Archief

Francis Bacon: ????? ??????? - paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.
Francis Bacon: ????? ??????? – paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.

Francis Bacon: ????? ??????? - paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.
Francis Bacon: ????? ??????? – paus peinzend over woorden en wandaden van prelaten, priesters, broeders en proselieten.
Francis Bacon: De eenzaamheid van de macht wanneer iedereen lacht.
Francis Bacon: Innocentius X als Impotentius: De schreeuw
Ratzinger schreeuwt zijn eigen onschuld geluidloos uit met oorverdovend zwijgen, wanneer de vermeende onschuldigen het herderlijke schenden uitschreeuwen.
Innocentius X door Diego Velázquez
Alles op deze aarde is een maskerade, maar God heeft bepaald dat de komedie nu eenmaal zo gespeeld moet worden.
Erasmus, Lof der Zotheid
Het nepotisme van Innocentius X maakte hem tot een een schitterende maffia baas. En naar goede Pamphilij traditie lag hij als Gianbattista onder de sloef van zijn schoonzuster Olimpia Moridalchini. Eens dood weigerde zij echter voor zijn begrafenis af te dokken en lag hij drie dagen te stinken voor hij werd afgevoerd en naar as wederkeerde. http://www.doriapamphilj.it/ukhome.asp
Musée Matisse Le Cateau Cambrésis – Lydia D. muse et modèle de Matisse
In een onooglijk stadje in Noord Frankrijk, op anderhalf uur van Brussel, presenteert dit prachtig museum de schitterende tentoonstelling over en door Lydia Delectorskaya.
De jonge Russische vluchtelinge was na de dood van haar ouders in Tomsk met een tante naar Harbin gevlucht in Noord-Oost China waar ze voor de Japanse invasie wisten te ontkomen naar Parijs. Lydia trok naar het warme zuiden en zocht klusjes want geregeld werk mochten vluchtelingen niet ambiëren in Frankrijk.
Mevrouw Matisse was intussen ziek en zuchtig in Nice en bij haar kon ze aan de slag als hulp. Na een jaar of wat viel haar peinzende houding op een stoelleuning de dan al behoorlijk bejaarde schilder Henri Matisse op.
Wellicht viel hij voor de arabesken van haar arm en aangezicht. En ze verhuisde met haar Slavisch uiterlijk en blonde haren van het boudoir van mevrouw naar het atelier van meneer. Hoegenaamd niet conform de voorkeur van de schilder voor donkerharige, getinte odalisken.
Matisse was net aan een nieuw hoofdstuk van zijn lang en vruchtbaar leven begonnen en vond in de arabesken van zijn schildershulpje
nieuwe inspiratie.
Anne-Maya GUERIN wist ons als gids van het Musée Matisse op een indringende rondleiding de krullen te duiden waarlangs het werk van Matisse in kleurvlakken en lijnen onthuld wordt.
De bejaarde en bijziende schilder gebruikte uren poseren om alsmaar dieper in zijn model
door te dringen terwijl hij tal van schetsen als een vingerspel oefende.
Daarna tekende hij in enkele trekken een portret waarin de asymmetrie van het gelaat – volgens hem het meest kenmerkende van ieder individu – als essentie te voorschijn kwam.
Mevrouw Matisse stond er echter op dat zijn nieuwe model werd bedankt voor bewezen diensten. Wat de oude schilder dan ook met pijn in het hart aan het papier van haar ontslagbrief toevertrouwde als een gunstige aanbeveling voor eventuele nieuwe werkgevers.
Wanneer Lydia Delectorskaya goed en wel uit Huize Matisse was verdwenen, pakte mevrouw haar koffers voor Parijs om pas in hun gezamenlijk graf nabij Nice-Cimiez terug te keren.
De oude schilder zou in de laatste jaren van zijn leven nog de Dominicanessen kapel van Vence decoreren op verzoek van zijn vroegere verpleegster die na haar zorg voor de aan darmkanker lijdende schilder in het klooster was getreden.
Voor Matisse was schilderen niet toevoegen, wel altijd meer weglaten.
Het leidde hem tot zijn fenomenale ‘papiers découpés’
waar hij tekende met de schaar, tot een monumentaal behoedzaam lijnenspel, met of zonder kleurvlakken
voor de scherpte-diepte illusie van een driedimensionele gewaarwording.
