Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

5 juli 2010

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Uitg. Lemniscaat 2010

Ik heb het voor Hans Achterhuis omdat hij het lef en de moed heeft heilige huisjes te ontmantelen, gebaande paden te bevragen naar hun mythische herkomst, betonnen waarheden te verkruimelen. Hij is er ook zo goed in beslagen omdat hij zijn eigen denken durft onderzoeken en kritiek levert op wat hij zelf ooit heeft verteld. Zijn ‘ De markt van welzijn en geluk’ (1979) zou me bijblijven. Net zoals het werk van Ivan Illich die hetzelfde deed voor de markt van onderwijs en geneeskunde.
Achterhuis had het lef om welzijnswerk te duiden dat zichzelf propageerde als de handige hulp voor een leefbare samenleving door het pamperen en steunen van mensen in achterstandswijken. Zo creëerde welzijnswerk een markt van behoeftigen voor de eigen belangenbevrediging van de sector.
Hans Achterhuis is al die jaren ook steeds verder doorgedrongen in de analyse van het utopisch denken.
Hij heeft de moed om achterwaarts vooruit te schrijden, terugdeinzend voor de aanblik van wat de ideologieën en utopieën die hij ooit steunde hadden aangericht. Hij sloot zijn ogen niet, hij wou weten waarom. En dat is een zeldzame en zeer waardevolle inspanning voor aanhangers en oud-volgelingen van utopisch gedachtengoed, zowel van links als van rechts.

Met zijn nieuw boek zoekt hij naar de wortels van de neo-liberalistische utopie van de vrije markt en weet de partij-ideologe bij uitstek te vinden in de persoon van Ayn Rand met haar ‘Atlas shrugged’ uit 1957. Na de bijbel het meest verkochte boek in de VSA.

In het Nederlands vertaald als’ Atlas in staking’, wat door de VOKA boys Leyman en De Bruyckere die als Vlaamse ondernemers N-VA minister Muyters mochten opvolgen in VOKA bij hun bezoek aan informateur Bart De Wever werd overhandigd om hun economische en politieke ideeën te illustreren.
Bart De Wever heeft ongetwijfeld Hans Achterhuis gelezen en weet wat het intellectuele en politieke gewicht is van dit soort deur-aan-deur belijders van de vrije markt utopie.

Het Voka-topduo Luc De Bruyckere en Peter Leyman wilde niet met lege handen voor De Wever verschijnen. Ze zouden daarom de vuistdikke klassieker van Ayn Rand, Atlas in Staking, meenemen.‘Meer dan duizend pagina’s, maar we hebben het in twee minuten voor hem samengevat’, zegt Leyman.

Soms vraag ik me af hoe ziek je kan zijn, hoe zielig je zelfbeeld, hoe geil je onmacht, hoe verknoopt je verlangens om als oud Volvo-Gent-baas en omlaag gevallen populistische politieke patser van de cd&v jezelf in 2010 nog te durven prostitueren bij de NVA informateur met een boekje als ‘Atlas shrugged’ van Ayn Rand.
Misschien heeft VOKA veel talent in huis, misschien zelfs nog potentieel politiek talent waarop NVA baas De Wever als stafrijmen hoopt te kunnen steunen met de stemme. Beide Voka-toplui kunnen evenwel niet tot die categorie gerekend worden.
Wie in 2010 – wanneer de gevolgen van de gruwelijke bankcrisis nog lang niet voorbij zijn – als volwassen mens en ervaren bedrijfsleider nog durft staan zwaaien met ‘Atlas in staking’ en de ideeën van Ayn Rand en Alan Greenspan is ofwel niet goed bij zijn hoofd, een gedreven kardinaal van het ‘objectivisme’ en de ultra liberale maakbaarheidsideologie of verblind door het Licht waarin dit soort figuren de wereld en zichzelf meent waar te nemen.

Terecht houdt De Wever tijdens de informatieopdracht de hand aan Fik Meijers analyse ‘Keizers sterven niet in bed’ van Uitgeverij Athenaeum.
Het blijft immers altijd lastig om een zelfbenoemde Praetoriaanse garde van de oude keizers van het lijf te houden…
Elke utopie spiegelt de mensen een werkelijkheid voor van welvaart, harmonie en geluk; dat geloof in de vrije markt is niks anders dan een utopie.

