Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Irvin D. Yalom, Nietzsches tranen.

12 januari 2006

Irvin D. Yalom, Nietzsches tranen. uitg Balans.

Eén van de drie prachtboeken van deze psychiater-schrijver met een enorme vakkennis en een nog groter inlevingsvermogen. Hij blijft een ware meester in de kunst van het bewaren van de afstand tot de patiënt…en de lezer.

 

85. En de manier waarop Nietzsche de dingen durfde te zeggen! Stel je voor! Zeggen dat hoop het grootste kwaad is! Dat God dood is! Dat de waarheid een dwaling is waar we niet buiten kunnen ! Dat de vijanden van de waarheid niet leugens, maar overtuigingen zijn ! Dat de ultieme beloning van de doden is dat ze niet meer hoeven dood te gaan! Dat artsen niet het recht hebben een man zijn eigen dood te onthouden! Schandelijk gedachten! Hij had Nietzsche op elk punt tegengesproken. Maar het was geen echt debat geweest: diep in zijn hart wist hij dat Nietzsche gelijk had.
En Nietzsches vrijheid! Hoe zou het zijn om zo te leven? Geen huis, geen verplichtingen, geen salarissen die uitbetaald moesten worden, geen kinderen om groot te brengen, geen dagindeling, geen rol, geen plaats in de samenleving. Zoveel vrijheid had iets verlokkelijks. Waarom had Friedriech Nietzsche er zoveel van en Josef Breuer zo weinig? Nietzsche had zijn vrijheid gewoon genomen. Waarom kan ik dat niet? kreunde Breuer. Hij bleef in bed liggen terwijl zijn hoofd tolde van deze gedachten, totdat om zes uur de wekker afliep.

108-109. “ Word wie je bent?” “Wat mij niet doodt, maakt me sterker.” “Dus is Mijn ziekte een zegen.” (…) “Dat er binnen onze geest onafhankelijke, afzonderlijke koninkrijken bestaan is een onontkoombare conclusie. Misschien wordt zelfs een groot deel van ons leven door onze instincten geleefd. Misschien zijn onze bewuste, mentale voorstellingen alleen maar gedachten achteraf-ideeën  die we naderhand denken om ons de illusie van macht en beheersing te geven.” (F.N.)
“Ik geloof dat het mogelijk is dat iemand persoonlijk zijn ziekte kiest door een manier van leven te kiezen die spanningen geeft. Als die spanning groot genoeg wordt of chronisch genoeg, pakt deze op zijn beurt een daarvoor ontvankelijk organisch stelsel aan – in het gaval van migraine, het vaatstelsel. I ziet, ik heb het over een indirecte keuze. Men kiest of selecteert strikt gesproken geen ziekte, maar men verkiest spanning – en de spanning zoekt de ziekte uit!” (J.B.)
 
166. “Het zou veel eenvoudiger zijn om met hem te werken. Weet je Sigmund, misschien moet dat het doel van de behandeling zijn – de bevrijding van dat verborgen bewustzijn, het bij daglicht om hulp vragen.(…) De integratie van het onbewuste.” (J.B.)

189. “Als u beter nadenkt zult u zien dat zinnelijke lust tevens het verlangen is naar macht over alle anderen. De ‘minnaar’ is niet iemand die ‘bemint’: nee, zijn doel is het exclusief bezitten van zijn beminde. Hij wil de hele wereld een kostbaar goed onthouden. Hij is even gierig als de draak die zijn voorraad goud bewaakt! Hij houdt niet van de wereld – integendeel, hij staat volstrekt onverschillig tegenover alle andere levende wezens.” (…)
“ Ik heb geen bezwaar tegen een man die seks neemt als hij daar behoefte aan heeft. Maar ik haat de man die erom smeekt, die zijn macht afstaat aan de vrouw die hem seks kan geven – de geraffineerde vrouw die van haar zwakte, en zijn kracht, haar kracht maakt.”  (F.N.)

193. Er  is een basisindeling in de wegen van de mens: zij die gemoedsrust en geluk verlangen moeten geloven en het geloof omarmen, terwijl zij die de waarheid willen zoeken van gemoedsrust moeten afzien en hun leven moeten wijden aan onderzoek.  (…)
Als u de wetenschap verkiest, als u verkiest bevrijd te worden uit de kalmerende ketenen van het bovennatuurlijke, als u, zoals u beweert, verkiest het geloof te mijden en de goddeloosheid te omarmen, dan kunt u niet in één adem door hunkeren naar de kleine vertroostingen van de gelovige! Als u God doodt, moet u ook de beschutting van de tempel verlaten.’ (F.N.)

