Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Joseph Roth, Radetzkymars.

25 maart 2012

Joseph Roth, Radetzkymars.

Uitg. Atlas vertaald door W.Wielek-Berg, herzien door Elly Schippers – 1932 Verlag Kiepenheuer Berlin

Robert Musil heeft met ?De man zonder eigenschappen? h?t Duitse meesterwerk van de vorige eeuw geschreven.

Met de ?Radetzkymars? heeft Joseph Roth zijn interpretatie van die periode op schrift gesteld. Subtiel, vlot, pakkend, nog steeds na tachtig jaar, zeker in deze vernieuwde vertaling.

Ik kan alleen maar Piet de Moors recensie bijtreden in Knack van 20 mei 2009.

285. ‘En daarom moeten we alles loslaten, ieder moet zijn eigen weg gaan! Als mijn kinderen mij niet gehoorzamen, doe ik alleen nog moeite om mijn waardigheid niet te verliezen. Dat is alles wat een mens kan doen. Ik kijk wel eens naar ze als ze slapen. Hun gezichten lijken me dan vreemd, haast onherkenbaar, en ik zie dat ze vreemde mensen zijn, uit een tijd die nog komt en die ik niet meer zal meemaken. Ze zijn nog jong, mijn kinderen! De een is acht, de ander tien, en ze hebben ronde, blozende gezichten als ze slapen. En toch is er veel vreemds in die gezichten als ze slapen. Soms denk ik dat het al de wreedheid van hun tijd is, van de toekomst, die in de slaap over de kinderen komt. Ik zou die tijd niet graag willen meemaken!’

15. ‘Ze hebben mij misbruikt,’ begon hij opnieuw, keek recht in de blinkende brillenglazen van de notaris en merkte alras dat hij geen woorden kon vinden. Hij had het leesboek mee moeten nemen. Met dat walgelijke voorwerp in de hand zou een verklaring hem veel gemakkelijker zijn afgegaan. ‘Hoe misbruikt?’ vroeg de notaris. ‘Ik heb nooit bij de cavalerie gediend,’ zei kapitein Trotta, die meende zo het beste te kunnen beginnen, hoewel hij besefte dat zijn woorden onbegrijpelijk waren. ‘En nu schrijven die schaamteloze schrijvers in de kinderboeken dat ik op een vos, een met zweet bedekte vos, schrijven ze, aan kwam stormen om de monarch te redden, schrijven ze.’ De notaris begreep het. Hij kende de leesles uit de boeken van zijn zonen. ‘U overschat de betekenis daarvan, kapitein,’ zei hij. ‘Bedenk dat het voor kinderen is!’ Trotta keek hem geschrokken aan. Op dat ogenblik had hij het gevoel dat de hele wereld tegen hem samenspande: de schrijvers van de leesboeken, de notaris, zijn vrouw, zijn zoon, de huisonderwijzer. ‘Alle historische heldendaden,’ zei de notaris, ‘worden voor schoolgebruik anders beschreven. En volgens mij is dat ook juist. Kinderen moeten voorbeelden hebben die ze begrijpen, die ze onthouden. De echte waarheid horen ze later wel.? – ?Ober, afrekenen!? riep de kapitein en hij stond op.