In de loop van zijn boek gaat Achterhuis in op het Atlantis van Ayn Rand en de gevolgen ervan in het neoliberalisme en neoconservatisme tot de kredietcrisis van vandaag.
Hij overloopt de rol en de geschiedenis van de vrije markt, de betekenis van het ‘gemeen’, de wederkerigheid en herverdeling tot de marktmaatschappij.
In deel 3 behandelt hij de filosfische benadering van Aristoteles tot Keynes.
Nadien gaat hij in op wat de gerealiseerde vrije markt utopieën met zich hebben meegebracht en wat de resultaten waren voor mensen, in Chili, na de Tsunami op Sri Lanka, de wateroorlogen, de vermarkting van de gezondheidszorg in Nederland en de hebzucht en bonussenziektes bij Nederlandse managers en bedrijfsleiders.

In de epiloog ‘Noch markt, noch staat’ doet hij een reeks handzame voorstellen om ‘het herstel van het evenwicht tussen markt, staat en burgermaatschappij’ zoals Nobelprijswinnaar Economie Joseph Stigliz het formuleerde.

De nodige praktische wijsheid om de elastische banden tussen markt en burgermaatschappij korter houden om terugschieten te voorkomen.
De nodige moed om die rek in de banden van de markt te weerstaan.
Zelfbeheersing en maatgevoel om ons niet te laten meeslepen door de utopische beloftes van de markt.
Alleen vanuit de civil society waar mensen zelf hun verantwoordelijkheid nemen en marktpartijen en overheidsdienaren op persoonlijke tittel aanspreken om zo nodig tot de orde op te roepen.
Voor een goed beheer van de oikos hebben we volgens Aristoteles ook rechtvaardigheid nodig, en dat is geen systeemeigenschap maar een menselijke.

24. Het is kennelijk onze Europese neiging om Greenspan vooral als een wetenschapper ‘in dienst van de economie’ te zien, terwijl hij zichzelf vooral tekent als de voorvechter van een utopisch ideaal. Met het bovenstaande heb ik al impliciet één obstakel aangewezen dat ons Europeanen blind maakt voor de utopische kern van het neoliberalisme. In een doorwrocht essay (NRC Handelsblad, 24- I -2009) heeft Ger Groot gewezen op de beduidende cultuurverschillen tussen de Europese volkeren. Wij worden volgens hem pas gezamenlijk Europeanen wanneer we ons tot andere werelddelen kunnen verhouden.
Wat de Europese landen, taal- en cultuurgebieden met elkaar verbindt, licht pas op wanneer zij gezamenlijk op hun beurt tegenover een andere cultuur komen te staan.
Pas als reizigers door Afrika of Azië ontdekken wij hoe onherleidbaar ‘Europees’ wij zijn.
Onze verhouding tot Amerika leidt hier, aldus Groot, tot verwarring. Wij beheersen de Amerikaanse taal, zien de tvprogramma’s, luisteren naar de muziek en lezen de literatuur.
Het lijkt hierdoor wel of er nauwelijks culturele verschillen met Europa bestaan. Maar de werkelijkheid is anders. Af en toe
blijkt de kloof dieper dan wij konden vermoeden. Groot geeft een voorbeeld dat ook in mijn verdere betoog een rol zal spelen.
Dan blijkt de Amerikaanse geest zich plotseling mordicus te verzetten tegen een nationale ziekteverzekering en fanatiek vast te houden aan het recht van de burger een wapen te mogen dragen. Voor het gros van de Europeanen is dat even onbegrijpelijk als het voor een flink deel van de Amerikanen volstrekt vanzelfsprekend is.

