Almudena Grandes, Het ijzig hart – uitg Signatuur 2010
vertaald door Mia Buursma en Ans van Kersbergen
‘Hoed je voor vragen, voor antwoorden en voor hun motieven, anders zal ??n van de twee Spanjes je hart bevriezen.’
Lang, zeer lang geleden dat ik nog zo’n auteur tegen het boek liep, die zo grondig onder mijn huid kon kruipen, die nog zoveel vingerbijten, zit- en nekpijn, rugklachten, prikkelende ogen en verschrikkelijk veel pijn van het zijn wist te triggeren. Dit is als Johan de Booses ‘Bloedgetuigen’, maar dan die van Spanje.
Een turf van dik 800 pagina’s met twee stambomen die ik geen honderd maar minstens tweehonderd keer heb geraadpleegd tijdens het lezen.
Bij Antonio Munoz Molina De nacht der tijden?zat nog een kaart van Madrid ? bij Grandes werd het goochelen op internet ? en het was waarlijk frustrerend hoe zij met alle mogelijke en onmogelijke passen, wendingen, pirouettes, klanken en ritmes van een gigantisch flamencoschouwspel haar lezer weet te verslaven aan een magistraal verhaal van sluiering en versluiering, van onthulling en verraad, verleiding en verstoting, passie en pijn, woede en wanhoop, bravoure en behoedzaamheid, en wraak, veel honger naar wraak als gerechtigheid en uitgestelde emoties.
Frustrerend ?n bevredigend, geschreven door een vrouw ? de allereerste keer dat ik in een boek over de Spaanse burgeroorlog een vermelding tegenkom dat een hoofdrolspeelster nog even ‘een was moet draaien’ om nadien tijd te maken voor het grote werk.
Ik blijf erbij dat een uitgebreider personenregister en relationele stamboom handiger was geweest, maar anderzijds dwingt het de lezer om al haar min of meer gelijknamige protagonisten uit twee verwante en vijandige families in het geheugen te verankeren om hen niet te verliezen ? en met hen hun verschrikkelijke verhaal te eren.
Dat dit meesterwerk door een vrouw is geschreven spat in iedere sc?ne op: alle, maar dan ook alle van de vele sekssc?nes – ook die van mannelijke personages – smaken vrouwelijk, minder vernietigend, meer verleidend, vaak ook meer bevredigend. Niet alleen genitaal.
Deze literaire flamenco stoelt voor mij niet op talloze citaten die ik per se ook op schrift wil bewaren, maar meer op de structuur van haar verhalendans die het probleem van angst, twijfel, onzekerheid, woede die tot wrok leidt en verraad, hubris, thymos, onnozelheid en vooral angst, generaties vol angst en schaamte toch min of meer dragelijk weet te presenteren voor de lezer. De verwarrende compositie is wellicht een wezenlijk onderdeel van de twijfel die dit boek in de harten van de lezers tot rust kan laten komen. Het was allemaal veel te gruwelijk voor woorden, voor verhalen en voor de herinnering.
Omdat niets en niemand is wat lijkt, krijgt een nieuwe generatie vrede en vleugels omdat alleen zij de angst kunnen ontlopen. Niets is immers wat het lijkt, en zeker niet voor, tijdens en na de Spaanse burgeroorlog. Goed en slecht is en blijft vreselijk ingewikkeld. Al heb ik er de voorbije 40 jaar nog zoveel over gelezen, bezocht en bezongen gehoord.
Almudena Grandes is wis en waarachtig een literaire Grandes de Espa?a, niet door geboorte of koopacte, niet door erfrecht of slaafse onderwerping aan het hof, maar door haar literaire werk!
De nieuwe generatie zal ondanks de economische oplichterij een dynamiek zonder angst kunnen ontwikkelen en een toekomst kunnen opbouwen die vrijer is dan de eeuw van ellende die hen voorafgegaan is.