150-151. Maar zodra de winter naderde, liepen ze door de dennenbossen om hout te verkrijgen voor klanten in de stad, Want ze handelden ook in hout. Ze handelden bovendien in kralen voor de boerinnen uit de omliggende dorpen en ook voor de boerinnen aan de overkant van de grens, in het Russische land. Ze handelden in beddenveren, in paardenhaar, in tabak, in staafzilver, in juwelen, in Chinese thee, in zuidvruchten, in paarden en vee, in gevogelte en eieren, in vis en groente, in jute en wol, in boter en kaas, in bossen en grond, in marmer uit Itali? en in mensenhaar uit China, waarvan pruiken werden gemaakt, in zijderupsen en in zijden weefsels, in stoffen uit Manchester, in Brusselse kant en in Moskouse overschoenen, in linnen uit Wenen en lood uit Bohemen. Geen van de voortreffelijke en geen van de goedkope waren waaraan de wereld zo rijk is, was de handelaren en makelaars uit deze streek onbekend. Wat ze volgens de bestaande wetten niet konden krijgen of verkopen, verschaften ze zich toch en verkochten het, elke wet ten spijt, snel en in het geheim, berekenend en listig, sluw en moedig. Sommigen handelden zelfs in mensen, in levende mensen. Ze stuurden deserteurs uit het Russische leger naar de Verenigde Staten en jonge boerenmeisjes naar Brazili? en Argentini?. Ze hadden scheepsagenturen en vertegenwoordigden bordelen uit vreemde landen. En toch was hun winst armzalig en hadden ze geen idee van de grote, verrukkelijke overvloed waarin een mens kan leven. Hun zintuigen, zo gescherpt en geoefend om geld te vinden, hun handen, die goud konden slaan uit steenslag zoals men vonken slaat uit steen, waren niet in staat hun hart genot te verschaffen en hun lichaam gezondheid. De mensen in deze streek waren uit de moerassen geboren. Want de moerassen spreidden zich heilloos uit ver heel het vlakke land, aan beide zijden van de straatweg, met kikvorsen, koortsbacillen en arglistig gras, dat voor de argeloze wandelaar die het land niet kende het verschrikkelijke lokaas vormde van een verschrikkelijke dood. Velen kwamen om en hun laatste hulpkreten werden door niemand gehoord. Maar iedereen die daar geboren was, kende de listen van het moeras en bezat zelf iets van die list. In voorjaar en zomer was de lucht vervuld van het onophoudelijke, voldane gekwaak van de kikvorsen. Onder het hemelgewelf jubelde het even voldane gezang van de leeuweriken, Het was een onvermoeibare dialoog tussen hemel en moeras. Een groot deel van de handelaren van wie we gewag maakten, waren joden. Door een gril van de natuur of misschien door een geheimzinnige wet die hun afstamming van het legendarische volk der Chasaren bepaalde, hadden veel grensjoden rood haar. Het laaide op hun hoofden. Hun baarden waren als branden. Uit de ruggen van hun jachtige handen staken rode, harde borstels als kleine speren. En in hun oren woekerde zachte, rossige wol als de walm van de rode vuren die wellicht in hun hoofden gloeiden. Wie uit den vreemde in deze streek kwam, ging allengs teloor. Niemand was zo sterk als het moeras. Niemand kon de grens trotseren. In die tijd begonnen de hoge heren in Wenen en Petersburg reeds de grote oorlog voor te bereiden. De mensen aan de grens voelden hem eerder aankomen dan de anderen, niet alleen omdat ze gewend waren komende dingen te voorvoelen, maar ook omdat ze elke dag de voortekenen van de ondergang met eigen ogen konden zien. En ook uit die voorbereidingen wisten ze nog munt te slaan. Menigeen leefde van spionage en contraspionage, kreeg Oostenrijkse guldens van de Oostenrijkse politie en Russische roebels van de Russische, En in de wereldvreemde, moerassige woestenij van het garnizoen viel deze en gene officier ten prooi aan de wanhoop, het gokspel, de schulden en ongure mensen. Op de kerkhoven van de grensgarnizoenen waren vele jonge lichamen van zwakke mannen geborgen.

