Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Isaak E. Babel, Verhalen (incl. De Rode Ruiterij)

9 augustus 2013

Isaak E. Babel, Verhalen (incl. De Rode Ruiterij) uitg. Van Oorschot Amsterdam 2013 vertaald door Froukje Slofstra.

 http://www.flickr.com/photos/59276281@N00/7232521892/in/photolist-c27yMj

Het is goed geweest dat ik na vier decennia de nieuwe vertaling van Babels Verhalen heb kunnen lezen. De oude van Charles B. Timmer beviel mij destijds zeer, de nieuwe van Froukje Slofstra vandaag nog meer.

Let wel Babel lezen is geen sinecure, dat was het vroeger niet, en vandaag evenmin, ook al ben je na al die jaren als lezer geen klein beetje veranderd.

Bijna veertig jaar geleden las ik de ‘Russen’ in Mol op het ‘gemak’ aan het koertje van de Rozenberg waar we een achterhuis van een oude fietsenwinkel huurden. Het gemak was een houten plank met gat en houten deksel. De put was op een jaar ruim vol en diende gebeerd in de tuin waar we geen tijd voor hadden wegens de klassenstrijd. Het koertje had een glazen koepel die naar beneden kwam met de ontploffing van de ‘Poeier’ van Balen (PRB) op dinsdag 27 mei 1975. Het was rustig lezen op het houten toilet al stonk het er in de winter minder en was de zitplank niet te koud aan mijn nog gespierde billen.

De oude Russen had ik vroeger in betere omstandigheden gesavoureerd. Zij waren omnipresent in de fenomenale bibliotheek van de Rijksnormaalschool te Lier.

De rode ‘Russen’ kon ik ontlenen bij de Gemeentelijke Bibliotheek van Mol. Die had jaren voordien de socialistische bibliotheek in haar rekken opgenomen waardoor er een merkwaardige keuze aan vertaalde Russische literatuur voorhanden was.

Ik heb daar turven als ‘De Stille Don’ van Sjolochow en Fadajevs ‘Jonge Garde’ verslonden. ‘Hoe het staal werd gehard’ van Ostrovskij kon ik ter plekke dromen en Simonovs ‘Soldaten worden niet geboren’ leek op die plee een evidentie.

Maar Babel was met zijn ‘Rode Ruiterij’ van een ander kaliber.

Je moest als proletariserende jongeling in de Poeier, asbestfabriek Johns Manville en de steenkoolmijn van Beringen ( om 4 uur op en om 16 uur weer thuis en dus in de winter de hele werkweek nauwelijks zonlicht te zien) iets vinden om je geloof te bewaren, te voeden en te koesteren. Want verwarming, bad en boiler ontbraken in  ons oude huisje. Een kolenkachel aan de praat houden was niet simpel, wassen in een zinken bad met warm water van op het butaangasvuur dan wel de kachel was geen verpozing. Het proletariseren ging dan ook een stuk makkelijker met de rode Russen op de houten plee.

Babel had destijds als jeugdige snaak net als Paustovski van Maxim Gorki te horen gekregen dat hij zich eerst moest ‘onder de mensen begeven’ eer hij echt zou kunnen schrijven, want revolutionaire  proletarische schrijvers dienden het ware leven ervaren te hebben eer ze hun hersenspinsels aan het papier zouden toevertrouwen. Ze dienden zich te ‘proletariseren’ en was ik daar in die tijd niet zelf intensief mee bezig.

Maar met Babels Verhalen, daar is iets mee. Zijn handelingen, sfeerschepping en stijl zijn uiterst beknopt. Onooglijke details blijken vaak een gruwelijke essentie aan te kondigen of te verhullen. Je werd als proletariserende lezer letterlijk verdoofd door de verschrikkelijke gruwel van de burgeroorlog die hij bij voorkeur terloops vermeld. Teveel en te lang Babel lezen levert ook vandaag een gevoel van gehoorsdaling, watten in je kop na te lang aan industrieel lawaai te zijn bloot gesteld.

Babels Verhalen – en zeker de Rode Ruiterij – hebben iets van ‘American Psycho’ van Bret Easton Ellis, maar het is geen fictie, het is zijn interpretatie van de bittere werkelijkheid.

En die is zelden fraai voor de Bolsjewieken, wat de aversie van de partijleiding voor de joodse schrijver makkelijk kan verklaren.

In de voorbije veertig jaar is er veel meer aan het licht gekomen over het leven, het complexe liefdesleven en de dood van de auteur, en ook zijn verblijf in Parijs en Brussel. Dit komt in het nawoord van de vertaalster gelukkig uitgebreid aan bod.

