Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Peter De Graeve: Belgi? is geen consensusdemocratie maar een opiumdemocratie.

30 april 2010

De Stadaard Opinie 28042010

Opiumdemocratie
BELGI? IS GEEN CONSENSUSDEMOCRATIE

Een democratie waar onopgeloste conflicten tot in de eeuwigheid meegesleept worden, is geen consensusdemocratie, zoals Luc Huyse Belgi? noemt, maar juist het tegenovergestelde, zegt PETER DE GRAEVE.
Het wordt in Belgi? steeds onduidelijker welke lading de vlag ?democratie’ nog dekt. De moeite die Luc Huyse zich getroost om op dit punt de verwarde geesten te verlichten (DS 23 april) kan mij niet overtuigen. Zijn goedbedoelde poging om Belgi? als een ?consensusdemocratie’ te typeren is niet alleen historisch incorrect. De kern van zijn betoog, namelijk de tegenstelling tussen consensus en meerderheid lijkt mij, vanuit hedendaags democratisch standpunt, ook ronduit nonsensicaal. Huyse redeneert hier op z’n Belgisch, dat wil zeggen krom. En als zo’n wijze analist al met splinters in het politieke brein zit, hoeveel balken zijn er dan niet in onze eigen, veel simpeler hersenen?

Paradoxaal separatisme

Niet dat Luc Huyse de bal volledig misslaat. Hij heeft een punt wanneer hij zegt dat de verbinding tussen ?meerderheidsdemocratie’ en (het streven naar) ?separatisme’ een riskant idee is, zeker in het huidige Europa. Je meerderheid gebruiken om, in naam van een gehavende democratie, de onafhankelijkheid uit te roepen, is minstens paradoxaal. Waarom die meerderheid niet gewoon gebruiken om de democratie op het juiste spoor te zetten? Ook mijn buitenlandse vrienden begrijpen niet dat in dit democratische tijdperk een meerderheid zich zou afscheuren van de democratie waarin zij de meerderheid vormt? Als je het zo leest, is het inderdaad absurd. De meerderheidslogica die separatisten desgevallend willen gebruiken, zou Europa op zijn beurt kunnen hanteren om de grenzen van Brussel te hertekenen.

De kromme logica zit elders. Belgi? een consensusdemocratie noemen is kort door de bocht. Het veronderstelt dat het democratisch karakter van dit land niet ter discussie staat, en dat de vermeende democratie een lange traditie heeft met consensuspraktijken. Beide punten zijn betwistbaar. In politiek opzicht is Belgi? veeleer een pacificatiemodel, waar gepoogd wordt om met ingewikkelde akkoorden, onderhandeld op schimmige plekken door ge?soleerde elites, de voortdurend heroplevende fundamentele conflicten tot bedaren te brengen. Deze conflicten zijn onoplosbaar, niet omdat de wil tot consensus niet zou bestaan (die is soms eindeloos, alvast aan Vlaamse kant), maar precies omdat de grond voor de duurzaamheid van het vergelijk, de democratie, met elk Belgisch compromis verder wordt vergiftigd.

Germaanse rechten

Huyse verwijst naar Zwitserland en Noord-Ierland als alternatieve modellen. Ik wil zelf een andere vergelijking maken. Neem de EU, een consensusdemocratie (in wording), en neem twee lidstaten, Duitsland en Nederland, eveneens consensusdemocratie?n. In alle drie de democratie?n gaan meerderheidsregel en consensusmodel perfect samen. Nederland en Duitsland leven vandaag ook onderling in goede verstandhouding, omdat er tussen beide een grens loopt. Die grens symboliseert niet langer een strikte scheiding, maar de over- en doorgang tussen beide. Er is geen betwist gebied, niet in Nederland, niet in Duitsland, waar een van beide landen de burgers van het buurland voortdurend uitdaagt om hun consensusbereidheid in de praktijk aan te tonen. Als een Nederlander er in Maastricht op staat Nederlands te spreken is hij daarom geen ?geweldloze fascist’ (verfijnd concept van de Belgische compromissenkampioen Mangain). En Angela Merkel zal het niet gauw in haar hoofd halen om bij haar collega Balkenende het tastbare bewijs van Nederlands geloof in Europa te eisen door de Duitssprekenden in de Maastrichtse Rand Germaanse rechten toe te kennen. Doordat ze elkaar niet tot een voortdurende, politiek afmattende bewijsvoering van de eigen consensusbereidheid dwingen, kunnen Nederland en Duitsland elkaar verstaan, en is een re?le verstandhouding mogelijk. Conflicten kunnen dus opgelost worden, anders gezegd, er is consensus mogelijk, omdat er niet voortdurend politieke intentieprocessen worden gevoerd. In Belgi? is net het tegenovergestelde het geval. Belgi? is bijgevolg het tegendeel van een consensusdemocratie.

De visie van Huyse (en vele anderen) over de zogenaamde Belgische consensusdemocratie brengt de vertroebelde geesten nog meer in verwarring. In de eerste plaats zijn eigen geest. Zo heeft Huyse de kern gemist van wat er vorige donderdag is gebeurd. Ja, misschien handelde Alexander De Croo intu?tief en impulsief. Maar dat neemt niet weg dat zijn beslissing, hopelijk, de toon heeft gezet voor een nieuwe politieke logica. De jonge voorzitter toonde ons, heel even, de keerzijde van de fameuze ?vijf minuten politieke moed’. Als die vijf minuten inderdaad onhaalbaar zijn (wat alvast de voorbije drie jaar is bewezen), dan volgt daaruit niet noodzakelijk de onvermijdelijkheid van een Belgisch compromis. Het kan ook betekenen dat je er, zoals De Croo donderdag, uit besluit dat het eindeloze gesjacher met consensus en consensusbereidheid even??ns onhaalbaar is, of democratisch onfatsoenlijk.

Cynisme van Verhofstadt

Met zijn actie heeft Alexander De Croo de essentie van de Belgische regimecrisis blootgelegd, namelijk de afwezigheid van een volgroeide, hedendaagse democratische consensus op basis waarvan een vreedzaam samenleven mogelijk is. Zolang Vlamingen gedwongen worden hun consensusbereidheid te bewijzen (door geen deadline te stellen, door allerlei compensaties voor de splitsing te aanvaarden) is de democratie hier per definitie buiten werking gesteld. De tegenpartij kan immers, tot bewijs van het absurde tegendeel, ongestraft doen alsof ze niet gelooft in de democratische gezindheid van de ander. Die perverse logica heeft De Croo donderdag ontbloot en ontmanteld. Voor dat ene democratische moment mogen we hem dankbaar zijn. Het verheft zijn verzet hoog boven het veto dat Geert Lambert in 2005 uitsprak aan de onderhandelingstafel, en nog hoger boven het politieke cynisme van zijn partijgenoot Verhofstadt.

En nu? Tja, nu? Mijn vrees is dat een waarlijk democratisch moment als dat van vorige donderdag in een weinig democratische staat als de onze geen lang leven beschoren is. Alexander De Croo moet flink geschrokken zijn van de hevige reacties van alle luitenanten in de Kroonorde van het Compromis. Ik had met hem te doen, daar bij Phara, in zijn schimmengevecht met die andere, inmiddels hoogbejaarde zoon van een beroemde Belgische stamvader. Hij heeft ze gehad, zijn vijf minuten democratische roem, tot Albert II de kamervoorzitter tot zich, en dus tot de orde, riep. De democratie heeft het laken niet naar zich toe kunnen trekken. En dus trekt Laken, alweer, de democratie naar zich toe. Een voor een gaan onze politici nu in het Kasteel Belv?d?re aan de opiumpijp van de consensus hangen, tot zij zichzelf en ons hebben teruggevoerd in de trance van de Belgische bedaardheid, terwijl, op een afstand, de Hirohito van Europa eeuwig grijnzend toekijkt. Belgi? is nog ver verwijderd van een consensus, omdat het ver verwijderd is van de democratie. Niet andersom, meneer Huyse, niet andersom.

PETER DE GRAEVE Wie? Filosoof. Wat? Open VLD dat donderdag uit de regering stapte, was een zeldzaam democratisch voorval in een ondemocratisch land. Waarom? Belgi? heet een consensusdemocratie te zijn, maar Vlamingen worden voortdurend gedwongen tot compromissen die consensus noch democratisch zijn.

Archief

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

18 april 2010

Ahmet Hamdi Tanpinar. Het klokkengelijkzetinstituut. Athenaeum,Polak & Van Gennep 2009

Wellicht beter nog dan de veerboten over de Bosporus, mooier dat de aanblik van de waterweg tussen noord en zuid, tussen oost en west vanuit de brede ramen van het Modern Art Museum of Istanbul helpt ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ bij het begrijpen van de grootste Europese stad, intussen een Turkse provinciestad die nog stijf en stoffig staat van de oude allures van Byzantium, van Constantinopel, de Keizerlijke Hoofdstad van het Oostromeinse rijk en ?Eis ten Polis?, de hoofdstad van het Ottomaane Kalifaat.
Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) is naar verluidt een van de grondleggers van de moderne Turkse roman.
Zijn magistrale roman helpt ook begrijpen waarom de overgang tussen West en Oost zo moeilijk ligt, waarom Istanbul ons zo nabij is, en toch ook weer zover af.
Op grens- en overgangszones, op drempels ontstaan meestal de boeiendste inzichten en het meeste begrip voor en inzicht in elders en anders. Daarom heeft Istanbul en Turkije wellicht geen andere keus dan lid te worden van de Europese Unie. Niet alleen om Mexicaanse toestanden te mijden, als moeras onder de zwoele buik van Amerika waar dank zij de VS wetgeving de maffia heersen kan. Zij het dat Istanbul en Turkije als zwoele onderbuik van de EU eerder ten prooi zal vallen van malafide Russische tycoons en hun hofhouding.
De lectuur van een boek als dat van Tapinar helpt bij het intellectueel begrijpen van emoties van herkenning en thuiskomen in een stad als Istanbul voor een Westeuropeaan.