Zelden werd ons als bezoekers zo indringend duidelijk gemaakt hoe een kunstenaar door zijn interpretaties van menselijke aangezichten, met of zonder lijf en leden,
een pakkende werkelijkheid weet te ontbloten.
Zijn techniek en benadering heeft iets van de Chinese kalligrafen-schilders die pas de penseeltrekken plaatsen wanneer ze het hele opzet van hun werk geïnternaliseerd hebben en in hun hoofd weten te herleiden tot de essentiële lijnen en vlekken.
Anne-Maya GUERIN leidt tot slot haar bezoekers in de inleidende zaal voor de ode aan de tedere relatie tussen de oude kunstenaar en zijn jonge muze. Ze kreeg van hem jaarlijks een tekening met nieuwjaar en op haar verjaardag. Ze kocht werk met haar matig loon aan marktprijzen. Ze bestond het alle werken die ze tijdens de jaren met de schilder van hem had kunnen verwerven aan de Russische musea van Leningrad en Moskou te schenken. Na de dood van Henri Matisse een van de drijvende krachten achter het museum in Le Catenau Cambrésis dat in het oude Paleis van de Kamerijkse aartsbisschop Fénelon lust en passage brengt in zijn zeer oude maar versleten geboortestreek. Ze vertaalde later zowat het hele oeuvre van Konstantin Paustovski – waaronder zijn ‘Geschiedenis van een leven’ – in het Frans.
Tot 30 mei nog in het Musée Matisse in Le Cateau-Cambrésis.
Van 18 juni tot 27 september in het Musée Matisse in Nice.
Theodore Dalrymple, Profeten en charlatans. Hoe schrijvers ons de wereld laten zien. Nieuw Amsterdam 2009.
Deze keer duurde het even eer de Engelse psychiater-essayist Anthony Daniels mij als Theodore Dalrymple kon overtuigen van de nieuwe en boeiende benadering van zijn gekende verhaal. Het duurde bij mij toch bijna tot de helft van zijn ‘Profeten en charlatans’ eer hij mij weer eens goed te pakken had. Aan de hand van zijn erudiete analyse van de wereldliteratuur helpt hij de lezer op wankele benen. Hij noodt hen vaak op de knieën. In feite is dit boek een schitterend pleidooi voor de noodzaak van literatuur om het menselijke tekort te leren kennen en te leren troosten.
Met zijn hoofdstuk ‘Wat de nieuwe atheïsten niet begrijpen’ ontleedt hij met een scherpe maar ook tedere dissectie het religieuze taalgebruik van atheistische filosofen zoals Daniel Dennett, Michel Onfray en Sam Harris en Richard Dawkins. Dalrymple weet nog eens mooi te formuleren waarom Marx godsdienst kon omschrijven als opium voor en van het volk.
‘Als je de religie betreurt betekent dat in feite dat je onze beschaving en haar monumenten, verworvenheden en erfgoed betreurt. En naar mijn mening kan de afwezigheid van religieus geloof, vooropgesteld dat dat geloof niet moorddadig onverdraagzaam is, zeer nadelige gevolgen hebben voor het karakter en de persoonlijkheid van de mens. Als je de wereld ontdoet van haar doel, en alleen de wrede feiten laat bestaan, ontdoe je die wereld (voor veel mensen in elk geval) van redenen tot dankbaarheid, en een gevoel
van dankbaarheid is zowel voor het geluk als voor het fatsoen noodzakelijk.’ (229)
Hij gaat met ‘In het gesticht’ ook tekeer tegen Michel Foucault en de antipsychiatrie:
‘Dergelijke ideeën maakten de weg vrij voor een ondoordachte, gehaaste deïnstitutionalisering van de geesteszieken. Dankzij effectieve behandelmethodes namen de aantallen mensen die voor institutionalisering in aanmerking kwamen toch al af; politici hoopten door deïnstitutionalisering geld te kunnen besparen en toonden zich maar al te bereid om te geloven dat geesteszieke mensen vrijwel geheel zonder instellingen konden worden behandeld; en ten slotte nam ook de kritiek à la Foucault – dat de samenleving niet het recht had om de bewegingsvrijheid van krankzinnigen in te perken – bezit van het algemene bewustzijn. Krankzinnigen hadden het recht om over straat te zwerven, en andere burgers hadden de plicht om zich dat te laten welgevallen’’ (103).