 

31. DE OPENBARE BIBLIOTHEEK 

Dat dit het rijk van het boek is, voel je meteen. Mensen die in een bibliotheek werken staan in nauw contact met het boek en het weerspiegelde leven en zijn zelf als het ware een afspiegeling van levende, echte mensen geworden.

Zelfs de bedienden in de garderobe zijn raadselachtig stil, vervuld van beschouwelijke rust, niet donker en niet blond, maar iets ertussenin. Thuis drinken ze misschien op zaterdagavond ethylalcohol en slaan ze hun vrouw langdurig, maar in de bibliotheek zijn ze bedeesd van aard, onopvallend en ingetogen somber.

Er is ook een bediende die tekent. In zijn ogen ligt zachtmoedig verdriet. Eén keer in de twee weken mompelt hij, terwijl hij een dikke man in een zwart colbertje uit zijn jas helpt: ‘Nikolaj Sergejevitsj vindt mijn tekeningen goed en Konstantin Vasiljevitsj vindt ze ook goed, het begin is er, maar hoe het verder moet is ondertussen geheel onduidelijk.’

De dikke man luistert. Hij is verslaggever, getrouwd, vraatzuchtig en overwerkt. Eén keer in de twee weken gaat hij naar de bibliotheek om uit te rusten – hij leest over strafprocessen, tekent nauwgezet op een papiertje een plattegrond van het gebouw waar de moord heeft plaatsgevonden, is heel tevreden en vergeet dat hij getrouwd en overwerkt is.

De verslaggever luistert naar de bediende vol verschrikt onbegrip en vraagt zich af hoe je met zo iemand omgaat. Geef je hem een stuiver als je weggaat, dan beledig je hem misschien – het is een kunstenaar. Geef je hem niets, dan kan hij ook beledigd zijn, het is tenslotte een bediende.

In de leeszaal werkt het hogere personeel: de bibliothecarissen. Sommigen van hen – ‘de opmerkelijken’ – hebben een of ander uitgesproken lichamelijk gebrek: de een heeft kromgegroeide vingers, de ander heeft een hoofd dat opzij gezakt is en daar gebleven. Ze zijn slecht gekleed, mager op het uitgeteerde af.

98. Vertroebelde blik.

‘Dat krijg je van dat gezuip,’ zei een oud mannetje, een koopman, die naast me stond, ‘ze sterven als vliegen, de klootzakken …’ ‘Wat wil je dan: geheelonthouding?’ zei een bebaarde boer bars.

‘Ons volk is een drinkend volk. Wij hebben een vertroebelde blik nodig …’

‘Wat?’ zei de koopman, die het niet goed verstond. ’

Kijk,’ antwoordde de boer en wees naar het open veld, ‘zwart en oneindig.’

‘Ja, en?’

‘Niks en. Zie je die troebele verten? Dat is wat het volk nodig heeft: een vertroebelde blik.’

 

152. Bijziend zonder bril

‘Ik ken iedereen hier,’ antwoordde Kerenski, ‘maar ik zie nienand.’

‘Bent u bijziend, Aleksandr Fjodorovitsj?’

‘Ja, ik ben bijziend.’

‘U hebt een bril nodig, Aleksandr Fjodorovitsj.’

‘Nooit.’

Toen zei ik met jeugdige geestdrift: ‘U bent niet alleen blind, maar zo goed als dood, bedenkt u zich dat wel? De lijn, de goddelijke omtrek, de heerseres van de wereld, is u voorgoed ontgaan. We lopen hier samen door een betoverde tuin, in een onbeschrijflijk Fins bos. Tot op de dag van onze dood zullen we niets beters meemaken. En u, u ziet de bevroren, roze randen van de waterval niet, daar bij de rivier. De Japanse houtsnede van de treurwilg die zich over de waterval buigt – dat ziet u niet. De rode stammen van de dennen bedolven onder de sneeuw. Een korrelige glinstering speelt door de sneeuw. Het begint als een doodse lijn, tegen de boom aangevlijd en over de oppervlakte golvend, als een lijn van Leonardo, gekroond met de reflectie van de vlammende wolken. En de zijden kous van Fröken Kirsti en de lijn van haar rijpe been? Koop een bril, Aleksandr Fjodorovitsj, ik smeek het u …’