Tanpinar, een kenner van de negentiende-eeuwse Osmaanse cultuur en literatuur, wordt geprezen als een groot stilist. Een van zijn andere grote romans, Huzur (?Sereen?), zal in 2011 bij Athenaeum in een Nederlandse vertaling verschijnen.
Hanneke van der Heijden (1964) vertaalde, deels in samenwerking met Margreet Dorleijn, werk van onder meer Orhan Pamuk, Elif Shafak en Halid Ziya Usakligil. In 2008 werden zij onderscheiden met de Fonds voor de Letteren vertaalprijs.

Over ?Het klokkengelijkzetinstituut? schrijft ze in het nawoord van haar mooie indrukwekkende vertaling:

447. Er zullen weinig landen zijn waar de geschiedenis zo voelbaar is als in Turkije, en waar die tegelijkertijd zo langdurig en zo volhardend is ontkend. Oude moskee?n, kerken, paleizen, vervallen muurtjes, inscripties in Arabisch schrift, klassieke gedichten die als liederen op de radio te horen zijn: of je wilt of niet, het verleden is in Turkije dagelijks tastbaar aanwezig.
De hervormers die in 1923 de Turkse republiek stichtten deden er juist alles aan om onder dat Osmaanse verleden een dikke streep te zetten ? misschien wel precies daarom. Het nieuwe land kreeg een nieuwe hoofdstad: in plaats van Istanbul, eeuwenlang het symbool van de Osmaanse macht, werd het Anatolische provincieplaatsje Ankara de hoofdstad van Turkije. Het staatsapparaat werd hervormd naar westers seculier model. En dan was er daarnaast nog een hele serie meer symbolische maatregelen die rechtstreeks in het priv?leven van de burgers ingrepen. De fez en andere traditionele kledij werden afgeschaft ten gunste van kleding naar westerse snit, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling, het Arabische schrift door het Latijnse, de taal gezuiverd van Perzische en Arabische invloeden in woordenschat en grammatica.
Zo?n abrupte breuk met het verleden weerspiegelt een tijdsopvatting die haaks staat op Tanp?nars idee?n. Voor hem, een bewonderaar van de Franse filosoof Henri Bergson, is tijd niet op te splitsen in uren, minuten, seconden en daar weer delen van. Hij ziet tijd als een ononderbroken stroom. Of beter nog: als een stroom die door de mens zelf wordt gegenereerd. Want tijd bestaat slechts bij de gratie van de herinnering, die steeds opnieuw het verleden cre?ert, en alleen dat permanente proces van het opnieuw uitvinden van vroeger maakt de toekomst mogelijk. Wie het verleden afsnijdt, snijdt daarmee de toekomst af. Dat geldt voor individuen, maar het geldt evengoed voor de maatschappij als geheel. Het afzweren van de Osmaanse culturele erfenis is in Tanp?nars ogen dan ook een doodlopende weg. Het mo?t wel uitmonden in hervormingen die zijn overgenomen uit het Westen, maar die in Turkije iedere voedingsbodem ontberen, en dus gedoemd zijn te mislukken. Je kunt nu eenmaal niet van cultuur wisselen zoals je een ander pak aantrekt.
Die breuk tussen het Osmaanse rijk en het moderne Turkije, de verwisseling van beschaving, zoals Tanp?nar dat noemt, of van culturele identiteit zoals het tegenwoordig heet, is een thema dat Tanp?nar zijn leven lang heeft beziggehouden. Hij maakte de omwentelingen dan ook aan den lijve mee: in zijn tienerjaren zag hij het eens zo machtige Osmaanse rijk geleidelijk een schaduw van zichzelf worden, als twintiger was hij getuige van de stichting van de republiek die ervoor in de plaats kwam, als dertiger maakte hij het elan mee waarmee de volgelingen van Atat?rk hun toekomstidealen probeerden te verwezenlijken, en als veertiger en vijftiger de teleurstellingen en de groeiende kritiek.
Ook Tanp?nars eigen culturele ori?ntatie maakte een grote ontwikkeling door. Zijn aanvankelijke voorliefde voor het Westen en de westerse, met name Franse, cultuur maakte plaats voor een groeiende interesse in de oude Osmaanse cultuur. ?Ik ben wel begonnen met het Westen,? zei Tanp?nar later, ?maar het lukte me niet mezelf te vinden… tot het moment waarop ik onze oude dichters en de oude muziek leerde kennen. Pas toen ik hun nostalgie proefde, zag ik dat mijn eigen wezen in mijzelf werkelijk zijn plek vond.?

?Peter Swanborn in De Volkskrant (12032010) :

‘Dit boek, dat door zijn cyclische vertelvorm zelf ook aan een klok doet denken, kan echter op vele manieren gelezen worden.? Het?? is? een grandioos portret van de metropool Istanbul, op een moment waarop een nieuwe cultuur zich hardhandig doet gelden.? Het?? is? ook een scherpzinnige filosofie over leugen en waarheid, vriendschap en verraad, over de botsing tussen elite en massa, en over de twintigste eeuw als de eeuw van de bureaucratie.
Toen Atat?rk op de nog smeulende puinhopen van de Eerste Wereldoorlog de Turkse republiek als een feniks liet verrijzen, stond hem een moderne, op westerse leest geschoeide staat voor ogen. Kerk en staat werden gescheiden, hoofddoek en fez verboden, de kalender met islamitische maanjaren werd vervangen door de gregoriaanse jaartelling en? het? volledige juridische en economische systeem ging op de schop.?Zo ook de taal. Eerst maakte? het? Arabische schrift uit de Osmaanse tijd plaats voor? het? Latijnse alfabet. Daarna moesten alle ooit aan? het? Perzisch, Arabisch en Grieks ontleende woorden vervangen worden door moderne, Turkse equivalenten. Hiertoe werd op 12 juli 1932 de T?rk Dil Kurumu opgericht,? het? Turkse Taal instituut.
De TDK ging grondig te werk, met als gevolg dat Turkse kinderen die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw naar school gingen, een woordenschat leerden die sterk afweek van de taal die hun ouders en grootouders spraken. Alles om maar duidelijk te maken dat de Osmaans-islamitische tijd nooit meer zou terugkeren.
In zijn in 1954 eerst als feuilleton verschenen roman? Het? Klokkengelijkzetinstituut steekt de Turkse schrijver Ahmet Hamdi Tanpinar (1901-1962) op superieure wijze de draak met alle genootschappen die de jonge Turkse republiek een modern voorkomen moesten geven, en met de T?rk Dil Kuruma in? het? bijzonder. Zo bizar als de poging was om een taal compleet te zuiveren van anderstalige invloeden, zo absurd?is?het? streven van? het? K.G.I. om alle klokken en horloges op straffe van boetes gelijk te laten lopen.’

Het klokkengelijkzetinstituut

Categorie: Actualiteit | Reageren uitgeschakeld

Archief

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

11 april 2010

Bernard Bouwman, Mijn Istanbul. Atlas 2007

Als NRC correspondent in Turkije en wonend in Istanbul heeft Bernard Bouwman een handzaam boekje gesprokkeld voor de Istanbul bezoeker.
Hij doet het voorzichtig, in korte stukjes. Hij doet het zachtjes terwijl hij praat. Hij doet het omzichtig en indringend, want zijn interesse voor de homocultuur brengt
hem in de rafelig rand van de grootstad waar verschillende volkeren, stammen, dorpen, geloven en seksuele voorkeuren elkaar ontmoeten.
Bouwman tast die grenzen af en dat levert doorgaans boeiend proza, waardoor de toerist de illusie kan koesteren dieper door te dringen in de fa?ade van de grootste
Europese stad op de grens van Azi? en Europa.
In een tweede bezoek hebben we de oude stad met de vele toeristische bezienswaardigheden onder ons gelaten en enkel de hoek tussen de Bosporus en de
Gouden Hoorn doorkruist.
Een heel andere meer westerse wereld, ook al worden de betere hotelbuurten behoorlijk gefrequenteerd door islamitische bedevaarders uit Pakistan, Bangladesh,
Syri?, enz. Naast de mantel, het zwaard en de baardharen van de profeet onder het laatste kalifaat zijn er vele bezoekjes aan de betere winkelwijken mogelijk voor deze
rijke reizigers en hu entourage.
En het wordt alsmaar moeilijker om te snappen waarheen het met Turkije naartoe gaat: aansluiten bij de EU - zelfs de vorm en kleur van het nieuwe Turkse Pond in
munt en biljet benaderd reeds dat van de Euro – of aan de rand blijven als poort tussen Europa en Azi?.
De eerste mogelijkheid zal hen veel meer kunnen bieden, maar ook veel meer eisen van hun identiteitsbesef. De tweede zal een economische en politieke instabiliteit
onderhouden en de poorten wijd openen voor de Russen, niet alleen de blonde hoeren: Mexico in Klein Azi?.
Naar aanleiding van Europese Cultuur Hoofdstad 2010 lijken nu ook twee musea boven water
gekomen: Istanbul Modern Art en Pera.
Bernard Bouwman Mijn Istanbul vervolg

Archief

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

10 april 2010

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling. Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld. Meulenhoff 2008.

Na zijn ? Managementmythe? meteen deze Ketter en Hoveling gesavoureerd. Een schitterend werk waarin hij met beproefde romantechnieken een bijzonder moeilijk en ingewikkeld filosofisch drama wet te onthullen, dat van de relatie tussen Leibniz en Spinoza. In elkaar afwisselende hoofdstukken weet Stewart ook hier de rokken van de ui te pellen om tot de kern van het dispuut te komen. Al lijken je ogen soms te tranen, ook vandaag speelt dit nog steeds een belangrijke rol, niet allen in de verhoudingen tussen religies en de moderne staat, maar ook in de hoofden van de mensen.
Hij weet duidelijk te maken wie Spinoza was en waarom hij vanuit zijn verleden als uitgewezen joodse banneling in die tijd tot die athe?stische wereldvisie kon komen. Hij weet duidelijk te maken hoe Leibniz omzeggens zijn hele leven heeft geworsteld met en tegen deze visie op God en de natuur waarbij hij de memorabele ontmoeting tussen beide filosofen als keerpunt weet te merken in Leibniz leven en denken.
Hij ontrafelt de constructies in Leibniz denken als reusachtige pogingen om onder de athe?stische – en volgens Leibniz als dienaar van het wereldse gezag bijzonder subversieve – denkrichting van Spinoza uit te komen.
Je snapt meteen veel beter de Dr. Pangloss-karikaturen die Voltaire over Leibniz presenteerde als pleitbezorger van de beste der werelden waarin we plegen te leven.

