W.G. Sebald, Campo Santo. De Bezige Bij 2010
W.G. Sebald, Campo Santo. De Bezige Bij 2010
Wilfried Georg Sebald (Wertach -Allg?u, 18 mei 1944 ? Norfolk – UK, 14 december 2001) kreeg na zijn dood door een verkeersongeval in 2004 met ?Campo Santo? nog een postume bundel met proza en essays die nu in het Nederlands verscheen.
Hij is in al het werk dat ik van hem kon lezen een hulp om het puin te herkennen dat in grote ringen discreet maar steeds present rond de planeet van ons denken wentelt. Hij houdt iedere melancholische weltschmerz in een heilzaam korset gevangen en daar levert hij in de postume essays nog intrigerende en vertroostende voorbeelden van zoals in ?De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage?
In ?Campo Santo? weet hij uit Corsicaanse begraafplaatsen en dodenwakes een ultieme argumentatie te puren over de noodzaak van theater in een mensenleven, doorheen het leven van mensen die hun publiek en omgeving bespelen met hun leed en hun zieleroerselen om erger te voorkomen. Hij trekt de lijn meteen door naar de antropologische literatuur waaruit blijkt dat grote rituelen door de deelnemers zelf steeds herkend worden als louter toneel, hoe extreem ook.
Meer nog: ?Ook mensen in perioden van ernstig psychisch lijden hebben ergens diep vanbinnen een duidelijk vermoeden op te treden in een stuk dat hun in de ware betekenis van het woord op het lijf is geschreven?.
Sebald is een auteur die de lezer telkens weer de kans geeft om zich te verdiepen in de signalen die ter herkenning worden gegeven. Hij laat ruimte voor verdere interpretatie en argumentatie omdat hij zijn literair talent gebruikt om bruggen te bouwen over peilloze diepten die lonken naar verre horizonten en dus de lezer een houvast biedt om veel verder te gaan dan hij of zij ooit hadden kunnen vermoeden wanneer ze bijvoorbeeld deze ?Camp Santo? openslaan.
Ieder essay, ieder stuk in ‘Campo Santo, blijft uitnodigen tot lezen en herlezen, tot twijfelen, vragen, verzinnen, wikken en wegen.
Een schitterend geschenk van een groot schrijver voor mensen die zichzelf en de wereld voor, om en na hen bevragen.
35. Stephen Wilson wijst erop dat ooggetuigen die in de negentiende eeuw en ook nog in de tijd tussen de laatste twee oorlogen dergelijke dodenwakes meemaakten, het opmerkelijk hadden gevonden dat de klaagvrouwen zich enerzijds opwerkten tot tranceachtige toestanden, duizelig werden en flauwvielen, maar anderzijds absoluut niet de indruk wekten dat ze door ware emotie waren overweldigd.
Veel rapporteurs, aldus Stephen Wilson, hebben het zelfs over een opvallende gevoelloosheid of starheid waarin de zangeres, ondanks de hartstocht waarmee haar stem in het hoogste register krampachtig oversloeg, geen enkele traan vergoot. Gegeven een dergelijke schijnbaar ijzige zelfbeheersing waren enkele commentatoren geneigd in de klaagliederen van de voceratrici een door de traditie voorgeschreven,
hol gebeuren te zien, een opvatting die ook gesteund werd door de waarneming dat alleen al voor het bijeenbrengen van een klaagkoor een hoge mate van praktische voorbereiding en, bij het zingen zelf, van rationeel dirigisme nodig was. Maar in werkelijkheid is er geen tegenstelling tussen deze vorm van berekening en echte, aan zelfopheffing grenzende wanhoop, want het heen en weer gaan tussen de op een verstikkingsaanval lijkende expressie van diepgevoelde zielepijn en een op esthetische modulaties bedachte, welhaast doortrapte, om niet te zeggen geraffineerde manipulatie van het publiek waarvoor wij ons leed uitstallen, is tenslotte, op alle niveaus van de beschaving, misschien wel het meest typerende kenmerk van onze verdwaasde soort, die gek is geworden van zichzelf.