 

159. Al jaren was hij gedeputeerde van de Rijksraad, hij werd door zijn district steeds herkozen, alle tegenkandidaten versloeg hij met geld, geweld en overrompelingstactieken. Hij was een gunsteling van de regering en een verachter van het democratische lichaam dat hij vertegenwoordigde. Hij had nog nooit een redevoering gehouden en nog nooit ge?nterrumpeerd. Ongelovig, spotlustig, onbevreesd en zonder aarzelen placht Chojnicki te beweren dat de keizer een seniele oude man was, de regering een troep sukkels, de Rijksraad een verzameling goedgelovige, pathetische idioten, de autoriteiten corrupt, laf en lui. De Duitse Oostenrijkers waren walsendansers en wijnzangers, de Hongaren stonken, de Tsjechen waren geboren schoenpoetsers, de Roethenen verkapte en verraderlijke Russen, de Kroaten en Slovenen, die hij ‘Krowoten en Schlawiner’ noemde, borstelmakers en kastanjepoffers, en de Polen, waartoe hijzelf behoorde, pluimstrijkers, kappers en modefotografen. Na elke terugkeer uit Wenen en de andere delen van de grote wereld die zijn speelweiden waren, placht hij een sombere toespraak te houden, die ongeveer als volgt luidde: ‘Dit rijk moet ten onder gaan. Zodra onze keizer de ogen sluit, vallen we in honderd stukken uiteen. De Balkan zal machtiger blijken dan wij. Alle volkeren zullen hun smerige, kleine staatjes stichten en zelfs de joden zullen in Palestina een koning uitroepen. In Wenen stinkt al het zweet van de democraten, ik kan het op de Ringstra?e niet meer uithouden. De arbeiders hebben rode vlaggen en willen niet meer werken. De burgemeester van Wenen is een gedwee huismeester. De papen lopen al mee met het volk, in de kerken wordt in het Tsjechisch gepreekt. In het Burgtheater worden liederlijke, joodse stukken gespeeld en elke week wordt een Hongaarse fabrikant van closetpapier baron. Ik zeg u, mijne heren, als er nu niet geschoten wordt is het afgelopen. Wij zullen het nog meemaken!’ De toehoorders van de graaf lachten en dronken nog een glaasje. Ze begrepen hem niet. Er werd zo nu en dan geschoten, vooral bij de verkiezingen, bijvoorbeeld om graaf Chojnicki’s mandaat veilig te stellen, en daardoor werd aangetoond dat de wereld niet zomaar ten onder kon gaan. De keizer leefde nog. Na hem kwam de troonopvolger. Het leger exerceerde en straalde in alle voorgeschreven kleuren. De volkeren hielden van de dynastie en huldigden haar in de meest uiteenlopende nationale klederdrachten, Chojnicki was een grapjas. Maar luitenant Trotta, gevoeliger dan zijn kameraden, droefgeestiger dan zij en met in zijn ziel de voortdurende echo van de ruisende, donkere vleugels des doods, die hij reeds tweemaal had ontmoet – de luitenant bespeurde soms het duistere gewicht van deze voorspellingen.

 

188. Misschien had Chojnicki de waarheid gesproken, misschien bestonden ze inderdaad geen van allen meer: het vaderland niet, het districtshoofd niet en zijn zoon niet! Met veel moeite slaagde de heer Von Trotta erin te zeggen: ‘Ik begrijp u niet! Waarom zou de monarchie niet meer bestaan?’ ‘Wel,’ zei Chojnicki, ‘volgens de letter bestaat ze natuurlijk nog. Wij hebben nog een leger’ – de graaf wees naar de luitenant – ‘en ambtenaren’ – de graaf wees naar het districtshoofd, ‘Maar ze vervalt bij levenden lijve. Ze vervalt, ze is al vervallen! Een grijsaard, ten dode opgeschreven, door iedere verkoudheid bedreigd, houdt de oude troon in stand, enkel en alleen door het wonder dat hij er nog op kan zitten. Hoe lang nog, hoe lang nog? De tijd wil ons niet meer! Deze tijd wil zelfstandige, nationale staten scheppen! In God wordt niet meer geloofd. De nieuwe religie is het nationalisme. De volkeren gaan niet meer naar de kerk. Ze gaan naar nationale verenigingen. De monarchie, onze monarchie, is gebaseerd op vroomheid, op het geloof dat God de Habsburgers heeft uitverkoren om over zo- en zoveel christelijke volkeren te regeren. Onze keizer is een wereldlijke broeder van de paus, hij is Zijne Keizerlijke en Koninklijke Apostolische Majesteit, geen andere is apostolisch, geen andere majesteit in Europa is zo afhankelijk van de gratie Gods en van het geloof van de volkeren in de gratie Gods. Als God de Duitse keizer verlaat, blijft hij regeren; eventueel bij de gratie van het rijk. De keizer van Oostenrijk-Hongarije mag niet door God verlaten worden. Nu heeft God hem echter verlaten!’