39. Peruaanse schrijver en liberale politicus Mario Vargas Llosa dat haar positie duidelijk afbakent:
Het laten samengaan van economische vrijheid en burgerrechten is het beste wat we uitgevonden hebben.
Bescherm dat model in ‘s hemelsnaam tegen utopieaanhangers van links en rechts die streven naar de perfecte maatschappij.
(Idem, p. 103)

84. Hoe vanzelfsprekend dit ook allemaal mag klinken, het laat vooral zien dat de Atlassen uit Atlantis inderdaad wel heel erg idealistisch getekend zijn. Of om het vergelijkenderwijs te zeggen met een andere utopie waar Rand zich altijd tegen afzette: ze zijn even irreëel als de helden van de arbeid die in de socialistische literatuur van de Sovjet-Unie werden geschetst. Ook op dit punt vormen de collectivistische en de individualistische utopie elkaars evenbeeld.
Het succes van Atlas Shrugged was nog groter dan dat van The Fountainhead. Op de vleugels van dit succes werd de beweging van het Objectivisme uitgebouwd, vooral dankzij het organisatietalent van Branden. Er kwam een Newsletter waar miljoenen Amerikanen zich op abonneerden en Rand hield verschillende tournees langs Amerikaanse universiteiten.
Maar na de breuk met Branden in 1968 verdween het elan uit de beweging, al bleef Rand zelf nog af en toe – overigens nog altijd met veel succes -lezingen geven. Na de dood van Frank O’Connor in 1979 trok zij zich meer en meer terug. Zij overleefde haar echtgenoot drie jaar en werd naast hem begraven op het Valhallakerkhof in haar geliefde New York.

98. Omdat de neoliberale retoriek die zo kenmerkend was voor de Angelsaksische wereld, bij ons ontbrak, ja soms zelfs met fraaie leuzen over solidariteit verbaal bestreden werd, onderkende bijna niemand in welke richting wij ons bewogen. Totdat we met Van Dam wakker werden in een overwegend neoliberaal
georganiseerde samenleving: heb geen enkele moeite mijzelf daar ook onder te rekenen.
Mijn boek De markt van welzijn en geluk (1980) was een felle aanval op het welzijnswerk, dat veelal als het uithangbord en sluitstuk van de verzorgingsstaat werd beschouwd, maar de mensen die het welzijnsbestel en de verzorgingsarrangementen via het principe van de vrije markt wilden hervormen, nam ik niet serieus. Zowel met de kritisch bedoelde boektitel als met het vijfde hoofdstuk (‘Welzijnsmarketing en welzijnsbehoeften’) dacht ik te kunnen afrekenen met hun positie. Ik vergiste mij deerlijk.
Bij veel bezuinigingen en bedrijfsmatige hervormingen die in de jaren daarna in het welzijnswerk plaatsvonden, werd door journalisten mijn mening gevraagd. Eerlijk gezegd wist ik het niet. Het verzet tegen al deze ingrepen sprak mij niet aan, omdat men zich meestal verschanste in een puur defensieve toonzetting. Het ging voortdurend om, zoals dat heette, ‘de verdediging van de verworvenheden van de verzorgingsstaat’.
Tegenover dat defensieve standpunt nam ik wat halfslachtig aan dat bezuinigingen onvermijdelijk waren, zonder
nauwkeurig te kijken hoe ze precies plaatsvonden. Wat ik theoretisch heel goed wist maar in de praktijk niet doorhad, was dat elke ideologie zichzelf als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid presenteert. Daardoor blijft ze goeddeels onzichtbaar. Zij is de bril die bijna iedereen draagt.
Bijna iedereen, stel ik met nadruk. Want er bestond een schitterende uitzondering van een denker die mij, juist toen ik mijn boek over het welzijnswerk schreef, sterk inspireerde. In het cursusjaar 1978-1979 wijdde Michel Foucault, naar pas later bekend werd, een collegereeks geheel aan het neoliberalisme. Hij had aangekondigd dat hij college zou geven over ‘het ontstaan van de biopolitiek’, maar zoals dat vaker bij hem ging: Foucault hield zich niet aan zijn voornemen en liet zich meeslepen door het onderwerp waarover hij in zijn eerste college
enkele opmerkingen had gemaakt: het neoliberalisme.
Helaas zou de tekst van deze colleges pas vele jaren later, in 2004 worden uitgegeven.
Geleidelijk kwam ik tot de ontdekking dat de modernisering van de verzorgingsstaat niet was bedoeld om de
doelstellingen overeind te houden en de regelingen af te stemmen op een veranderde, geïndividualiseerde samenleving, maar dat ze werden aangepast aan de wensen van de gegroeide middenklasse en aan de neoliberale agenda. (Van Dam 2009, p. 236)
In de tweede helft van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd het duidelijk dat de verzorgingsstaat uit zijn voegen barstte. Sommige regelingen leidden tot misbruik, andere maakten mensen afhankelijk. Het geheel werd bovendien onbetaalbaar. De keynesiaanse economische politiek veroorzaakte niet alleen een snel toenemend financieringstekort van de overheid, zoals door Keynes was
ingecalculeerd, maar dit tekort ontwikkelde zich bovendien tot een blijvend tekort, en dat was niet ingecalculeerd. Uiteindelijk bleek deze politieke dynamiek tegen alle bedoelingen in de werkloosheid eerder te vergroten dan te bestrijden. Het was duidelijk dat er ingegrepen moest worden.
Dat gebeurde dan ook, te beginnen met de kabinetten- Lubbers. Maar dat er door een kleine groep neoliberale denkers al gedurende enige decennia een consistente kritiek op de verzorgingsstaat ontwikkeld was, ontging bijna iedereen.

