Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Archief

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

30 mei 2010

Margriet de Moor, De schilder en het meisje. De Bezige Bij 2010.

Een boeiend historisch gegeven – de wurging van Elsje Christiaens in mei 1664 wegens verdenking van moord op haar huisbazin en de tekening van Rembrandt van haar opgehangen lijk voor de kraaien en de raven – wordt door Margriet de Moor tot een fijne roman verwerkt. Ze slaagt er meesterlijk in om de lezer te verleiden en in haar verhaal te zuigen met beelden en klanken.
Al zou een i pad versie hier meteen beeld en klank kunnen bijleveren, want die elementen zijn erg belangrijk in ? De schilder en het meisje?.

Daarom stoort het mij ook zozeer wanneer ze anachronismen gebruikt die voor mij de verleiding van haar verhaal verstoren. Al zal de auteur ongetwijfeld haar redenen hebben om het thema uit te breiden tot het leven van vandaag in Amsterdam, ze dwingen me achterover te leunen om verbijsterd te bekomen: een ijslandschap is als dat van Caspar David Friedrich, boomstammen die in het ijs vastgekruid werden als antitankversperringen, beulen als voetballers, minuten als tijdmaat, doorzonwoningen en Shell gebouwen op het galgenveld.

166. Plezierig doorbordurend bedenkt hij dat zij, de schilders tenslotte niet bezig de tijdsduur een vorm op te leggen, zoals de dichters dat doen, maar juist omgekeerd de vorm van tijdsduur voorzien, de blik.

221. Het blijft een verbazingwekkend fenomeen dat een mens, als enige onder de dieren, zich in het zicht van en aangekondigde dood zo braaf in het voorgeschreven protocol voegt. Geen schaap, geen lam zou dat doen. Het meisje stond nu voluit te krijsen, klauwen uitgestoken.

Deze vat ik niet alsof zwijnen geen bord voor hun kop krijgen om naar het slachthuis gedreven te worden?

http://www.vn.nl/De-Republiek-der-Letteren/Artikel-Literatuur/De-schilder-en-het-meisje-Margriet-de-Moor.htm
http://www.nrcboeken.nl/recensie/een-dode-geschilderd-naar-het-leven

Archief

Ruhr 2010

30 mei 2010

Hagen
Het Karl Ernst Osthausmuseum in Hagen heeft in het kader van Ruhr 2010 – Istanbul 2010 nog tot 25 juli een schitterende tentoonstelling met de Istanbul – Sammlung Huma Kabakci.
Mooier bijna en gevarieerder nog dan het Istanbul Museum of Modern Art . ?
De ongelooflijke fotoselectie over Istanbul van Ara G?ler is meer dan een bezoek waard.
De eigen collectie bevat mooi werk wat ten dele onder invloed van architect Henri Van de Velde, die voor Karl Ernst Osthaus villa Hohenhof bouwde, werd verzameld.
Na diens dood verhuisde de grootste delen naar het Folkwangmuseum te Essen.

Essen

De tijdelijke tentoonstelling – Het mooiste museum ter wereld - in het nieuwe en uitgebreide Folkwang museum te Essen is zeer de moeite waard. Geprobeerd werd het grootste deel van de oude collectie voor de verwijdering door de nazi’s van de volgens hen ontaarde kunstuitingen te reconstrueren.
Er hangen schitterende werken uit de hele wereld weer samengebracht. De toeloop is enorm waardoor de ruimtes wat klein bemeten lijken voor zoveel toelichting.
Het nieuwe museum gebouw is een prachtige uitbreiding van het naoorlogse.
Maar zoals bij veel van die prachtige nieuwe musea in kleinere steden zonder veel artistiek verleden blijkt wat nog rest of wat reeds werd verzameld aan eigen collectie te beperkt om de prachtige zalen te vullen. Het lijnenspel en de magnifieke binnentuinen lijken een ode aan Van de Veldes oude Kr?ller M?ller in de Hoge Veluwe, maar verbergen vooral veel leegte in het oude gedeelte.
Zeche Zollverein XII heeft als mooiste en indrukwekkendste mijngebouw in futuristische nazi architectuur ooit een moeizame fototentoonstelling Das Gro?e Spiel – Arch?ologie und Politik zur Zeit des Kolonialismus.
Verbijsterend is het schrijnende gebrek aan fatsoenlijke horeca op het enorme oude mijn- en cokesfabriekterrein – behoudens in het Casino restaurant.