Sinds 2007 is er de Ley de la Memoria Histrica (de Wet ter historische nagedachtenis), een wet die slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog en de Franco-dictatuur rehabiliteert en schadeloosstelling garandeert.
-Waarom komt juist nu alles aan de oppervlakte? De eenvoudige waarheid?
Omdat wij, de derde generatie, bijna vijftig zijn. De regering Zapatero reageerde met deze wet op een eis van de bevolking, hoofdzakelijk geformuleerd door mijn leeftijdsgroep. Wij krijgen geen antwoord op onze vragen, want onze ouders en grootouders hebben geleerd om te zwijgen. Dat zit er diep in. Wij zijn de eerste generatie die zonder angst is opgegroeid.
-Maar de Spaanse democratie is al tweendertig jaar oud. Waarom nu pas?
In de eerste jaren na het einde van de dictatuur waren wij met andere dingen bezig. We waren rond de twintig, wilden reizen, flirten, dronken worden. De democratie was net zo jong als wij. De diepere betekenis van de veranderingen om ons heen drong niet tot ons door. Onze politici voerden die veranderingen dan ook als het ware undercover door. Kent u die scne in Mary Poppins waarin Mary met de kinderen in de tekening van een straattekenaar springt? Zo zie ik de Spaanse transicin (overgang). Onze politici gaven elkaar een hand en riepen: `Kom op, laten we in het land van de kleuren springen!? Dat was alles. Er werd niets geanalyseerd, er werden geen kritische vragen gesteld. Dat konden de mensen destijds ook helemaal niet. Ze waren niet in staat om een maatschappelijk debat aan te wakkeren. En wij waren te jong! Men kreeg simpelweg te horen: vanaf nu is alles anders. Vroeger waren we ouderwets, nu zijn we modern. Vroeger waren we ongelukkig, nu zijn we gelukkig … Tegenwoordig nemen we daar geen genoegen meer mee. We hebben dertig jaar lang ge?mproviseerd en nu moet er eindelijk eens grondig geanalyseerd worden.
-Hoe ziet u uw bijdrage aan die maatschappelijke discussie?
Ik denk dat Het ijzig hart een heel nieuwe kijk op de Spaanse Burgeroorlog biedt. Tot nu toe waren er voornamelijk twee perspectieven: er was de offici?le literatuur onder Franco en er was de exilliteratuur, waarin Spanje vaak ge?dealiseerd werd. Mijn roman probeert het verleden te koppelen aan het heden zonder daarbij het ene of het andere kamp aan te vallen. De roman gaat drie generaties terug, tot de grootouders van Alvaro en Raquel, de twee hoofdpersonen. Ze zijn rond de veertig en zitten midden in een identiteitscrisis. Ze komen uit een familie met linkse en rechtse rakkers, gematigden en radicalen, slachtoffers en daders? precies zoals het in de meeste Spaanse families is, in de mijne overigens ook. -Herinnert u zich wanneer u de drang voelde om dit boek te schrijven?
Eigenlijk schrijf ik altijd over hetzelfde. De Spaanse geschiedenis van de vorige eeuw fascineert me. Er zijn hoofdstukken in mijn eerdere romans die zouden kunnen voorkomen in Het ijzig hart. Dat ik het nu allemaal exemplarisch heb verteld heeft ook met mijn leeftijd te maken. Ik schrijf altijd over en voor mijn eigen generatie.