133. Als leerling van Durkheim volgt Mauss diens actualiserende benadering waar ik al naar verwees om mijn eigen aanpak te verduidelijken. Dat houdt in dat hij in zijn essay over de gift de nodige aandacht besteedt aan het belang dat de wederkerigheid ook binnen onze hedendaagse marktsamenleving blijft behouden. Zijn slotconclusie (Mauss 1954, p. 63-81) is hier grotendeels aan gewijd. Mauss grenst hierin de wederkerigheid scherp af van het moderne idee ‘van het individuele najagen van het nut. De koude redeneertrant van de bankier, de zakenman en de kapitalist’ verschilt hemelsbreed van het traditionele gedrag dat hij in de vorige hoofdstukken heeft geanalyseerd (idem, p. 73).
Dat wil volgens hem allerminst zeggen dat de gift in de traditie zuiver belangeloos was. Er werd wel degelijk een belang aan verbonden, maar dat was het belang van de cohesie van de gemeenschap. Vandaar het gegeven dat ik al memoreerde: geven en ontvangen zijn morele maatschappelijke verplichtingen waaraan geen enkel lid van een traditionele samenleving zich kon en mocht onttrekken.
In de hedendaagse kapitalistische maatschappij blijft volgens Mauss de gift nog wel degelijk een rol spelen. Ook hier
blijft zij onmisbaar om gemeenschappelijkheid te stichten, al is de vrijwilligheid ervan veel groter dan in het verleden.

168. Vanuit dit soort historische en actuele beschrijvingen wordt de tegenstelling die Rand maakt tussen het geweld van de
overheid en de vreedzame vrijheid van de markt, onhoudbaar.
Rand klaagt de overheid aan die via belastingen de kapitalisten hun zuur verdiende geld afpakt. Wie niet betaalt, wordt
gedwongen door het overheidsgeweld – hij gaat bijvoorbeeld de gevangenis in.
Daartegenover stelt Rand de geweldloosheid van het vrije arbeidscontract. De grote vraag is evenwel hoe vrij mensen
zijn die gedwongen worden te kiezen tussen de hongerdood en een schamel loontje dat hun toestaat om net te kunnen overleven.
Hoe vrij was de landelijke bevolking van Engeland die, zoals More beschrijft, door de landheren beroofd was van
haar recht op de gemeenheid? De keuze tussen een directe hongerdood en het stelen van een brood om hieraan te ontkomen
- met de dood aan de galg als mogelijk gevolg – getuigt niet van vrijheid, maar is eerder een uiting van het extreme
geweld waarmee het kapitalisme zich in Engeland een weg baande.

