Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Roberto Calasso, De bruiloft van Cadmus en Harmonia.

22 januari 2006

Roberto Calasso, De bruiloft van Cadmus en Harmonia.
Uitg. Wereldbibliotheek
Dit boek is een goudmijn, literair en filosofisch. Roberto Calasso is erin geslaagd de hele Griekse mythologie uit te vlooien van oost naar west, van noord naar zuid, van zenith tot nadir. Hij heeft een magistrale legpuzzel geconstrueerd waar de talloze facetten van de Westerse cultuur oplichten in een fenomenaal gestallt. Ieder citaat, iedere verwijzing wordt in het uitgebreid notenapparaat gesitueerd.
Nooit was zo’n indringende en boeiend geschreven analyse voorhanden met tussen de lijnen de verwijzingen naar hedendaagse culturele, politieke en filosofische vraagstukken.

301. Wat is de ergste kwelling van de ballingschap? En heel zwaarwegende is volgens Polynices, ‘geen recht te hebben op vrije meningsuiting (parresia)’. En zijn moeder Iocaste voegde eraan toe: ‘niet zeggen wat men denkt is slaafs gedrag’. Vrijmoedigheid, het voornaamste kenmerk van aristocratische ethiek wordt door het democratiseringsproces gemeengoed in de vrijheid van meningsuiting (parresia). Odysseus onttrok zich zowel aan het een als het ander. Hij zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Và?à?r allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal.

323. Cadmus had Griekenland ‘met geest begiftigde geschenken’ gebracht: klinkers en medeklinkers, gevangen in kleine tekens,’zichtbare weergave van stilte die niet zwijgt’: het alfabet. Met het alfabet zouden de Grieken bereiken dat de goden in de stilte van hun geest konden herleven, niet langer onverhuld aanwezig zoals Cadmus nog meegemaakt had op de dag van zijn bruiloft. Hij dacht aan zijn vervlogen rijk: verminkte, verminkende, door kokend water gemartelde, doorboorde, in een zee verdronken dochters en kleinzoons. Ook Thebe was een puinhoop. Maar niemand zou die kleine lettertjes nog kunnen uitwissen, vliegepootjes, door Cadmus de Pheniciër uitgezaaid over het Griekse land, waar de wind hem heen had gedreven, op zoek naar zijn zuster Europa die ontvoerd was door een uit zee opgerezen stier.

 

13. De ‘onnoembare zaken’ die we bij iedere stap op Attica tegenkomen, bleven er altijd voor iedereen toegankelijk. Maar dat had niets uitdagends. Met haar honderd niet door muren afgeschermde steden zag Kreta eruit als een reusachtig stuk speelgoed. Alleen een vloedgolf of roofzuchtige plunderaars uit zee konden het treffen: niet de arrogantie van beschaving die zich haar waardigheid bewust probeert te zijn en zichzelf zodoende vernietigt.
Na een paar duizend jaar bekeek een illustere kenner van overgangen tussen beschavingen het eiland, verbijsterd omdat hij in al het verzamelde materiaal geen enkele verwijzing konden vinden naar enig historisch, politiek, of desnoods alleen biografisch besef, dat Egypte juist van oudsher had beziggehouden. Voor een man die gretig zocht naar overtuigende sporen van de grote beschavingen had Kreta iets infantiels, iets vluchtigs, ongeschikt voor haar functie.

Verhalen staan nooit op zich: het zijn afsplitsingen van een stam waarlangs we naar het verleden gaan en weer terugkeren. In haar verbijstering om haar zeereis op de rug van een witte stier bergt Europa in zichzelf – als een nog niet waarneembare kracht – het lot van haar waanzinnig verliefde verwanten, Phaedra en Ariadne, die zich uit schaamte en wanhoop hebben verhangen. En tussen de hemelse wortels van die verhalenboom vinden we het dwalen van die waanzinnige koe, waar haar betovergrootmoeder Io die in zichzelf het beeld van een andere koe bergt, de moeder van Phaedra en Ariadne: Pasiphaë, die zich ook uit schaamte verhing.

19. Theseus is wreed omdat hij Ariadne achterlaat op het eiland Naxos. Niet langer het huis waar ze is geboren, zeker niet het huis waar ze ontvangen hoopte te worden, en zelfs geen daartussen liggend dorp. Een strand, gebeukt door bulderende golven, een onwerkelijke plek waar alleen algen bewegen. Het eiland waar niemand woont, de plek van de vicieuze cirkel waar geen uitweg uit is. Alles verwijst naar de dood. Een verblijfplaats voor de ziel.

De kleren van de verlaten Ariadne vallen een voor een van haar lichaam. Een toonbeeld van rouw. Onbeweeglijk als het beeld van een Bacchante kijkt Minos’ dochter, nauwelijks ontwaakt, in de verte naar de voorgoed afwezige; Theseus’ snelle schip is al verdwenen, zijn gedachten snellen al voort in hogere sferen. Het smalle lint glijdt uit haar blonde haar, niet langer wordt haar boezem bedekt door een mantel, haar blanke borsten niet langer omwonden door een band. Stuk voor stuk vallen de kleren, waarmee ze voorgoed was vertrokken, op de grond aan haar voeten. De golven spelen met de algen in het zand.

37. Alle reconstructies van de oorsprong van de tragedie komen tenslotte terecht bij een laatste tweesprong. Aan de ene kant de zin van Eratosthenes: “Toen dansten de bewoners van Icaria voor het eerst om de bok.” De tragedie zou dus het dansen en zingen OM de bok zijn. Aan de andere kant staat Aristoteles, volgens wie de tragedie de dans en het gezang VAN de bokken was. Generaties lang wordt een oude zinloze tegenstelling opgevoerd als het gaat om deze schijnbaar tweespalt. “Wie zich als Satyr (bok) wil uitdossen, moet eerst een bok doden en hem zijn huid afstropen.” Eratosthenes en Aristoteles zeggen dus hetzelfde, maar Aristoteles laat de eerste, beslissende fase in het proces weg: het doden van de bok. Aan Eratosthenes danken wij dus – naast de eerste vrij nauwkeurige meting van de aardomtrek – een zeer heldere definitie van het proces dat ten grondslag ligt aan de tragedie. Er zijn drie fasen: Icarius doodt een bok, Icarius vilt de bok en blaast een deel van de huid op als wijnzak, Icarius en zijn vrienden dansen om de bok, mishandelen de wijnzak, slaan flarden van de bokkenhuid om zich heen. De dans OM de bok is dus tevens de dans VAN de bokken. Het is alsof plotseling een lang, ingewikkeld en duister proces voor onze ogen wordt teruggebracht tot een paar elementen, versleten, maar desondanks in staat een geweldige kracht te ontketenen.

42. De fallus van Dionysus is eerder zinsbegoocheling dan overweldigend. Hij heeft iets van een paddestoel, een parasiet, het giftige kruid in de holte van de thyrsusstaf. Hij kent de trouw van de aarde niet; gaat niet in de geploegde voor liggen waarin Jason met Demeter paart; hij baant zich geen weg tussen het bloeiende koren maar in de meest onherbergzame bossen. Een messcherpe punt is het, verborgen tussen onschuldig groen blad. Hij wil niet in vervoering brengen om de groei te bevorderen, maar het groeien brengt vervoering, zoals de voet de kelk draagt. Dionysus is niet van enig nut bij het weven, het knopen, maar is een God die uithaalt, losmaakt. Weefsters zijn hem vijandig gezind. Toch komt er een moment waarop zij hun getouw in de steek laten om hem achterna te rennen over de bergen. Dionysus is de beek die we in de verte horen ruisen, onophoudelijk, een ver gebulder;  maar op een dag kan hij alles overspoelen, alsof het niet-ondergedompeld-zijn van de dingen, de strenge begrenzing ervan, een kort intermezzo was dat zo snel mogelijk wordt uitgewist.

44. De aarde lachte. Dionysus werd verwekt op het moment dat Zeus de naam schreeuwde waarmee hij eeuwenlang zou worden aangeroepen: “Euoi”.

46. Eeuwigdurende maagdelijkheid, het eerste geschenk dat de kleine Artemis vraagt aan vader Zeus, is het onoverwinnelijke teken van afstand. Copulatie, mixis, betekent een ‘vermenging’ met de wereld. Maagd is het teken van soevereine afzondering. Wanneer het goddelijke de wereld probeert te raken is verkrachting de tegenhanger ervan. De ontvoering wordt de vaste vorm voor de relatie van het goddelijke met de wereld, die gerijpt en murw gestookt door offers. Contact is toegestaan, maar niet langer aan de gezamenlijke maaltijd: het is de snelle, gewelddadige overval die de bloem van de geest knakt.
Er zijn twee fasen in de omgang tussen goden en mensen: de gezamenlijke maaltijd en de verkrachting. De derde fase – in onze tijd – is de onverschilligheid, maar dat wil zeggen dat de goden zich al hebben teruggetrokken, want als ze onverschillig worden doet het er voor de mensen ook niet meer toe of ze al dan niet bestaan. Dat is kenmerkend voor de situatie van de moderne mens. Terugkijkend op vervlogen eeuwen: er is een tijd waarin goden naast stervelingen zitten, aan een banket zoals op de bruiloft van Cadmus en Harmonia in  Thebe. Goden en mensen herkennen elkaar onmiddellijk; ze hebben soms avonturen met elkaar beleefd, zo al als bijvoorbeeld Zeus en Cadmus, en in dat geval was het de mens die de God kostbare hulp heeft geboden. Zij betwisten elkaars plaats in de kosmos niet, want ieder heeft zijn toegewezen wereld. Ze komen alleen bij elkaar voor een gezamenlijke feest en keren aan het slot weer terug naar hun eigen bezigheden. Dan komt er een volgende fase, waarin het ook kan gebeuren dat God niet herkend wordt. De god moet de rol op zich nemen die hij tot op heden niet meer zal loslaten: die van de Onbekende Gast.

(Eenzelfde fenomeen doet zich voor in de hedendaagse grootsteden waar mensen gelaagd naast elkaar leven en onderling geen contact hebben tussen families, clans, kulturen en godsdiensten dan die waarbij machtverhoudingen worden geuit: verkrachting, roof, moord, plundering en vandalisme – JVD)

Het teken van goddelijke suprematie, een restant van het vermogen van de verre goden om lichaam en geest van een stervelingen in bezit te nemen. Verkrachting is bezit dat bezetenheid wordt. De vertrouwelijke omgang met het goddelijke aan de maaltijd is weg, en ook het ceremoniële contact via het offer is ontkracht; de ziel wordt blootgesteld aan een storm van geweld, een hartstochtelijke achtervolging, een onweerstaanbare drang. Uit deze verhalen is de mythologie geweven: ze vertellen hoe ziel en lichaam op aarde voortdurend te lijden hebben van het goddelijke, ook als ze het niet meer zoeken en de rituele wegen tot elkaar verloren zijn geraakt.

48. Wat we te zien krijgen is de strijd tussen Dionysus en Theseus; in het verborgene wordt een verbond tussen Apollo en Dionysus gesmeed. Het ging om de translatio imperii van Kreta naar Athene: de goden wisselden van plaats, van de occulte krochten van het labyrint naar de frontale vanzelfsprekendheid van de Acropolis. En alles voltrok zich over de rug van Theseus, omdat er over iets anders verteld moest worden: over geofferde meisjes, liefde, duels, verraad, zelfmoorden; en het menselijke melodrama moest met bijbehorende ophef en geroddel de woordeloze inhoud van het goddelijke  verbond versluieren.

Deze wisseling van de wacht, die zich tijdens Theseus’ avontuur op Kreta voltrekt, veronderstelt een bepaalde verbondenheid tussen Apollo en Dionysus achter de openlijke tegenstelling.