194. “Somber? Vraag uzelf eens af, dokter Breuer, waarom zijn alle grote filosofen somber? Stel uzelf de vraag: ‘ Wie zijn de zekeren, de tevredenen, de eeuwig opgewekten?’ Ik zal het u zeggen wat het antwoord is: Alleen zij die niet scherp zien – de gewone mensen en de kinderen!”. (F.N.)

195. Misschien is hij de verslindende muil van de tijd tegengekomen, of zijn eigen onbeduidendheid of de vluchtigheid en de onzekerheid van het bestaan. Zijn angst was pijnlijk en verschrikkelijk tot op de dag dat hij ontdekte dat wellust angst kalmeert. Dus stelde hij zijn geest open voor wellust en de wellust, een meedogenloze tegenstander, verjoeg algauw alle andere gedachten. Maar wellust kan niet denken; wellust begeert en herinnert zich. (F.N.)

225. “Ik verzocht je van grote afstand naar jezelf te kijken. Een komisch perspectief verzacht het tragische altijd. Als we maar hoog genoeg klimmen, zullen we het punt bereiken vanwaar de tragedie er niet tragisch meer uitziet.” (F.N.)

226. Alle zien is betrekkelijk en alle weten ook. We verzinnen wat we ervaren. En wat we verzonnen hebben, kunnen we vernietigen.

228. “Er is iets in je – een angst, een schroom – dat niet toestaat dat je je boosheid uit. In plaats daarvan ben je trots op je bedeesdheid, je maakt van de nood een deugd: je begraaft je gevoelens diep en omdat je geen wrok voelt, neem je vervolgens aan dat je een soort heilige bent. Je speelt de rol van de begrijpende arts niet meer;  je bent die rol geworden – je gelooft dat je te edel bent om boos te kunnen zijn. Een klein beetje wraak is goed. Ingeslikte wrok maakt een mens echt ziek!” (F.N.)

231. Hij gebruikt bijvoorbeeld de ‘gezichtspunt- veranderende benadering om zichzelf te helpen. Hij bekijkt zichzelf vanuit een afstandelijk, komisch gezichtspunt. Hij heeft gelijk: als we bij het beschouwen van onze onbeduidende situatie uitgaan van de lange streng van onze levens, van het leven van het hele mensdom, van de evolutie van het bewustzijn, natuurlijk verliest deze situatie dan zijn allesoverheersende betekenis. (…) Hij heeft absoluut gelijk dat ik niet in staat ben mijn woede te uiten. Dit zit in de familie. Mijn vader, mijn ooms. Voor joden is het inhouden van woede een overlevingsmechanisme. Ik kan de woede zelfs niet benoemen. (J.B. over F.N.)

238. “We hebben allemaal hartstocht nodig. Dionysische hartstocht is het leven. Maar moet hartstocht magisch en vernederend zijn? Kun je geen manier vinden om je hartstocht meester te zijn? (…) Het gaat erom dat je geen afstand van je hartstocht hoeft te doen. Maar je moet je voorwaarden voor hartstocht veranderen. (…)
Veilig leven is gevaarlijk, en dodelijk. Hartstocht kan verleiden, verlangen naar vrijheid, de ontsnapping aan de val van de tijd. Maar bega niet de vergissing dat zij je buiten de tijd zal brengen! De tijd kan niet gebroken worden; dat is onze zwaarste last. En onze grootste uitdaging is het leven ondanks die last. (F.N.)

244. (…) “Meer verliefd op de begeerte dan op de begeerde!” (F.N.)

250. De tijd zal komen dat mensen niet meer bang zijn voor kennis, dat ze de zwakte niet meer zullen vermommen als ‘zedelijke wetten’ en de moed zullen vinden de boeien van ‘gij zult’ te slaken. Dan zullen mensen hongeren naar mijn levende wijsheid. Dan zullen mensen mij nodig hebben als gids naar een eerlijk leven, een leven van ongeloof en ontdekkingen. Een leven van overwinnen. Van overwonnen wellust. En welke wellust is groter dan de lust zich te onderwerpen? (F.N.)