Het districtshoofd stond op. Nooit had hij het voor mogelijk gehouden dat er een mens op de wereld bestond die kon zeggen dat God de keizer had verlaten. Desalniettemin had hij, die zijn leven lang de hemelse zaken aan theologen had overgelaten en voor het overige de kerk, de mis, de processie op Sacramentsdag, de clerus en Onze-Lieve-Heer zelf voor instituties van de monarchie hield, het gevoel dat de woorden van de graaf in ??n klap de verwarring verklaarden waarin hij de laatste weken, vooral sinds de dood van de oude Jacques, verkeerde, Zeker, God had de oude keizer verlaten! Het districtshoofd deed een paar stappen, onder zijn voeten kraakten de vloerplanken. Hij liep naar het raam en zag door de kieren van de jaloezie?n smalle strepen van de donkerblauwe nacht, Alle verschijnselen in de natuur en alle gebeurtenissen in het dagelijks leven kregen plotseling een dreigende, onbegrijpelijke zin. Onbegrijpelijk was het fluisterende koor van de krekels, onbegrijpelijk het flonkeren van de sterren, onbegrijpelijk het fluwelen blauw van de nacht, onbegrijpelijk zijn reis naar de grens en zijn bezoek aan deze graaf. Hij keerde terug naar de tafel, met zijn hand streek hij over zijn bakkebaard zoals hij placht te doen wanneer hij enigszins radeloos was. Enigszins radeloos! Zo radeloos als nu was hij nog nooit geweest! Voor hem stond nog een vol glas. Hij dronk het snel leeg. ‘Dus,’ zei hij, ‘u gelooft, u gelooft dat wij.. .’

’ ... verloren zijn,’ vulde Chojnicki aan. ‘Verloren zijn wij, u en uw zoon en ik. Wij zijn, dat zeg ik u, de laatsten van een wereld waarin God de heersers nog genade schenkt en dwazen als ik goud maken. Luister! Kijk! En Chojnicki stond op, liep naar de deur, draaide een schakelaar om en aan de grote kroonkandelaar flitsten de lampen aan. ?Kijk!? zei Chojnicki. ?Dit is de tijd van de elektriciteit, niet van de alchemie. Ook van de chemie, begrijp me goed! Weet u hoe het heet? Nitroglycerine.? De graaf sprak elke lettergreep afzonderlijk uit. ?Nitroglycerine!? herhaalde hij. ?Niet meer goud! In het paleis van Franz Joseph worden vaak nog kaarsen gebrand! Begrijpt u? Door nitroglycerine en elektriciteit zullen wij te gronde gaan. Het duurt niet lang meer, het duurt echt niet lang meer. ?

 