Bochum

De Jugendstil machinegebouwen van de Zeche Zollern II/IV te Bochum zijn gesloten wegens dringende en grondige restauratiewerken. De gebruikelijke tentoonstelling over hoe goed het allemaal was in de hoogtij van de Duitse mijnbouw in de Ruhr is meer dan de moeite, maar wordt nu gelukkig fors onderuitgehaald door de tijdelijke tentoonstelling
Helden im Zeichen von Schl?gel und Eisen – Denkmale f?r verungl?ckte und gefallene Bergleute im Ruhrgebiet nog tot 22 augustus 2010.

Fietswegen

En dan is in dit oude Duitse industriegebied zoveel werk gemaakt van leefbaar groen, ruimen van vervuilde industriezones, restauratie van prachtige (industri?le) archeologische sites en het aanleggen van prima fietspaden dat het gekoppeld aan een prima openbaar vervoer een ideale fietstocht opleveren kan.

Archief

vrt de redactie.be Opinie&Blog – Van god los – Litanie van de Hubris – Gidsland of Gistland – Verlangen is de essentie van de mens – De nieuwe man die het lonken niet laten kan

20 mei 2010

Van god los
Litanie van de Hubris
Gidsland of Gistland
Verlangen is de essentie van de mens
De nieuwe man die het lonken niet laten kan

vrt de redactie.be Opinie&Blog

Archief

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

18 mei 2010

J.M. Coetzee, Zomertijd – uitg. Cossee 2009

In ?Zomertijd? schrijft J.M. Coetzee een biografie over zichzelf door gefingeerde interviews met derden, met familie, vrienden en minnaressen.
Geen van de ge?nterviewden geeft hoog op over Coetzee midden jaren zeventig in en om Kaapstad: ‘Eenzelvig. Sociaal onbeholpen. Geremd. Iets verwaarloosds, iets mislukts’.

In die periode woonde hij na een onduidelijk verblijf in Engeland en de VS samen met zijn oude vader in een krot aan de rand van de bewoonde wereld waar hij met eigen handen verbeteringswerken uit probeert te voeren, omdat hij niet wou dat blanken zich te goed zouden voelen voor handenarbeid.
Een van de minnaressen, Julia, werd later psychotherapeute en vertelde de interviewer: ?Nee, natuurlijk hield John niet van zijn vader, hij hield van niemand, hij was niet voor de liefde gemaakt. Maar hij voelde zich schuldig en daarom deed hij zijn plicht. In bed was hij niet goed, niet teder, ‘autististisch’ eigenlijk. (...) Hij had besloten wrede en gewelddadige impulsen uit elke arena van zijn leven – inclusief zijn liefdesleven, zou ik zeggen – te weren en ze in zijn schrijven te kanaliseren, dat als gevolg daarvan een soort oneindige oefening in catharsis zou worden.’

Coetzee put voor Zomertijd uit een geraffineerde trukendoos.
Hij is bij publieke aangelegenheden steeds zwijgzaam. Zo heeft hij op de hele viering van zijn zeventigste verjaardag in de Amsterdamse Balie waar hij ook Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw werd, geen woord gesproken.
Ook in zijn relaties onthult hij zichzelf door de mond van diezelfde Julia als een alles behalve passionele minnaar.
Op een bepaald moment eiste hij van haar de ze met hem zou vrijen op het tempo van Schuberts strijkkwintet: ? Schubert was de componist, en Coetzee de uitvoerder. De man die zijn ma?tresse voor een viool aanzag?.
Coetzees boeken pleiten overtuigend voor een trager leven, waar de hype van het moment of de weetjes van vandaag en morgen hoogstens achtergrondruis vormen voor een symfonie die hijzelf in zijn hoofd componeert en die zijn aandachtige lezers tot navolging nodigt.
Je voelt in zijn werk van om en nabij de recente verhuis van Zuid-Afrika naar Australi? dat er nog heel veel meer uit te leggen valt, maar dat hij daar nog omheen hinkt en hikt als om een hete brei.
Niet zozeer in ?Uitgesproken meningen? als in de vele ?onuitgesproken meningen?.
Dit laat natuurlijk ruimte voor de fantasie van de aandachtige lezer, maar in Australi? moet een auteur van zijn formaat toch met een nieuw dagboek voor de pinnen kunnen komen over ?een schitterend ongeluk? want ?Mensen gaan (immers) wel dood aan onverschilligheid tegenover de toekomst? zoals hij in de ?Langzame man? verklaart.