‘Jongen,’ zei hij, ‘verschiet je kruit niet. Die halve roebel voor een bril – dat is de enige halve roebel die ik zal bewaren. Ik heb geen behoefte aan jouw lijn, laag als de werkelijkheid. Jouw leven is even armzalig als dat van een leraar trigonometrie, terwijl ik omgeven word door wonderen, zelfs in Kljazma. Wat moet ik met de sproeten op het gezicht van Fröken Kirsti, als ik, terwijl ik haar nauwelijks kan onderscheiden, alles over het meisje kan raden wat ik wil? Wat moet ik met de wolken aan de Finse hemel, als ik een onstuimige oceaan boven mijn hoofd zie? Wat moet ik met lijnen, als ik kleuren heb? Voor mij is de hele wereld een gigantisch theater, waarin ik de enige toeschouwer zonder binocle ben. Het orkest speelt de ouverture tot het derde bedrijf, het toneel is ver weg als in een droom, mijn hart zwelt van vervoering, ik zie het purperen .fluweel van Julia, de lila zijde van Romeo, en niet één valse baard … En jij wil me blind maken met een bril van een halve roebel…’ Die avond vertrok ik naar de stad. O Helsingfors, toevluchtsoord van mijn dromen … Een halfjaar later, in juni 1917, zag ik Aleksandr Fjodorovitsj terug, toen hij opperbevelhebber van de Russische legers was en meester van ons lot.

De Troïtski-brug was opgehaald die dag. De Poetilov-arbeiders trokken op naar het Arsenaal. Tramwagens lagen omgekiept op straat, als dode paarden. In het Huis van het Volk vond een meeting plaats. Aleksandr Fjodorovitsj hield een redevoering over Rusland, onze moeder en vrouw. De menigte smoorde hem onder de schapenvachten van haar hartstochten. Wat zag hij in die borstelige schapenvachten – hij, de enige toeschouwer zonder binocle? Ik weet het niet …

Maar na hem beklom Trotski het podium, vertrok zijn lippen en zei met een stem die geen enkele hoop liet: ‘Kameraden en broeders …’

 

228. Joden en Polen.

‘Laten we ja zeggen tegen de revolutie, maar zeggen we dan nee tegen de sjabbat?’ begint Gedali, en hij omstrengelt me met de zijden kabels van zijn getinte ogen. Ja! roep ik tegen de revolutie, ja! roep ik haar toe, maar zij verbergt zich voor Gedali en stuurt alleen geweervuur vooruit …’

‘In gesloten ogen dringt de zon niet binnen,’ antwoord ik de oude man, ‘maar we krijgen die gesloten ogen wel open …’

‘De Pool heeft me de ogen gesloten,’ fluistert de oude man haast onhoorbaar. ‘De Pool is een valse hond. Hij grijpt een jood en rukt hem de baard uit, ach, hondsvot! En nu krijgt hij klappen, de valse hond. Dat is geweldig, dat is de revolutie! En dan zegt degene die de Pool geslagen heeft: geef hier je grammofoon, Gedali, die moet geregistreerd …

Ik hou van muziek, pani, antwoord ik de revolutie. Jij weet niet waarvan je houdt, Gedali, ik zal op je schieten, dan kom je er wel achter, en ik kan niet niet schieten, want ik ben de revolutie …’

‘Niet schieten kan niet, Gedali,’ zeg ik tegen de oude man, ‘want het is de revolutie.’ ‘Maar de Pool, mijn beste pan, schoot omdat hij de contrarevolutie was. Jullie schieten omdat jullie de revolutie zijn. Maar revolutie is toch welbehagen. En welbehagen houdt niet van wezen in huis. Goede daden worden verricht door een goed mens. De revolutie is een goede zaak van goede mensen. Maar goede mensen moorden niet. De revolutie wordt dus gevoerd door slechte mensen. Maar de Polen zijn ook slechte mensen. Wie vertelt Gedali dan waar de revolutie is en waar de contrarevolutie? Ik heb vroeger de Talmoed bestudeerd, ik hou van de commentaren van Rasji en de boeken van Maimonides’. En er zijn nog andere ontwikkelde mensen in Zjitomir.En wij allen, geleerde mannen, wij vallen in het stof en roepen eenstemmig: wee ons, waar is de zoete revolutie … ?’

De oude man zweeg. En we zagen de eerste ster aan de Melkweg verschijnen.

‘De sjabbat vangt aan,’ sprak Gedali plechtig, ‘de joden moeten naar de synagoge … Pan kameraad,’ zei hij, terwijl hij opstond, zijn hoge hoed wiebelend als een zwart torentje op zijn hoofd, ‘breng een paar goede mensen naar Zjitomir. Ai, daar is zo’n tekort aan in onze stad, ai, zo’n tekort! Breng ons goede mensen en we staan hun al onze grammofoons af.Wij zijn geen onbenullen. De Internationale…,wij weten wat de Internationale is. En ik wil een Internationale van goede mensen, ik wil dat elke ziel meetelt en een eersteklas rantsoen krijgt. Hier, ziel, alsjeblieft, tast toe, schep genoegen in het leven. De Internationale, pan kameraad, u weet niet waarmee die wordt gegeten …’

‘Die wordt met buskruit gegeten,’ antwoord ik de oude man, ‘en gekruid met het beste bloed …’ En daar beklom ze haar zetel van blauwe duisternis, de prille sjabbat.

