Antonio Mu?oz Molina – De nacht der tijden
Antonio Mu?oz Molina – De nacht der tijden – Uitgeverij De Geus 2011
Om ?La noche de los tiempos? – ?De mist der tijden? te doorgronden moet je moed aan de dag leggen, gretig willen weten, verbitterd durven dromen, met pijn kunnen lezen, ontgoocheld en beschaamd mogen twijfelen. Zoveel decennia na de obligate heldenverhalen bij het einde van het Franco tijdperk is het me eindelijk – zij het niet zonder moeite – gelukt om Madrid op een andere manier te zien dan doorheen de republikeinse driekleur, in een mooie vertaling van Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan – van Braam.
De fenomenale Spaanse auteur Antonio Mu?oz Molina drapeert zijn forse roman rond de gevoelens van hunkering, angst en de heimwee der ontheemden van de Spaanse dichter Pedro Salinas (1891-1951) die in 1936 de Spaanse burgeroorlog ontvluchtte naar de VS, naar zijn minnares. Door de ogen van zijn hoofdpersonage Ignacio Abel, een gerenommeerd architect, wordt de chaos van de burgeroorlog in en om Madrid geproefd en gewogen. Zijn vertrek ervaart hij zoals Pedro Salinas tussen onschuldige vluchter en schuldige deserteur.
De roman heeft zeker in het eerste deel een Proustiaanse toonzetting, waardoor de? gevaarlijke chaos en het willekeurig toeval door de grote principes van de Spaanse burgeroorlog nadien nog oorverdovender klinken, waardoor in het slotgedeelte de ballingschap scherper schrijnt.
In ?Sefarad, het boek der ballingen? had Antonio Mu?oz Molina mij reeds een paar rake voorzetten bezorgd:
?Willi M?nzenberg ontdekte als een der kopstukken van de Derde Internationale dat intellectuelen met een zekere maatschappelijke positie zichzelf graag als radicalen beschouwden, en dat revoluties ver van hun bed een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hen uitoefenden.? (149)?Gezonde mensen houden afstand van zieke mensen, schreef Frans Kafka eens aan Milena Jesenska, maar ook zieke mensen houden afstand van gezonde?. (201)
?Wie zou zo lichtzinnig kunnen zijn een leven te verzinnen, als er zoveel levens zijn die het verdienen om naverteld te worden, want elk van die levens is een roman op zich, een netwerk met vertakkingen naar andere romans en andere levens.? (421)
?Wie een verhaal verzint heeft de ijdele overtuiging dat hij zich meester maakt van de plaatsen, voorwerpen en mensen waarover hij schrijft?.(438)
42. Zo veel geweld in Spanje, zo veel ruwheid, misdaden uit hartstocht en wrede in bloed gesmoorde anarchistische opstanden, botte afkondigingen vanuit de kazerne; zo veel heiligen, martelaren, fanatici, zoals op die schilderijen in het Prado waarop de gemartelde huid van de asceten lijkt te schuren als de jute waarin ze zijn gekleed, met ogen waarin een visioen van zuiverheid brandt dat onverenigbaar is met de echte wereld: en ook het schorre gejuich en gejoel uit de rauw geschreeuwde kelen, de verruwing die geleidelijk aan bezit heeft genomen van dat Madrid waar hij zo van houdt, maar waarin hij steeds minder de straat op durft, weerhouden door het ongenoegen van een man die niet jong meer is en elke verandering meer en meer als een persoonlijke belediging begint op te vatten. De lompheid van de politiek, de schending van idealen waarin uiteindelijk niemand hem gevraagd heeft te geloven, hoewel ze hem een tijdlang zo dierbaar waren, vol rationele beloftes en mooie verwachtingen even mooi als de vlaggen die boven op de gebouwen wapperden tegen een blauw dat net zo helder en nieuw was als het driekleurige doek. Hoe typerend voor hem dat zijn politieke opvattingen, al heel snel getemperd door scepsis – over de laagheid van de menselijke geest, de beperkte reikwijdte en verregaande bekrompenheid van het Spaanse leven – zo verbonden waren met de esthetische grillen van het moment, met zijn voorkeur voor die driekleur boven de alledaagse rood-gele vlag van die schavuit van een koning die door niemand werd gemist, hoewel hij ook niets zag in de rood zwarte vlag die fascisten en anarchisten om de een of andere onbegrijpelijke reden deelden en de compleet rode met hamer en sikkel die momenteel zo in de smaak viel bij een aantal vrienden van hem, die plotseling enthousiast waren over de Sovjet-Unie, over de fotocollages van arbeiders, soldaten met lange kapotjassen en bajonetten, tractoren en waterkrachtcentrales, over hemelsblauwe hemden, koppelriemen, gebalde vuisten. Misschien begreep hij hen niet of; erger nog, geloofde hij niet in de oprechtheid of overtuiging van hun zienswijzen omdat ze jonger waren dan hij, of omdat ze meer succes hadden, hij zag hen aan het einde van literaire banketten opstaan om strijdliederen te zingen en wat hij voelde was geen ideologisch verschil van mening maar plaatsvervangende schaamte. Hij had nooit kunnen meedoen met zo?n openbaar vertoon zonder van buitenaf naar zichzelf te kijken Hij was natuurlijk een bourgeois, of eigenlijk niet eens dat, een rentenierende ambtenaar: maar sommigen van hen, van zijn oude vrienden, waren dat veel meer, rijkeluiszoontjes die nooit echt hadden gewerkt, maar die het wel heel serieus over de dictatuur van het proletariaat hadden terwijl ze, op het terras van het Palace, hun benen over elkaar sloegen met een whisky in de hand, nadat ze zich bij de kapper van het hotel hadden laten knippen en scheren. Ze voorspelden de naderende ondergang van de Republiek, onder de voet gelopen door de triomfantelijke zegetocht van de sociale revolutie: tegelijkertijd voeren ze er wel bij door voor zichzelf offici?le reisjes naar conferenties in het buitenland te versieren of door salarissen op te strijken voor vage culturele activiteiten.
381. Mannen, had Adela gemerkt, hadden geen oog voor hun eigen zwakheden, vooral niet als ze bereid waren ietwat schaamteloos hun principes even opzij te zetten. Haar konden die uitgesproken principes van haar man minder schelen dan hem, zodat ze geen moeite had met zijn tijdelijke sympathie voor twee of drie aartsconservatievelingen uit de hofkliek van de koning die erefuncties bekleedden bij de Raad van Toezicht op de Bouwwerkzaamheden en oude bekenden waren van don Francisco de Asis. Zijn welwillende schoonvader die goed lag bij het regime, waarvan niemand de nabije val vermoedde, schreef brieven, zorgde voor ontmoetingen, prees met veel omhaal van woorden de verdiensten van de echtgenoot van zijn dochter aan. Ze zag het allemaal van nabij: ze merkte op wat hijzelf niet in de gaten had, de begerige glans in zijn ogen, het plotselinge gemak waarmee hij openstond voor een zekere mate van oprechte vleierij; het sterke verlangen dat altijd al in hem had gezeten en dat de oorzaak en niet het gevolg was van altijd onbevredigde verlangens, niet altijd even duidelijk geformuleerd in zijn eigen bewustzijn, laat staan besproken met haar. Wat kon zij hem geven, welke bevrediging of zelfs maar troost, opgevoed als ze was als een intellectueel gemankeerd wezen, als een van die Chinese vrouwen van wie van kinds af aan de voeten afgebonden waren?