In de antropologische literatuur, bij Frazer, Huizinga, Eliade, L?vi-Strauss en Bilz, wordt meermalen beschreven hoe de leden van oude stamculturen bij het uitvoeren van hun initiatie- of offerrituelen in een onderbewust altijd aanwezige vorm van zelfwaarneming heel goed beseften dat hun dwangmatige, steeds met verwonding en verminking gepaard gaande extremisme in feite louter toneel was, zij het dat het af en toe bijna tot de dood leidde. Ook mensen in perioden van ernstig psychisch lijden hebben ergens diep vanbinnen een duidelijk vermoeden op te treden in een stuk dat hun in de ware betekenis van het woord op het lijf is geschreven. Verder verschilde de pathologische, zowel door een volledige instorting als door een extreme zelfbeheersing bepaalde toestand van de Corsicaanse voceratrici waarschijnlijk slechts weinig van die van de slaapwandelaars die op de podia van de burgerlijke operahuizen al zo?n tweehonderd jaar avond na avond in exact ingestudeerde hysterische krampen vervallen.
W.G. Sebald behandelt in zijn essay ?Over de literaire beschrijving van de totale verwoesting? het naoorlogse Duitsland en de literaire en culturele gevolgen van het leven in zo?n situatie, tot en met de latere nomadische reiswoede van de Duitsers die in het doelloos dolen door ru?nesteden werd opgewekt.
86. Het doelloos panische gedrag van de bevolking waarover Nossack het hier heeft, komt nergens meer overeen met maatschappelijke normen en kan alleen begrepen worden als de biologische reflex van de verwarring. (...)
De aldus gedocumenteerde rusteloosheid en mobiliteit waren de reactie van een soort die zich zag afgesneden van alle in natuurhistorische zin altijd vooruit leidende vluchtwegen, en bleven als voorbewuste ervaring niet zonder gevolgen voor de nieuwe maatschappelijke dynamiek die zich vanuit de verwarring ontwikkelde.88. ?Over het archa?sche gedrag dat daarmee uitbarstte is in de literatuur verder maar weinig te vinden. Nossack wijst er wel op dat ?de gewone vermommingen? van de beschaving als vanzelf wegvielen en ?hebzucht en angst in schaamteloze naaktheid naar buiten kwamen?
(...) Midden in de verwoeste beschaving verzamelt zich het overgebleven leven, om in een andere tijd weer van voren af aan te beginnen. Nossack noteert hoe weinig verbazend het is ?dat de mensen in de openlucht van bakstenen kleine vuurplaatsen hadden gebouwd zoals in het oerwoud (...)
Sebald benadert het probleem van de herinnering aan allesverwoestende gruwelen en de manier waarop ze kunnen aan bod komen in de literatuur die hierover moet berichten voor overlevenden en nakomers. Hij pleit voor een laconieke benadering van de feiten omdat ze zo meer ruimte krijgen in het denken van wie ermee moet leren leven. Zoals Homerus in de Odyssea commentaar geeft op het ophangen van de ontrouwe dienstmaagden: ?Zo hielden zij ook hun hoofden in het gelid en om alle / nekken knelde de strop ontzettend tot aan het einde. / En ze spartelden wat met hun voeten, maar niet erg lang meer.?
90. In een essay dat Canetti aan het dagboek van dr. Hachiya uit Hirosjima heeft gewijd, wordt er op de vraag wat het betekent om zo?n enorme ramp te overleven, geantwoord dat dat uitsluitend is af te lezen aan een tekst die, zoals die van Hachiya, van grote precisie en verantwoordelijkheid getuigt. ?Als het zin zou hebben erover na te denken?, schrijft Canetti, ?welke vorm van literatuur op dit moment onontbeerlijk is, onontbeerlijk voor wetende en ziende mensen, dan is het deze.? Het ideaal van het ware, dat ligt opgesloten in de vorm van een volkomen onpretentieus verslag, blijkt de onherroepelijke basis van alle literaire inspanningen. Daarin kristalliseert zich weerstand tegen het menselijk vermogen tot verdringing van al die herinneringen die de voortzetting van het leven op een of
andere manier zouden kunnen verhinderen. De verstoten mens, aldus Nossack, ?durfde niet om te kijken, want achter hem was niets anders dan vuur?.
Maar juist daarom moeten de herinnering en de overdracht van de daarin bewaarde objectieve informatie worden gedelegeerd aan hen die bereid zijn met het risico van herinneringen te leven.