Met dit boek lijkt hij wel meer op zoek naar de politieke situatie in Zuid-Afrika onder het apartheid-regime. En naar zijn houding in die tijd.
Ik mis de dreiging en de spanning in Zomertijd die hij elders zo knap opbouwt.
En hoewel Coetzee hier wellicht zeer ver gaat in autobiografische overpeinzingen die hij in de mond legt van de ge?nterviewden, mis ik de kracht van zijn literair spel.
Zijn zoektocht is nog lang niet voltooid.

240. Studenten hebben naar mijn mening al snel in de gaten of wat je doceert van belang voor je is. Is dat het geval, dan zijn ze bereid te overwegen er zelf ook belang in te stellen. Maar als ze al dan niet terecht concluderen dat dat niet het geval is, dan valt het doek en kun je net zo goed naar huis gaan.

257.Nee, niet apolitiek, ik zou eerder zeggen antipolitiek. Hij vond dat politiek het slechtste in mensen naar boven bracht. Het bracht het slechtste in mensen naar boven en bracht ook de slechtste types uit de samenleving naar de oppervlakte. Hij had er liever niets mee te maken.

261. Als Afrikanen ?zij? waren, wie waren dan ?wij?? De Afrikaners?
Nee. ?Wij? waren in de eerste plaats de kleurlingen. Het is een term die ik slechts aarzelend gebruik, bij wijze van samenvatting. Hij – Coetzee – vermeed hem zoveel mogelijk. Ik noemde zijn utopisme. Dit vermijden was een ander aspect van zijn utopisme. Hij verlangde naar de dag dat iedereen in Zuid-Afrika zichzelf niets zou noemen. Afrikaans noch Europees noch blank noch zwart wat dan ook, dat familiegeschiedenissen zo met elkaar verstrengeld en vermengd zouden raken dat mensen etnisch niet meer van elkaar te onderscheiden zouden zijn, dat wil zeggen – ik gebruik het besmette woord opnieuw – kleurlingen. Dat noemde hij de Braziliaanse toekomst. Hij was natuurlijk nooit in Brazili? geweest.

267. Dus we hebben het geval van een man die de taal alleen maar gebrekkig sprak, die buiten de staatsreligie stond, wiens visie kosmopolitisch was, die politiek gezien – hoe zullen we het noemen? – een dissident was, maar die desondanks bereid was de identiteit van Afrikaner te aanvaarden. Waarom denkt u dat dat zo was?
Mijn mening is dat hij met de blik van de geschiedenis op zich gericht het gevoel had dat hij zich niet van de Afrikaners kon losmaken en tegelijkertijd zijn zelfrespect bewaren, ook al hield dat een associatie in met alles waarvoor de Afrikaners verantwoordelijk waren, politiek gezien.

272.Om terug te komen op zij geschriften: wat is objectief gesproken, als criteria, uw mening over zijn boeken?
Ik heb ze niet allemaal gelezen. Na In Ongenade verloor ik mijn belangstelling. Over het algemeen zou ik zeggen dat zijn werk ambitie mist. De controle over de elementen is te strak. Nergens krijg je het gevoel van een schrijver die zijn medium vervormt om te zeggen wat nooit eerder is gezegd, wat voor mij het kenmerk is van grote literatuur. Te koel, te keurig, zou ik zeggen. Te gemakkelijk. Een te groot gebrek aan passie. Dat is alles.

