Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Theodore Dalrymple, DRUGS, de mythes en de leugens – Nieuw Amsterdam 2006

19 november 2006

Theodore Dalrymple, DRUGS, de mythes en de leugens – Nieuw Amsterdam 2006

In zijn nieuwste publicatie trekt Dalrymple op de hem eigen lapidaire en indringende wijze de sluiers weg van de drugverslaving en de daarbij behorende zorgbureaucratie.

Hij weet historisch de lijn te vinden van Engelse romantische dichters en schrijvers uit de 18 de eeuw, langs Franse volgelingen genre Baudelaire, tot Trainspotting van vandaag.

Voor Dalrymple ligt het kalf van de verslaving gebonden bij een gebrek aan een nastrevenswaardig toekomstbeeld en een overvloed aan zelfmedelijden dat rijkelijk onderhouden wordt door een pose van lijden en last om medelijden op te wekken bij de medeburgers en vooral bij het bureaucratische circuit van zorgverleners dat de drugsverslaafden veel harder nodig heeft om in haar eigen gesubsidieerd voortbestaan te blijven voorzien dan dat de drugsverslaafden de bureaucratie van de drugsverslaving nodig hebben.

Hij pleit tegen de legalisering van hard drugs omdat dit geen van de geschetste problemen zal oplossen.

Zijn schetsen van hedendaagse verslaafden die zich wentelen in romantische pozes om hun grenzeloze bestaan toch enige interessante vorm te kunnen geven in de medelijdende ogen van de medemensen, zijn bijtend en pijnlijk herkenbaar voor de verslaafden die vaak liever en gezonder in een reële gevangenis verkeren dan te moeten leven in een vrijheid die ze wegens het ontbreken van zelfgestelde grenzen in hun eigen hoofd, niet kunnen dragen: vrijheid is voor verslaafden een concentratiekamp waaraan ze ten onder gaan.

De verantwoordelijkheid ligt in deze niet bij de maatschappij, maar bij de mensen zelf die in de traditie van zijn vorige boeken moeten geconfronteerd worden met de gevolgen van de keuzes die ze maken, wat het leven ook een heel stuk spannender en dus boeiender en minder leeg of vervelend zal maken, waardoor de risico’s van een verslaving minder interessant zullen blijken te zijn.

Ik kan er niet langer omheen: Marx mag dan wel wat premature sociologische ambities hebben gehad, zijn stelling '?Niet het bewustzijn van de mensen bepaalt hun zijn, maar omgekeerd, hun maatschappelijk zijn bepaalt hun bewustzijn'?  is behoorlijk van de pot gerukt. Het is in de voorbiej geschiedenis een een illusie gebleken voor de maakbaarheidsideologie waaraan zijn volgelingen zich te buiten gingen en gaan. Gegeven deze stelling is het knutselen aan het maatschappelijke zijn, aan de plaats in het productieproces, bepalend voor de richting waarin het bewustzijn van mensen kan evolueren. Als er sociologisch al enige grond voor bestaat, is de betekenis van het denken, de illusie die mensen zich maken, de ideeën die ze zich in hun hoofd zetten, zo mogelijk veel bepalender voor hun handelen dat waar ze zich bevinden in het productieproces. Ergo, hun persoonlijke verantwoordelijkheid en eigen wilsbeschikking is veel groter dan door de marxisten wordt erkend. Wie dat ontkent, is idealiter op weg naar het infantiliseren van mensen en legt zo de basis van een fascistisch populistisch maatschappelijk bewustzijn. En dat gaat finaal ten onder aan verveling, ellende en lijden van derden die als de boosdoeners worden gebrandmerkt.

De sociaal democratische variant  is in de voorbije decennia in de welvaartstaten van West-Europa ook getuige geweest van dit zelfvervullend mechanisme van lijden en medelijden, vals appel op solidariteit vanuit vermeend eigenbelang, wat op termijn het hele systeem van de verzorgingsstaat om zeep zal helpen. De gezondheidszorg gaat kapot aan de vermarkting van de angst voor ziekte en dood en de cultus van de preventie als een vorm van infantiliserende bezigheidstherapie.

Dat weet Dalrymple als geen ander te onthullen. Hij doorprikt de theatrale poze en toont onbeschroomd de peilloze leegte van ieder romantsich zelfmedelijden.

Tenslotte ligt de Duitse romantiek mee aan de basis van de nazi-ideologie.