35. Ook deze dubbele ballingschap zou een kernpunt in de filosofie van Spinoza worden. Juist doordat hij zich aan de uiterste rand van de maatschappij bevond, kon Spinoza zo duidelijk zien dat de oude God stervende was en dat zijn theocratische heerschappij op aarde bezig was in te storten. Vanuit diezelfde positie ontwierp hij ook zijn remedie voor de moderne situatie.
In zijn politieke filosofie propageerde hij een tolerante, seculiere samenleving waarin hij zelf geen balling meer zou zijn. In zijn metafysische beschouwingen ontdekte hij een godheid die ver verwijderd was van de beperkingen van traditie, orthodoxie, bijgeloof ?n alle andere bronnen van de mening van de massa, een God die geen macht meer had om arbitraire wetten uit te vaardigen en die slechts verantwoording schuldig was aan het
universele licht van de geest, de richtlijn van de rede.
Spinoza’s excommunicatie bepaalde niet alleen zijn filosofie, maar gaf ook vorm en uiting aan zijn ongewone persoonlijkheid, een persoonlijkheid die even zeldzaam was als rijk aan paradox en inzicht.

321. Spinoza opende voor Leibniz een deur, zowel in letterlijke als in filosofische zin. Hij legde voor zijn bezoeker een werkelijkheid bloot die de jonge man vanuit praktisch oogpunt erkende als de wereld waarin hij zijn eigen filosofie situeerde. In oprechte en soms botte taal liet hij Leibniz zien wat het betekent om een moderne filosoof te zijn. Toch zag Leibniz deze werkelijkheid niet op dez?lfde manier als Spinoza. Als hij in de zwarte opalen
ogen van zijn gastheer keek, zag hij geen nieuwe godheid. Hij zag in plaats daarvan de dood van God. Zijn filosofie was in veel opzichten een poging om de deur te sluiten waarvan hij wenste dat hij hem nooit had geopend. Maar het was te laat: hij stond al aan de andere kant.

340. Zoals alle goede filosofen moeten Leibniz en Spinoza uiteindelijk
ergens buiten de geschiedenis tot rust komen. De twee mannen die elkaar in 1676 ontmoetten, vertegenwoordigen twee radicaal verschillende filosofische persoonlijkheidstypen die altijd deel hebben uitgemaakt van de menselijke ervaring. Spinoza spreekt voor degenen die geloven dat geluk en deugd mogelijk zijn met niets meer dan we in handen hebben. Leibniz staat voor
degenen die ervan overtuigd zijn dat geluk en deugd afhankelijk zijn van iets wat daar bovenuit stijgt. Spinoza adviseert een kalme aandacht voor ons eigen, diepste belang, Leibniz geeft uitdrukking aan ons onbedwingbare verlangen om goede werken weerspiegeld te zien in de lof van anderen. Spinoza bevestigt de totaliteit van dingen zoals deze is. Leibniz is dat deel van ons dat er onophoudelijk naar streeft om ons meer te maken dan we zijn. Ongetwijfeld zit er een beetje van allebei in iedereen, en soms moet er een keuze worden gemaakt.

342. Als Spinoza de eerste denker van het moderne tijdperk was, moet
Leibniz misschien gelden als de eerste mens van dit tijdperk.
Spinoza daarentegen was vanaf het begin duidelijk een rara avis. Met zijn geheimzinnige zelfgenoegzaamheid, zijn onmenselijke deugd en zijn minachting voor de massa kon dat niet anders. Toch is de boodschap van zijn filosofie niet dat we alles weten wat er te weten valt, maar dat er niets is wat niet gekend kan worden. Spinoza’s leer is dat de wereld geen ondoorgrondelijk mysterie bevat, geen andere wereld die alleen toegankelijk
is via openbaringen en epifanie?n, geen geheime waarheid over alles. In plaats daarvan is er alleen een langzame maar zekere opeenstapeling van vele kleine waarheden, en de belangrijkste daarvan is dat we niets m??r hoeven te verwachten om in deze wereld geluk te vinden. Spinoza’s filosofie is een filosofie voor filosofen, die tegenwoordig even zeldzaam zijn als ze altijd zijn geweest.

Lees verder »

Archief

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

3 april 2010

Matthew Stewart, De managementmythe. Managementconsulting, heden, verleden en onzin. Meulenhoff 2009.

Matthew Stewart presenteert een bijtend pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis om managers te mijden en je eigen boontjes te doppen, ook als bedrijfsleider.
In 1988 studeerde hij af als filosoof in Oxford, specialiteit negentiende-eeuwse Duitse denkers. Hij solliciteert wat in het rond en wordt tot zijn eigen verbazing gerekruteerd door een gerenommeerd internationaal managementadviesbureau. Om te beginnen 75.000 dollar: ?een idioot bedrag voor een voor de arbeidsmarkt ongeschikt filosoof, die geen flauw benul van zaken heeft’. In geen tijd groeit hij uit tot een overbetaalde expert die eersteklas rond de wereld vliegt en leeft in hotels terwijl hij managers met honderd keer meer ervaring de les spelt. Tot het bureau dat hij zelf mee heeft opgericht door een interne machtsstrijd crasht en de desillusie niet meer te harden blijkt.

In zijn boek wisselt hij in een spannend ritme de eigen belevenissen in de sector af met filosofische, historische en wetenschappelijke reflecties.
Zelden een beter pleidooi voor de studie van de filosofie en de geschiedenis gelezen.
?In de zakenwereld is ervaring de grote leraar. We bedriegen onszelf als we denken dat een MBA je een daadkrachtig manager maakt. Managers leren managen verschilt niet zo heel erg van mensen leren hoe ze moeten leven in een beschaafde wereld. Managers hebben geen training nodig, ze hebben educatie nodig.’

Dit boek heeft iets van ?Il Principe? van Niccol? Machiavelli, maar dan voor bedrijfsleiders en managers.

Cli?nten haal je binnen met de strategie van de angst. Zij doen pas beroep op externe managers wanneer ze een probleem denken te hebben. En anders krijgen ze dat probleem wel aangereikt door de consultants: ?Ik praatte en praatte, en intussen liep de meter. In al die jaren heeft de sensatie dat ik alles uit mijn duim zoog mij nooit verlaten.’ ?Kun je je iets onwaarschijnlijkers voorstellen dan succesvolle en toonaangevende ondernemingen die schoolverlaters inhuren om hun te vertellen hoe ze moeten worden gerund? En dat die ondernemingen bovendien bereid zijn miljoenen voor die adviezen neer te tellen?

?Moderne sjamanen’ noemt Stewart de wijsneuzen van McKinsey & co: in de hoogst onzekere wereld van de mondiale concurrentiestrijd verdrijven ze de angst met de magie van hun spreadsheets en grafieken.
?Als je het niet kunt managen, meet het dan’, repliceert Stewart het huismotto van McKinsey: ?Als je het kunt meten, kun je het ook managen’.

http://wijkiezenpartijvooru.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=ma2kmrs3
http://www.managementenliteratuur.nl/1875/matthew_stewart_%E2%80%98managers_zijn_vaak_beter_af_met_het_lezen_van_filosofie%E2%80%99

16. Het merkwaardigste van die goeroeboeken is echter niet hun dubieuze inhoud maar hun ongelooflijke oplagen. Je zou menen dat de markt voor adviezen over hoe je een miljoenenconcern moet leiden te vergelijken is met de markt voor laten we zeggen de inrichting van bedrijfsvliegtuigen.
Gezien het gegeven dat de meeste mensen die adviezen aanbieden zelf geen grote ondernemingen hebben geleid en zich ermee tevreden lijken te stellen hun lezers te verstikken met waarheden als koeien, zou je denken dat de markt voor dergelijke adviezen klein is. Het tegendeel is echter waar: in de bedrijfstak waarin mensen wordt verteld hoe grote ondernemingen (niet) moeten worden geleid, gaan reusachtige sommen om. Het is alsof een groep werkloze ontwerpers van bedrijfsvliegtuiginrichtingen aanhang heeft gevonden de bezitters van minibusjes. Terwijl ik me door mijn plank vol managementadviezen worstelde, kon ik me niet onttrekken aan de volgende nogal botte vraag: hoe kan het dat zo veel slechte boeken zo goed verkopen?

18. In een wereld waarin de leden van de raad van bestuur vaak de beste vrienden zijn van de hoofddirecteur, waarin de directievoorzitter vaak de hoofddirecteur is, en waarin aandeelhouders nog v??r de lunch bepalen of ze financieel wel of niet bij de onderneming betrokken blijven, is dat geen zinloze vraag. Het is dezelfde vraag die de Romeinen zichzelf stelden toen hun Rijk onhanteerbaar begon te worden: Quis custodiet ipsos custodes?
(?)
Toen ik na mijn vervroegde pensionering eindelijk gelegenheid kreeg de managementlectuur grondig onder de loep te nemen, leek het of ik een bekende, rommelige achtertuin betrad. Ik trof een discipline aan die geen discipline was maar een verzameling onopgeloste vraagstukken en verborgen agenda?s, waar het stellen van de juiste vragen veel belangrijker is dan het vinden van de juiste antwoorden, waar kwesties niet worden opgelost maar tijdelijk worden gesust, en waar de grootste beloningen gaan naar degene die gericht weet te blijven op de ene grote zaak die er echt toe doet.
Het werd me stilaan duidelijk dat management inderdaad een verwaarloosde tak van de humaniora is en dat de managementstudie, zo ze al ergens toe behoort, deel uitmaakt van de geschiedenis van de filosofie.
Managementtheoretici ontberen diepgang, besefte ik, aangezien zij zich nog pas een eeuw bezighouden met dat wat filosofen en creatieve denkers al millennialang doen. Die omstandigheid verklaart waarom toekomstige zakelijke leiders, in plaats van zich te storten op managementopleidingen, er beter aan doen zich te verdiepen in de geschiedenis, filosofische essays te lezen, of gewoon een goede roman.
Ze verklaart waarom we allemaal beter af zouden zijn als de zakenmensen zich minder om hun managementdiploma?s bekommerden.
(Waarmee niet gezegd wil zijn dat de humaniora zoals tegenwoordig gepraktiseerd – met hun fixatie op cijfers en economische grondbeginselen en hun vatbaarheid voor pseudotechnisch jargon – niets zinnigs zouden hebben opgeleverd.)wie bestuurt de bestuurders?