276. Clubrugby loopt op zijn laatste benen. Dat voel je vandaag niet alleen op de tribunes maar ook op het veld zelf. Gedeprimeerd door de galmende ruimte van eht lege station lijken de spelers alleen nog maar de schijn op te houden. Een ritueel sterft voor hun ogen uit, een authentiek ritueel van de Zuid-Afrikaanse kleinburgerij. De laatste getrouwen zijn hier vandaag bijeen: treurige oude mannen zoals zijn vader; slome, plichtsgetrouwe zoons zoals hijzelf.

Archief

Bart Brinckman, Isabel Albers, Steven Samyn, Wouter Verschelden: “De zestien is voor u?, Hoe Belgi? wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

14 mei 2010

Bart?Brinckman,?Isabel?Albers,?Steven?Samyn,?Wouter?Verschelden: “De zestien is voor u?, Hoe Belgi? wegzakte in een regimecrisis. Het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit. Uitg. Lannoo 2008.

Zelden herlees ik boeken, wegens gebrek aan tijd, wegens uitstellen tot later wanneer misschien ooit de druk van de jacht en het leven getemperd zal zijn, wegens angst voor tegenvallende zinnen die zelfgeweven herinneringen aan flarden haken.
Maar in de huidige regimecrisis is het boek herlezen van de toenmalige De Standaard journalisten ?De zestien is voor u?, een opwekkende verademing.
Alle fratsen en iedere wanhoop, het wetten van messen, het knarsend draaien van het lemmet in de rug van de politieke vrienden, de manoeuvres met de aartsvijanden en de schijngevechten met de vijanden, je kan ze heerlijk savoureren in dit journalistiek hoogstandje.

Er zijn hier en daar immers nog enkele journalisten die meer in hun mars hebben dan politici nabouwen of geruchten fluisteren.

Vooral nu is de lectuur van dit boek zinvol om de kunstgrepen te vatten die in de aanloop tot de verkiezingen en na 13 juni aan bod komen.

Politiek bedrijven in Belgi? behoort tot de hogere kunsten. Het is slechts weinigen gegeven, maar de manoeuvres in de coulissen blijven beter daar gespeeld dan op het publieke theater. Oog en oor verlangen ook wel eens naar een illusie van schoonheid, zelfs als ze geschonden is.

-?Het allereerste boek over de langste regeringsvorming in onze naoorlogse geschiedenis: van Verhofstadt-II over bijna-Leterme-I naar Verhofstadt-III
-?De spannende reconstructie door de Wetstraatredactie van de krant De Standaard, gebaseerd op reportages in de krant, maar uitgewerkt tot een boek vol achtergrondinformatie
-?Dit boek brengt het verhaal van de langste formatie uit de naoorlogse Belgische geschiedenis. Het laat zien hoe een diepgeworteld wantrouwen en politiek onvermogen het land meesleuren in een van de moeilijkste periodes die het ooit heeft gekend.
-?Onmisbaar voor wie met kennis van zaken wil meepraten over het jaar waarin politiek Belgi? van aanzien veranderde. ?

Archief

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

9 mei 2010

Jan Vanriet, Closing Time – KMSK Antwerpen nog tot 3 oktober 2010

Closing Time is de laatste tentoonstelling voor de sluiting van het KNSKA wegens belangrijke renovatiewerken.
Kunstenaar Jan Vanriet (1948) kreeg carte blanche om een groots parcours uit te zetten in de zalen oude en moderne meesters.
Door de veranderde opstelling en het samenspel met Vanriets oeuvre bekijk je de kunstwerken vanuit een onbevangen invalshoek.