52. Het hemelse vuur verzengt diegene die uit de menselijke begrenzing breekt. En dat kan evengoed gebeuren door het bedriegen van een God als door een mens het leven terug te gegeven of door het aanschouwen van een god achter de sluier van zijn verschijning. Buiten de lijn die afgrenst wat is toegestaan is er het vuur. Apollo en Dionysus houden zich vaak op in het grensgebied van die lijn, aan de goddelijke en menselijke zijde; zij moedigen die onrust in de mensen aan, dat buiten zichzelf treden, waaraan ze nog hartstochtelijker hechten dan aan hun mens-zijn, meer nog dan aan het leven zelf. En dat gevaarlijke spel keert zich meermalen tegen de twee goden zelf.

54. Respect, gerechtigheid, gelijkwaardigheid en barmhartigheid waarin in hun ogen deugden die alleen werden gewaardeerd door wie het aan moed ontbrak om kwaad te doen en bang was eronder te lijden, maar niet door wie zich wist te doen gelden. Zowel Theseus als Heracles gebruiken hun kracht voor het eerst met een ander doel dan onversneden machtswellust. Zij worden ‘atleten voor het leven van de mensen’.

Heracles ondergaat vrouwen als een noodlot. Hij kan ze verkrachten, hij kan er 50 in een dag bevruchten, hij kan hun slaaf worden. Maar hun wijsheid weet hij niet voor zich te winnen. Hij weet niet eens dat de wijsheid die hem ontbreekt juist bij hen te vinden is. Diep verborgen in zijn geest ligt een duister wantrouwen tegenover vrouwen, alsof hij voorvoelde dat een geschenk van een vrouw hem de dood zou brengen,  de marteldood. Heracles is de onverzoenlijke vijand van de vrouwelijke soevereiniteit, omdat hij voelt dat hij die niet naar zijn hand kan zetten.

Theseus weet dat de vrouw het geheim bezit dat hem ontbreekt, daarom gebruikte haar tot het uiterste, tot zij alles prijsgeeft: haar vaderland, haar volk, haar sekse, haar geheim.

56. Heracles verdient ons medelijden omdat hij laat slachtoffer is van de Dierenriem. We weten tegenwoordig niet goed meer wat dat wil zeggen. Wij zijn tegenwoordig niet meer in staat onze ondernemingen af te stemmen op de hemelse maat. Heracles is een held als een lastdier: hij moet zich door alle twaalf segmenten van het onafzienbare hemelveld heen ploegen. Het lukt hem dan ook niet die afstand tot zichzelf te creëren die de nieuwe fase vereist en die bij Theseus zo zonneklaar is. De gril en de uitdaging die zich tussen de verplichte ondernemingen mengen, ze afwisselen, duiden op die afstand. Voor Heracles is alles echter verplicht, tot en met zijn afgrijselijke verbrandingsdood. Hij gaat gebukt onder de loodzware ernst; zijn gezicht ligt zelden op in een glimlach. En zo komt het dat de held ook lachen van anderen moet verdragen.

61. Het doden van monsters en het verraad van de vrouwen zijn de twee gezichten van de ontkenning. De eerste schept de ruimte, laat een uitdagende leegte achter waar het te vol was, de vol van hoofden, tentakels, een wirwar van schulden. Het verraad van de vrouwen verandert de elementen in de ruimte niet maar brengt een nieuwe ordening aan. Bepaalde stukken op het schaakbord keren hun macht om. Wit slaat wit. Zwart slaat zwart. Het heeft vooral een verwarrend, verbijsterend effect. Voor het eerst worden de rollen omgekeerd. En het is altijd een vrouw die ze omkeert. De held heeft iets koppigs dat hem er steeds weer toe dwingt één enkel spoor te volgen. Daarom heeft de held een complement nodig, een andere vorm van ontkenning. De verraderlijke vrouw vult het optreden van de held aan: voltooit en vernietigt het. Dat gebeurt met goedvinden van de held. Het uitschakelen van zichzelf maakt deel uit van de bijdragen van de held aan het beschavingsproces. Omdat de held monsterlijk is. De helden sterven direct na de monsters.

64. Met Admetus gebeurt het omgekeerde: uit liefde wil  Apollo hem aan de dood onttreken en zo riskeert hij zelf opnieuw het goddelijke equivalent van de dood: verbanning.

De Grieken twijfelde of de vrouw jegens de man in staat is tot philia, de vriendschap die uit liefde geboren wordt (“philia dia ton erota” met Plato’s woorden) en die mannen voor zichzelf op eisten. Maar Alcestis was in staat de philia te verheffen tot volledige overgave. Zelfs Plato moet toegeven dat Orpheus, in vergelijking met haar, wankelmoedige leek, spelend op zijn cither, omdat hij zich, op zoek naar Euridyce, leven in de Hades had  begeven: hij had niet zoals Alcestis, eenvoudigweg geaccepteerd te sterven, zonder vooruitzicht op terugkeer en redding.

66. De contouren van het landschap worden zichtbaar. Het is een gebied waar de dood overdadig aanwezig is, het Thessalië waar Apollo slaaf is gedurende ‘een lang jaar’, tot de hemellichamen na negen jaar hun oorspronkelijke positie weer innemen. Apollo’s verblijf in Thessalië is een verblijf in de onderwereld. Als Zeus dat gebied had uitgekozen om daar Apollo te straffen, in plaats van de Tartarus, was het alleen al daarom onvermijdelijk dat het een plaats van de dood zou zijn. De naam Admetus wil zeggen ‘onweerstaanbaar’, maar niemand is zo onweerstaanbaar als de heerser over de doden. Zo krijgen de schaarse gegevens die ons over hem bekend zijn een nieuwe betekenis: niemand is zo gastvrij als de koning der doden; de herberg die nooit haar poorten sluit, op geen enkel uur van de dag of de nacht, is van hem; niemand bezit zulke talrijke kudden als hij. Als Admetus  vrienden en verwanten uitnodigt voor hem te sterven doet hij niets buitenissigs: het is zijn gebruikelijke handelswijze. En dat Admetus het als vanzelfsprekend beschouwt dat een ander bij de dood zijn plaats inneemt wordt ook begrijpelijk: hij is de heer van de dood, diegene die de dode lichamen ontvangt en een plaats toewijst in zijn uitgestrekte domeinen.

Apollo speelt vaak met de grenzen van de dood. Maar Zeus waakt over hem vanuit de hoogte: hij weet dat dat spel, als het aan zichzelf wordt overgelaten, het aanbreken van een nieuw tijdperk zou inleiden dat de Olympische ordening zal verstoren.

80. Telkens als Zeus een vrouw benaderde, wist hij dat hij misschien zijn eigen ondergang over zich afriep. De verhalen wagen zich tot dát moment: maar voor iedere vertelde mythe staat een niet-vertelde, en niet-genoemde mythe die er versluierd in doorklinkt, oplicht in verwijzingen, in fragmenten, bij toeval, zonder dat ooit een auteur het waagt ze achter elkaar te vertellen als een verhaal op zich. In die versie hoeft de zoon die sterker is dan zijn vader niet meer te worden geboren, omdat hij er al is: Apollo. Aan het nooit eindigende Olympische banket keken en vader en zoon elkaar aan, tussen wie, onzichtbaar voor iedereen maar niet voor hen, de getande zeis blikkerde waarmee Cronos de testikels van Uranus had afgesneden.

Als het leven opgloeide, in verlangen of pijn, of misschien in overpeinzingen, wisten de Homerisch helden dat een God hen in beweging bracht. Ze leden er onder en zagen het duidelijk, maar wat er gebeurde was vooral voor hen een verrassing. Beroofd van hun emotie, hun schande, maar ook hun roem, waren zij uiterst terughoudend waar het erom ging de aanzet tot hun ondernemingen aan zichzelf toe te schrijven. “Jij bent voor mij geen oorzaak, slechts de goden zijn oorzaak,” zegt de oude Priamus als hij kijkt naar Helena op de Scaeïsche poorten. Hij kon haar niet haten of de schuld geven van negen bloedige jaren, ook al was Helena de belichaming van de oorlog die zou eindigen in een slachting.
Sindsdien is geen enkele psychologie een stap verder gekomen behalve in het bedenken van nà?g meer lange, onbeholpen en weinig toepasselijke namen voor de krachten die ons bewegen, nà?g minder geschikt om aan te geven waar het werkelijk om draait, in vreugde of verdriet. Wij zijn tegenwoordig bovenal trots op onze verantwoordelijkheid, maar we denken te antwoorden met een stem waarvan we niet eens weten of die van ons zelf is. Homerische helden kenden geen belaste woorden als ‘verantwoordelijkheid’ en zouden er niet in geloofd hebben. Voor hen lijkt het alsof ieder vergrijp plaatsvindt in een toestand van geestelijk onvermogen. Maar dat onvermogen betekent in dit geval de werkzame aanwezigheid van een god. Wat voor ons onvermogen is, is voor hen ‘goddelijke ingeving ‘(áte). Ze wisten dat die overweldiging door het onzichtbare vaak hun ondergang met zich meebracht: zozeer dat na verloop van tijd áte de betekenis van ‘ondergang’ aannam. Maar ze wisten ook, en dat zegt Sophocles, dat het ‘sterfelijke leven geen grootse dimensies kan aannemen zonder áte.
Het volk dat zo gefascineerd was door hoogmoed – hybris bekeek tegelijkertijd het subject dat voorgaf iets te doen met het grootst mogelijke wantrouwen. Wat het subject doet is altijd middelmatig: zo gauw het iets van grootsheid uitstraalt, op welk gebied dan ook, goed of kwaad, is het niet langer het subject dat handelt.

83. Ananke, de noodzaak, die alles in Griekenland in haar macht heeft, ook de Olympus met zijn goden, had nooit een gezicht. Homerus personifieert haar niet, maar toont ons haar drie dochters, de spinnende Moiren; of de Erinyen, haar afgezanten; of Ate de lichtvoetige. Allemaal vrouwelijke gestalten. Er is voor Ananke maar één cultusplaats: op de hellingen van de Acrocorinthus, de berg van Aphrodite met haar heilige prostituees, lag een heiligdom van Ananke en Bia, het geweld. ‘Maar de traditie wil dat men daar niet binnengaat,’merkt Pausanias op. Wat zou men kunnen vragen aan iemand die geen gehoor verleent? Het verschil tussen goden en mensen wordt vooral zichtbaar m.b.t. Ananke. De goden gaan onder haar gebukt en gebruiken haar; de mensen gaan alleen onder haar gebukt.
84. Hoe moeten we die ‘dolopoios ananke’ opvatten? Bedrieglijke omhelzing? Of bedrieglijke noodzaak? Of het een zowel als het ander?. Weer zien we het net én de noodzaak als dodelijke omhelzing. Met bewonderenswaardige monotonie verschijnt telkens weer dat net en die knopen die onmiddellijk aangetrokken kunnen worden.
De liefde wordt verbeeld door de kus, de noodzaak door de knoop. Twee cirkelvormige figuren, een mond en een strop, omgeven alles wat bestaat.

86. De goden weten dat beide verstrikkende netten dezelfde zijn, maar wat verandert is de uiterlijke schoonheid, en daar steunt het Olympische leven op. Als ze moeten kiezen tussen Ananke en Eros laten ze zich liever onderwerpen door Eros, ook al weten ze dat Eros het glanzende uiterlijke van Ananke is. Uiterlijk in letterlijke zin: de onbuigzame keten van Ananke die de wereld rondom haar in haar greep houdt, wordt toegedekt met een twinkelende band die we aan het uitspansel kunnen zien als de melkweg of ook, in een volmaakte miniatuur uitgave, op het lichaam van Aphrodite als de godin haar geborduurde, veelkleurige gordel omdoet waarin alle betovering schuilgaat: daarin vinden wij de tederheid, verlangen, gefluisterde woorden, verleiding die ook het verstand verbijstert van wie een standvastige geest bezit.