20. De zestiende-eeuwse Engelse filosoof Francis Bacon definieerde een afgod als een fantoom van de geest – soms gegrond in de beperkingen van onze rationele vermogens, vaak verergerd door een onjuist gebruik van de taal en door de sofisterij van valse leermeesters ? dat leidt tot een patroon van een onjuist begrijpen van de wereld en een bestendiging van irrationele praktijken. Overeenkomstig die definitie is het heersende begrip van management een afgod van onze tijd. Het is een vetgedrukt woord boven op een hele reeks dunne vraagtekens; een bouwwerk van grammatische dwalingen, misvattingen en bijgelovigheden waardoor veel zaken een rol spelen die geen rol dienen te spelen. In zijn G?tzend?mmerung onderneemt Nietzsche het de afgoden van zijn tijd te testen ‘met een hamer om zo wellicht bij wijze van antwoord dat welbekende holle geluid te horen dat we van opgeblazen darmen kennen’. Wat ik hoop te laten zien is dat ook de managementafgod een fikse hamerslag behoeft.

Lees verder »

Archief

deredactie.be opinie&blog: Klaaglied om Agnes

2 april 2010

KLAAGLIED OM AGNES
06 / 03 / 2010

Twintig jaar heeft ze geofferd voor haar ideaal, haar partij.
Twaalf jaar heeft ze een dikke huid proberen te kweken.
Met pijn heeft ze leren slikken, binnen en buiten de partij.
Met g?ne de vernederingen door de intussen tot oude wijze gekroonde Sint Jan leren smaken als moderne vormen van mao?stische kritiek en zelfkritiek.
Wat ongemakkelijk onderging ze de restyling tot fractievoorzitter: een stramien van zwart en grijs met fors rode accenten, glimmende laarzen en een bloot dijbeen. Reuze ronde oorringen wanneer ze na het terugtreden van Jan Marijnissen op het schild werd gehesen van de SP, de tomaatrode volkspartij.
En telkens weer slikken en slikken tot ze ervan wegteerde.
Femke Halsema had het makkelijker. Zij kon in de luwte teren op onduidelijkheid als waarmerk voor GroenLinks. Zij profiteerde ook publiek ten volle van haar jeugdig moederschap. Het was haar aan te zien. Zij werd er ronder van, zowaar gezelliger.

Verbittering
Agnes – klemtoon op de eerste lettergreep – daarentegen deed het met overtuiging, de tanden op elkaar geklemd. Het was haar menens. Haar mondhoeken vertrokken, haar mimiek verbitterde in groeven.
Zij was veruit de beste, de slimste, de energiekste van de Tweede Kamer in de strijd voor de zieke, misselijke kleine – al dan niet oude – man en vrouw die de dupe werden van de losgeslagen liberalisering en managerscultuur in Nederland.
Collectief vertrouwen en solidariteit werd met medeplichtigheid van de sociaal-democraten van de PvdA in de roetsjbaan van de privatisering verder onderuit gehaald. Ziekteverzekering en thuiszorg werden een zootje, tewerkstelling een permanente onzekerheid. Finaal dienden de Nederlandse burgers ook nog eens hun banken te redden. Langer werken voor een schamel pensioen en gedwee slikken dat managers-huurlingen breedlachend met adembenemende bonussen jobhoppen.

Zoetgerookte Zalm
Zo was gewezen liberale financieminister Gerrit Zalm als hoofdeconoom en financieel directeur nauw betrokken bij de intussen failliete DSB bank. En toch blijft hij aan als topman voor de nieuwe Fortis ABN-AMRO fusiebank. Aldus besliste de ?Nederlandsche Bank?, ondanks een negatief oordeel van financieel toezichthouder AFM. Er gaan nu zelfs geruchten dat Wouter Bos de volgende president van DNB worden zal.
Voor wat hoort wat, zeker bij het polderestablishment.
Niet zo voor Agnes Kant. Onvermoeibaar maakte ze keer op keer haar punt met cijfers onderbouwd door gedegen veldonderzoek. Want ze hanteerde vaardig de kracht van ?weten is meten en voorkomen is beter dan genezen?. Ze hoopte op de krachtige strategie van de angst en de sociale emancipatiemacht van jaloezie en rancune.
En daar knellen de rode pumps. Ze is er wellicht zelf in beginnen geloven.
Niets zo gevaarlijk als een politicus die buiten de publieke sc?ne ook nog zijn of haar theaterrol blijft spelen. Al mag ik hopen dat het Agnes? dierbaren thuis nooit is overkomen.

Offervaardig
Van vastberaden en volhoudend werd ze verbeten en drammerig. Van ?ad rem? snauwerig, zelfs venijnig met een zweem van wrok.
Toch was ze bereid om de beker te ledigen die Jan Marijnissen haar had voorgehouden. Goed wetend dat haar met hem gedeelde leiderschap nooit een succesverhaal zou kunnen of mogen worden. De vorige kamerverkiezingen leverden de SP met 25 zetels een nooit te evenaren resultaat. En toch was Agnes Kant bereid zich te offeren voor haar partij en wat ze zich nog als een ideaal kon voorhouden.
De kroniek van de aangekondigde verkiezingsnederlaag op 3 maart vrat aan haar. Ze wist maar al te goed hoe het rechtse populisme zou zegevieren omdat h??r populisme geen vat meer kreeg op pers en polderland.
Woede en verbittering in de polder was niet meer te keren.

Onder het plaveisel broeide het moeras.
Met het verzuipen van de ?Leefbaren? en ?Fortuynadepten? in het eerste kabinet Balkenende hoopte het polderestablishment dat de modale Nederlander wel voor goed zou begrijpen dat alleen aloude mannenbroeders orde op zaken konden stellen.
Dat was ook zo. Maar die orde en die zaken bleken zelden die van de modale Polderlander.

Een ander volk kiezen
PvdA Binnenlandse Zaken minister Guusje ter Horst verklaarde eind vorig jaar nog: ?Er is een verschil tussen wat het volk wil en wat de regering wil?.
Of zoals Bertold Brecht als cynicus na de opstand van 17 juni 1953 in de DDR een resolutie ter stemming bracht in de Academie der Kunsten: ?Nu is komen vast te staan dat ons volk een domme kudde is, raden wij de regering aan een ander volk te kiezen.?
En dus blijft het moeras verder broeien. Goed 56% ging op 3 maart in Nederland nog stemmen voor de gemeenteraad. De PVV van Geert Wilders met aanverwant populistisch rechts mobiliseert bijna een vijfde van de resterende kiezers.
De Portugese Nobelprijswinnaar Jos? Saramago formuleerde het in ? De stad der zienden? : ?Wij hebben hier te maken met mensen en mensen staan wereldwijd bekend als de enige dieren die in staat zijn om te liegen, wat ze nu eens mogen doen uit angst en dan weer omdat ze er belang bij hebben, maar ook wel eens omdat ze bijtijds inzien dat het hun enige kans is om de waarheid te verdedigen.?

Vol van genade
En toch heeft Agnes Kant genade geweigerd, vergiffenis afgewezen, de absolutie vermeden bij de verkiezingsnederlaag van haar partij en fractie, die ?tot de laatste seconde achter haar stonden?.
Agnes heeft ontslag genomen en verlaat het politieke theater.
Agnes weigert als zondebok geofferd te worden voor de aangekondigde nederlaag op de vervroegde parlementsverkiezingen van 9 juni. Het siert haar dat ze nu weigert te slikken.
Misschien kan ze zo wel ontsnappen uit de fuik van het maakbaarheids-gedachtengoed.

Oud-PvdA coryfee Marcel van Dam opent zijn ?Niemands land? met een citaat van Nederlandse dichter-tekenaar Chr. J. Van Geel:
?Kon ik wat woede is
Maar in zijn deugd begrijpen?
En er natuur van maken?
Als boom van wortel blad. ?

Het lijkt Agnes op het lijf geschreven.
Jan Peter (Balkenende), Wouter (Bos), Mark (Rutte) en Geert (Wilders) verstarden reeds lang tot houten klazen van het Noh theater op het Haagse Binnenhof.
Agnes (Kant) zal haar levenslust misschien terugvinden.
En de partij? Daarover zong Ernst Busch en Louis F?rnberg in 1950 het partijlied: ?Die Partei, die Partei, Sie hat immer recht. Und Genossen es bleibe dabei !?

Archief

deredactie.be opinie&blog: Dit nooit meer!

2 april 2010

DIT NOOIT MEER
21 / 02 / 2010
Bij een eindeloze rij consulten en visites probeert iedere huisarts op zijn of haar manier alert te blijven. Zelfs bij het tweede abortusverzoek, de derde pijn op de borst en de vijfde huidvlekjes-klacht op ??n ochtend. Repetitieve routine stompt af.
Zo kom je gemiddeld om de tien jaar een paarsrood vlekje tegen bij een ziek kind met koorts, wat nadien een ?Waterhouse Friedrichsen syndroom? blijkt. Als je alert reageert, kan zo?n kind het overleven. Mis je dit, dan blijft niet alleen de familie in pijnlijke rouw, maar als huisarts draag je dit ook levenslang mee.

Twee soorten artsen
Het Nederlandse Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg heeft over ?Dit nooit meer? een gelijknamig boekje gepubliceerd ?Artsen vertellen over hun incident?. Collega?s vertellen aan elkaar over gebeurtenissen in hun carri?re die ze zijn blijven meedragen.
?Er zijn twee soorten artsen: zij die betrokken waren bij een ernstig incident en zij die betrokken zullen worden bij een ernstig incident. Soms ten gevolge van een eigen fout, soms ten gevolge van de omstandigheden waaronder ze als arts moeten functioneren. Meestal is het een combinatie van beide en bijna altijd voelt de arts zich nadien verantwoordelijk voor het onbedoelde leed dat de pati?nt is aangedaan. Medisch professionalisme wordt vaak verward met onfeilbaarheid. Dat is een gevaarlijke illusie. Het hindert zorgverleners om te leren van elkaars fouten en is daardoor een drempel om zorg veiliger te maken. Openheid over de donkere zijde van de zorg, over de kwetsbaarheid en feilbaarheid van artsen werkt als een medicijn, als eerste hulp bij een medisch ongeval. ?