Almuenda Grandes interview NZZ
46. Het was bijna een maand na de dood van mijn vader, en ik was moeiteloos tot de conclusie gekomen dat ze diezelfde taak waarschijnlijk eerder al aan mijn twee broers had toevertrouwd, strikt op volgorde van onze leeftijd en zonder hetzelfde aan haar dochters te vragen, zoals haar gewoonte was. Ik wist niet wat zij hadden gevoeld bij de terugkeer naar een huis dat onvermijdelijk nog de sporen van papa zou dragen, de rangschikking van de voorwerpen op het bureau in zijn werkkamer, de plaats van zijn favoriete leunstoel voor de televisie, want we zaten nog in die autistische, ruimhartige fase van het rouwen, waarin iedereen probeert om de anderen niet extra te belasten met zijn eigen verdriet. ‘We gingen bijna elke middag een tijdje bij mama op bezoek en daarom zagen we elkaar veel vaker dan lange tijd het geval was geweest, maar overeenkomstig een stilzwijgende en toch strikte afspraak vermeden we de recente herinneringen aan onze jeugd die voor iedereen aangenamer en eenvoudiger te verdragen waren. In vreedzame tijden, als onze traditionele gesprekken over voetbal, het weer en de kinderen tijdens de wekelijkse maaltijd, een gewoonte die weinig van ons eiste en ons ook wel goed uitkwam, niet werden verstoord door een extern conflict, kon ik met al mijn broers en zussen goed opschieten. Maar de laatste jaren waren niet vreedzaam geweest en een aantal familie-etentjes en verjaardagsfeestjes van de kinderen, en zelfs de oudejaarsavond van het jaar 2003, waren uitgelopen op gigantische ruzies waardoor de remmende invloed van mijn vaders weerzin tegen politieke discussies voorgoed teniet was gedaan, zodat de spanningen die het hele land op zijn grondvesten deden schudden ook op kleine schaal tot uiting waren gekomen. De onderlinge krachtsverhouding aan de eettafel was een afspiegeling van de samenstelling van het parlement. Rechts had de absolute meerderheid, maar links, mijn vrouw, mijn zwager Adolfo en ik, met de passieve steun van mijn zus Ang?lica, was gepassioneerd en strijdlustig. Als reactie op de tegenstander waren beide partijen langzamerhand steeds radicaler geworden, en het kwam zelfs zover dat ik, die lang daarvoor alleen maar lid was geworden van een vakbond om mijn vriend Fernando te steunen en me meer intu?tief dan uit noodzaak politieke standpunten eigen had gemaakt, al voor de algemene staking van 2002 mijn studenten op een dag stond aan te moedigen tot verzet tegen de regering. Door de omstandigheden werden we gedwongen de messen te slijpen, en de mijne blonken nog steeds vlijmscherp op die eerste dag in maart 2005, toen we door het gedeelde verdriet over de dood van onze vader ineens weer een hecht geheel vormden, maar inmiddels begon ons verbond barstjes te vertonen.
95. Er zouden heel wat jaren voorbijgaan en veel dingen gebeuren voor zij de betekenis zou begrijpen van die ingewikkelde conversatie, die helder, begrijpelijk en juist was, zoals alle noodzakelijke waarheden waarvan men uit liefde tijdig afstand doet.
122. ‘Door congressen word ik compleet anders, weet je: vertelde ze me laIer in de bar waar we met een paar mensen nog iets gingen drinken. ‘Het is iets heel raars, als ik van huis ga voel ik me goed, rustig, maar als ik aankom, ik kan er gewoon niets aan doen … Dan bekijk ik jullie allemaal eens een beetje en dan denk ik … met wie zal ik vanavond eens gaan neuken? Dat heb je met natuurkunde, er zijn zo ontzettend veel mannen en zo weinig vrouwen. Ik heb geen idee wat vrouwelijke kunsthistorici doen: voegde ze er nog aan toe, ‘die gaan elkaar uiteindelijk vast met een alles te lijf .. .’
132. Het was voor het eerst van mijn leven dat ik me verantwoordelijk voelde voor mijn vader, volwassener dan hij, beter in staat om beslissingen te nemen en hem te helpen en te beschermen zoals hij met mij had gedaan toen ik een kind was. Je hebt moeten sterven, papa, dacht ik, om me nodig te hebben, en die harde conclusie deed me huiveren.