208. De eerste, ‘mechanische’ vorm van solidariteit is kenmerkend voor traditionele samenlevingen, de tweede, ‘organische’ solidariteit voor moderne maatschappijen. Mechanische solidariteit is volgend Durkheim een ‘solidariteit door gelijkenis’.
In traditionele samenlevingen zijn mensen nog niet sterk geïndividualiseerd.
Ze kunnen zich gemakkelijk in de positie van hun meeste medemensen inleven. De samenleving is voor hen
nog redelijk doorzichtig. Individueel belang en groepsbelang vallen op een aantal punten samen. Verbondenheid is daarom vanzelfsprekend.
In de moderne, geïndividualiseerde maatschappij is dat alles niet meer het geval. Vooral door de ver doorgevoerde arbeidsdeling zijn mensen zich steeds meer als losse individuen van elkaar gaan onderscheiden. Toch zijn in de moderne maatschappij mensen juist door de arbeidsverdeling nauw met elkaar verbonden. Feitelijk is het moderne individu meer verbonden geraakt met de maatschappij en met zijn medemensen
dan vroeger. Het individu is als het ware een orgaan – vandaar het begrip ‘organische solidariteit’ – binnen het grote lichaam van de samenleving.
Het grote probleem voor Durkheim en zijn tijdgenoten bestond eruit dat deze feitelijke verbondenheid van mensen met elkaar in de praktijk niet als zodanig beleefd werd. Van Dale omschrijft solidariteit als ‘het bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid daarvan de consequenties te dragen’.
Welnu, noch dat bewustzijn, noch de bereidheid ernaar te handelen was bijzonder levend in de negentiende eeuw. Dat kwam volgens Durkheim voornamelijk doordat er niet langer, zoals in de traditie, sprake was van de instellingen en gebruiken die ik eerder beschreven heb. De traditionele instituties die een vanzelfsprekende
solidariteit tussen mensen schiepen, waren in het moderniseringsproces grotendeels verdwenen of gemarginaliseerd.

211. Het leven valt niet te verzekeren. Dat is misschien de belangrijkste les van deze crisis. We dachten dat we onafhankelijk waren. We geloofden in de onaantastbaarheid van het financiële systeem. Met een schok komen we erachter dat we met valse zekerheden leefden. [...] Misschien dat we de waarde leren onderkennen van onzekerheid.
[...] Je hebt geen vrijheid zonder onzekerheid. Wie van zijn angst wil worden verlost, moet zichzelf
leren onzekerheid te waarderen. (de Volkskrant, 13-2-20ro)

211. Mijn beschouwing over Marx begon ik met een verwijzing naar de spannende serie interviews van Jan Tromp over de crisis van het kapitalisme. Bovenstaand citaat van Liesbeth Noordegraaf-Eelens, econoom en filosoof aan de Erasmus Universiteit, stamt uit dezelfde reeks interviews. Haar boodschap komt sterk overeen met die van Robert Skidelsky, die bekend is als de schrijver van een magistrale driedelige biografie van John Maynard Keynes (1883-1946). In zijn schitterende kleine studie Keynes: The Return of the Master overdenkt
hij welke lessen we met het oog op de kredietcrisis vandaag de dag van de oude meester kunnen leren. Mijn bechouwing bouwt hier deels op voort.

239. Vanuit het vertrekpunt van de onbeperkte vrijheid kom ik ten slotte tot de onbeperkte dictatuur. Ik voeg er evenwel
aan toe dat mijn oplossing van de maatschappelijke kwestie de enig mogelijke is. (Dostojevski 1952, p. 400)
Zo eindigt de filantroop Sjigalev in Boze geesten van Dostojevski een lange redevoering waarin hij zijn wetenschappelijke
visie op de bevrijding van de mensheid uiteenzet. Hij heeft het boek waarin hij zijn ideeën uitgewerkt heeft, bij zich. Het bevat tien hoofdstukken die hij graag aan zijn mederevolutionairen wil voorlezen. Die vinden dat iets te veel van het goede. Sjigalev wil dan wel een tipje van de sluier oplichten door de uitkomst van zijn lange argument te concretiseren. Het komt erop neer dat hij de mensheid in twee ongelijke delen wil opspitsen: ‘Een tiende deel krijgt persoonlijke vrijheid en een onbeperkt beschikkingsrecht over het overige negen tiende’ (ibidem).