Waarom geven de Olympiërs de voorkeur aan die gordel van bedrog boven de slang van de noodzaak die om de kosmos gewonden is? Zij zochten naar een afwisselender, speelser leven. Na millennia van onderworpenheid aan de loop der sterren willen zij ons laten geloven dat ze net zo goed aan Eros als aan Ananke zijn onderworpen, ook al wisten ze heel goed dat dat goddeloos bedrog was. Zo zegt Deïanira bij Sophocles, alsof dat voor zichzelf spreekt: Eros beveelt de goden zoals hij wil, en zo beveelt hij ook mij.

Als alleen Ananke het voor het zeggen heeft, wordt het leven star en ritueel. En Olympiërs houden niet van de Mesopotamische zwaartillendheid, al houden ze wel van offers. Ze eisen niet alleen eeuwigdurend leven voor zichzelf op, maar ook kinderlijke onbezorgdheid. Toen de tijd aanbrak dat de helden uitgeroeid moesten worden, zou de pest genoeg zijn geweest. Maar een oorlog, een lange, ingewikkelde oorlog, was veel mooier.

96. De Grieken ontsnapten van het heilige naar het volmaakte, schonken hun vertrouwen aan de soevereiniteit van de uiterlijke schoonheid. Het was een zeer kortstondige ontsnapping die standhield zolang de spanning tussen het heilige en het volmaakte duurde, omdat het heilige en het volmaakte erin slaagden naast elkaar te bestaan zonder iets aan elkaar af te doen. Maar geen enkel ander volk had dat geprobeerd. In feite treffen we bij Sappho voor het eerst een kroon aan die omwille van zichzelf de blik van de Gratiën naar zich toe lijkt te trekken; bij haar lijkt het rituele gebruik een voorwendsel voor de verheerlijking van uiterlijke schoonheid.

97. Bij taferelen die de ondergang van een huis aankondigen, houdt iedereen zich aan zijn eigen verhaal, alsof er niets aan de hand is, ook al is ieder zich bewust van wat hem boven het hoofd hangt. Maar terzijde zit altijd een ineen gehurkte figuur die zijn hand naar zijn voorhoofd brengen. Dat is diegene die ziet en niet kan handelen. Ooit zal hij de tragische dichter zijn en die geschiedenissen vertellen. Maar nu zwijgt hij.

100. Dit zijn Achilles’ woorden:
Ossen en het vetgemeste schapen kunnen gestolen worden; drievoeten en paarden met blonde manen kan men kopen; maar het leven van een mens vindt men niet terug; het kan geroofd noch gekocht worden nadat het hem door de poort van zijn tanden heeft verlaten.
Deze woorden hebben eeuwenlang niet alleen hun weerga niet gevonden: ze zijn aangescherpt, verhard, terwijl ze eenzaam overeind bleven na het afbrokkelen van godsdiensten en principes. Als vandaag de dag iemand die geen geloof belijdt, weigert te doden, leven Achilles’ woorden in hem voort.
De esthetische rechtvaardiging van het bestaan werd niet door de jonge Nietzsche bedacht naar kreeg bij hem pas een naam.

Het leven dat Achilles koos is, meer nog dan het leven van een enkeling, het beeld van het leven zelf, zoals door Homerus beschreven. Achilles zal in de onderwereld woorden uitspreken die in spiegelbeeld overeenkomen met de woorden die hij al heeft uitgesproken bij het weigeren van Agamemnons geschenken. De held verschijnt daar als een van de talloze ‘gevoelige schimmen van uitgeputte stervelingen’. Van het leven is alleen oneindige vermoeidheid over. Odysseus probeert hem ‘gelukkig’ te noemen, ook onder de doden, en doet of hij hem bewondert, omdat hij ook dáár grote macht heeft behouden. Maar opnieuw spreekt Achilles woorden die ieder antwoord blokkeren: “Schilder voor mij de dood niet mooier dan hij is, nobele Odysseus. Liever zal ik leven als ossenhoeder in dienst van een arme boer, met een tafel zonder overdaad, dan te heersen over al deze afgeleefde doden”. Alleen omdat het leven onherneembaar en onherhaalbaar is kan de glans waarin het verschijnt een dergelijke intensiteit bereiken. Er is geen afgeleide betekenis, geen verwijzing, geen spoor van iets anders in te vinden, zoals Plato’s tirannie later wel zal weten op te dringen.

106. Helena belichaamt de macht van het beeld – en het beeld is de plaats waar de afwezigheid heerst.

109. Het verhaal over Helena geeft het moment aan van wankel, vluchtig evenwicht, als noodzaak en schoonheid samenvloeien dankzij Zeus’ sluwe list. Het verkrachten van Nemesis was, m.b.t. zijn heerschappij, voor Zeus een zeer riskant theologisch waagstuk. Het uitlokken van gedwongen toenadering tussen schoonheid en noodzaak was een uitdaging van de hemelse wet. Alleen de Olympus kon dat verdragen, zeker niet de aarde waar die uitdaging het tijdperk waarin Helena leefde verschroeide. Vanaf het begin werd ze vergezeld en achtervolgd door de ondergang. Maar toen dit tijdperk eenmaal voorbij was, bleef de aarde er altijd van dromen.

111. Tenslotte spraken de koning zijn oordeel uit: hij kon die misdadiger, Paris, niet laten doden zoals hij had gewild, omdat hij een vreemdeling was en onschendbaar. Maar hij zou Helena met haar rijkdommen bij zich houden. Paris kon teruggaan naar Troje, maar slechts met haar evenbeeld.

112. Het epos is een glad, spiegelend oppervlak waarop reeksen vaststaande uitdrukkingen elkaar opvolgen. Homerus wilde Helena’s geheim, dus het feit dat zij een beeld was, niet rondbazuinen, omdat er anders in het oppervlak van het gedicht een vacuüm zal ontstaan. Helena’s naam moet een personage aangeven dat niet minder tastbaar is dan de nadrukkelijk aanwezige Diomedes. En juist dan is het beeld oppermachtig, als niemand het herkent en het daardoor de feiten van binnenuit uitholt.
Homerus voorvoelde zijn grote vijand in de toekomst: Plato, die de beelden zou bezweren, de onstuitbare watervallen van beelden die de wereld overspoelen.

117. Maar de wereld mocht die voor goden ondermijnende en voor mensen ondraaglijke spanning niet langer ondergaan, behalve als herinnering, als lied. Er is sprake van vier rijken: het rijk van de voortdurende metamorfosen is het begin, als de taal nog niet is losgemaakt van de dingen of de geest van de materie; het rijk van de vervangbaarheid is dat van de reeksen, vooral van het teken, het woord, onophoudelijke vervanging; het rijk van het unieke ontsnapt telkens weer aan de greep van taal: de kracht van het onherhaalbaar; het rijk van Zeus leeft in de Griekse verhalen waar wij nog deel van uitmaken.

121. De god wist dat macht voortvloeit uit vervoering, uit de rondom de bron gewonden slang. Maar dat was hem niet genoeg: zijn vrouwen, zijn profeterende dochters, moesten het vers openbaren, niet alleen de raadsels van de toekomst. De poëzie ontstond als de vorm van de dubbelzinnige woorden waar de bezoekers om vroegen, die ze lieten beslissen over hun leven, waarvan ze de betekenis vaak pas begrepen nadat alles voorbij was.
Apollo en Dionysus zijn schijnvrienden en ook  schijnvijanden.  Onder het oppervlak van hun twisten, hun ontmoetingen en verwisselingen, ligt iets dat hen voor altijd verbindt en van alle andere goddelijke metgezellen onderscheidt: de vervoering. Zowel Apollo als Dionysus weten dat vervoering de hoogste vorm van kennis en de hoogste vorm van macht is. Dat is de kennis, dat is de macht die ze verlangen. Natuurlijk kent ook Zeus die vervoering, sterker nog, het luisteren naar het gefluister van de eiken in Dodona is al genoeg voor hem. Zeus is alles, hij heeft dus geen bepaalde voorkeur. Maar Apollo en Dionysus kiezen vervoering als hun eigen wapen en zien het niet graag in andermans handen.

126. Slechts weinigen herinneren zich dat onder het bronzen deksel van de drievoet waar nu de Pythia zit ooit de verminkte ledematen van Dionysus Zagreus kookten. En dat volgens sommigen Dionysus de eerste was die profeteerde vanaf de drievoet. En ook dat een slang om het onderstel van de drievoet lag gerold.
Tijdens de bloei, maar ook tijdens het verval, was Delphi het tegendeel van wat de helleniserend 19e eeuw de klassieke geest noemde. Het was een bazaar, een oerwoud van trofeeën, een kerkhof. Het beginsel ervan nodigde uit tot die opeenhoping. Schilden en boegbeelden, wijgeschenken van militaire overwinnaars.

Er is een voorwerp dat een zeer hoge graad van beschaving aangeeft, waarbij andere ons bekende voorwerpen verbleken: de bronzen ketel. In China van de Shang-dynastie draaide hele leven om dit cultusvoorwerp.
In het Dorische Griekenland nam dat vaatwerk één enkele overheersende vorm aan: de drievoet.

128. De bronzen voorwerpen met hun groene weerschijn zouden na een bepaald tijdstip begraven blijven in löss of in verzamelingen van de Shang-periode. Maar de Chinese vormen blijven van geslacht op geslacht de oervormen van het brons herhalen. Vaste decoratieve patronen en architectonische stijlelementen knoopten min of meer direct weer aan bij die oorsprong. Ook in Griekenland geeft de drievoet het oplichten van een nieuwe bloeiperiode aan, naar daarna verdwijnt hij voorgoed, verdrongen door een andere vorm: de menselijke gestalte.
Sindsdien werden in Delphi en Olympia steeds minder bronzen drievoeten aangeboden en steeds meer standbeelden. Het waren vaak goden, maar soms ook overwinnaars in een oorlog of een wedstrijd die zichzelf toewijdden. Het omgekeerde van wat nu gebeurt: de winnaar ontvangt geen belachelijk beeldje als prijs, maar de prijs is dat de winnaar toestemming krijgt om een, vaak indrukwekkend, beeld van zichzelf op te richten en aan de god te wijden. Op hoge zuilen verhieven zich gestalten die nu een naam kregen. Toch ontlenen deze gestalten hun sacrale karakter een tijdlang aan de anonieme eerbiedwaardigheid van de drievoet, waarvan ze het tegenovergestelde zijn. Maar het voedsel of de vloeistof die in de ketel voor de god werden toebereid, verdwijnen. Hun kracht is overgegaan in de plooien van een marmeren peplos, een paardentuig, de vleugels van een sfinx. Het offer is niet langer eetbaar: voor het eerst kan men er alleen naar kijken.

129. De macht van de abstractie ontstond als afwijzing van de encyclopedische epiek, waarin een oordeel over de macht van de goden, of een advies over de wijze waarop planken moeten worden getimmerd, evenredig verdeeld naast elkaar lagen als steentjes ven gelijke waarde in het mozaïek van de vertellingen. Wat Anaximander en Heraclitus wilden was het tegenovergestelde: zinnen die complete cycli uit de realiteit samenvatten en door hun eigen verblindende licht welhaast overschaduwen. Als de là?gos verschijnt, verzinkt het detail in het niet: de opeenhoping van brokstukken, inherent aan iedere ervaring, de dwangmatigheid waarmee iedereen detail moet worden herhaald.