De eerste keer
Ik beken, ik draag ook herinneringen aan enkele ?dit nooit meer? – incidenten mee. In Belgi? nog, als huisarts, was ik van mening dat het zelfbeschikkingsrecht van de pati?nt gepaard aan de invoelbaarheid van hun verzoek om euthanasie een legitieme vraag om hulp kon zijn. Euthanasieoverleg met pati?nt en naaste familie was een periode van toenemende spanning om voor mezelf voldoende hoogte te krijgen van de precieze invulling van de stervenswens. Doorgaans verliep dit proces spontaan en klikte het tussen de tuinman en de dood en hoefden ze niet meer ijlings te paard naar Ispahan. De dood kwam aan huis bij hen, als huisarts.
Hoe vaak ik ook euthanasie uitgevoerd heb, het blijft – gelukkig – een diep emotionele handeling met een zeer intense betrokkenheid. Een nooit gekende opluchting hielp me de eerste keer recht bij een man met een gevorderde luchtwegkanker waardoor wat hij dronk via een slokdarmfistel in zijn longen terecht kwam. Zijn echtgenote was zelf een gepensioneerde longverpleegster en kende de gruwel van het komende lijden beter dan wie ook. Ze had de prachtige tact om mij deskundig te begeleiden om de grens te overschrijden tussen leven en dood, tussen uitzichtloos leed en verlossing. Want dat hadden we natuurlijk nooit op school geleerd.

Mijnlamp
?Een mens lijdt immers het meest door het lijden dat hij vreest?, deelde een oude astmatische vrouw mij ooit als ?volkswijsheid? mee. We herkenden bij elkaar een gemeenschappelijke visie op leven en leed. Later zou ik het terugvinden in de ?Essais? van Michel de Montaigne. Zij had haar man als oud-mijnwerker weten stikken in zijn stoflong. Voor haar kinderen en zichzelf wou ze dat niet meer meemaken. Haar vorige huisarts had bij haar verzoek langdurig door het raam gestaard en nadien gezegd dat hij ze – als het zover was – zou laten opnemen voor de longarts.
De ?begankenis? naar het ziekenhuis was ze meer dan zat. En voor haar leven was het ook ongeveer van dat. ?Allemachtig tachtig?, was voor haar al drie jaar een lijdensweg. Wanneer ik toegezegd had, kwam er nog een rustige zomer. Ze leefde helemaal op omdat ze verstikkend lijden niet meer vreesde. En toen het echt niet meer ging en alles gezegd was en besproken met haar kinderen en kleinkinderen, vroeg ze om euthanasie. Het was nog erg gezellig geweest met buren en familie met koffie en taart. Wanneer ik met mijn vlindernaald haar moeilijke aders peilde en mijn houding diende aan te passen op de rand van haar bed, kwam dit met een forse klap naar beneden. ?Dit is een oud bed, dokter. Het heeft al zoveel meegemaakt.? troostte ze me. Toen alles in gereedheid was, vroeg ik of ze me nog iets wou zeggen. Omdat haar stem zo zwak was diende ik mijn oor beter te luisteren te leggen, waarop zij me een kus gaf en glimlachend de ogen sloot. Enkele weken later kwam een dochter mij bedanken en gaf me op haar verzoek de mijnlamp van haar man, want ze wist dat ik zelf ooit nog in de buik van moeder aarde had gehakt. Ik zou er verder mensen mee zoeken, ook op klaarlichte dag.

?Onweerstaanbare drang?
Soms bleef ik intu?tief hangen in een gevoel gebruikt te worden, zoals een Perzisch edelman in het vers van de Nederlandse dichter Pieter Nicolaas Van Eyck die zijn paard moet lenen voor het leed dat zijn tuinman vreest. Dan kreeg je wel eens een discussie met ?sturende krachten? uit de nabije omgeving: ?Zo gaat het niet meer, wij gaan eraan ten onder. Gij zijt toch doktoor, gij kunt daar iets aan doen.? – ?Er is niets meer aan te doen. Er is geen andere behandeling meer voor zijn longkanker. Hij heeft geen pijn en blijft toch rustig. En hij wou thuis sterven, dat weet u ook.? – ? Maar hoelang gaat dat nog duren. Gij moet daar iets aan doen.? – ?Neen, mevrouw, er is geen euthanasie-verzoek. Ik beschouw me als een vrij en eerlijk man. Het enige wat ik nog moet, is zelf sterven.?
Toen er nog lang geen sprake was van een wettelijke regeling en alleen ?onweerstaanbare drang? tot menselijk medeleven kon overwogen worden, waren de middelen moeizaam en de dood traagzaam. Families die na hulpmiddeltjes – euthanasie waakten bij oma met hortende Cheyne-Stokes-ademhaling werden verscheurd tussen een mogelijk ontwaken of definitief verscheiden. Verhalen van collega?s die in die barre tijden geconfronteerd werden met pati?nten die weer ontwaakten, waren geen ?urban legends? maar bittere realiteit.
Ik heb me daarom ook politiek fors bekommerd om een degelijke euthansiewetgeving. Toch waren daarmee lang niet alle problemen en gewetensvragen van de baan.

Hulp bij zelfdoding
Wanneer gesprekken over euthanasie moeizaam verliepen omdat ik mezelf niet kon herkennen in het verzoek wegens geen uitzichtloos en ondraaglijk lijden en meer nog wanneer ik als huisarts het gevoel kreeg op commando gevorderd te worden voor een genadeshot, leek me hulp bij zelfdoding een menselijk en waardig alternatief. Voor beide partijen. Althans wanneer de betrokken pati?nt ?oud is en der dagen zat?.
De discussie in Nederland wordt hierover zoals steeds naar de letter van de wet gevoerd. Ruimte voor interpretatie wordt officieel niet getolereerd. Bijgevolg pleiten nu vooraanstaande artsen en psychiaters voor het ?versterven?: eten noch drinken tot de dood erop volgt. Wat medisch technisch voor de bejaarde en levensmoe? pati?nt niet zo?n groot probleem hoeft te zijn, maar wel voor de omgeving van familie en zorgverleners. Voor hen is ?versterven? alles behalve een romantische ideaalverhaal.
In Nederland heb ik nochtans onvergetelijk mooie vormen van stervensbegeleiding en euthanasie mogen meemaken. Eens de vrees voor uitzichtloos lijden is weggenomen, wordt het resterende leven steevast een opluchting voor wie de dood over de schouder in de spiegel ziet. Dat zijn vaak de mooiste en meest intense dagen. Een gevoel van bevrijding sluipt in de pati?nt en steekt vaak ook de omgeving aan.

?Uit Vrije Wil?
Heel wat bekende Nederlanders – van Frits Bolkestein tot Mies Bouwman, van Jan Terlouw tot Hedy d?Ancona – hebben ?Uit Vrije Wil? opgezet. Zij haalden op ??n week 40.000 handtekeningen samen om de Tweede Kamer te verplichten een aanpassing van de euthanasiewetgeving te behandelen. ?Uit Vrije Wil? ijvert voor legale hulp bij een zelfgekozen dood wanneer senioren ?oud zijn en der dagen zat?, ook zonder ondraaglijk lijden. Om te voorkomen dat mensen die levensmoe zijn bij een voltooid leven hun toevlucht moeten nemen tot mensonterende methoden – in Nederland naar schatting jaarlijks 400 senioren.
Uit recent onderzoek van de ?Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde? blijkt dat 65 procent van de bevolking vindt dat ouderen met een ?voltooid? leven hulp moeten kunnen krijgen van een arts. Een maand geleden was dat nog 58 procent. Ook is nu 51 procent voor een ?laatstewilpil?. Tegenstanders menen dat ouderen hun leven vooral voltooid achten, omdat ze slechte zorg krijgen. Een directeur van bejaardenhuizen stelde zelfs dat het probleem wel zou verdwijnen als we het maar leuker maakten voor de ouderen: ?Ze moeten maar meer gaan sjoelen?. Alsof bezigheidstherapie dit probleem oplost voor wie gezond van geest in eer en geweten overtuigd zijn dat hun leven voltooid en verder voor niemand nog zinvol kan zijn.
Bejaarden die helder van geest en bewust een einde aan hun leven willen maken en voor wie je als huisarts enkel antidepressiva en psychotherapie kan bieden, kunnen wanhopig vasthoudend zijn: vergiftiging of zelfverbranding, verhanging of verstikking al dan niet door de gaskraan open te draaien of van de galerijflat springen. Wie daar als huisarts mee geconfronteerd wordt, blijft dit meedragen: ?Dit nooit meer!?

Zelf de beker ledigen
Steeds vaker vraag ik me af – en ik beschouw zelf mijn leven nog echt niet als voltooid – waarom je als arts – in Nederland – die mensen in eer en geweten niet mag helpen of bijstaan. Je zou hun de euthanatica kunnen bezorgen en bij hen blijven wanneer ze deze zelf innemen, voor het geval er toch iets mis zou lopen. Euthanasie is zo ook veel minder belastend voor de arts. De (symbolische) act van het zelf ledigen van de beker euthanatica erkent het zelfbeschikkingsrecht van de mens die uitzichtloos lijdt of levensmoe is. Veel meer dan wanneer een arts op verzoek van de pati?nt een veneus lijntje aanlegt en de dodende medicijnen inspuit.
Nu de grote vastgoedinvesteerders maximaal rendement ontdekt hebben in de markt van rust-, verzorgings- en verpleeghuizen zijn er steeds meer senioren die weigeren hun einde daar te beleven. Nog meer zeventigers en tachtigers willen zich niet meer offeren aan een gretige medico-farmaceutische industrie. Veel bejaarden hoeden zich expliciet en met ondertekende verklaringen voor een terminaal ziekenhuis – verpleeghuisproces. ?Dit nooit meer!? is ook hun verzuchting.

www.janvanduppen.be

Archief

deredactie.be opinie&blog: Mythisch mantra van gelijke kansen

2 april 2010

MYTHISCH MANTRA VAN GELIJKE KANSEN
07 / 02 / 2010
Wanneer gespierde taal over ?zero-tolerance? en ?lik-op-stuk-beleid? verder
moet dragen dan de lange tenen van weigerige rechters, hanteren in
Vlaanderen en Brussel dynamische politici met graagte het gretige mantra
?gelijke kansen in het onderwijs?. D?t is dan de finale doordenker als
oplossende verklaring voor straatcriminaliteit, werkloosheid en grootstedelijke
onveiligheid.
Manifeste kreten over spijbelaars, over de ?angry youth bulge? van 10.000
jongens uit grote allochtone gezinnen die in het Brusselse opgroeien zonder
een decent diploma en beroepsperspectief zijn niet alleen in Belgi? te horen.

