ten uitzonderlijken titel is de Jeruzalemkerk deze keer wel toegankelijk en zeer de moeite.

Bij het Gezellemuseum is het goed ‘Dien avond en die rooze’ te kunnen beluisteren voor Eugeen Van Oye.
In de Sint Annakerk gaat de prins van de Nederlandse dichters verder ? ‘k Hoorde zo geerne de veugelkens schufelen.
De O.L.V. Ter Potterie kerk met Bart Moeyaert, Jozef Deleu en Dirk van Bastelaere is zeer de moeite, niet alleen om de verzen en het belendende Hospitaalmuseum met de Alzeheimerblues van Erwin Mortier en Dirk Roofthooft die Moedermomenten van Sylvie Marie leest.

Archief

Bozar – El Greco – Domenikos Theotokopoulos 1900 – El Cubismo Museum van Elsene

7 februari 2010

Bozar – El Greco – Domenikos Theotokopoulos 1900

Nog tot 09052010 in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel is het fenomenaal visitekaartje te zien van het Spaanse voorzitterschap van de EU: El Greco.
Hij was een kunstenaar die leefde en werkte op grenzen – vanuit de Kretenzische Renaissance naar Veneti?, Rome en Toledo.
Zo kon hij een unieke stijl ontwikkelen die door zijn tijdgenoten niet altijd gewaardeerd werd, ondanks een fenomenaal commercieel inzicht.
Zijn mani?risme en kleurgebruik onthulde teveel van het schimmenspel achter de religieuze en profane kamerschermen van de macht.
Zo beeldt hij op ?El caballero de la Mano en el Pecho? vermoedelijk Juan de Silva uit, markies van Montemayor en notario mayor van Toledo.
In zijn portretten weet hij oneindig veel beter dan toen gebruikelijk was bij de picturale toppers het karakter te suggereren van de afgebeelde personen.
Hij slaagt erin een indringende driehoeksverhouding te realiseren tussen het personage, de toeschouwer en de schilder.
Voor vele door hem geschilderde machtigen was dit ongetwijfeld een moeilijke confrontatie.
De markies van Montemayor wordt gekonterfeit als het ideaalbeeld van de katholieke edelman, in het teken van trouw – die borg kan staan voor al het geld en de macht die hem wordt toevertrouwd – waar iedere toeschouwer ?n hijzelf goed weet dat in deze pose, kleding en zwaard meer te verbergen dan te betekenen hebben.
Dat de Spaanse Grandes en prelaten bij de unieke en onthullende combinatie van iconenkunst, chiaroscuro, kleurenspel en mani?risme een onbehaaglijk gevoel hadden, is dus niet verwonderlijk. Zijn altaarstukken en wedstrijdopdrachten voor het hof werden met zoveel argwaan bestudeerd door de zeer eerwaarde, geleerde en hoogedelgeboren juryleden, dat hij telkens buiten de boot viel als offici?le schilder van de macht.
Toch slaagde hij erin een commercieel atelier op te richten dat hem en zijn familie ruim economische succes opleverde.
Door de vergelijking van de portretten van o.m. Diego de Covarrubias met die van tijdgenoten is de tentoonstelling ook didactisch boeiend voor de moderne westerse ontwikkeling van de portretkunst en de invloed van El Greco hierop.
De discussies over het afbeelden van het menselijke portret in “>?Ik heet Karmozijn? van Nobelprijswinnaar literatuur Orhan Pamuk is bij de schilderijen van El Greco te volgen:
?De Italiaanse meester had de Venetiaanse edelman zo afgebeeld, dat je meteen kon zien dat hij het was en niemand anders. Als je die man nooit gezien had en men vroeg je hem te vinden, dan zou je hem dankzij dat schilderij, onmiddellijk herkennen in een menigte van duizenden mensen. De Italiaanse meesters hadden een stijl en vaardigheid ontwikkeld waarmee je onverschillig welke man kon onderscheiden van ieder ander, niet dankzij zijn kleding en onderscheidingstekenen, maar dankzij zijn gezicht. Een portret noemen ze dat. ?Als je gezicht op zo?n manier wordt afgebeeld, al is het maar een keer, vergeet niemand je meer. Iemand die naar een afbeelding van jou kijkt voelt je in zijn nabijheid, al ben je nog zo ver weg. Ook iemand die je nooit in levende lijvige gezien heeft, kan, jaren na je dood, oog in oog met je komen, alsof je tegenover hem staat.? Orhan Pamuk, Ik heet Karmozijn ? uitg. Arbeiderspers (39-40)

De catalogus is een schitterend handwerk, vooral omdat door Ana Carmen Lav?n Berdonces zonder taboes wordt ingegaan op de historische betekenis van El Greco en de constructie van de mythe rond hem in Toledo bij de vorige eeuwwisseling. Deze mythe zou later passen in de offici?le cultuurpolitiek en een ferme aanzet geven tot cultuurtoerisme aan het einde van de XIX de eeuw. Met Primo de Riveira en Franco werd de Toledaan ingepast in het conservatieve nationalisme dat een loden deken over Spanje zou spreiden.

Wie was El Greco voor de meeste mensen? Een sombere, donkere,groene, blauwe, gele schilder bij wie het blote vlees lijkt op dat van de doden en het rode vernis, stolsels van pas geronnen bloed…? Emilio Pardo Barz?n.

El Greco 2 El Cubismo Elsene

Categorie: Actualiteit | Reageren uitgeschakeld