130. Het bracht weergaloze verrukking. Vanuit de Oriënt waren verhalen gekomen die duisterder waren dan alle andere. Maar nu ging het niet langer om verhalen. Daarmee vergeleken waren het nuchtere vaststellingen die op de dingen ‘het stempel drukten van “wat het is” ‘. En dat stempel bleef in zichzelf besloten, trots, onwrikbaar als de in de tempel van Delphi uitgehouwen epsilon. Daar ontdekten de priesters voor het eerst dat de kennis die macht betekent niet alleen afkomstig is van duistere verhalen over goden maar van het syllogisme van de hypothese.

131. De goden zijn het voorbeeld en het model van alle kwaad en het is onrechtvaardig mensen verwijten te maken als zij nadoen wat goden và?à?r hen hebben gedaan.

145. Phidias’Zeus, schitterend in de cella, had waarschijnlijk meer van een dolmen, een Beth-El, een uit de hemel gevallen steen waaraan andere goden en helden zich vastklampen om te leven. Op het goud en ivoor wemelde het van leven. Zeus was alleen de bestaansgrond van dieren en lelies, gebogen lijnen, draperieën; van oude, telkens herhaalde taferelen. Maar Zeus was niet alleen die bewegingloze wachter op zijn troon: Zeus was al die verhalen, al die heldendaden, door elkaar heen, nog eens geschud, die zijn lichaam en zijn zetel rimpelden met minuscule huiveringen. Phidias had onbewust laten zien dat Zeus niet op zichzelf kan leven: onbewust had hij de kern van het polytheisme uitgebeeld.

148. Griekse bezigheid bij uitstek: het maken van mallen. Vandaar dat Plato zoveel belangstelling had voor de bescheiden handwerkslieden (demiourgoi) die in Athene werkzaam waren; de naam van hun gilde heeft hij later gebruikt voor de nabootsing van de wereld. De Grieken waren hevig geïnteresseerd in het maken van mallen op allerlei gebieden: hij wist dat hij die vervolgens op alle mogelijke onderwerpen zou kunnen toepassen. Wij vatten de bourgeoisie op als een typisch modern verschijnsel, maar ons spreken drukt er het stempel van de mesotes, door Aristoteles gebruikt in zijn Politeia. Als een bedrijf probeert een eigen merk in te voeren, is dat vanwege de opvatting dat de typos, het model, een onaantastbare machtspositie inneemt.
De voorstelling die Plato’s ideeënleer het dichtst benadert vinden we in de mallen voor fragmenten van Zeus’gewaad. Die zijn teruggevonden in Phidias’atelier in Olympia: het materiaal is steeds hetzelfde, neutraal, alleen het olven van de plooien verandert. Tenslotte blijft alleen een afgietsel over. Wij leven in een magazijn vol afgietsels waarvan de mallen verloren zijn geraakt. In het begin was de mal.
Mythische verhalen gaan altijd over een oorsprong, maar kunnen zowel de orde als de wanorde grondvesten. Griekenland heeft ze met een scherpe lijn geografisch verdeeld: ten noorden en ten zuiden van de golf van Korinthe. In het noorden vinden we de monsterverdelgers als stichters: Apollo voor Delphi, Cadmus voor Thebe, Theseus voor Athene. En zoals Apollo, hét voorbeeld voor iedere monsterverdelgers, ook een musicus was en gids van de Muzen, zo introduceerde Cadmus het Phenicische alfabet in Griekenland en voegde Theseus een aantal onbetekenende dorpen samen tot een nieuw geheel dat van toen af Athene was. Allemaal dragen ze het zegel van de beschaving dat de ongeordende materie ordent.
Ten zuiden van de golf van Korinthe vinden we niets daarvan terug. In het gebied dat de Peloponnesus wordt genoemd, eiland van Pelops, gaat een groot deel van de rijken terug op één enkele man: Pelops. Toch beriepen een paar van die rijken, zoals Mycene, Argos en Tiryns, zich op hun verleden en hun macht. Maar het verhaal van Pelops en zijn nakomelingen draagt niets bij aan de beschaving, of hoogstens onbedoeld. Het sticht onstuitbaar verval, een aaneenschakeling van familieveten, vervloekingen die zich voortplanten, dwangmatig handelen, bedrieglijke moorden. Het is het karma tussen mensen en goden zelf dat hier voortwoekert. Dat begon allemaal met een uitnodiging voor een maaltijd, van sterveling aan de Olympiërs.

152. Pelops is niet uniek zoals Theseus of Cadmus. Hij is geen groot krijger, geen held, geen uitvinder. Hij is alleen de drager van een talisman. De uniciteit die niet bij hem hoort, draagt hij in zijn lichaam. Zijn ivoren schouderblad is de kunstmatige toevoeging waarin het goddelijke huist dat het oorspronkelijke gemis van de mens toedekt. In wat die leegte toedekt, wat in Pelops’ lichaam zichtbaar wordt, balt zich een enorme macht samen. Die macht gaat de drager ervan ver te boven en plant zich als iets buitenissigs in de volgende generaties voort, een spoor van verwoesting achterlaten.

153. De twee geliefden kenden de eerste wet van de misdadigers: na het doden van de vijand direct de verrader doden die dat mogelijk maakte.

155. De geschiedenis van Pelops’ geslacht is tweeledig: een geschiedenis van zijn afstammelingen die zich afspeelt rond afgrijselijke gebeurtenissen die elkaar ook telkens weer oproepen; en een geschiedenis van talismans die stilzwijgend elkaars plaats innemen en het lot van de mensen bepalen. (...) De talisman had langer geleefd dan dat geslacht maar was tenslotte uiteengevallen. De bewakers van het been bleven over.

( Het lot dat ook de bionische mens en zijn gekloonde nakomelingen ten deel zal vallen – JVD)

175. En zoals Socrates tegen Alcibiades zegt, de pupil is het meest wonderbaarlijke deel van het oog, niet alleen omdat dat werkelijk ziet, maar omdat diegenen die kijkt juist daarin, in het oog van de ander, de beeltenis ziet van degene die kijkt. En als we de Delphische stelling ‘Ken jezelf’ alleen kunnen begrijpen als we die, met Socrates, vertalen met ‘Bekijk jezelf’, wordt de pupil het enige middel om zelfkennis te verwerven. Kore keek naar die kostelijke gele kleur van de narcis. Maar waarom is die gele bloem die zowel de bloemenkransen van Eros als die van de doden opluistert, zo kostelijk? Wat is het verschil met de viooltjes, krokussen en hyacinthen waarmee dat veld bij Henna was bezaaid? Narcissus is ook de naam van een jongen: die verloor zich in het kijken naar zichzelf.

194. Maar als een god of iemand die tot de goddelijke wereld behoort een kind onsterfelijk wil maken, gebeurt er altijd een ongeluk. Er is altijd iemand die binnenkomt, het delicate proces verstoort en onderbreekt. Uit onachtzaamheid of nieuwsgierigheid. Onachtzaamheid en nieuwsgierigheid zijn de twee ernstigste zonden, tekenen van het ongeduld waardoor de mens nog steeds de toegang tot het paradijs niet heeft teruggevonden.

204. Het was een verbond van kleine vijandelijke of nauwelijks bevriende staatjes. Naar ze wisten wel dat ze iets gezamenlijk te verdedigen hadden: to Hellenikon, het Griekse erfgoed. Ze deden geen moeite dat te definiëren omdat ze er zo vertrouwd mee waren. Het ging niet om paleizen met hoge zolderingen, in rijen opgestelde wachters, dienstwillige ministers of goud. Naar om een zekere soberheid in hun optreden, zoals atleten die zich alleen op het terrein van snelheid en fysieke schoonheid met elkaar meten, meer niet. Misschien toonden de  Grieken zich daarom ook naakt, in tegenstelling tot de barbaren, ook de keizerlijke barbaren. Er was nog iets waar de Grieken, alleen de Grieken, waarde aan hechtten: een lege ruimte, zonnig, stoffig, waar handelswaar en woorden kunnen worden uitgewisseld. Een markt, een plein.
Toen Cyrus de Grote, de eerste ideologische vijand van de Grieken, een vijandige Spartaanse gezant ontving, stond hij even op van zijn troon om te vragen wat voor stad dat onbekende Sparta dan wel was, en hoeveel man bij de strijd kon worden ingezet. Een of andere Griekse adviseur bracht hem op de hoogte. Toen antwoordde Cyrus met woorden die voorgoed duidelijk maakten waarom de Aziatische macht het ‘Griekse erfgoed’ niet kon tolereren: ‘Ik heb mij nooit angst laten aanjagen door mensen die midden in hun stad een speciale ontmoetingsplaats hebben waar ze zus en zo zweren en met elkaar twisten’.

In tegenstelling tot de Grieken die stenen en stukken hout vereren, maar ook tot de Egyptenaren die zich ter aarde werpen voor ibissen en krokodillen, bogen de Perzen aanvankelijk alleen voor ‘vuur en water’, zoals filosofen. Door zich al vanaf het begin van die priester-filosofen, de Magiërs, te distantiëren, brachten de Grieken en nieuw geslacht van filosofen voort, die geen priesters waren en niet alle voorstellingen afgewezen om vervolgens de hoogste bergen te beklimmen en het hemelgewelf te aanbidden. Sommigen wezen voorstellingen van de hand en vonden niet meer om te aanbidden. Maar và?à?r dat gebeurde moest het zichtbare zijn plaats op eisen als een ongekende kracht, een uitdaging.

206. De Laconische staat onderwerpt alles aan de eigen opvattingen, maakt iedere opvatting ondergeschikt aan het eigen bestaan. Zo luidt dan de antieke én hoogst moderne filosofie die de Spartanen met alle middelen wilden verbergen, door zich uit te geven voor oorlogszuchtige onwetenden. Anders zouden ook in vijanden worden verleid door het mechanisme dat zoveel macht schenkt, acht die de Ingewijden voor onoverwinnelijk houden. Dat zou een droevig misverstand zijn… Die filosofie is hun meest effectieve wapen, in de oorlog en de strijd om zelfbehoud. En die is niet ontdekt door de Atheners, welbespraakt als altijd, verstrooid en ijdel. Voor de Spartanen was die filosofie dé ontdekking die iedere andere ontdekking overbodig maken, en met name iedere andere filosofie. (...)
Alles herhaalt zich, alles komt terug, maar altijd met een kleine wijziging in de betekenis: in onze tijd wordt de groep ingewijden het politiekorps. En ook in onze tijd blijft er nog altijd een minuscuul gebied dat niet door antropologen is bedorven, als een archaïsch eiland: zo vinden we in de antieke wereld al voorboden van een werkelijkheid die zich meer dan 2000 jaar later zou ontplooien.