Dat hij een meester is in het analyseren van de zelfbegoocheling bij mensen in moeilijkheden, wisten we al uit zijn vorige boeken:
Maar hier heeft hij weer extra actualiteitswaarde met :
‘Wanneer je, iets wat mij verschillende keren is overkomen, hoort hoe een man in de laatste stadia van levercirrose in alle toonaarden ontkent, zoals hij de afgelopen twintig jaar steeds heeft gedaan, dat hij ooit een druppel van het goedje heeft genuttigd, en daarbij de indruk wekt dat hij meent wat hij zegt en vol argeloosheid en met gekrenkte eergevoelens reageert als hij niet wordt geloofd, dan onderschat je de macht van het menselijke zelfbedrog niet zo snel meer. En al evenmin als je een moordenaar in de volgende bewoordingen over zijn daad hoort vertellen, waarbij hij er duidelijk van uitgaat dat de toehoorder moet geloven dat ze de letterlijke waarheid zijn:
‘Er ontstond een gevecht, ineens was er een wapen, dat pakte ik toevallig, en het ging af.’ Zelfbedrog is voor de eigenliefde wat de persoonlijke lijfwacht is voor de beroemdheid, en het is de belangrijkste oorzaak van de narigheid in de wereld.’ (162)
Als erudiet mensenkenner is Dalrymple vaak heerlijk lezen.
Zijn benadering van Shakespeare, Tolstoi en Tsjechov is boeiend.
De Belgische sinoloog Simon Leys laat hem evenmin onberoerd waar deze een scène beschrijft in een café waar iedereen aan het kletsen, kaarten of drinken was met muzak op de radio. Plots klinken de tonen van Mozarts klarinetconcert waardoor volgens SImon Leys het banale café de allures lijkt aan te nemen van een voorhof van het paradijs. Iedereen valt stil en lijkt gegrepen door de klarinetmuziek. Tot een van hen opstaat en op een andere zender radiomuzak weet terug te vinden. Er ging een gevoel van opluchting door het café. Iedereen leek te beseffen dat het raffinement en de schoonheid van Mozarts muziek een verwijt was aan hun eigenste leven dat ze enkel konden keren door Mozarts muziek te verwijderen.
Dalrymple trapt vele heilige huisjes om, maar doet het vaak met liefde en omzichtigheid.
Hij wil graag zijn lezers bruskeren door premissen en opgebouwde, aangeleerde of zelfverzonnen waarheden in vraag te stellen.
Soms gaat hij er ook al te enthousiast tot grof en zelfs giftig tegenaan.
De manier waarop hij Khalil Gibran ontmaskert als valse profeet is echter briljant.
Carl Gustav Jung wegzetten als de Madame Blavatsky van de psychotherapie was ook een van de betere hoofdstukken.
Al bij al weer een Dalrymple om te lezen en te herlezen.
Orhan Pamuk, Het Museum van de onschuld. AP 2009
Orhan schreef met zijn Museum een cultuurmonument voor zijn stad, dé stad, ‘Eis tein polein’. In 2010 Europese Culturele hoofdstad.
Hij doet het voorzichtig, besmuikt, met passie en gène, met liefde en tederheid. Hij leidt je vrolijk in een wentelende dans binnen een helder gesluierd liefdesverhaal, onmogelijk en toch reëel. Hij probeert de tijd te doen vergeten. Want dat is de grootste troost die het leven kan bieden, het gevoel voor lineaire tijd kunnen vergeten. We vinden troost ‘als de tijd er niet is’. De tijd is bedrieglijk, de tijd is aan verandering onderhevig, er is een officiële tijd, een eigen tijd en een ‘tijd van buiten’. Maar wie het gevoel heeft dat de tijd stil staat, heeft de prettige indruk dat ‘alles tot in de oneindigheid’ blijft bestaan, wat ons een geruststellend gevoel biedt, ‘van geborgenheid, van continuïteit’.
‘À la recherche du temps perdu’, Marcel Proust in Istanbul.
Orhan Pamuk leidt je vaardig in een leven van de nieuwe rijken in Istanbul, een cultuuromslag op de grens tussen oost en west, tussen grootstad en platteland, tussen nieuw en oud, tegen een achtergrond van de gewelddadige gevechten en staatsgrepen in het Turkije van de jaren zeventig.