245. Brillemansen

‘Ga weg: zei hij, verblekend, ‘ik vermoord je, jullie brillemansen hebben voor ons het mededogen van een kat voor een muis …’ En hij spande de haan.

258. Een schot is genade.

‘Een jakhalsgeweten,’ zegt hij, zonder zich los te rukken. ‘Ik praat met je als met een officier van het Russische Rijk, maar jullie boerenkinkels zijn gezoogd door een wolvin … Schiet dan op me, klootzak. ..’

Maar ik was niet van plan op hem te schieten, ik was hem helemaal geen schot schuldig, ik sleurde hem alleen mee naar boven, naar de ontvangstkamer. Daar, in de ontvangstkamer, zat Nadezjda Vasiljevna, volkomen krankzinnig, ze liep met getrokken sabel door de kamer en bekeek zichzelf in de spiegel. En toen ik Nikitinski de ontvangstkamer binnen sleurde, rende Nadezjda Vasiljevna, getooid met een fluwelen kroon versierd met veren, naar een fauteuil om te gaan zitten, ze wipte in de stoel en bracht me een saluut met de sabel.

En toen begon ik mijn heer Nikitinski te schoppen. Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen.

Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…

312.  De joden hebben het altijd gedaan.

En in de stilte hoorde ik ver weg een flauw gekreun. De rook van een geniepige moord trok om ons heen. ‘Er wordt iemand vermoord,’ zei ik. ‘Wie is dat?’

‘De Pool knijpt ‘m,’ zei de boer, ‘de Pool slacht de joden af…’ De boer verplaatste zijn geweer van zijn rechterhand naar zijn linker. Zijn baard was helemaal scheef opgekruld, hij keek me vol genegenheid aan en zei: ‘De nachten hier aan het front zijn lang, er komt geen eind aan. En dan krijgt een mens zin om met iemand te praten, maar waar haal je zo iemand vandaan … ?’

De boer liet me een sigaret opsteken aan de zijne. ‘De joden hebben het altijd gedaan,’ zei hij, ‘voor ons en voor jullie. Er blijven er niet veel over na de oorlog. Hoeveel joden zijn er op de wereld, schatten ze?’

‘Zo’n tien miljoen,’ antwoordde ik, en ik begon mijn paard te breidelen. ‘Daar blijven er tweehonderdduizend van over!’ schreeuwde de boer, en hij reikte naar mijn arm, bang dat ik zou weggaan. Maar ik klom in het zadel en galoppeerde naar de plek waar het hoofdkwartier lag.

332. Broederadem

Hij is gestorven, de laatste prins, te midden van gedichten, gebedsriemen en voetlappen. We hebben hem op een vergeten station begraven. En ik, die de stormen van mijn verbeelding nauwelijks kan bevatten in mijn oeroude lichaam, ik heb de laatste adem van mijn broeder in ontvangst genomen.

442. Een zin wordt geboren

Ik nam het manuscript mee naar huis, en daar, op de zolder van Kazantsev, te midden van slapende mensen, baande ik me de hele nacht een weg door andermans vertaling. Dat is niet zulk vervelend werk als het lijkt. Een zin wordt geboren onder goed en tegelijkertijd slecht gesternte. Het geheim schuilt in een nauwelijks waarneembare wending. De hendel moet in je hand liggen en warm worden. Je moet hem één keer overhalen, niet twee. (...) Toen sprak ik over stijl, over een leger van woorden, een leger waarin alle soorten wapens optrekken. Geen ijzer kan het menselijk hart zo ijzig doorboren als een goed geplaatste punt. Ze luisterde met gebogen hoofd, haar gestifte lippen halfopen.

448. Twijfel aan de juistheid van die weg kende hij niet.

De bevelvoerder van het eskadron was Baoelin, een bankwerker uit een fabriek in Brjansk, een jongen nog. Om respect af te dwingen had hij zijn baard laten staan. Asblond donshaar krulde op zijn kin. Met zijn tweeëntwintigjaar maakte Baoelin zich nergens druk om. Die kwaliteit, eigen aan duizenden Baoelins, was een belangrijk element in de overwinning van de Revolutie. Baoelin was hard, zwijgzaam, koppig. Zijn levensweg was bepaald. Twijfel aan de juistheid van die weg kende hij niet. Ontberingen verdroeg hij moeiteloos. Hij kon zittend slapen. Onder het slapen omklemde hij zijn ene hand met de andere, en hij werd zo wakker dat de overgang van sluimer naar waken onmerkbaar was. Onder Baoelins bevel kon niemand op genade rekenen.

Reacties graag naar mailadres.