208. Het nut van geschiedenis en geschiedschrijvers ligt in het weergeven en vertellen van voorvallen waarvan de betekenis pas na honderden, duizenden jaren zichtbaar kan worden. Burckhardt schrijft: ‘Bij Thucydides zou wel eens een heel wezenlijk feit vermeld kunnen worden dat pas over 100 jaar als zodanig wordt herkend’. Hij geeft overigens geen voorbeelden. Maar wij kunnen bij Thucydides een voorbeeld aantreffen dat Burckhardt niet had kunnen vinden omdat het zich in de loop van de geschiedenis nog niet had voorgedaan: omdat Burckhardt de jaren onder Stalin niet had meegemaakt.
‘Omdat ze zich zorgen maken over de onwil van de Heloten en hun aantal (de betrekkingen tussen Laconiërs en Heloten waren steeds gebaseerd op zelfbescherming) deden ze het volgende: ze kondigden aan dat diegene onder de Heloten die meende zich tijdens de voorbije oorlogen bijzonder verdienstelijk te hebben gemaakt, zich bekend moesten maken. En nadat die verdiensten onderzocht waren konden ze tot invrijheidstelling leiden. Maar het was een valstrik. Want zij die zich hovaardig moediger dan de anderen achtten, waren ook diegenen die gemakkelijk in opstand konden komen. Er waren ongeveer 2000 uitverkorenen en met kansen op het hoofd trokken we langs tempels alsof ze waren vrijgelaten. Niet lang daarna lieten de Spartanen hen verdwijnen en niemand weet op welke wijze iedere van hun ter dood is gebracht.
(...)
Gelijkheid wordt bereikt door inwijding. Gelijkheid komt in de natuur niet voor en de samenleving zou het niet aankunnen als ze niet werd gesterkt door de inwijding. Later komt er een moment waarop gelijkheid een eigen plaats krijgt in de geschiedenis, en die plaats behoudt totdat de onwetende theoretici van de democratie menen dat ze haar hebben ontdekt – en haar tegenover de inwijding stellen, als haar tegendeel.
Sparta is dat begin. De Spartanen waren op de eerste plaats homoioi, ‘gelijken’, voorzover ze tot dezelfde groep ingewijden behoorden. En die groep was de samenleving als geheel. Sparta is de enige plek in Griekenland en de latere Europese geschiedenis waar de hele bevolking een sekte van ingewijden vormt.
(...)
Sparta wordt beheerst door het erotische aura van het college, het garnizoen, het sportveld, de strafmaatregelen. Overal Mädchen in uniform, meisjes in uniform, ook al was hun uniform een gladde, glanzende huid.

210. Hier bespeuren we zonder twijfel de kwade invloeden van het orakel: het verbod op het schrijven en op luxe geeft volkomen duidelijk weer dat alles wordt veroordeeld waarover geen controle mogelijk is.
(...)
De demiurg van Timaeus construeert en ordent de wereld: Lycurgus is de eerste die een wereld construeert die de bestaande wereld uitsluit: de Spartaanse samenleving. Hij is de eerste die proeven doet met de samenleving als levend organisme: de legitieme voorloper die alle moderne heersers proberen de imiteren, ook al is hij niet zo bezeten als een Hitler of Lenin.

211. Het wezenlijke verschil tussen Athene en Sparta ligt in de uitwisseling. Die boezemt de één angst in, de ander is erdoor gefascineerd. Zoals splijt de heilige eenheid in twee chemische zuivere helften. In Sparta stroomt het goud binnen maar niet naar buiten: ‘Al generaties lang komt vanuit alle Griekse landen en vaak ook uit barbaarse streken naar hen toe en gaat het land niet meer uit. De munten zijn zà? zwaar en zà? groot dat ze niet kunnen worden vervoerd. In Athene, liefhebbers van het gesprek, kabbelen de woorden onbelemmerd voort, als een beekje dat iedere porie van de stad doordrenkt. In Sparta laat men het woord nooit de vrije teugel.
De laconieke moraal wordt niet geschraagd door de zwaarwichtige spelregels die hun kennis samenvatten maar door hun keuze om het woord te beschouwen als vijand, als voornaamste aanleiding tot overdaad. Sparta is de kunst om iedere uitwisseling zo volledig mogelijk te blokkeren en de macht zo onwrikbaar mogelijk te vestigen. Dat verklaart de aantrekkingskracht die Sparta altijd is blijven uitoefenen op Plato, tot zijn latere Wetten, die orde beloofde de aanwas van denkbeelden een halt toe te roepen.

212. De Spartiaten viel de eer te beurt dat zij als eersten ontdekten in welke mate de sociale ordening is gebaseerd op haat – en alleen op grond van die haat kan voortbestaan. Daar trokken ze de consequenties uit: onderling gelijkwaardig en inwisselbaar vormden ze een ondoordringbare muur naar de buitenwereld. En in die buitenwereld leefde de massa, die ze niet – zoals de Atheners – meenden te kunnen verleiden en manipuleren. De meeste weldenkende Spartanen geloven dat het politiek gezien niet erg verstandig zou zijn samen te wonen met diegenen die men ‘de meest gruwelijke kwellingen heeft aangedaan’. Hun optreden is heel anders: onderling hebben ze die mate van gelijkwaardigheid en democratie een plaats gegeven die noodzakelijk is voor wie gezamenlijke belangen blijvend wil veiligstellen. Maar de bevolking hebben ze in de omgeving gehuisvest, hun geest gedwongen tot een slavernij die niet onderdoet voor die van hun eigen slaven.
De Spartiaten zagen glashelder de gruwelen die ze anderen aandeden. Ze geloofden geen moment dat hun slachtoffers dat zouden kunnen vergeten. Het was dus nodig die angst te handhaven als de gewone gang van zaken – en dit was hun belangrijkste uitvinding: zorgen dat de doodsangst als iets normaals wordt gezien.
...
Athene evenaarde Sparta nooit in het uitoefenen van terreur, maar stond er ook nooit zo heel ver van af. Ze had nog maar net de smaak van de vrijheid te pakken – die smaak waarvan niemand in Perzië of Egypte een vermoeden had – of ze dacht meteen nieuwe onderdrukkingsmethoden uit, nog subtieler dan door de Grote Koningen en farao’s in praktijk werd gebracht. Een hele zwerm verklikkers overspoelde het plein en de markt, niet langer als geheime politie maar als vrijwillig collectief van burgers die zich voor het algemeen welzijn wilden inzetten. En ook,  Athene ontdekte tegelijkertijd de waarde van het individu – en het diepgewortelde wantrouwen ertegen. Geen van de groten uit de vijfde eeuw kon in Athene leven zonder de voortdurende angst voor de mogelijkheid uit de stad verbannen of ter dood veroordeeld te worden. Ostracisme en sycophanten hielden de samenleving stevig in de tang. In de polis overheerste jakobijnse bekrompenheid, door Jacob Burckhardt als eerste herkend. Het algemeen welzijn kon zijn slachtoffers eisen met dezelfde hooghartige ongenaakbaarheid waarmee de god gewoonlijk eiste. En terwijl de god zich bediende van waarzeggers van de Pythia, die spraken  in hexameters en duistere beelden, nam de stad genoegen met een minder plechtstatig apparaat. Zij nam genoegen met de opinie, de stem van het publiek die iedere dag veranderlijk en moordzuchtig voer de Agora gonsde.
In Athena’s erfgoed treffen we niet allen de Propylaen aan,  maar ook de op straat discussiërende mensen. De ons door Plutachus overgeleverde anecdote exemplarisch voor de stad:´Er kwam een analfabeet die hij nog nooit had gezien, naar Aristides toe. Hij smeekte hem de naam Aristides op een scherf te schrijven. Op hem wilde hij bij het schervengericht zijn stem uitbrengen. Aristides vroeg hem: wat heeft Aristides je voor kwaad gedaan? De analfabeet antwoordde: niets en ik ken die man niet eens, maar  het stoort me dat ik hem overal de Rechtvaardige hoor noemen´. Aristides schreef zijn eigen naam op de scherf, zonder er een woord aan toe te voegen.

De geschiedenis maakt een wrang grapje door het beeld van de ware heldenmoed in zijn onbuigzaamste en afschrikwekkendste vorm te blijven associëren met Sparta. Alsof de Gelijken de meedogenloosheid van hun wet boven alles stelden en zich daardoor gedwongen zagen hun harde, grimmige maar roemrijke imago te handhaven.
Maar de Spartiaten hadden iets anders ontdekt, veel doeltreffender: naar buiten het beeld verspreiden van hun moed en hun wetgeving om op doeltreffende wijze de schijn op te houden, terwijl het henzelf volkomen koud liet. De welsprekendheid lieten ze gnuivend aan de Atheners over, omdat ze wel wisten dat begaafde sprekers de eersten zouden zijn die vol spijt zouden denken aan de sobere moed van de Spartanen die de Spartiaten echter alleen gebruiken als een nuttig middel om de vijand in verwarring te brengen en te verzwakken.

216. Van Sparta heeft Plato geleerd hoe een groep ingewijden zonder opschudding de politieke macht in handen kan nemen. Ephoroi en phylakes liggen al heel dicht bij elkaar in het woord ´wachters´, die uit de hoogte toezicht houden. ´Op een kudde´, zegt Plato, ´Op een stuk grond´ zegt Sophokles, ´Op kinderen´, zegt Plato weer, ´Op het afsnijden van de keel´ zegt Euripides. Maar wat moeten ze doen om wachters te worden? De marteling van de inwijding ondergaan. De aspirant moet ´gelouterd´ worden als goud in het vuur. Maar basanizein betekent, als het niet over edele en levenloze metalen gaat, ´martelen´.

Om onkreukbaar wachters te worden moeten de filosofen ingewijden worden, dus onderworpen aan die buitensporige hartstochten die diezelfde Plato zo vaak had veroordeeld.
Maar wie is een ingewijde? Diegene die is aangeraakt door een weten dat van buitenaf onzichtbaar is, niet overdraagbaar buiten het inwijdingsproces om. Dat , licht Plato toe, zullen er noodzakelijkerwijze ´weinig´ zijn.

De pasgeborenen wasten ze Sparta in wijn om hun weerstand te verhogen. Wie een zwak gestel had wierpen ze in de zogeheten Stortplaats, een nauwe kloof op een helling van de Taygetus. Ze gebruiken geen windsels, negeerden het huilen van de jongetjes in het donker. De jongetjes waren gemeengoed van de stad, daarom moesten ze in de eerste plaats de stad dienen

De vreugde van de Ingewijden ligt niet zozeer in de pleonexia, de erfzonde van de machtshonger. Zij, en zij alleen kennen het subtiele en duurzame genot dat de politiestaat schenkt, voelen hoe het leven van anderen afhangt van hun willekeur, terwijl ze zelf anoniem blijven. Deel uitmaken van een lichaam, van een roedel wolven. Over Lycurgus weten we niets met zekerheid behalve de betekenis van zijn naam: ´die de werken volvoert (die orgieën viert) van de wolf.

219.  Nu begrijpen we pas waarom de Spartanen zich van alle andere Grieken hebben losgemaakt, een ongenaakbare eiland vormden. Ze onderkenden het gevaar van het geluk evengoed als het gevaar van de uitwisseling. Als ze niet goed wisten wat ze met iets aan moesten, ruimden ze het probleem liever uit de weg. Beter onschadelijk maken dan eronder lijden. Zo bereikten ze het moment dat Aristoteles in zeer scherpe bewoordingen veroordeelden:`...zij hebben hun levensvreugde verloren´.
In Sparta voltrok zich o.l.v. Lycurgus in een paar jaar een omwenteling die de politieke ontwikkeling van het heilige koningschap tot in onze dagen omvat. De soevereiniteit ging van een tweetal koningen, een geheimzinnige archaïsche vorm, over op vijf eforen, een gloednieuwe vorm van absolute macht, onder het mom van de magistratuur die op haar beurt een priesterlijke oorsprong verving. De lange weg van de priester/koning tot het Politbureau vertrok zich in één enkele handeling. En de hoogst moderne onbeschaamdheid van die onderneming was zo adembenemend omdat men de bestaande vorm zogenaamd intact liet. Het was niet nodig de koningen onthoofden. Ze zouden hun ambt behouden, maar ontdaan van alle macht. Als het tegenwerping maakten, kon het echter gebeuren dat de eforen besloten hen zonder proces te doden. Of anders konden de eforen besluiten hen te doden in een maanloze sterrenmacht terwijl ze zwijgend naar de hemel keken. Als die werd doorkliefd door een vallende ster wilde zeggen dat een van de twee koningen was tekortgeschoten tegenover de godheid. Van oorsprong wachters die hun ogen gericht hielden op het hemelgewelf, werden de eforen de allerhoogste opzichters en bewakers. Ze werden uit de hoogte wakende ogen. Zo slaagden ze erin ook hun eigen priesterlijke verleden uit te buiten. Het leek op een schitterende mantel waarmee het geheim van hun politiek werd afgeschermd.