248. Klein mag het aan de hand van de mooie titel van haar boek soms wat aandikken en uitvergroten, maar heeft in essentie
gelijk: in Chili leerden de neoliberale revolutionairen de lessen van de shocktherapie die ze later op veel plaatsen in praktijk brachten. De belangrijkste les was dat je een harde breuk met het verleden moest realiseren om de gewenste utopische
veranderingen door te voeren. Kleine stapjes en geleidelijke veranderingen hielpen niet, zoals de neoliberale revolutionairen
trouwens ook van hun grote tegenstanders Lenin en Stalin hadden kunnen leren. Overal ter wereld waar zij zelf een radicale schok teweeg konden brengen of waar zich door natuurlijke of politieke omstandigheden een schok voordeed, waren de voorstanders van de vrije markt voortaan present om hun idealen in praktijk te brengen. Overal ter wereld – van het door de ruïnes van de socialistische planeconomie geteisterde Rusland tot de door de tsunami verwoeste kustgebieden in Azië – grepen zij hun kans. Van het laatste soort interventie geef ik nog een schrijnend voorbeeld.

264.Dat de zorg zo niet efficiënter en goedkoper is geworden, zal duidelijk zijn. Integendeel, marktwerking roept geheel volgens de door Adam Smith beschreven logica van het eigenbelang volgens Tonkens ‘zowel in professionals als in patiënten
het slechtste op’. Professionals proberen zoveel mogelijk klanten met liefst gemakkelijk te behandelen aandoeningen en
ziektes binnen te halen, patiënten willen als waar voor hun geld zoveel mogelijk zorg voor zichzelf in de wacht slepen.
Door deze onderlinge houdgreep van zorgaanbieders en –klanten gaan de kosten eerder omhoog dan omlaag. Voeg daarbij
dat de vele managers en directieleden van de zorgconglomeraten vanzelfsprekend ‘marktconforme’ salarissen ontvangen,
wat de kosten zeker niet drukt.
Hoe zit het met de geroemde en verwachte keuzevrijheid van de zorgklant? Die valt, juist door de enorme schaalvergroting met de bijbehorende onoverzichtelijkheid van het grote en diverse aanbod, zeker niet mee. Wat ernstiger is: veel patiënten
blijken in tegenstelling tot klanten op een ‘gewone’ markt keuzevrijheid allerminst als de hoogste waarde te beschouwen. Zekerheid en veiligheid van zorg zijn belangrijker en het soort onderlinge solidariteit dat ik naar aanleiding van Durkheim aan de orde stelde, wint het vaak van de individuele keuzevrijheid.

265. Sinds zij de uitvoering van de zorg aan de markt overlaat, is de overheid gedwongen ‘steeds meer geld en energie te steken in controle’ (Tonkens 2008, p. II4). Geconfronteerd met misstanden ten gevolge van de marktwerking bedenken
politici voortdurend extra controlemechanismen.

266. dit steeds meer bureaucratie in het leven. Uiteindelijk blijkt de marktwerking die begonnen was om de overheidsbureaucratie terug te dringen, zo juist ‘tot meer bureaucratie te leiden’.
Niet alleen voor de professionele zorgverleners, maar ook voor de klanten pakt dit negatief uit. De beroepseer en de intrinsieke arbeidsmotivatie van de professionals staan ten gevolge van de eindeloze formulieren en taakstellingen onder
sterke druk. Wat de bonussen met de bankiers deden, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien, dreigt ook te gebeuren
door de marktwerking in de zorg. Wij willen niet voortdurend met verzekeraars en collega-hulpverleners ‘moeten onderhandelen over de prijs. Wij willen met elkaar praten over goede patiëntenzorg’ , stelt Bart Meijman, voorzitter van de Amsterdamse huisartsenkring, naar aanleiding van voorgestelde nieuwe marktregelingen voor zijn beroepsgroep (De Volkskrant, 4-1-2010). Wanneer huisartsen voor elke prestatie die zij leveren met financiële prikkels moeten worden gestuurd, tast dat volgens Meijman ‘de vertrouwensrelatie’ met de patiënten aan: ‘Wij willen niet over de ruggen van onze patiënten een handel maken van de zorg.’