Met ?Closing time? leveren curator Leen de Jong en Jan Vanriet een onthullende kijk op het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, het gebouw, de wanden, de collectie en de geest van Brabant in Vlaanderen.
Hun keuze helpt de bezoeker de noodzaak te begrijpen van een grondige renovatie, verlangen te ontwikkelen naar een vernieuwing, genoegen te beleven bij verruiming.
Hun selectie helpt de collectie van het KMSKA te herkennen als groots en meeslepend.
Ze helpt Jan Vanriet herkennen als ?iene van ons, iene van hier!? (dixit wijlen Tuur Van Wallendael tijdens zijn sp-verkiezingscampagne in de Antwerpse Seefhoek), een kunstenaar die zich willens nillens plaatst in de eeuwenoude traditie van behoedzame ruimdenkendheid en tolerantie die Vlaanderen eigen was, is en blijven zal.
Ondanks sadomasochistische trekjes bij zelfverklaarde progressieve ideologen.
Geen regio ter wereld, geen land in Europa heeft zo?n diepgewortelde gastvrijheid voor andersdenkenden, andere culturen, andere heersers ontwikkeld als deze regio die om de haverklap vreemde heersers en vreemde troepen diende te tolereren. Op voorwaarde dat deze bezoekers zich fatsoenlijk, respectvol en hardwerkend opstellen.

De KMSKA kunstverzameling uit de voorbije eeuwen is daarvan een pedagogische en tegelijk prachtige illustratie.
Jan Vanriet stelt zich met zijn kunst in die bevragende, ironische soms ook vranke cynische traditie die falende machthebbers en al dan niet marxistische maakbaarheidsideologie?n voor schut weet te zetten.

De zaalindeling volgens een verhelderend stramien is bekoorlijk. Eindelijk heb ik zo de gelijkenis begrepen tussen lippen en tepels bij Modigliani, tussen Ensors Maskers en het sarcasme van de macht bij Vanriets Signaal uit 2008.
Zijn paarse gladiolen zijn indrukwekkend, ook naast de Seringen van Brusselmans.
Net als zijn Aurora en de rug aan rug van de Oude marxist met Ruzie in de galerij van Fred Bervoets.
Woeste dromen vol verbijsterend wantrouwen, leugens in grijs en kleur.

Grappig zijn ook de commentaren van bezoekers die voor de verandering het kunstleven zo heel erg graag laten beginnen bij de oude meesters, die Vanriet ook hoogmoed verwijten omdat hij de pretentie heeft hun werk te selecteren en confronteren met het zijne.
Dergelijke zuivere waanbeelden worden prachtig gepareerd door de werken van expressionisten, Ensor, Permeke.

Ironische commentaren op wie voor hen kwam is immers de basis van de historische bevraging door iedere generatie kunstenaars.
Wanneer dit niet altijd even goed geslaagd zou zijn, houdt het vaak verband met de intellectuele kwaliteiten van de artiest in kwestie.
En daaraan heeft het Jan Vanriet nooit ontbroken.
Daarom is zijn immens oeuvre die commentaren reeds lang overstegen.

Archief

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb – uitg. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag

6 mei 2010

Philippe Claudel, Alles waar ik spijt van heb. De Bezige Bij – Tot ziens meneer Friant – uitg. Vrijdag,

?Maar is licht altijd te verkiezen boven duisternis??

(161)

Philippe Claudel biedt de lezer met ?Alles waar ik spijt van heb? een helende denkoefening ?voor iedereen die we pijn doen?. De manier waarop hij in dit boek uit 1999 dat nu pas werd vertaald, teruggaat naar de liefde en de onwetendheid van een prille jeugd in onschuld lijkt op een bezoek aan zijn geboortedorp waar de schrijver nog steeds woont: Dombasle-sur-Meurthe, niet ver van Nancy in Lotharingen.
Het heeft iets van de prille Sandor Marai en het is voor mij een herinnering uit 1983 toen ik van Athene naar Antwerpen fietste en langs het kanaal voor de Solvay fabrieken naar Nancy peddelde. Na 2500 kilometer in je eentje op de fiets door de nakende herfstkou van eind september blijft de Elzas, Lotharingen en de Ardennen op een beklemmende manier in je geheugen waar het lezen van Philippe Claudel die passage steeds weer onthult.