91. Het motief voor de moord op de herinnering is de angst dat de liefde voor Eurydice zou kunnen omslaan in een passie voor de godin van de dood, zoals Nossack ergens anders heeft uiteengezet; deze godin weet niets van het positieve potentieel van de melancholie. Maar als het klopt dat ?de stap van rouw naar troost niet de grootste is maar de kleinste?, dan wordt dat exemplarisch bewaarheid in die passage in Nossacks verslag waar wordt teruggedacht aan de letterlijk helse dood van een groep mensen die verbrandden in een bomvrije kelder omdat de deuren klem waren gaan zitten en de voorraad kolen in de aangrenzende ruimtes brandde. ?Ze waren allemaal door de hete muren naar het midden van de kelder gevlucht. Daar werden ze opeengedrongen gevonden. Ze waren opgezwollen van de hitte.?
Het laconieke commentaar doet denken aan de regels van Homerus over het lot van de opgehangen dienstmaagden: ?Zo hielden zij ook hun hoofden in het gelid en om alle / nekken knelde de strop ontzettend tot aan het einde. / En ze spartelden wat met hun voeten, maar niet erg lang meer.?
De meevoelende en daardoor troostrijke taal brengt de lezer in Nossacks tekst heel concreet van de verschrikking van de kolenkelder naar de daar vlak achter liggende kloostertuin. ?In april hadden we daar de Brandenburgse Concerten gehoord. En een blinde zangeres had gezongen: ?Die schwere Leidenszeit beginnt nun abermals.?
In ? Vormen van rouw? ontleedt hij de Duitse sociaal-democratie en de manier waarop Gunther Grass hen een verhaal cre?erde tijdens de verkiezingsstrijd wat Sebald meesterlijk onderuit haalt aan de hand van de Melancolia van D?rer als fellow traveller en engel van het slechte geweten
119. Een van de wensbeelden die Grass in zijn Dagboek van een slak opbouwt, is trouwens ook zijn idee over de Duitse sociaaldemocratie, ter wille waarvan hij de inspanningen van de 31.000 kilometer lange verkiezingstournee op zich neemt.
Wat in dit verband om te beginnen opvalt is dat Grass graag spreekt over de voorgeschiedenis en de prehistorie van de sociaaldemocratie, maar dat hij niets vertelt over het politieke debacle dat die partij in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland heeft aangericht. Zo wordt weliswaar August Bebel in zijn groene draaiersvoorschoot ten tonele gevoerd, en ?Ede? Bernstein, en wordt ons verteld dat Willy Brandt inmiddels in het bezit is van het horloge van de eerste partijleider, dat nog steeds loopt, iets waaruit een fraai stukje familiesolidariteit met de vertegenwoordigers van een oprecht verleden wordt gedestilleerd; maar over Ebert en Noske, om maar twee minder glorieuze namen te noemen, horen wij niets.
Ook wordt de jonge generatie lezers niet uitgelegd hoe het kwam dat een land dat aan het eind van de negentiende eeuw de sterkste en best geco?rdineerde socialistische beweging had voortgebracht, twintig tot dertig jaar later in de armen van het fascisme liep. De door Grass geleverde historische achtergrond van de sociaaldemocratie is zeer onderbelicht en alleen voor een beter effect opgesierd met enkele pittoreske details en dappere figuren, zoals dus de goede oude Bebel, die in de tijd van de wetten tegen de socialisten illegaal en als voorbeeld voor de kameraden door het Duitse land trekt, wat natuurlijk ook een enigszins hero?sch licht werpt op de campagne van de nieuwe voortrekkers der sociaaldemocratie.
Een gevoel van broederlijkheid en samen strijden voor een goede zaak verspreidt zich af en toe onder die generatie van de ?veertigers? die op een nieuwe politieke dageraad hopen en die, zoals Grass zegt, ernaar schijnen te streven ?de afgenomen werkprestatie van enkele gedecimeerde oorlogslichtingen met overproductie te compenseren.?
(...)Terwijl hij er dus in slaagt in het politieke werk, dat voor Grass, zoals hij steeds weer benadrukt, re?ler is dan het utopische smeden van plannen, de wanhoop tegen te houden die af en toe opduikt, is toch de Melancolia van D?rer als fellow traveller en engel van het slechte geweten zijn bagage binnengeslopen.