191. Voordat Julio deze kwestie hardop aan de orde stelde, had ik al heel wat gedachten gewijd aan de vreemde structuur van mijn familie, een hecht, compact blok dat in een lege ruimte hing met niets erachter en niets ernaast, geen grootouders, geen ooms en tantes, geen neven en nichten, geen enkel soort familieleden. Waarom nog meer, hadden ze altijd gezegd, en ook dat opa Rafael heel jong was gestorven, nog voor de oorlog, En dat oma Mariana, zijn vrouw, was gestorven toen mijn broer Julio nog niet kon lopen. Ik had een stuk of wat foto’s van haar gezien, niet zoveel, met mijn twee oudere broers en mijn oudere zus in haar armen, een sombere, in het zwart geklede vrouw die ver weg woonde, in een dorpje in Galici?. Zij was niet mooi en boezemde een beetje angst in, net als opa Ignacio, papa’s vader, op wie eerst zijn zoon en daarna ik als twee druppels? water leken. Oma Teresa, die zo slecht pianospeelde, was zijn vrouw, maar op de enige foto die er van haar bestond, die van hun bruiloft, waarop zij met een brede lach recht in de camera keek, terwijl het profiel van haar man veel serieuzer en norser was, leek ze wel zijn dochter. Zij was ook jong gestorven, in de zomer van 1937, midden in de oorlog, zonder dat ze nog meer kinderen had gekregen. Benigno was haar aan het eind van jaren vijftig gevolgd toen hij al over de zeventig was, maar hij had min broer Rafa niet gekend, het kind van wie zijn schoondochter in verwachting was toen hij stierf. Ik had noot grootouders gehad, en ook geen ooms en tantes en neefjes en nichtjes, geen enkel familielid, niet ??n oud verhaal om naar te luisteren, enkel wat op zichzelf staande berichten en sporadische commentaren, fragmenten die niet altijd overeenkwamen met? de feiten die mijn broers en zussen kenden. Daarom had Julio ook nooit geweten dat oma Teresa pianospeelde. Daarom was het misschien ook zo moeilijk om maar op ??n manier aan mijn vader te denken, omdat er geen enkele andere versie bestond waarmee onze herinneringen konden worden vergeleken, geen enkele andere bron buiten de grillige herinnering aan een man die ons het liefst altijd hetzelfde vertelde over zijn kindertijd in het dorp, zijn jonge jaren in de ijzige kou van Rusland en Polen.
644. Ik dacht aan dat alles zonder dat ik het wilde, ik hield Raquel in mijn armen en ik merkte dat ze bang was, banger dan ik, omdat zij het wist, omdat ze alles wist, omdat ze van het begin af aan alles had geweten behalve misschien dat ze verliefd op me zou worden. Toen begreep ik mijn ongeluk pas echt, de meedogenloze wreedheid van een nederlaag waaronder ik nog niet leed, omdat de liefde, mijn liefde, niet voldoende was om de draak te doden, omdat al die liefde nooit goed genoeg zou zijn om met alledaagse, doodgewone, kalmerende woorden de stilte op te vullen waarin ze was ontstaan. Ik was schuldig, omdat ik niets had willen weten, niets had durven vragen en mijn liefde had willen beleven zonder de paar vragen te stellen waarop maar ??n antwoord mogelijk was. Het zou zo gemakkelijk zijn geweest, wanneer heb je mijn vader leren kennen, Raquel, waar, hoe heb je hem versierd, hoe lang heeft het geduurd? Het zou zo gemakkelijk zijn geweest, maar ik had voor een ander gemak gekozen. Daarom dacht ik even dat ik ook ni?ts kon doen. Ik werkte de onderdelen van mijn betoog uit, er is niets aan de hand, het doet er niet toe, ik wil niets weten, ik hou alleen maar van jou, Raquel, dus we staan nu op, we kleden ons aan, we gaan in je echte huis op Plaza de los Guardias de Corps slapen, en we praten er nooit meer over … Het is niet gemakkelijk de doden te begraven, het onverschillige gebaar te zien van de doodgravers met die uitdrukking van kunstmatig, voorspelbaar en 0 zo menselijk medeleven wanneer hun blik die van de nabestaanden kruist, en het geluid te horen van de spades, het ruwe schuren van de kist langs de wanden van het graf en het zachte loskomen van de touwen. Het is niet gemakkelijk de doden te begraven, maar wel om ze helemaal en voorgoed In een diep graf te laten verdwijnen, dieper dan die op kerkhoven. Je grootmoeder was onderwijzeres, een goed mens, ze hield veel van haar man, ze speelde slecht piano, maar ze vond het leuk, de arme ziel.