Thema?s als de absorberende pastoor – vergelijkbaar met die in Carlo Levi?s ?Christus kwam nooit verder dan Eboli? – de gevolgen van verblindende zekerheid en verhullende waarheden zijn ook hier reeds aanwezig, wat hij later in het ? Verslag van Brodeck? meesterlijk ontwikkelt.

?En wie betaalt het gelag? De priester, die als een spons wordt gedwongen het leed op te zuigen dat door iedereen wordt afgescheiden, het verdriet, de wanhoop, het onbegrip en het gehuil; en hij moet ermee verder leven, iedere avond, nacht na nacht?Af en toe, als ik aan het eind van de middag na een lange dag naar huis ga, voel ik me loodzwaar. De mensen hebben me tot m?n oren volgegoten met leed en verdriet. Zij zijn geledigd, opgeruimd vertrekken ze en ik trek mijn habijt aan – daar ben ik voor!? (131)
?Als schelpdieren zich onder water verwonden, dan maken ze prachtige parels om de wond heen, om die te helen en de pijn te verzachten, vlammende parels, ware schatten die een herinnering in zich dragen, de herinnering aan een wond? Als wij mensen ons pijn doen, of iemand anders pijn doen, dan zijn onze parels de dingen waar we spijt van hebben, wij fabriceren schitterende spijt, en in de loop van je leven worden alle dingen waar je spijt van hebt, of je nu prins, schoenmaker of senator bent, opgeschreven in een groot boek, een geweldig mooi boek met heel veel goud en verluchtingen. Het boek der schulden heet het, ze worden erin opgeschreven en opgeteld, en iedere keer als er iets bij wordt geschreven waar je spijt van hebt, dan ga je huilen en voel je zelf medelijden, maar het geeft je ook de kracht om door te gaan tot een volgende keer, en zo verloopt het leven. (?.) Je gaat dood omdat je nergens meer spijt van kunt hebben?? (173)

?Tot ziens meneer Friant? is een zoektocht naar de jeugd van zijn voorouders in en om Nancy door de ogen van een bourgeois schilder Emile Friant (1863-1932). Aan de hand van een reeks schilderijen construeert Philippe Claudel een eigen geschiedenis van het vergeten, van gewilde leugens, vergeten bedrog, verlaten liefdes, genoten pijn waarover hij zijn subtiele zinnen weeft. Hij zoekt bij Friant naar de cesuur in zijn werk. Wanneer en waar verliest hij zijn eigen wereld in Lotharingen voor het society succes in Parijs: ?Gestorven, heengegaan, begraven, gefusilleerd onder de eerbetuigingen (...), genekt door een overdaad aan tierelantijntjes?.
Philippe Claudel wijt de malaise in de Franse literatuur vaak aan het intense lik- en trapwerk van de Parijse beau monde waar Franse (en andere) kunstenaars zich al te graag laten f?teren tot godgelijke passieloze mummies waarna hun werk zelfs niet meer de klank van castraten weet te evenaren. Vandaag komt voor hem de kracht van de Franse kunst uit de periferie en hoedt ze zich voor het verblindende lichtspel in de hoofdstad.

Archief

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

1 mei 2010

Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen. Querido 2009

?U komt bonen kopen? Bij mij? U kunt toch in elke winkel bonen krijgen? Maar komt u vooral binnen. U bent toch niet bang voor honden? Ze hoeven alleen maar even aan u te ruiken. Als iemand voor het eerst komt, moeten ze gewoon even aan hem ruiken. Dat zou ik niet weten. Dat hebben ze niet van mij. Dat doen ze uit zichzelf. Een hond is even ondoorgrondelijk als een mens.