220. Aan de ene kant een goddelijke koning wiens lichaam de attributen van de kosmische heerschappij draagt. Aan de andere kant vrijwel naamloze wezens zonder gezicht, alomtegenwoordige inquisiteurs: tussen deze twee uitersten verloopt de hele politieke geschiedenis. Het is de geschiedenis van het omzetten van liturgische macht in onzichtbaar macht. Die overgang, die zich nog eeuwenlang tot nu toe, zou voltrekken had zich in Sparta in een minimum van tijd en met een minimum aan inspanningen voltrokken. Het ging er alleen om te vermijden dat dat allemaal naar buiten bekend werd. Iedereen moest blijven geloven aan de onschadelijk anekdotes over de Spartaanse discipline, hun moed, hun soberheid. Maar voor een aantal ogen kon wat er gebeurd was niet verborgen blijven. Niet voor die van Thucydides, maar vooral niet voor die van Plato.
Heel Plato´s politieke gedachtegoed wordt overheerst door één figuur: de wachters. Of dat filosofen zijn zoals De Staat wilde, of mannen die zich om het Goede bekommerden, waarmee de Wetten genoegen plachten te nemen: de hoogste macht balt zich samen in de wachters.
Het waren evenwel de grote sophisten naar wie Socrates verwees in zijn Protagoras, degenen die de sofistiek nog niet gebruikten om hun eigen roem te vergroten maar om die te verbergen. Het waren de eforen, het eerste voorbeeld van niets ontziende macht. En ook dat hielden ze verborgen, maar aan de vele erediensten die er al waren voegden ze een nieuwe toe, waaraan ze met hart en ziel waren toegewijd. Vlakbij hun eetzaal richtten ze een tempel op voor de Angst. Ze eerden hem niet als een vreeswekkende demon die te vriend gehouden moest worden maar ze meenden dat de Staat zich vooral dankzij de angst kon handhaven.

221. Bij Thycididis lijkt het of de betovering van Sparta volledig is verbroken. Hij doorgrondt en weegt hun handelingen van binnenuit, alsof hij voor zijn ogen het hele mechanisme zag dat werd bewogen door twee machtige hefbomen: de leugen en de kracht. Voordat ze door de Atheners tot de laatste strijdbare man werd uitgegroeid hoopten de inwoners van Melus op hulp van de Spartanen. De Atheense gezanten probeerde hem vergeefs duidelijk te maken hoe desastreus de hoop was die zij vestigden op hen ‘die onverbloemder dan ieder ander die wij kennen mooi vinden wat bij hen past, en rechtvaardig wat hen goed uitkomt’.

229. De onafzienbare leegte die zich opende onder het oppervlak van de aarde duidde op een godslasterlijke euforie. Het was een manier om het raderwerk van de hemelen, de wiskundige constructie van de Bouwmeester te verzwijgen, uit te wissen. De eerste ramp die door poëzie werd veroorzaakt: de kosmos vergat zichzelf. Maar met de komst van de orfische leer, de aanhangers van het Boek, en uiteindelijk met Plato, voltrok zich de Chaldeeuwse overwinning op Homerus.

232. Socrates had het al gezegd kort voor zijn dood: wij betreden de mythe als we een riskant gebied betreden, en de mythe is de betovering die we op dat moment in ons zelf in het leven roepen. Meer dan geloof is het een magische keten die ons boeit; een gewaad dat de ziel om zich heen slaat. Wat is dat risico mooi, maar we moeten onszelf min of meer met die dingen betoveren.  Epadein is het werkwoord dat het ‘betoverende gezang’ aangeeft. ‘Die dingen’, mét de minachting die in dat voornaamwoord doorklinkt, zijn sprookjes, de mythen.
In Griekenland ontsnapte de mythe aan de rite als de geest uit de fles. De rite is vastgeklonken aan het gebaar en gebaren zijn beperkt: wat valt er meer te doen dan verbranden, plengen, buigen, zalven, zich onderling meten, eten, copuleren? Maar als de verhalen onafhankelijk beginnen te worden en namen en betrekkingen een rol gaan spelen, zal men op een dag merken dat ze op zichzelf voortleven. Als enigen in het Middellandse-Zeegebied gaven de Grieken hun verhalen niet door via een sacrale autoriteit. Het waren vrije interpretaties en ook daardoor verstrengelden ze zich zo gemakkelijk. De Grieken wenden er aan alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dezelfde verhalen te horen met wisselende intriges. Er bestond geen beslissende autoriteit tot wie men zich kon wenden om te horen wat de juiste versie was. Homerus was de laatste op wie men een beroep kon doen: maar Homerus had niet alle verhalen verteld.
De vlucht van de mythe voor de rite deed denken aan de voortdurende overspelige uitstapjes van Zeus. Hij was Dike’s vader, liet haar op de troon aan zijn rechterhand zetelen als personificatie van het Recht en de Wet. Maar door zijn uitstapjes onthulde hij dat hij ‘tegen het recht’ was en opvattingen koesterde die ‘tegen de wet’ waren. Dat willekeur niet altijd veroordeeld werd maar ook van boven kon komen: dat was het geschenk van het tijdperk van Zeus. Die goddelijke overvallen waren een onverwacht overvloeien van de realiteit. Daarom was het verhaal, in vergelijking met een brute rituele geweld, de voortdurende overstroming waarvan naderhand overblijfselen zichtbaar bleven: de personages.

234. Mythen bestaan uit handelingen die hun eigen tegendeel insluiten. De held doodt het monster, maar door dat gebaar heen zien we dat ook het tegenovergestelde waar is: het monster doodt de held. De held ontvoert de prinses,  maar door dat gebaar heen zien we dat ook het tegenovergestelde waar is: de held verlaat de prinses. Hoe kunnen we de betekenis dan ontdekken? Dat vertellen de varianten ons, bloedsomloop van de mythe. Maar verondersteld dat van een bepaalde mythe alle varianten verdwijnen, door een onzichtbare hand uitgewist: zal de mythe hetzelfde blijven? Hier raken we het subtiele onderscheid tussen de mythe en iedere andere vertelling. Ook zonder varianten bevat de mythe haar eigen tegendeel. Welk bewijs hebben we daarvoor? De romankunst. De roman, een vertelling van alle varianten is ontdaan, probeert ze weer binnen te halen door de omvang van de enkelvoudige tekst waaraan alles wordt opgehangen te vergroten. Zo probeert de romanschrijver ook het tegendeel een plaats te geven, alsof dat het hoogste doel zou zijn, terwijl het in de mythe altijd al besloten ligt.

De mythische handeling is als een golf, die als zij breekt, een silhouet onthult, zoals dobbelsteen van een worp samen een getal vormen. Maar bij het teruglopen nemen in de branding de ontembare verwikkelingen toe en ten slotte de vermenging, de warboel waaruit een bij uitstek mythisch gebeuren ontstaat. De mythe laat dus geen systeem toe. Het systeem zelf is op de eerste plaats een slip van de mantel van een god, een nietig aandenken aan Apollo.

Dan is kunst inderdaad volmaakt als ze er uitziet als de natuur, terwijl de natuur ons vooral treft als zij de kunst in zich omvat.
Volmaaktheid, iedere vorm van volmaaktheid, vereist altijd een zekere versluiering. Zonder iets dat zich in nevelen gehuld of erin gehuld blijft, bestaat het volmaakte niet. Maar hoe kan de schrijver de doorschijnendheid van zijn woorden en personages verhullen? Door het licht. Anonymus schrijft: ‘Hoe zag de redenaar kans de techniek die hij toe paste te verbergen? Het spreekt voor zich dat hij die verborg met het licht zelf. Verbergen met het licht: een Griekse eigenaardigheid. Zeus deed niet anders dan onzichtbaar maken door het licht. Daarom heeft al het licht dat niet Grieks is een andere helderheid, veel minder intens. Het wil het verborgene aan het licht brengen, terwijl het Griekse licht het verborgene beschermt. Ook op klaarlichte dag blijft het wat het is. Het kan het vanzelfsprekende trouwens ook geheimzinnig maken, zwart in het tegenlicht, zoals retoriek onherkenbaar wordt door de eigen gloed en de techniek wordt overstemd door een ‘grootsheid die van alle zijden overspoelt’. Anonymus kwam dat op het spoor via literaire analyse. Hij beweerde dus terecht dat ‘het oordeel over de literatuur het volmaakte resultaat is van grote ervaring’.

237. Het loskomen van de troebele alledaagsheid, het intenser worden van het leven op elk gebied, eer of dood, overwinning of offer, bruiloft of smeekbede, inleiding of vervoering, loutering of rouw; alles wat schokt en om opheldering vraagt werd door de Grieken behangen met wapperende wollen linten, meestal wit of rood, om het hoofd geknoopt of om een arm, een tak, een voorsteven, een beeld, een as, een steen, een drievoet. Het moderne oog ziet ze overal op overgebleven fragmenten, en ziet ze ook niet, schrapt ze uit het aandachtsveld als onbetekenende decoratieve details. Voor de Grieken gold het tegendeel: die lichte, beweeglijke linten verdiepten, verbreedden, vierden de  betekenis. Alles wat zich binnen de luchtige omlijsting van linten afspeelde was anders, afgezonderd van de rest. Wat kondigden die linten, die banden aan? Overvloed, en heerlijke geur die zich aan een voorwerp of menselijk wezen hecht. En tegelijk een strik die dat wezen of dat voorwerp vastketent.

238. We voelen ze om ons heen bewegen zo gauw iets de onverschilligheid doorbreekt en we merken dat we worden meegesleurd door een stroom die uitmondt in een andere. En heel af en toe wikkelen die banden zich om elkaar, vlechten ze zich om ons heen, totdat een van de vrije uiteinden zich aan een ander vrij uiteinde vastknoopt. Dan zijn we met zachte dwang in bezit genomen door die linten die samen een cirkel vormen. Dat is de kroon, het volmaakte.
(het lijkt wel een variante op de snaartheorie?-JVD)

239. Voor de mens weegt tenslotte maar één ding zo zwaar als het leven zelf: dat een liefde tot bloei komt.

240. De buitenkant van de tempel legt de mensenwet op. De binnenkant van de tempel, het bruidsvertrek, ontkracht die wet. Maar als de binnenkant buitenkant wordt, wordt de wereld bedreigd door die diable au corps van de jeugd die haar dan overweldigt. Dan brengt de wereld een dodelijke slag toe. Offer en hiërogamie zijn krachten die elkaar veronderstellen: afwisselend, over elkaar schuivend, ligt het een vaak in het andere besloten. Ze weerstreven maar ondersteunen elkaar ook. Het een vormt een aura van het ander. Het meisje dat geofferd zal worden, lijkt te wachten op haar bruidegom. En de diepte van de erotische lust is duister en bloedig. Alles wat er gebeurt is een slingerbeweging tussen deze twee krachten. Ze botsen op elkaar en elk weerkaatst met zijn blik de ander. Hiërogamie mikt op het uitschakelen van de wet, terwijl het offer de wet zijn bloedige fundament geeft. Om dat evenwicht te verstoren is een voltrokken liefdesdaad genoeg. Maar de geschiedenis zorgt dat het evenwicht bewaard blijft.