267. Zorgen is geen transactie waarbij er op een zeker moment iets oversteekt (een product tegen een prijs) maar
een interactie waarbij de actie heen en weer gaat en (zolang dat maar nodig is) heen en weer blijft gaan.
(Idem, p. 28-29)

268. De kwaliteit van de zorg valt hier niet simpel aan het goede resultaat af te meten. Mensen blijven soms ziek, sommige levensproblemen zijn onoplosbaar. ‘Goede zorg kenmerkt zich erdoo rdat ze interactief, vasthoudend en kalm naar beter blijft
streven’ (idem, p. 30).
Het tweede verschil tussen de twee logica’s dat Mol analyseert, is dat tussen ‘doelgroep of teamlid’ (idem, p. 34-35).
Op de markt richt men zich op doelgroepen, bijvoorbeeld van diabetespatiënten.
Wie hier van geen belangstelling voor het product blijk geeft, valt automatisch af. Bij zorgen geldt dat iedereen die hulp nodig heeft, altijd in het zorgproces kan worden betrokken. Mensen worden, indien nodig, blijvend deelnemers
in dit proces.
‘Voorspiegelen of steun bieden’ markeert het derde verschil tussen de twee logica’s. Bij het eerste komt weer een punt naar
voren dat ik al aanstipte: de zorgmarkt is allesbehalve een gewone markt waar vraag en aanbod zich min of meer vanzelf
regelen. Voor de westerse mens is gezondheid het hoogste goed en elk product dat hem of haar dit belooft te bieden, kan
op zijn belangstelling rekenen.

269. Zonder blikken of blozen en mogelijk zelfs met enige trots heeft [de directeur zorginkoop] een ‘methodiek’
van een autofabriek toegepast in de gezondheidszorg. Dat is nu precies waar het aan schort. Een mens/patiënt
is geen machine, een zorgverlener levert niet op een zo effectieve manier een product af. Waar staan in haar betoog
woorden als begrip (0 maal), troost (0), luisteren (0), de tijd nemen (o)? Marktwerking en zorg? Een gruwel
en onverenigbaar.

272. ‘We exist only in so far as we hang together.’ (Joseph Conrad, Lord Jim)
‘ No man is an island, entire of itself; every man is a piece of the continent, a part of the main.’ (idem , meditatie van John Donne)
Op de markt gelden deze woorden niet of nauwelijks. Wanneer de marktlogica naar de zorgsector wordt uitgebreid,
lopen ze het gevaar ook daar hun betekenis te verliezen. Mol verbindt de logica van het zorgen met de wederkerigheidsverhouding van de gift (Mol 2006, p. 12), die ik als een van de premoderne economische ordeningen besprak. Als we deze antropologische erfenis niet willen verliezen, zullen we haar zoveel mogelijk buiten de marktverhoudingen moeten blijven koesteren.
286. Voordat ik onderzoek hoe de bonuscultuur maatschappelijk aangepakt zou kunnen worden, maak ik nog twee korte
opmerkingen over hebzucht en begeerte als maatschappelijke (on)deugden en over de rol van het geld. Al eerder heb ik erop
gewezen dat elke cultuur wordt gekenmerkt door haar eigen ondeugd of hoofdzonde. Voor een marktsamenleving gaat het
hier ongetwijfeld over hebzucht en (mimetische) begeerte, voor de Homerische Grieken waren dat woede en hoogmoed.
Als moderne mensen gaan wij met elkaar de concurrentie aan om meer te hebben dan de ander, voor de helden van Homerus
ging het erom de ander te overtreffen in de strijdkunst.
Aan zulke (on)deugden die een samenleving gestalte geven, valt misschien niet te ontkomen. Maar het is wel heel belangrijk
dat een samenleving zich ervan bewust is dat men maat moet houden bij de uitoefening ervan. In dit opzicht is Achilles,
de grote navolgenswaardige held, voor de Grieken tevens een morele waarschuwing. Nadat hij Hector in een tweegevecht
verslagen heeft, overschrijdt hij alle grenzen van zijn woede door diens lijk te onteren. Pas als de oude koning Priamus
het lichaam van zijn gesneuvelde zoon komt opvragen om het te begraven, komt Achilles tot inkeer en beseft hij dat hij
alle maat uit het oog heeft verloren.