257. Ik denk dat moeilijk te overschatten valt in welke mate het leven – het echte leven – in het onbewuste geleefd wordt. Het bewustzijn is alleen het doorzichtige vlies dat het bestaan bedekt: het geoefende oog kan er doorheen kijken – naar primitieve krachten, instincten, tot aan de motor van de lust naar macht. (F.N. )

259. In Montaigne’s essay over de dood raadt hij ons aan in een kamer te wonen met een raam dat uitkijkt op een begraafplaats. Dat maakt het hoofd helder en brengt alle prioriteiten van het leven in perspectief.

266-267. ‘Sterf op het juiste moment! Leef wanneer je leeft! De dood verliest zijn verschrikking als je sterft wanneer je je leven hebt vervolmaakt! Als je niet in het juiste moment leeft, kun je nooit op het juiste moment sterven!” (F.N.)

269. Nietzsches gedachtenexperiment moet zijn uitgangspunt van de eeuwige wederkeer wetenschappelijk bewijzen. Het was gebaseerd op twee metafysische principes: dat tijd oneindig is en kracht (het oermateriaal van het heelal) eindig. Gegeven een eindig aantal mogelijke toestanden van de wereld en een oneindige hoeveelheid tijd  die verstreken is, volgt daaruit, beweerde Nietzsche, dat alle mogelijke situaties al zijn voorgevallen; en dat de huidige situatie een herhaling moet zijn; alsmede degene die haar heeft veroorzaakt en degene die eruit voortvloeit, enz. enz. terug in het verleden en voorwaarts in de toekomst.
(…) Laat deze gedachte bezit van je nemen en ik beloof je dat je er voorgoed door zult veranderen: (…) eeuwige wederkeer betekent dat je, elke keer dat je een handeling kiest, bereid moet zijn die voor de eeuwigheid te kiezen. En dat geldt ook voor iedere handeling die je niet verricht, iedere doodgeboren gedachte, iedere keuze die je vermijdt. En al het ongeleefde leven zal in je binnenste opzwellen, ongeleefd tot in de eeuwigheid. En de ongehoorde stem van je geweten zal voor eeuwig tegen je roepen. (F.N.)

282. Maak geen kinderen voor je klaar bent schepper te zijn en scheppers voort te brengen. Het is verkeerd kinderen te krijgen voor jezelf, verkeerd om een kind te krijgen uit eenzaamheid, verkeerd om een zin aan het leven te geven door een kopie van jezelf voort te brengen. Het is verkeerd om onsterfelijkheid te zoeken door je zaad in de toekomst te spuiten – alsof zaad je eigen bewustzijn bevat!

301. Een ideale verhouding in het huwelijk bestaat uitsluitend wanneer die niet nodig is voor het overleven van beide partners.  Om een volkomen relatie met iemand anders te hebben, moet je die eerst met jezelf hebben . Als we niet bestand zijn tegen ons eigen alleen zijn zullen we de ander uitsluitend gebruiken als schild tegen de eenzaamheid. Alleen als je kunt leven als de adelaar – zonder iemand die toekijkt – kun je je naar een ander toewenden in liefde; alleen dàn is iemand in staat zich te bekommeren om de groei van het wezen van de ander. Ergo, als je niet in staat bent je huwelijk op te geven, is dat huwelijk ten dode opgeschreven;  (F.N. )

303. “Zodra ik begreep dat ik moest worstelen met de ware vijand – de tijd, oud worden, de dood – ging ik beseffen dat mijn vrouw geen tegenstander of redster is, maar gewoon een medereiziger op de weg des levens. (…) Dankzij jou weet ik dat de sleutel tot een goed leven is dat je eerst wilt wat moet en vervolgens houdt van datgene wat je hebt gewild.” (J.B.)
“Amor Fati  – houd van je lot!. Wanhoop leer je te overwinnen door ‘zo was het’ te transformeren in ‘ zo heb ik het gewild’.” (F.N. )

323. (…) “Vroeger hing ik mijn concept van Amor Fati maar half aan: ik had mezelf geleerd – ik berustte erin, is een beter woord – om mijn lot lief te hebben. Ik zal altijd alleen blijven, maar wat een verschil, wat een heerlijk verschil, om te verkiezen wat ik doe. Amor Fati – kies je lot, heb je lot lief!” (F.N.)

 

 


 

Leave a Comment

Please note: Uw reactie wordt bekeken voor publicatie, dit kan even duren.