241. Waarom hebben de mensen de hiërogamie niet weten te bewaren? Door het bedrog, het bedrog van Prometheus. Ze moesten een antwoord vinden op die overweldiging en kozen een eigen manier om te  communiceren met de goden: door het delen van datzelfde slachtoffer, door het vlees en de ingewanden ervan te eten en de rook over te laten aan de goden. Dat was de instelling van het ‘Olympisch offer’. Vandaar dat de thyein, ‘offeren’, ‘roken’ betekent: het was een lichtelijk schijnheilig eerbetoon aan de godheid. De schuld van Prometheus is de natuur van de mensen die hen dwingt te eten, dus te doden. Zo verbond eenwording zich voor hen voor altijd met doden.
Bij de meest extreme vormen uitstoting wordt het slachtoffer gestenigd, zodat de offeraars zich niet blootstellen aan riskant contact; bij de meest extreme vorm van eenwording wordt het nog levende vlees van het slachtoffer gegeten.

242. Met de tijd vonden mensen en goden een voertaal waarin hiërogamie en offer een plaats hadden. De varianten die ontstonden toen ze uiteenvielen, elkaar weerspraken en weer door elkaar liepen, waren even talrijk als de zinnen van die taal. En toen die taal een dode taal werd begon men te praten over mythologie.
Hiërogamie en olympisch offer hebben gemeen dat ze een lichaam in bezit nemen, het overweldigen of verslinden. Maar, zoals Prometheus had gewild, moesten de mensen om één te worden met een lichaam het doden en er het dode vlees van eten. De rook bedwelmde inmiddels de goden. In antwoord daarop bedwelmden de goden de lichamen als een wolk en daar dronken ze de druppels uit van de levenssappen die Eros deed vloeien. Speeksel is het meest geschikt voor het offer, het enige waarin beide gebaren van het offer – uitstoting en eenwording – samenvallen. Speeksel wordt uitgestoten als een onreine vloeistof maar in de erotiek vermengt het zich met een andere verwante substantie waarmee het één wordt.
Hiërogamie en offer vallen voor de mensen alleen samen in het onzichtbare, in de zelfopoffering aan het Zelf, in de coniunctio van zichzelf met het Zelf. Wat voor mensen onzichtbaar is, is zichtbaar voor de goden. De verschijning van de wereld was de eenwording van de god met wat de god niet was: het losraken en zich verspreiden van lichaamsdelen van een god; het was het uitstoten in de ruimte van een klont materie, geïnfecteerd, aangevreten door het heilige.

243. De gestalten van de goden lijken op de mensen, net als hun levens. Met deze woorden, even nuchter als altijd, wees Aristoteles op dat wonderlijke verschijnsel dat de Helleense goden volledig antropomorf zijn. Volledig? Behalve op één terrein: hun voedsel. Godenvoedsel is anders dan mensenvoedsel, de vloeistof in hun aderen is anders. En Homerus zegt al glashelder dat dat zo is, want de goden ‘hebben geen bloed en worden onsterfelijk genoemd’. De goden zijn onsterfelijk omdat ze ons voedsel niet eten. Ze hebben geen bloed omdat bloed zich voedt met mensenvoedsel. Dus in dat voedsel zit de dood, de afhankelijkheid van de dood die dwingt te doden om voedsel te eten dat de dood op afstand houdt. Heel even.

246. En het votiefbeeld moet in sluiers gewikkeld zijn omdat het zelf een versluiering is, verhullende overdaad. De verloofde hult zich in sluiers zoals de verhandeling zich hult in mythen. Als de sluier wordt verscheurd blijven alleen de schaterlach en de vlammen over. Eerst om te redden, dan om te vernietigen: maar beide handelingen zijn in wezen simultaan. Alles maakt deel uit van de ‘verzwegen dingen’ die door iedere mythe en iedere literatuur heen schemeren – en altijd de ‘meest vreeswekkende waarvan alle dingen waarover men spreekt’.

Het heidendom liet zich meer door zichzelf dan door de christenen te gronde richten. Geen van de venijnige veroordelingen van de kerkvaders bezit de vernietigende kracht van Alexander, of de leugen profeet, geschreven door een overtuigd heiden, Lucianus van Samosata. Het is het onovertroffen portret van een groot charlatan, een voorbeeld uit een cultuur die een vruchtbare bodem moet hebben gevonden voor bedriegerijen.

250. Waar de heidense zelfspot of het christelijk kruisverhoor tekeer gaan, waar het schaamteloze en lachwekkende heersen, daar wordt heel vaak het oudste geheim bewaard.
In de eenzaamheid van de oertijd speelden de goddelijke aangelegenheden zich af op een leeg podium, zonder te worden weerspiegeld door een enkele blik. Er werd gefluisterd maar nooit geschreeuwd.

252. Ieder tijdperk beleeft, zonder te weten, de dromen van het eraan voorafgaande tijdperk.

253. Ingewijden zijn niet alleen degenen die zich weten te bevrijden van een schuld maar ook degenen die zich op onnavolgbare wijze schuldig hebben gemaakt. De medeplichtigheid van ingewijden heeft te maken met gezamenlijke weten, maar ook met een misdrijf. De keten die een groep ingewijden en een bende misdadigers bindt, zal door niets ooit volledig worden verbroken.

256. Heel even zit Zagreus, het koningskind, op de troon die Zeus heeft opengelaten omdat hij op reis is (waarheen?). Vervolgens zal hij de eerste prooi zijn en worden verscheurd. Daarna zal hij zijn volgelingen aanvoeren bij het verscheuren van anderen die nauw met hem verbonden zijn, zelfs zijn priesters. Hij die eruitziet als een stier, voert de horde aan die de stier levend verslindt. Dionysus Zagreus: in hem voltrekt zich de meest gewelddadige identificatie, die tussen de jaren en de prooi. De pathe van Osiris en Christus richten zich op de voorstelling van het verscheurde of aan het kruis geslagen slachtoffer. Maar bij Dionysus Zagreus herhaalt de kringloop zich meteen: gedreven door de god herhalen de Menaden de gebaren die de god zelf hebben gedood. En ze doden và?à?r alles degene die de cirkelgang wil onderbreken.

Orpheus wist dat die nieuwe zienswijze van hem genoeg was om de bestaande orde uit balans te brengen. Hij wist dat hij de aaneenschakeling van doden en gedood worden had onderbroken.

259. Maar wie vinden we aan het andere uiteinde van de schuld? Het mes dat geen stem heeft (aphonos). De twee enige veroordeelden, de os en het mes, beschikken niet over het woord. Wie niet over het woord beschikt, wordt ogenblikkelijk veroordeeld. Wie wel over het woord beschikt – en net zo schuldig is – leeft in een voortdurend uitstel van executie. Wij bevinden ons in het midden, tussen het ene en het andere uiteinde van de keten, tussen de os en het mes: de lieflijke waterdraagsters die ons doen denken aan de vijftig Danaïden, fonteinen van levenssappen en dood. En zij die als kille aanstokers de os met hun prikkel naar de koek drijven, zodat hij zonder te weten de schuldige handeling voltrekt, zodat hij tot slachtoffer kan worden bestempeld. En degenen die hun leven doorbrengen met het nauwgezet slijpen van bijlen en offermessen. En degenen die er genoegen meenemen de bijl aan te reiken aan wie hem zal doen neer suizen. En degenen die de bijl doet neersuizen terwijl de vrouwen de stilte verscheuren met een ijselijke kreet (ololuge), van vreugde en afgrijzen. En degenen die met hun mes het al gevallen dier kelen, omdat de dood zinloos is als het bloed niet vloeit, de dode niet gegeten kan worden. En degenen die met datzelfde mes, dat gebruikt werd om te kelen, de porties vlees verdelen, één voor elke inwoner. En tot slot degenen die toekijken bij het slachten en het vlees van het beest eten: iedereen.

De priesters van Delhi waren, behalve wachters van de logos, wachters van de doctrine die ten grondslag ligt aan het offer. Toen de Atheners na Sopaters heiligschennende daad het orakel raadpleegden, antwoordde de Pythia onverbloemd dat ze toestemming zouden krijgen voor het stichten van een stad, een willekeurige stad, omdat een stad alleen op schuld gebouwd kan worden. Eet van de dode en voel je niet bezwaard: met deze woorden kondigt de beschaving zich aan. De rest is honing, eikels, het orfische leven, heimwee naar een zuivere bron. Maar zelfs dat leven kan niet ontkennen dat de wereld teloorgang is, verval. Op de bronzen tafel ligt de zoete koek. Dan is de koek er niet meer. Afwezig, onverwachte, onomkeerbare afwezigheid, teken dat het verval zijn werk doet. En iedereen, iedere wezen, de stomme trek-os én de man die doodt én het metalen lemmet, maken deel uit van het verval. Schuld doordrenkt ieders handelen. Alles zal beoordeeld worden. Maar niet opdat de schuld dankzij de rechtspraak weggenomen, opgeheven zou worden. Schuld is juist voorschrift van de goden, meer nog dan de wet.(...)

De goden nemen geen genoegen met het opleggen van een schuld aan de mensen. Dat zou weinig voorstellen, omdat de schuld al is verweven met het bestaan. Wat de goden eisen is het bewustzijn van de schuld. En dat wordt alleen bereikt door het offer. De wet op zich kan dienen om de schuld te bestraffen maar zeker niet om zich ervan bewust te worden, wat veel belangrijker is. Het offer is het kosmische mechanismen dat het schuldige leven opheft naar het bewustzijn.

261. Door voedsel aan te nemen en op te eten dat geen nectar is, noch ambrozijn, worden Demeter en Kore betrokken bij de schuld die eigen is aan de mensen, stellen ze zich bloot aan die typische zwakheid die de goden altijd belachelijk hadden gevonden: onderwerping aan de tijd die al wat bestaat doet verdwijnen, en spanden ze tegelijk samen met de vernietiger zelf, omdat de mens niet kan overleven zonder iets anders te laten verdwijnen. De mysteriën zijn een gapende wonde op de gave Olympische huid die zich vergeefs probeert te sluiten door het herhalen van de ceremoniën. Ingewijden hopen dat die wond zich nooit meer zal sluiten.

262. De wijze waarop goden en mensen elkaar imiteren, lopen zo parallel. De mensen, schreef Strabo, ‘imiteerden de goden het beste als ze het goede doen of liever gezegd: als ze gelukkig zijn’. De goden daarentegen imiteren de mensen als ze het kwade doen of eronder lijden (en voor de Grieken waren beide zaken in dezelfde knoop gevangen: adikein, adikeisthai) of liever gezegd: als ze ongelukkig zijn. Wat in de mythen over de goden verteld wordt – verkrachtingen, geheime omzwervingen, verbanning, slavernij, getuigt van die rampspoed van de goden.

Niet de mensen die de mysteriën doorlopen, zijn onsterfelijk maar de mysteriën zelf. Toen de retor Aelio Aristides uin Smyrna hoorde dat Eleusis tijdens een inval van de Kostoboken was verwoest, sprak hij deze woorden: ‘’Zeeslagen en veldslagen en wetten en bepalingen en arrogantie en talen en heel de rest is, omdat zo te zeggen, in rook opgegaan: alleen de mysteriën zijn gebleven’.

263. De geschiedenis die de drie priesteressen in Dodona aan Herdotos vertelden is tegelijk het verhaal waarin de tegenstellingen tussen de nomos en physis – en hun onderlinge inwisselbaarheid – zichtbaar wordt tussen wet (of conventie) en natuur, dus de omschrijving van het hele gedachtegoed dat tot op vandaag geldt. Pas op die dag in Dodona, werd het Griekse Grieks, omdat pas toen die geheimzinnige grondtoon van het ruisen van een boom, toegewijd aan iedere mogelijke macht, samenvloeide met een klank van vreemde bodem en aan die grondtoon voorgoed willekeurige macht van de naam verbond.