Het ‘Museum’ lezen is een heerlijk langdurige belevenis, een niet eindigende film, een nauwelijks te stuiten verzameling van voorwerpen: zuiver fetisjisme, maar dan zo uitvergroot dat het voor alle verzamelaars en collectioneurs kan staan. Een niet aflatend verlangen naar erotische spanning zoals bij een kleine jongen en zijn eenzame moeder, in erkers en op divans, slaap- en badkamers, cafés en restaurant, openlucht en overdekte bioscopen.
Het ‘Museum van de onschuld’ lezen is geen vluggertje. Al verleidt de Nobelprijswinnaar je telkens weer met poëzie (zijn ‘Soms’ – hoofdstuk is meesterlijk), erotiek, gesprekken, smaken, geuren, geluiden. Het is een verfijnd spel van veinzen en doen alsof, van mannentwijfel en vrouwenvertedering, van verstrooide wijsheden, en vooral van onmacht, de schoonheid van onmacht.
Orhan Pamuk is een liefdevol schrijver omdat hij de verloren tijd voor zichzelf en voor ons heeft teruggevonden.
http://www.vn.nl/Standaard-media-pagina/HetMuseumVanDeOnschuldOrhanPamuk.htm
http://www.nrcboeken.nl/recensie/smachten-naar-wat-niet-bestaat
http://www.nrcboeken.nl/recensie/pamuk-schreef-een-kloeke-roman-over-begeerte-in-een-kleine-en-grote-context
http://gerbrand.nl/orhan_pamuk_the_museum_of_innocence_interview_reading
http://www.gerbrand.nl/orhan_pamuk_the_museum_of_innocence_interview_reading
410.De betekenis van het elkaar aankijken in een maatschappij als de onze waar mannen en vrouwen elkaar buiten de familie om nauwelijks kunnen leren kennen of met elkaar kunnen afspreken, drong pas laat tot me door – misschien ook omdat ik een deel van mijn jeugd in Amerika had doorgebracht. Pas na mijn dertigste begreep ik het, dankzij Füsun… Maar ik besefte heel goed wat de waarde ervan was, en voelde steeds hoe diep het kon gaan. Füsun keek precies zo naar me als vrouwen op Iraanse miniaturen, of als vrouwen in fotoromans en filmscènes.
411. De vage wereld tussen voelen en verbeelden was een tweede grote ontdekking die ik gewaarwerd terwijl ik dank zij Füsun de subtiele kneepjes van de kijkkunst leerde. Blikken uitwisselen, dat was natuurlijk de methode om jezelf woordeloos, alleen met je ogen, uit te drukken aan degene die tegenover je zat. Maar wat je precies uitdrukte, en wat de ander er precies van begreep bleef altijd gehuld in een vaagheid die niet onaangenaam was.
412. ‘ Als u een mooie vrouw ziet lopen, kijk haar dan niet zo strak aan alsof u haar wilt vermoorden.’ (…) Sibel had me vaak verteld hoe hinderlijk mannen waren die van het platteland naar Istanbul waren getrokken en een mooie vrouw met onbedekt hoofd, voorzien van make up en lippenstift, ongegeneerd en onophoudelijk stonden aan te gapen.
463. Ik vond het heerlijk om die ‘doen-alsof’- rituelen te observeren, die ingewikkelde subtiele gedragingen waar antropologen meestal niets van begrijpen. ik vond de ‘doen-alsof’-cultuur geenszins hypocriet.
524. Mijn moeder merkte dat ik niet onder de indruk was geraakt van haar woorden en werd boos. ‘ In een land waar mannen en vrouwen niet bij elkaar kunnen komen, elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar spreken, daar kan geen liefde bestaan’, zei ze op stellige toon. ‘En weet je waarom? Omdat mannen, zodra ze maar een geschikte vrouw bespeuren, meteen boven op haar springen als een beest dat wekenlang honger heeft geleden, of ze nu mooi of lelijk, goed of slecht is. Zo zijn ze at allemaal gewend. En dan denken ze dat het liefde is. Hoe kan er in zo’n oord nu liefde ontstaan? Houd jezelf alsjeblieft niet voor de gek.’