287. Het moet gewoon verdwijnen. Los van de gevaarlijke utopische aspecten van deze boodschap zou ik met Ben Knapen, die een fraaie column aan de bonusproblematiek wijdde (NRC Handelsblad, 25-II-2009), willen pleiten voor een kapitalisme dat maat houdt. In plaats van alle zware morele beschuldigingen zou het volgens Knapen om iets heel anders moeten gaan, namelijk om ‘maatgevoel’.
Het betreft hier een veel breder thema dan de moreelpolitieke twist over de aanvaardbaarheid en de hoogte van bonussen.
Wanneer dit onderwerp niet op de maatschappelijke agenda wordt geplaatst, zou Michael Moore wel eens alsnog
gelijk kunnen krijgen, omdat onze – rond begeerte en hebzucht opgebouwde – marktmaatschappij aan de eigen tegenstellingen
ten onder gaat.
Een slotopmerking over het geld: in het hierboven geciteerde artikel heeft Peter de Waard het over ‘de gebakken
lucht’ die veel bankhandelaren verkochten. Hier vinden we een laatste voorbeeld dat laat zien hoezeer het geld onze maatschappij beheerst in plaats van andersom. Want de meeste nieuwe financiële producten die in de laatste decennia werden
ontwikkeld en aan de bonussen gekoppeld, hadden weinig meer te maken met de productie uit de reële economie. Het
ging om een eigen losgezongen werkelijkheid van geldspelletjes waar goed mee verdiend kon worden. Bankiers deden ‘het
werk van God’, zei Blankflein, de topman van de zakenbank Goldman Sachs, die in 2009 alweer twintig miljard dollar aan
bonussen uitkeerde . (NRC Handelsblad, 9- II -2009):
‘Met financieringen helpen wij bedrijven om te groeien. Bedrijven die groeien, creeren rijkdom. Dat helpt mensen aan het werk, wat weer tot meer groei en welvaart leidt.’

298. Wanneer we rekening houden met de gunstige mondiale situatie van de tweede periode – de val van de Muur die leidde
tot de opening van de wereldeconomie, gekoppeld aan de technologische revolutie van de informatisering – zijn dat verbluffende cijfers die mijn eigen ideeën erover onderuit hebben gehaald. Skidelsky rekent ons voor dat als de wereldeconomie na 1980 jaarlijks met 4,8 procent was blijven groeien, wij op dit moment een 50 procent hogere welvaart zouden hebben gekend (idem, p. 118).
Voor mij heeft dit soort cijfers definitief een einde gemaakt aan het utopische geloof dat ik kennelijk nog steeds had in de
economische prestaties van het neoliberalisme.

299. De neoliberale geloofsovertuigingen zullen weer plaats gaan maken voor een grotere nadruk op
maatschappelijke waarden als solidariteit en gelijkheid.
Ik help het Skidelsky graag geloven. Hij heeft ongetwijfeld gelijk dat er tekenen zijn die in deze richting wijzen. Maar hij
onderstreept met recht dat deze slingerbeweging van de maatschappelijke pendule niet mechanisch verloopt. Net als ik dat
heb gedaan, wijst Skidelsky op een ideologisch vacuüm aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Er is dringend behoefte
aan nieuwe aansprekende maatschappijbeelden en aan overtuigende morele en politieke idealen. Het zal duidelijk zijn geworden dat deze niet van de traditionele utopische snit kunnen zijn. Skidelsky onderstreept dat een herhaling van de
receptuur van het keynesianisme onmogelijk is. Er zal, rekening houdend met de ideeën van Keynes, een nieuwe economische en sociale politiek dienen te worden ontwikkeld.
Met De utopie van de vrije markt heb ik hiervoor het nodige materiaal willen aandragen. Het filosofisch-economische denken dat de ontwikkeling van de vrije markt door de eeuwen heen heeft begeleid, van Aristoteles tot Keynes, bevat veel theoretische en praktische elementen die, in tegenstelling tot wat Hayek stelt, geen maatschappelijke obstakels zijn, maar integendeel instituties van blijvende waarde hebben opgeleverd.
Belangrijker misschien nog is dat mijn kleine rondgang door de economische geschiedenis van de mensheid (deel 11
van dit boek) heeft laten zien dat het goede leven waar het ons om gaat, zich veelal buiten de markt – maar ook buiten de
staat! – afspeelt: in wederkerigheidsrelaties, in de oikos met demensen die ons het naaste staan, in de gemeenschappelijkheid
met anderen om greep op ons leven te houden.

Reacties graag naar mailadres.