En zo gaat het bijna 400 pagina?s door in een lange monoloog: een traktaat over het doppen van bonen, het onthullen van herinneringen, het pellen van de rokken van uien.
De beheerder van een terrein met vakantiehuisjes dopt met zijn bezoeker de gevraagde bonen en vertelt hem het verhaal van zijn leven. Als kind op het Poolse platteland tot de tweede wereldoorlog gruwelijk over het land rolde, zijn tijd bij de partizanen en de industrialisatie en verstedelijking van Polen onder Gomulka en de Moskoubroeders. Hij werd elektricien en bekabelde het Poolse platteland met het oog op de vooruitgang onder het socialisme en slaagde finaal om als saxofonist West-Europa te bereizen. Op zijn oude dag draagt hij op de plek waar vroeger zijn dorp stond tussen de vakantiehuisjes zorg voor de geschilderde namen op de houten kruisjes van wie niet meer zoekt naar een stem. Hij heeft ze allemaal nog gekend als kind.Gestaag wordt peul na peul het geheugen van de terreinbeheerder gedopt en komt een verhalenassociatie op gang die zijn verstomming bij het uitmoorden van zijn familie overstijgt.

‘Pas na de oorlog bleek wat die oorlog was geweest, wat een enorme nederlaag niet alleen van de mens, maar ook van God. Je zou verwachten dat de mens zich niet meer zou oprichten, dat hij zijn maat had overschreden.’

Ook over de politieke terreur na de oorlog gaat over de tong bij het doppen wanneer in een mannenpissijn de zeiker zijn geslacht toespreekt:

?Socialisme, kapitalisme, allemaal geen cent waard. Jij bent een grootmacht. Op jou rust de wereld. Hoewel, wie ben jij in feite? Je zit daar maar in die broek van mij. Een knusse, stille plek. Een toevluchtsoord. Zo nu en dan zou een mens zich daar willen terugtrekken, als hij dat kon

De van het platteland afkomstige Wieslaw Mysliwski (1932) heeft in zijn leven heel wat bonen gedopt. Bonen doppen was op het Poolse platteland een sociale activiteit om wintervoorraden aan te leggen en mekaar af te tasten in de familie en vaak het hele dorp. Eenieder diende wel zijn eigen bonen te doppen, maar het werd een verbale kunst van ontmoeten en aftasten terwijl iedereen met de duim de schaamlippen spreidde om de oogst te verzamelen.
Tuinbonen en peulvruchten waren tot aan de cultuur van de aardappel en lang nog daarna de basisvoeding in West-Europa: de biefstuk van de armen wegens eiwit, vitaminen en koolhydraten te over.

Tijdens de eindeloze monoloog in eenvoudige zinnen van een sobere taal die getrouw gesprekken lijkt te volgen die ooit in het verdwenen dorp werden gevoerd, wordt de lezer tot levende luisteraar die de terreinbeheerder tot slot toevertrouwt aan zijn honden:

Ik laat de honden bij u achter. Weest u niet bang van ze. Blijft u maar bonen doppen.’

46. ?Ziet u dan niet dat het hier nog drukker is geworden dan in al die flats? In een flat, al heeft die tien of meer verdiepingen, hoef ik tenminste niemand te kennen. Goedemorgen, goedendag, en dat is het. En niet eens tegen iedereen, niet tegen die onder mij of boven mij. En ook met die van hoger of lager hoef ik niets. Het komt voor dat een mens een week lang zijn buurman niet ziet. En ga je op andere tijdstippen de deur uit en kom je op andere tijdstippen thuis, dan hoef je hem helemaal niet tegen te komen, niet eerder dan wanneer hij als lijk naar buiten wordt gedragen. En hier, of je dat nu wilt of niet, moet je wel. Je bent nog maar nauwelijks gearriveerd of ze kruipen al als mieren over je heen. En ze jeuken, ze steken, ze bijten. Een week verlof en ik weet niet meer of ik het ben of dat ik het niet ben. Want zegt u nu zelf, hoeveel mensen kan een mens hebben om nog te voelen dat hij zichzelf is?

108. Blijkbaar hangt lachen niet af van wat je ziet, van wat je hoort. Lachen is het vermogen van de mens om tegen de wereld, tegen zichzelf in verzet te komen. Hem dat vermogen ontnemen betekent hem weerloos maken. En zo was ik toen. Ik kon gewoon niet lachen. En ik vond het zelfs maar vreemd dat je sowieso om iets kon lachen. De meesten van ons die op die school zaten waren zo. Hoewel natuurlijk niet iedereen. Sommigen lachten zelfs als ze opgesloten werden.?

Lees verder »