264. Zeus heeft geen eigen karakter; hij ondersteunt elk karakter. Zoals zijn beeld in Olympia de dragende kracht was van al die vormen die op hem parasiteren, zo neemt zijn plek iedere mogelijke plek in zich op.
En zijn stem, het ruisen van de eik, is nog heel dicht bij het diffuse, bij wat op aarde het sterkst herinnert aan de zee. Alleen Zeus kan het vlakke bestaan wonderbaarlijk maken. De vormen, tekens en silhouetten zijn van al die anderen. Van Zeus is de achtergrond, het achtergrondgeruis.(...)

In Dodona staat tussen al die acacia’s en populieren nog maar één eik, niet eens indrukwekkend groot. Maar zo is Zeus: een willekeurige eik. Alleen Zeus weet de glans van het alledaagse te bewaren.
Volgens de hymne die de steen van Palekastro is gekerfd, is Zeus de megistos kouros, de grootste van de kouroi.
Alsof hij zich nog maar net had losgemaakt van zijn identieke metgezellen en toen hun vorst was geworden, de unieke Zeus; alsof de god geboren was uit het beeld dat weerspiegelde in de ogen van de ingewijden. Ze zien zichzelf in de kouros die een stap naar voren doet uit de rij van de aanwezigen.

266. Zeus is de vorst van de stralende materie waaruit hij zichzelf vormt en waaruit de cirkel van de Twaalf om hem heen is gevormd. Over het beeld dat Zeus boetseerde om er het hart van Zagreus in de verbergen lag de weerschijn van die gloed.

268. De scherpzinnigheid van helden is aanvankelijk incidenteel, onlosmakelijk verbonden met hun rol van monsterdoder. Naar als de held zelf kans ziet uit die benauwende rolomschrijving te breken zonder hem los te laten: als hij leert om ook verrader, leugenaar, verleider, reiziger, schipbreukeling en verteller te zijn, dán zal hij Odysseus heten, dan zal zich bij zijn eerste opdracht om alles te overwinnen een nieuwe voegen: om alles te begrijpen.

270. Voor een held is er nooit maar één monster, dus is het niet te vergeten: iedere monster luidt het volgende monster in. Het is gemakkelijker de prinses te vergeten. Monsters hebben een ongrijpbare identiteit die we terugvinden in ieder fragment van het monster waarin het zich herhaalt. Een vrouw heeft echter een duidelijk afgebakend profiel en ieder moment kan een nieuw profiel het voorgaande verdringen. Zodoende zijn verhalen over helden en prinsessen geneigd slecht te eindigen. Misschien was Theseus ook in dit opzicht de verstandigste en meest elegante de held, omdat hij Ariadne tenminste achterliet op een eiland, và?à?r zijn terugkeer naar huis.

297. Niet alleen omdat Zeus de aarde wilde ontlasten, roeiden de helden elkaar uit onder de muren van Troje, maar ook omdat de helden zelf die manier van leven niet langer verdroegen, er stilzwijgend de voorkeur aan gaven te sterven in een gezamenlijke onderneming. De gevechten bij Troje waren ook een bloedig afscheidsmaal.

280. De tijd van de zonen was aangebroken: nu waren zij het die doodden en gedood werden zoals hun vaders, maar veel gehaaster, zonder dralen, zonder goddelijke gedrevenheid, zonder aangrijpende woorden: de verhalen waar nu afgerond; aan hen de taak ze te verzegelen.

281. Om hem heen wapengekletter. In de strijd om het lijk van Patroclus rukken Grieken en Trojanen het uit elkaars handen alsof het een stierehuid was. Zweet en vermoeidheid doen hun lichamen verslappen naar het verdriet versteent hen. In hun steles voor de doden bewaarden de Grieken het samengebalde, doorschijnende leven van die onsterfelijke, huilende paarden. Daarboven voelde Zeus geen medelijden bij het zien van de krijgers die waren gevallen in de strijd, maar bij de tranen van de paarden die naar de gevallen aanvoerder keken, de vriend van hun meester. Zeus stond dichter bij die dieren dan bij ieder willekeurig mens, ze deelden in zijn onsterfelijkheid maar gaven zich over aan iets dat onsterfelijken verboden was: huilen.

Waarom heeft Zeus hen allemaal in de strijd geworpen? Hier benaderen we de kern van de homerische theologie: de grootst mogelijke luister gaat gepaard met totale zinloosheid. En telkens als de intensiteit zich verdubbelt, als de arm van iedere held steun krijgt van de arm van de god die hem vergezelt, krijgt alles een koninklijke glans; als beide taferelen – een zichtbaar, een onzichtbaar want oogverblindend – in elkaar schuiven en ieder gebaar zich verdubbelt. Iedere mogelijkheid tot uitstel van zijn onontkoombare einde, dat op een bepaald moment, op een bepaalde manier zal plaatsvinden, is voor Achilles afgesneden.

283. Toen de christenen op de plaatsen van heidense heiligdommen kerken bouwden en antieke kapitelen en voetstukken van zuilen opnamen in het schip van hun kerk, gedroegen ze zich als Heracles met de leeuw van Nemea, als Athene met de Gorgo. Bij de ontmoeting met het monster is dit van wezenlijk belang: het monster bezit de schat, beschermt de schat of is zelfs de schat. Het monster doden betekent: het inlijven, vervangen. De held zelf wordt het nieuwe monster, bekleed met de huid van het oude en versierd met karakteristieke overblijfselen. Zo zal het hoofd van Heracles alleen nog te zien zijn vanuit de gapende muil van de leeuw die hij heeft verslagen.

290.Palamedes had Odysseus gedwongen de grenzen van de schijn te erkennen. Er was niets dat Odysseus zo razend maakte. Ook al wist hij dat het onmogelijk was: van hem mocht de schijn niet begrensd worden. Dat geheim onderscheidde hem van de dommekracht van alle Aiacieden. Simuleren was zweven, boven al was verheven, met de ogen dwingen, zonder ooit door een nog hoger oog te worden bedwongen. Palamedes was dat andere oog.

291. Jarenlang dacht Palamedes na en ten slotte koos hij het laaghartigste, veiligste, meest filosofische bedrog. Toen hij Odysseus’ zogenaamde waanzin doorprikte, had Palamedes het bestaan van een waarheid achter de schijn aan het licht gebracht. De waarheid van een handeling. Odysseus beantwoordde dat door het tegendeel te bewijzen: het meest ondubbelzinnige handelen kon beoordeeld worden als doortrapte schijn.(...)
Voor hij stierf zei Palamedes alleen dat hij rouwde om de waarheid die và?à?r hem was omgebracht. Die woorden waren zijn antwoord aan Odysseus. De vijand van Palamedes had aangetoond dat volmaakte harmonie tussen wereld en geest door en door een vals kon zijn. Allemaal hadden ze Palamedes veroordeeld, oprecht verontwaardigd. Allemaal hadden ze het goud onder zijn bed gezien. Het bedrog was aannemelijker dan de waarheid. Eindelijk voelde Odysseus zich weer alleen, door zijn intelligentie hoog boven de anderen verheven.

299. Volgens Stesichorus en Euripides was Helena een beeld. Volgens Homerus was Helena het beeld. Het standpunt van Homerus is veel onverbiddelijker, dreigender. Omgaan met een beeld in de wetenschap dat er daarnaast een werkelijkheid bestaat, brengt minder spanning teweeg dan omgaan met een beeld in de wetenschap dat het tegelijkertijd een werkelijkheid is. Helena is als het goud ten opzichte van de handelswaar: zelf ook handelswaar maar een soort die alle andere handelswaar kan vertegenwoordigen. Het beeld is die vertegenwoordiging bij uitstek.

301 Helena had zowel voor Grieken als Trojanen het gevaar van het beeld belichaamd. Leven met een beeld is desastreus maar geen van beide partijen had er afstand van willen doen. Om dat beeld hadden ze elkaar afgeslacht. En nog steeds bleef dat beeld het leven in Griekenland bedreigen, betoveren.
(...)
Wat is de ergste kwelling van de ballingschap? En heel zwaarwegende is volgens Polynices, ‘geen recht te hebben op vrije meningsuiting (parresia)’. En zijn moeder Iocaste voegde eraan toe: ‘niet zeggen wat men denkt is slaafs gedrag’. Vrijmoedigheid, het voornaamste kenmerk van aristocratische ethiek wordt door het democratiseringsproces gemeengoed in de vrijheid van meningsuiting (parresia). Odysseus onttrok zich zowel aan het een als het ander. Hij zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Và?à?r allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal.

320. Wat maken we hieruit op? Het uitnodigen van de goden vernietigt onze betrekkingen met hen maar zet de geschiedenis in beweging. Een leven waarin de goden niet zijn uitgenodigd is niet de moeite waard te worden geleefd. Het zal rustiger verlopen maar zonder geschiedenis. En vermoedelijk wordt die riskante uitnodiging ons telkens weer opgedrongen door goden die zich vervelen met mensen die geen geschiedenis hebben.

322. Hij stuurde zijn wagen naar het Westen, vergroeid met zijn bruid. Een koppige emigrant, op zoek naar nieuwe stad ook al is het te laat. Cadmus dacht na over het verleden. Wat was ervan over? Wat zakken huisraad op zijn wagen en achter hen een stad die Dionysus juist door een aardbeving had verwoest.

323. Cadmus had Griekenland ‘met geest begiftigde geschenken’ gebracht: klinkers en medeklinkers, gevangen in kleine tekens,’zichtbare weergave van stilte die niet zwijgt’: het alfabet. Met het alfabet zouden de Grieken bereiken dat de goden in de stilte van hun geest konden herleven, niet langer onverhuld aanwezig zoals Cadmus nog meegemaakt had op de dag van zijn bruiloft. Hij dacht aan zijn vervlogen rijk: verminkte, verminkende, door kokend water gemartelde, doorboorde, in een zee verdronken dochters en kleinzoons. Ook Thebe was een puinhoop. Maar niemand zou die kleine lettertjes nog kunnen uitwissen, vliegepootjes, door Cadmus  de Pheniciër uitgezaaid over het Griekse land, waar de wind hem heen had gedreven, op zoek naar zijn zuster Europa die ontvoerd was door een uit zee opgerezen stier.

3 reacties

  1. Dupslog » Blog Archive » Bart de Koning: Alles onder controle. De overheid houdt u in de gaten. Uitg. Balans Zegt:

    [...] hun honden alles van ons kunnen weten, zelfs onze geheimste gedachten. Roberto Calasso onthult in De bruiloft van Cadmus en Harmonia. de moderne inhoud van Homerus’ Odysseia: 'Odysseus zag af van de eerlijkheid van de [...]

  2. europalia.china ? Zoon van de Hemel ? PSK Brussel | Dupslog Zegt:

    [...] Calasso heeft dit omstandig vergeleken in zijn schitterend boek ?De bruiloft van Cadmus en Harmonia?. 126. Slechts weinigen herinneren zich dat onder het bronzen deksel van de drievoet waar nu de [...]

  3. Roberto Calasso, Het roze van Tiepolo. Uitg. Wereldbibliotheek 2006 – 2010 | Dupslog Zegt:

    [...] schreef daarover boeiend in ?De bruiloft van Cadmus en Harmonia? en ?De literatuur en de goden? 43. Van alle idee?n die onoverzienbare en een of meer [...]

Leave a Comment

Please note: Uw reactie wordt bekeken voor publicatie, dit kan even duren.