646. Toen ik klein was, vertelden ze me heel vaak zulke verhalen. Misschien begrijp je het niet, maar dat was het enige wat ze nog hadden, de cultuur. Educatie, educatie en nog eens educatie, zeiden ze steeds, het was een soort lijfspreuk, een steeds herhaalde slogan, de toverformule voor een betere wereld, voor veranderingen die de mensen gelukkiger zouden maken. Ze hadden alles verloren, ze hadden het hoofd boven water gehouden door werk te doen dat ver onder hun niveau lag, op scholen, in bakkerijen, in telefooncentrales, maar d?t hadden ze nog. Dat hebben ze altijd gehad.
655. ‘Vergis je niet, ?lvaro; zei ze, ‘het was geen wraak. Er was te veel tijd voorbijgegaan, ik was te ver van Parijs, te ver van 1946, 1947 … Ik zeg het niet om me te verdedigen, dat is het niet, integendeel. Wraak is nobel, omdat het een passie is. Een dwaze, zwakke, altijd nutteloze passie, want wat je erin hebt ge?nvesteerd, krijg je nooit terug, maar toch een passie, en ik … Ik heb het allemaal zonder passie gedaan, ?lvaro, puur uit berekening. Ik ben econoom, dat weet je.? En ze ging door alle banden te verbreken, me van alle troost te beroven, ze wees me een voor een op elke kuil, elke braamstruik, elk moeras, alle obstakels op de uitweg uit de doolhof.
676. Kleine Spanjaard, moge God je behoeden als je ter wereld komt. Want om hier te wonen, is het beter dat je bepaalde dingen niet weet, zelfs niet begrijpt. Maar ik hou van je, ik heb vertrouwen in je, ik weet dat je een waardige, goede, moedige man zult worden, moedig genoeg om je moeder te vergeven, die altijd van je zal houden en het zichzelf daarom nooit helemaal zal kunnen vergeven. Kleine Spaanse, moge God je behoeden als je ter wereld komt. Geen God, geen meester. Zelfs niet het recht te weten wie je bent, want om hier te wonen, is het beter dat je niets weet, zelfs niets begrijpt, alles te laten zoals het is, de takken van de appelboom eeuwig leeg, de vruchten zorgvuldig gerangschikt op de grond, de ego?stische, kleinzielige gewiekstheid die de decorontwerper die gewend is om zonder getuigen te werken, plezier doet, want degenen die nog geen kadaver zijn, zijn al dood van angst. Zelfs niet het recht te weten wie ik ben, want in die tijd was het moeilijk een kind van zo iemand te zijn, en van iemand als je grootmoeder was het zelfs ronduit gevaarlijk. Uit liefde of uit berekening is het beter niets te weten, en zo zijn al die jaren samen te vatten, twee, drie hele generaties, haast een eeuw verdriet en hoogmoed. Op dat punt komen de strategie?n van de angst en het prestige samen, de herinneringen van de overwinnaars en de overwonnenen, verschillende belangen, maar een en hetzelfde resultaat voor de kinderen en kleinkinderen van hen allen.
KIeine Spanjaard, vertrouw er nooit op dat God je behoedt, als je ter wereld komt. Hoed je voor vragen, voor antwoorden en voor hun motieven, anders zal een van de twee Spanjes je hart bevriezen.