Het barre land
In Nederland staat men natuurlijk veel verder met de aanpak van dit soort
problemen. Daar zijn onderwijsdeskundigen een halve eeuw in de weer met
regels en reglementen om voor iedereen de kansen op de onderwijsmarkt
gelijk te trekken.
Evenwel met barre gevolgen.
Februari is de grimmigste maand, althans voor Neerlands hoop in bange
dagen. Menig kinder-en ouderhart gaat dan in overdrive wegens de ?citotoets
?. Om het eindniveau – de eindtermen – te toetsen heeft het ?Centraal
instituut voor toetsontwikkeling? reeds vijftig jaar ervaring met multiple choice
vragen. Met de ?entreetoets? wordt vastgesteld welke middelbare opleiding de
pupil mag aanvatten.

?Polderbac?
Een nationaal, geijkt systeem waar niet alleen de kwaliteit van de school
maar ook het niveau van de leerling in kwestie wordt gewogen, zou tot
voorbeeld moeten strekken, niet?
Op het eerste gezicht vergelijkbaar met het Franse ?baccalaur?at? dat met
een nationaal examen na het middelbaar de toegang tot het hoger onderwijs
weegt. Niets mis mee, toch?
Nederland zou echter geen ?Niemands Land? zijn, wanneer aan dit soort
toetsen geen pedagogische en onderwijskundige draai gegeven wordt.
Sinds de uitbesteding van toetswerk aan private ondernemingen die graag
goed aan hun subsidietrekken komen, leidt cijfergewichel tot helende
statistische stimuli.

Polderbalsem
Stel, je haalt negen op tien op je toets. Dan is dat toch een schitterend
resultaat, niet? Zeker in een land met een ?zesjes-cultuur?.
Maar zo gaat het niet bij de Cito-toets.
Het ?natuurwetenschap & techniek – nwt- tijdschrift? legt in haar
februarinummer enkele statistische hoogstandjes van die cito-toets bloot. Zo
haalt iedereen minstens 501 punten met als hoogte score 550. Als je dit cijfer
omrekent, haalt iedereen minstens 9 op 10.
?Die gratis 501 punten zijn Cito-balsem op de tere kinderziel. Zelfs degenen
die niets van de toets terecht brachten, lijken nog aardig te hebben
gepresteerd.?
In 2009 scoorde het zwakste kwart van de leerlingen 528 punten of lager. De
waterscheiding tussen zwak en sterk lag rond 536. Vanaf 542 verschijnt het
slimste kwart.
?Na aftrek van de cito-balsem blijkt dat de zeer zwakke leerling pas punten
krijgt als hij of zij meer dan 55 vragen goed heeft beantwoord. Bij 200
multiplechoice-vragen met 4 antwoordkansen is het gemiddeld aantal
goktreffers immers 50. Maar ook aan de bovenkant is er een plateau: wie 187
vragen goed heeft (13 fout) haalt 550 punten. Hierdoor halen ruim 4400
leerlingen het maximum, 1 op 30.?
Dit gegoochel helpt de meeste scholen toch minstens aan ??n leerling met
het maximum der punten.

Gelijke kansen illusies
Deze maaiveld-nivellering beaamt het ?gelijke kansen? mantra en heeft een
ravage aangericht in het Nederlandse onderwijs. Generaties jonge mensen
werden en worden nog steeds de onbenulligheid ingevoerd onder het mom
van ?leuk, lekker, makkelijk? en een als ?taalvaardig? omschreven grote bek.
Wie geld, status en ambitie heeft, stuurt in Nederland zijn kinderen naar priv?
scholen, elitescholen, gymnasia en als het effe kan over de grens naar de
Vlaamse onderwijsinstellingen.
Onderwijsemancipatie was ooit een ijzersterk punt van het vroege socialisme.
Enkel keihard werken, dubbel gemotiveerd studeren zou proletenkinderen
een sociale promotiekans kunnen bieden.
Wie vandaag democratisering van het onderwijs probeert te slijten als ?gelijke
kansen? organiseert vormen van debilisering.
Het Nederlandse onderwijssysteem is daarvan een verbijsterend voorbeeld.
De zesjes-cultuur reikt er tot op universitair niveau: in een toegangsproef
enkel jaren geleden voor de Twentse Technische Universiteit haalde minder
dan 10 % van de kandidaat studenten het minimale wiskunde- en
wetenschappenpeil, noodzakelijk om de lessen nog maar te kunnen
begrijpen.

Overbodig en onrendabel
Misschien lopen de huidige en komende ?gelijke kansen? in de pas met
nieuwe economische tijden. De toekomst lijkt aan de passieve consumenten
die in een hang naar onmiddellijke behoeftebevrediging de markt weer
moeten aanjagen. Met een dalende tewerkstelling heeft de economie minder
behoefte aan denkers en doeners van enig niveau: zelfstandige en betrokken
(mede)werkers, producenten, ontwerpers, intellectuelen.
De frustratie van schoolplichtigen stijgt in gelijke mate, want wie voor een
dubbeltje wordt geboren, wordt met dit soort onderwijs ook nooit een
kwartje. De echte rekening krijgen ze wel gepresenteerd op de
hyperflexibele arbeidsmarkt met inferieure hamburgerjobs.
Nochtans stijgt de re?le nood aan bekwame, betrokken en betrouwbare
vaklui met beroepsfierheid, kortom de betere vakman ? ook in de medische
en zorgsector.
Van een socialiserend onderwijsideaal is bij dit alles natuurlijk geen sprake
meer. Een hysterische samenleving heeft geen belang bij streven naar
maatschappelijke en intellectuele emancipatie.

Youth Bulge
Dat jongeren uit verkommerde voorsteden zich graag beroepen op
islamitische waarden en -normen – gepropageerd door zelfbenoemde
geestelijke leiders zonder investituur – om zich in een West-Europese
maatschappij afwijzend te manifesteren, zal niet keren door het uitreiken van
diploma?s en getuigschriften. Zij weten intussen ook reeds dat ze met zo?n
stukje papier niet automatisch aan de bak komen op een krimpende
arbeidsmarkt. Daar maak je het alleen waar op basis van je eigen inzet,
talenten, creativiteit en een dosis geluk. Met of zonder diploma.
Of zoals Gunnar Heinsohn in ?Zonen grijpen de wereldmacht? opmerkt: ?Een
youth bulge treedt aan het licht als er te weinig sociale posities vrijkomen
voor het aantal jonge mannen dat zo?n positie begeert. Het levert al
spanningen op als een vader meer dan ??n zoon heeft en wel binnen het
gezin, waar het niet simpelweg gaat om twee jongens, maar om de
eerstgeborene en zijn broer. De afgunst of zelfs de dodelijke wrok tussen
deze twee levert al vanaf Ka?n en Abel stof voor talloze literaire werken.? (p.
31)

Op zoek naar publieke en private redelijkheid
In ? Wie gaat er dan de wereld redden?? pleit Rik Torfs voor een publieke
redelijkheid die wetenschappelijk kan worden onderbouwd, wat iedereen kan
delen of toch zou moeten delen. ?Daarnaast is er een soort van private,
minder wetenschappelijke redelijkheid die je niet zomaar met de anderen kan
bespreken en al zeker niet aan en kan opdringen. Het gaat daarbij niet langer
om het zuiver rationele. Onze gevoelens sijpelen erin binnen en kleuren de
idee?n. De mix van gevoelens en gedachten die op die manier tot stand
komt, dringen wij terug tot het niveau van het priv?-leven. Ten onrechte.
Gedachten die je niet kan veralgemenen, kunnen anderen toch raken. Zo ook
gevoelens?. (p.197)

Waar klampen zich nog wortels vast, waar groeien
Nog takken uit dit steenpuin? Mensenzoon,
Je weet of raadt het niet, want je kent alleen
Een hoop gebroken beelden, nu de zon blaakt,
De dode boom geen schuilplaats biedt, de krekel geen soelaas,
De dorre steen geen klank van water. Alleen
Onder deze rode rots is er schaduw,
(Kom hier in de schaduw van deze rode rots),
En ik zal jou iets anders laten zien dan
Je schaduw die ? s ochtends achter je aan stapt
Of je schaduw die ?s avonds op je toe komt;
Ik laat je vrees zien in een handvol stof.
( T.S. Eliot, The Waste Land – Het barre land. vert. Paul Claes)
www.janvanduppen.be