268. En het leger was volgens het districtshoofd in de monarchie nog de enige macht waarop een mens zich kon verlaten! Het districtshoofd had het gevoel dat opeens de hele wereld uit Tsjechen bestond, een natie die hij voor weerspannig, eigenzinnig en dom hield en bovendien voor de uitvinders van het begrip natie. Er mochten dan veel volkeren bestaan, er bestonden geen naties. Er kwamen ook verschillende, welhaast onbegrijpelijke verordeningen en beschikkingen van het gouvernement, waarin werd aangedrongen op een lankmoediger houding ten opzichte van de ‘nationale minderheden’, een van de woorden die de heer Von Trotta het meest haatte. Want ‘nationale minderheden’ waren volgens hem niets anders dan grote gemeenschappen van ‘revolutionaire individuen’, Ja, hij werd door’ louter revolutionaire individuen omgeven. Hij meende zelfs te merken dat ze zich op tegennatuurlijke wijze vermenigvuldigden, op een wijze die niet des mensen was. Het districtshoofd was tot de overtuiging gekomen dat de ‘staatsgetrouwe elementen’ steeds onvruchtbaarder werden en steeds minder kinderen kregen, de statistieken van de volkstellingen waarin hij wel eens bladerde, toonden het aan. Hij kon zich niet meer onttrekken aan de verschrikkelijke gedachte dat de voorzienigheid zelve ontevreden was over de monarchie, en hoewel hij een weliswaar in de gebruikelijke zin belijdend maar niet zeer gelovig christen was, neigde hij nog steeds tot de opvatting dat God zelf de keizer strafte. Hij kwam trouwens toch op allerlei vreemde gedachten. De waardigheid die hij bekleedde sinds de eerste dag van zijn benoeming tot districtshoofd in W. had hem weliswaar in ??n klap oud gemaakt, en ook toen zijn bakkebaarden nog helemaal zwart waren, zou geen mens op het idee zijn gekomen de heer Von Trotta een jongeman te noemen, maar toch begonnen de mensen in zijn stadje nu pas te zeggen dat het districtshoofd oud werd. Zo maakte hij bijvoorbeeld na de dood van de oude Jacques en sinds zijn terugkeer uit het grensgarnizoen van zijn zoon geen ochtendwandeling meer voor het ontbijt, uit angst dat een van de elkaar zo snel opvolgende, verdachte individuen die hij in dienst had, zou kunnen vergeten de post op de ontbijttafel te leggen of zelfs het raam te openen. Hij haatte zijn huishoudster. Hij had haar altijd gehaat, maar toch wel eens een woord tot haar gericht. Sinds de oude Jacques niet meer bediende, maakte het districtshoofd geen enkele opmerking meer aan tafel. Want eigenlijk waren zijn bijtende woorden altijd voor Jacques bestemd geweest, in zekere zin had hij daarmee gedongen naar de gunst van de oude bediende. Pas nu de oude man dood was, wist de heer Von Trotta dat hij alleen voor Jacques had gesproken, als een toneelspeler die weet dat er iemand in de zaal zit die zijn kunst al jaren bewondert. Het districtshoofd had altijd snel gegeten, maar nu ging hij al van tafel na de eerste hap. Want het leek hem lasterlijk van het rundvlees te genieten terwijl de wormen de oude Jacques in zijn graf opvraten. En al sloeg hij van tijd tot tijd zijn blik omhoog, in de hoop en met het aangeboren gelovige gevoel dat de dode in de hemel was en hem kon zien, toch zag het districtshoofd alleen het bekende plafond van zijn kamer, want het eenvoudige geloof was hij kwijtgeraakt en zijn zintuigen gehoorzaamden niet meer aan het gebod van zijn hart. Ach, het was een ellende!

 

285. ‘En daarom moeten we alles loslaten, ieder moet zijn eigen weg gaan! Als mijn kinderen mij niet gehoorzamen, doe ik alleen nog moeite om mijn waardigheid niet te verliezen. Dat is alles wat een mens kan doen. Ik kijk wel eens naar ze als ze slapen. Hun gezichten lijken me dan vreemd, haast onherkenbaar, en ik zie dat ze vreemde mensen zijn, uit een tijd die nog komt en die ik niet meer zal meemaken. Ze zijn nog jong, mijn kinderen! De een is acht, de ander tien, en ze hebben ronde, blozende gezichten als ze slapen. En toch is er veel vreemds in die gezichten als ze slapen. Soms denk ik dat het al de wreedheid van hun tijd is, van de toekomst, die in de slaap over de kinderen komt. Ik zou die tijd niet graag willen meemaken!’

 

Reacties graag naar mailadres.