Deze vervaarlijke dame, in wie een hond begraven ligt en wier rokplooien de stank van het hele land bedekken, houdt ?met klamme vingers [...] de passer vast en kan de cirkel niet sluiten?; waarschijnlijk omdat ze zich ? net zoals de auteur zelf ? behalve met de taak van het moment ook bezighoudt met het probleem van de kwadratuur der moraal, zoals dat besloten ligt in de vraag of je niet schrijvend, plaatsvervangend voor alle anderen die dat niet doen, een bijdrage kunt leveren aan de therapie van de natie, bijvoorbeeld zoals Twijfel zijn koude Lisbeth geneest door een ?ondefinieerbare slak? op haar te plaatsen. De zwarte gal, die door dit curiosum van de natuur in een magisch proces uit de door depressies geplaagde Lisbeth wordt gehaald is, zoals Grass opmerkt, in de zestiende eeuw nog een gebruikelijk synoniem voor de inkt waarmee de schrijver zijn cirkels trekt. Maar wie zich van zwarte gal als medium voor creatief werk bedient, loopt wel het gevaar de onbegrepen depressiviteit te erven van hen voor wie zijn troost is bedoeld.
?Over herinnering en wreedheid in het werk van Peter Weiss? behandelt de wroeging van het hart.
148. De massamoord was tenslotte niets anders dan een extreme variant op het sloopwerk-door-middel-van-arbeid zoals dat in het Duitsland van de oorlogsjaren op veel grotere schaal dan ooit tevoren in de geschiedenis werd uitgevoerd en waarvan Alexander Kluge later in zijn Neue Geschichten de specifieke, met het systeem overeenstemmende logica zou onderzoeken. Wat de fascistische concentratiekampen zo pervers maakte was, bekeken vanuit het economisch perspectief dat ook nu bijna alles bepaalt, niet in de eerste plaats de vorm en de omvang van de daar gepleegde misdaden, maar het feit dat de economische opbrengst van de verwerking van het menselijk afval ? Weiss noteerde de betreffende statistieken en heeft het over ?uitbuiting tot op het bloed, de botten, de as? ? voor het systeem de kosten bij lange na niet rechtvaardigde.
En in dat negatieve saldo zit dan toch een in zekere zin metafysische dimensie verborgen, schijnbaar een kwaad zonder enig doel, dat Weiss tot de poging bracht de historische ervaring met alle re?le details in te zetten in de heilsgeschiedenis zoals die wordt ge?xemplificeerd in de tektonische structuur van de Divina commedia. Meer nog dan de rationele verklaring van de maatschappelijke fundamenten van de volkerenmoord helpt de omzetting van de daarmee verbonden verschrikkingen in een esthetisch geordend patroon de auteur om van de marteling los te komen, ook al kon hij het model van Dante, met zijn zinvolle geslotenheid, als geheel niet meer reconstrueren.
Over Kafka in de bioscoop en de onmogelijkheid van twee uitverkoren volkeren.
210. Wat de twee spiegelbeeldige identiteiten verbindt is de mythe van het uitverkoren volk, waaraan de Duitsers zich in de periode van hun fatale nationale emancipatie blindelings hadden overgeleverd.
Terwijl Herzl nog naar de kwadratuur van de cirkel streefde met zijn idee dat er in Zion Duits gesproken zou worden, kwam Hitler, ik geloof ergens in zijn tafelgesprekken, tot een conclusie die volgens hem zijn programma van de Jodenvernietiging onweerlegbaar rechtvaardigde, namelijk dat er niet twee uitverkoren volkeren konden bestaan.
De film over Palestina is de laatste bioscoopervaring van Kafka die Zischler in zijn boek noemt. Wat Kafka erbij heeft gedacht is noch door hem noch door anderen overgeleverd. Zeker is alleen dat hij daarna niet vaak meer naar de bioscoop is geweest. Der Triumph des Willens is hem in elk geval bespaard gebleven. Maar je vraagt je wel af hoe hij zich gevoeld zou hebben als hij naar al dat gemarcheer had
moeten kijken.
In ?Moments musicaux? een prachtige argumentatie over muziek als bescherming tegen de paranoia.
233. Ik geloof niet dat ik toen, als twaalfjarige, kon vermoeden wat ik veel later, in een van de studies van Sigmund Freud als ik me niet vergis, las en wat ik meteen begreep, namelijk dat het het diepste geheim van muziek is dat ze de paranoia afweert, dat wij muziek maken om niet overspoeld te worden door de verschrikkingen van de werkelijkheid.