Archief

deredactie.be opinie&blog: PVDA, Partij Van De Aanpak of Partij Van De Dwang

2 april 2010

PVDA: PARTIJ VAN DE AANPAK OF PARTIJ VAN DE DWANG?
24 / 01 / 2010
In Nederland naderen de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010 in een sfeer van kommer en kwel. De nawee?n van de hero?sche redding van Fortis – ABN AMRO uit de handen van malafide Belgische geldadel, van failliete IJslandse banken waar menig gemeentelijk en provinciaal bestuur hun centjes duurzaam hadden belegd, de stekker uit de DSB bank bij een overgewaardeerde huizenmarkt door monsterprovisies op koppelverkoop van koopsompolissen. En dan bleek ook nog Balkenendes deelname aan de oorlog in Irak onwettig en gebaseerd op selectieve informatie over onbestaande ?massavernietigingswapens?. Geert Wilders krijgt extra aandacht omdat hij als parlementslid door een Amsterdamse rechtbank vervolgd wordt voor beledigende taal over de Islam.
In Rotterdam daarentegen lijkt de PvdA wethouder en lijsttrekker bij de gemeenteraadsverkiezingen, Dominic Schrijer, de wind in de zeilen te hebben. Hij trapte de campagne naar 3 maart af met het voorstel alle jongeren gratis op sport te helpen. Het gehuil over de kosten hiervan was amper gaan liggen, of hij trok onvervaard een volgend register open:
?Niemand met een uitkering thuis op de bank!?
Binnen vier jaar moet Rotterdam vrij zijn van werkloosheid!
In de wereldhaven is er nochtans veel werkloosheid vooral bij laag- of ongeschoolden, nieuwkomers en generaal-gepardonneerde illegalen. Autochtonen ontvluchten de stad en nieuwkomers worden er samen gedreven. De bevolking van Rotterdam bestaat voor meer dan de helft uit allochtonen. In crisistijden schiet de werkloosheidsgraad bij deze ge?mporteerde arbeidsreserve nog sterker door.
Dat belooft Schrijer te keren: ?We bieden iedereen een baan aan die bij zijn kwaliteiten past. Het is misschien niet zijn droombaan, maar wel een opstapje. ?
Zelf begon hij zijn politieke carri?re bij de PvdA als portefeuillehouder in de deelgemeente Charlois. Na een opleiding bestuurskunde startte hij zijn mars door de instellingen.
Al waren sinds 2002 de erfdragers van Pim Fortuyn als ?Leefbaren? aan zet in het Rotterdamse college van B&W, de vele deelgemeenten werden nog steeds stevig bediend door PvdA-CDA bestuurders.
Dominic Schrijer was een van de betere, met netwerk en strategie. Na vier jaar oppositie werd de PvdA in 2006 wederom de grootste partij in het stadhuis aan de Coolsingel en Schrijer werd schepen der stad.

Pact op Zuid
In 2004 was uit een grootschalige bevraging gebleken dat de grote meerderheid van de inwoners van Rotterdam Zuid ontevreden was over hun woonomgeving en over het contact met hun buren. Wie de kans kreeg zou liefst zo snel mogelijk verhuizen.
Voorwaar een nare vaststelling voor een stad waar ?het niet uitmaakt waar iemand vandaan komt?.
Als kersvers wethouder van Rotterdam voor ?Grotestedenbeleid? lanceerde Schrijer zijn ?Pact op Zuid? om de wijken ten zuiden van de Maas op te wekken uit de neerwaartse vaart der volkeren aldaar.
In tien jaar tijd zouden de deelgemeenten en de woningcorporaties beneden de Maas een miljard euro extra investeren in de infrastructurele, sociale en economische kwaliteiten van Zuid. Zo zou de vlucht van beter- en tweeverdieners keren tegen 2015 door de woon- en werktevredenheid op te voeren.
Voorwaar een lovenswaardig pact.
Targets
Maar dat was nog niet alles. Het huidige college (PvdA-CDA-GroenLinks)verklaarde half januari dat het 44 van haar in 2006 vooropgestelde 56 doelstellingen geheel of grotendeels voor mekaar had.
Rotterdam was de eerste stad van Nederland die na de Fortuynrevolte haar inwoners duidelijke ?targets? presenteerde waarop het bestuur wenste afgerekend te worden.
Spijtig genoeg blijkt er wat mis met de intu?tieve wiskunde van het college want de Rotterdamse Rekenkamer antwoordde dat het college minder dan de helft van zijn doelstellingen heeft gehaald. Vier wijken zijn nog steeds onveilig of lijden onder ernstige drugoverlast. Ook op ?veilig ondernemen? en ?autobereikbaarheid van de binnenstad? scoort Rotterdam slecht. Bij vier van de negen niet gehaalde targets speelde volgens de Rekenkamer de economische crisis wel een rol.
?Niet de afkomst, maar de toekomst telt.?
Met deze uitspraak verklaarde Dominic Schrijer het hete hangijzer van de integratie opnieuw tot het thema van de gemeenteraadsverkiezingen. Samenwerken met de ?Leefbaren? zit er onder geen beding in, liet hij aan de achterban weten in de hoop nog 14 van de 18 huidige zetels te kunnen waarmaken in de nieuwe gemeenteraad van 45 leden. Het succes van de PvdA in 2006 bleek immers gedragen door de steun van kiezers van allochtone komaf, maar toch haalde Schrijer het voor het nieuwe lijsttrekkerschap van de populaire Turkse PvdA wethouder Hamit Karakus.
De nieuwe burgemeester Ahmed Aboutaleb is wel van PvdA signatuur maar is niet de inzet van gemeenteraadsverkiezingen wegens rechtstreeks door Koningin en regering benoemd.
Lijsttrekker Schrijer kiest duidelijk voor een offensieve veldbezetting in de kiescampagne. Fors spel op de politieke sc?ne bepaalt in de vlucht vooruit vaak het geheugen van de kiezer: ?Bij het werk dat we aanbieden kan het gaan om reguliere banen, maar ook om leerwerktrajecten en vrijwilligerswerk. Binnen maximaal twee jaar moeten de werklozen doorstromen naar een echte baan.?
?Verpieteren achter de geraniums?
Degenen die weigeren krijgen geen uitkering meer. Dat is juridisch mogelijk. Je krijgt alleen nog geld als je iets doet. Dat klinkt misschien streng. Maar het is niet sociaal om mensen achter de geraniums te laten verpieteren, zoals we vroeger deden.?
Vorig najaar begon Rotterdam met zo?n project voor zeshonderd ?generaalpardonners?, illegale vreemdelingen die wegens aantoonbaar lang in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zij zijn formeel in dienst bij een re?ntegratiebedrijf en verrichten gesubsidieerde arbeid. Zo pakken sommige ?generaalpardonners? boodschappen in van klanten bij een Rotterdamse Albert Heijn-vestiging. Simpel en onrendabel werk.
Partij van Dwangarbeid
De oud-PvdA coryfee Marcel van Dam – auteur van ?Niemands Land? – trok van leer met het verwijt dat de PvdA-wethouder met zijn ?dwangarbeid de sloop van de bijstand organiseert?.
Het debat staat nu op de agenda want Dominic Schrijer repliceerde in de Volkskrant:
?Vanaf 2006 hebben we een omslag gemaakt waarbij twee punten centraal
staan: 1. Richt je op de kracht van mensen in plaats van op beperkingen. Iedereen kan iets. En 2. Erken dat niet iedereen 100 procent arbeidsproductief kan zijn. Anders dan Van Dam betoogt, maken wij de wijken hiermee niet bijstandsvrij, maar vrij van werkloosheid en inactiviteit. Iedereen kan iets en iedereen doet iets. De bijstandsgelden worden benut
om mensen te laten participeren. De manier waarop we dit doen, is niet zo kil en koud als Van Dam beweert. Nogal wat mensen in de bijstand kennen een stapeling van problemen. Juist zij worden geconfronteerd met loketten en formulieren en weten dikwijls niet waar zij hulp kunnen halen.
Daarom wachten wij niet tot mensen bij een loket komen, maar zoeken we hen thuis op. Zonodig wordt hulp geboden om het huishouden weer op orde te krijgen, schulden te saneren of sociaal-medische problemen op te lossen. Pas als stimulering en aanpassing van de situatie niet werkt, wordt er meer druk uitgeoefend om mensen te bewegen aan de slag te gaan.
Het stoppen van de uitkering is daarbij het einde van een proces, niet de start.?
Sociale economie
Lokale ervaringen met gelijkaardige projecten bij drugverslaafden die in ruil voor 15 euro per dag bovenop een uitkering van 736 Euro waren gunstig: beter dagelijks de straat op met een bezem of papierprikker om Rotterdam schoon te houden dan om je verslaving bijeen te stelen.
Maar die extraatjes worden flink gekort en velen blijven hangen in dit soort werkverschaffing.
Het heeft ook iets van de werkverschaffing die v??r de val van de Muur in zwang was in Oost-Europa en de Sovjetunie. Ongelooflijk veel banen werden gecre?erd om een totale tewerkstelling te realiseren. Met navenante privileges als extra inkomsten. Nadien haalde het mantra van de rentabiliteit de overhand. En dus werden alle onrendabele banen afgeschaft.
Al biedt dit soort initiatieven in theorie iedere uitkeringstrekker de mogelijkheid om van achter de geraniums uit te komen piepen, in de praktijk houdt het natuurlijk geen rekening met het re?le leven achter de gordijnen en in de portieken. Er bestaat – zelfs in Nederland – een fors parallel circuit met min of meer criminele randen dat draait op mensen die zich liefst ver houden van een regulier werk voor een bijstandsuitkering, als ze het al niet cumuleren.
Partij van de Aanpak
PvdA-Lijsttrekker Schrijer slaat twee vliegen in een klap: steuntrekkers voeren onrendabele klussen uit en de parallelle circuits komen onder druk. Wie hard werkt voor een matig tot normaal loon wordt gunstig gestemd omdat er opgetreden wordt tegen klaplopers en steuntrekkers die ?s ochtends lekker in hun nest blijven liggen, wat rondlummelen en de godganse dag porno dvd?s koesteren. Bovendien levert zo?n uitgebreid tewerkstelling-circuit in de sociale economie veel extra banen op voor begeleiders, coaches, controleurs. Nederland heeft intussen immers een grote traditie van allerlei priv? onderneminkjes die in ruil voor passende overheidsgelden dat soort klussen graag met daadkracht beweren te klaren. Het creatieve ondernemen woekert zo ook in de sociale sector, van inburgering over re?ntegratie tot thuiszorg en revalidatie.
Indien de ?Partij van de Aanpak? met Dominic Schrijer de macht in de Coolsingel kan behouden, is het te hopen dat binnen de vier jaar de economie fors aantrekt en de vraag naar goedkope en laaggeschoolde arbeidskrachten razendsnel stijgt.
Anders wordt het weer een hogere vorm van intu?tieve wiskunde om de targets te halen tegen 2014.
De kracht van de herhaling is tevens het zwakste punt van populistische politiek. ?Trop is teveel?, ook in Rotterdam.
Volgens de Zwitserse econoom Binswanger is economie de voortzetting van de alchemie maar met andere middelen. Voodoo rituelen, winti en de wil van de Allerhoogste spelen een belangrijke rol in de sociale netwerken van de pulserende arbeidsreserve in Maasstad.
Indien deze rituelen gesynchroniseerd raken met het ritme van de economische alchemie kan het niet meer stuk.
?Iedereen telt mee, iedereen doet mee?, toch?
(Jan Van Duppen is huisarts in Rotterdam)
www.janvanduppen.be

Archief

deredactie.be opinie&blog: Lekker aan de Maas

2 april 2010

Lekker aan de Maas.

10012010

Mijn eerste kennismaking was een echte ‘AH-erlebnis’.
Met ‘het alledaagse betaalbaar, het bijzondere bereikbaar’ heeft Albert Heijn zowat in iedere wijk van Maasstad een ?super?. Elders in het land wordt gesproken van een monopoliesituatie. In Zuidwijk gaat de AH-vestiging prat op zijn oerhollandse traditie, meer dan vijftig jaar. Winkelen in Zuidwijk is nog een belevenis.

Allerhande.

Met zijn gratis ? Allerhande? – themamaandblad treft de grootgrutter van Nederland op een bijzondere manier de zeer gevarieerde ‘client?le’. Naarmate ik de wijk beter leerde kennen, begreep ik het soms merkwaardige niveau van de receptuur in ?Allerhande? zoals een ei koken of bakken, boter laten smelten en sausen monteren. Dat mag duidelijk niet tot de vaste vaardigheden van het potenti?le publiek gerekend. En toch doet ‘Allerhande’ daar wat aan. Het leert de klanten omgaan met voedsel, dankzij voorbeeldkoks – sportlui of tv-dames en heren al dan niet ?van Duitsen bloed? – die uitleggen hoe ze zelf lekkers leerden koken en perfectioneren. Handig in crisistijden: vrienden op visite vragen v??r achten is na enige oefening haalbaar. Je bent niet meer afhankelijk van wat de visite schenkt en zelf koken is bovendien heerlijk goedkoop. Wanneer AH wijnoverschotten uit zijn betere winkels met forse korting afserveert naar de mindere wijken, kan de pret niet op. Aan de kassa levert dat wel eens commentaren van de kenners. Zelf zeulend met kratjes Belgische hoge gistingsbieren uit de bonusaanbieding merkte een ex-Joegoslaaf met leverlijden aan de kassa over mijn wijnselectie vrolijk en luid op: ‘Wat leuk dokter, ik zie dat u er ook wel pap van lust!’

Culinaire melancholie.

Allochtonen uit landen met een degelijke culinaire traditie vinden dat de Nederlandse keuken niets voorstelt en dat ze er niets van weten te bakken. Voor velen van hen is gezamenlijk eten een vorm van heimwee oefenen. Dagen wordt aan een feestmaal geknutseld: melancholisch genieten van geuren, smaken en kleuren in de zonnige illusies die ze moesten achterlaten. Samen eten en drinken als verwarmend ontmoeten bij barre kou of fletse regen is een traditie die ze graag aan wie na hen komen voorschotelen. Eten als cultuurdrager, als een herinnering aan de manier waarop oma of tante het ooit heeft voorgedaan, aan jeugdige onschuld, aan vertrouwen in een familie die hen later zou uitsturen als pioniers voor het betere gewin.

Afhaalgeluk.

Behoudens de Hollandse fastfood – vleeskroketten uit de muur of kibbelingen met ravigottesaus – is de markt van afhaalgeluk in handen van Chinees – Indische – Italiaanse tenten. De Vietnamese loempia?s doen de oliebollen-kraam concurrentie aan. Friet heet hier patat en is steevast een slappe hap voorgebakken vrieswaar met zoete mayo. Surinaamse eethuisjes serveren hun fameuze ?roti? – pittig gevulde pannenkoeken – of hete sandwiches. De opmars van de Turkse eettenten dringt de Italiaanse terug met ?lahmacun? of ?Turkse pizza?, al dan niet met een sla-tomaat vulling en d?nerkebab van kalkoen.

Halal-kapsalon.

Aan de Maas is ?kapsalon? erg populair als snelle hap: een aluminium-bakje wakke frieten waarop sla-tomaat-ui en kebab met lookyoghurt en sambal onder een plak gesmolten kaas. Genoemd naar de Rotterdamse kapper die deze creatie liet ontwikkelen bij de kebabzaak om de hoek verovert deze culinaire opsteker de hele Randstad.
Halal-vlees is ook aan een opmars bezig. Het heet tegenwoordig graag biologisch, minder vet en dus gezonder. Dat het dier gekeeld wordt met het hoofd naar Mekka onder het prevelen van de naam van de Allerhoogste en tegen betaling gecertificeerd, wordt er voor de teergevoelige Hollanders niet meer bij verteld. Ondanks het succes van de Partij voor de Dieren.

E?n kaakje bij de thee.

In het hogere segment van de gastronomie doen zich inmiddels boeiende ontwikkelingen voor.
De Argentijnse kroonprinses Maxima die aan de hand van gewezen Groenlinks politicus Paul Rosenm?ller een succesvol inburgeringstraject kon volgen, bleef zich verwonderen over de volgens haar typisch Nederlandse gewoonte van ???n kaakje bij de thee?. Voor deze uitspraak kreeg ze de vaderlandse pers over zich heen.
Als zoon van een steenrijke ondernemersfamilie heeft de voormalige mao?st haar na zijn politieke succescarri?re nog niet kunnen leren hoe je gradaties herkent van sobere behoedzaamheid tot praatjes van Hollandse patsers.
En dat is geen sinecure in de horeca aan de Maas.

Sterren
Drie restaurants met ??n-ster en Parkheuvel – intussen twee Michelinsterren – spannen de kroon. Maar treffelijk eten voor veel geld is geen echte kunst.
Spannender wordt de zoektocht in de lagere segmenten. Lekkere keuken, voorkomende bediening en een aangename omgeving. Van de drie Bib Gourmands biedt er ??n zelfs uitzicht op de grasmat van voetbalstadion Sparta.
Nog spannender is vaak de bediening. Vroeger liep die heel vaak mis door jobstudenten die als ober bijklussen: een grote bek en niet gehinderd door enige kennis van zaken. Maar ook het decor kookt soms van enthousiasme. Tongfilet met olijfolie kleurt bijvoorbeeld groen onder de natriumlampen voor het lounge sfeertje .

Stuntelen

De vele kookprogramma?s op tv en de culinaire rubrieken hebben onmiskenbaar effect. Betere gerechten maar ook meer verwarring in de bediening. ?Herrie in de keuken? en de vervolgprogramma?s zijn een doorslag van ?Oorlog in de keuken? van de Engelse chef Gordon Ramsay, voor Nederland ge?nterpreteerd door Herman den Blijker. Deze grote kale sigarenrokende en niet onbesproken chef gaat prat op zijn Rotterdamse recht voor de raap mentaliteit maar blaakt niet echt van ge?nteresseerde betrokkenheid. Een andere tv beroemdheid, Joop Braakhekke, liet in zijn restaurant de wanden bekleden met spiegels: ? Zien en gezien worden, daar draait het om in Le Garage’s culinaire circus?. En daar wringt menig horeca schoentje.

?Jus de veau?

Als je voor 135 Euro per couvert te horen krijgt dat het exclusieve visrestaurant wegens de feestdagen helaas geen kaart kon samenstellen met producten uit de zoute zee en bijgevolg de chef een culinaire wandeling zal organiseren met wat hij toch heeft kunnen matsen, kan dat leuk worden. Dat is het minder wanneer de elektriciteit herhaaldelijk uitvalt wegens het straalkacheltje tegen de tochtende koude. En helemaal te gek is de stuntelige ober die voor het gemak links over je heen reikt en weet te melden dat het hoofdgerecht bestaat uit ?eendenborst op een bedje van spinazie met puree van Franse aardappels en een ?jus de veau?.
?Eh, ik bedoel de borst van een tongetje… Weten jullie wat ?jus de veau? is? Dat is overheerlijke kalfssaus en dat is heel bijzonder bij vis, vind je niet??
De sommelier die de hele avond een inferieur bio-wijnarrangement schonk, probeerde de fratsen nog wat te redden door spontaan een mooie cream sherry te serveren bij het toetje.
Wel achteraf op de rekening teruggevonden.

?Lossigheydt?

Tussen sobere behoedzaamheid en praatjes-patsers wordt ook culinaire kwaliteit bepaald door ge?nteresseerde betrokkenheid.
Welteverstaan in de gasten, niet in de spiegels.
In 1662 werd de Nederlandse vertaling van Baldassare Castigliones ‘Libro del Cortegiano’ als ‘De Volmaeckte Hovelinck’ opgedragen aan de latere Amsterdamse burgemeester met Zuidnederlandse voorouders Jan Six. De ‘sprezzatura’ die Castiglione promootte als ‘cool’ voor een heer van stand, werd erin vertaald als ‘lossigheydt’. Die gecultiveerde, geoefende, innemende, genereuze ‘lossigheydt’ heeft niets met arrogantie om onkunde te maskeren of geharnaste poses om onzekerheid te keren. Integendeel, culinaire klasse toont zich in haar onnadrukkelijke vanzelfsprekendheid, in haar ge?nteresseerde betrokkenheid.
Gelukkig zijn er in Rotterdam een handvol etablissementen die weten wat voorkomende service bij kwaliteitsmenu?s met treffelijke dranken kan betekenen. Vaak voor een bescheiden prijs. En wat nog leuker is, vaak gaat het om jonge chefs die buiten de Nederlandse gastronomische wereld ervaring hebben opgedaan. Met enig creatief zoekwerk tussen quotering en commentaar leer je ze vinden op ww.iens.nl. Goed koken is geen kwestie van geld, maar van smaak.
Goed eten is een kwestie van cultuur.

ww.janvanduppen.be