117. We hebben gezien hoe William Burroughs de wereld niet boeiend genoeg vond om zijn aandacht lang vastgehouden. Die wereld was gewoon niet echt goed genoeg. In zijn geval was dit een individuele, vermoedelijk aangeboren gril, want hij kwam uit een milieu waarin zo’n houding relatief ongebruikelijk was, ofschoon er natuurlijk wel precedenten bestonden. Maar tegenwoordig bestaat erin de meeste westerse samenlevingen een milieu waar taedium vitae veel voorkomt en haast normaal is. Dit is het milieu waaruit de grote meerderheid van de heroà?neverslaafden voortkomt; en het zijn geen vervelende pseudo-intellectuelen als Burroughs.
De jongeren uit dit milieu zijn ontevreden en hebben reden om dat te zijn. Ze zijn merendeels arm, zij het natuurlijk niet in absolute zin. Integendeel: ze zijn gezonder, beter gevoerd, gekleed en beschut dan grote meerderheid van de wereldbevolking, zowel die van vroeger als die van nu, en beschikken over goederen waarvan de complexiteit onze voorouders versteld zou hebben doen staan. Maar ze zijn arm binnen de context van hun eigen samenleving (wat in psychologisch opzicht de doorslag geeft) en zo slecht opgeleid (ditmaal wel in absolute zin) dat elke historische of geografische vergelijking die hen in staat zou hebben gesteld om hun armoede enigszins te relativeren, voor hen veel te hoog gegrepen is.
Zij hebben geen intellectuele of culturele interesses. De troost van godsdienst is voor hen niet toegankelijk. Hun familieleven, als je het zo kunt noemen, is gewoonlijk een totale chaos, een drijfzand van stiefouders, stief- en halfbroers en -zusters, volstrekt zonder ordelijk opeenvolging van generaties. Hun seksuele relaties vormen een caleidoscoop van vluchtige paringen (dikwijls leidend tot in de steek gelaten nageslacht), gemotiveerd door de onmiddellijke behoefte aan seksuele ontspanning en nogal eens gecompliceerd door een primitieve egocentrisch bezitsdrang waaruit gewelddadigheid en conflicten voortkomen. Hun emotionele leven is intens maar oppervlakkig en hun contacten met andere woorden eerder beheerst door macht dan door andere principes. Leven is een kwestie van doen wat je je kunt veroorloven.
Hun economische vooruitzichten zijn slecht. Ze zijn ongeschoold in landen met een beperkte vraag naar ongeschoolde arbeid. Als ze in landen wonen waar men geen limiet aan de duur van uitkeringen stelt, loont werken voor hen amper de moeite; ze verdienen maar een greintje meer met dan zonder werk en kunnen veel minder vrij beschikken over hun tijd. Het werk dat ze doen is steevast eentonig en saai; en misschien heeft de mens eens bevrediging kunnen putten uit het vervullen van een ondergeschikte taak, uit een leven van bescheiden dienstbaarheid aan anderen, in onze tijd tref je een dergelijke nederigheid niet vaak meer aan.

8. Mensen, zo is met recht gezegd, denken als kuddedieren; we zullen zien dat ze gek worden in kudden, om van lieverlee, en één voor één, weer bij zinnen te komen.
Charles Mackay, Memoirs of Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds.

De snel toenemende vraag naar heroà?ne in Birmingham ontstond voornamelijk bij ontevreden pubers en jonge volwassenen die waren opgevoed met het geloof dat de onmiddellijke bevrediging van hun persoonlijke begeerte het hoogste en zelfs het enige goed was, maar die, relatief gezien, ongunstige economische perspectieven hadden en hun fantasieën over een luxueus leven nooit zouden kunnen verwerkelijken. Het waren jonge mensen die het moesten doen zonder de spirituele troost van een godsdienst, of de afleiding van intens, bevredigend cultureel leven. Zo vonden ze hun utopie eerst in dagdromerij en vervolgens in vergetelheid.

10. Zonder te overdrijven, in volstrekt gepaste bewoordingen, zou je kunnen zeggen dat velen van de nieuwkomers in de gevangenis eruit zagen alsof ze zojuist uit een concentratiekamp waren bevrijd.
Ik zei dikwijls tegen zulke jonge mensen dat, als ze uit de gevangenis zouden worden ontslagen in de toestand waarin ze er binnenkwamen, iedereen met recht zou denken dat hier geen gevangenis was maar een concentratiekamp. Het was dan ook niet meer dan redelijk dat ik de conclusie trok dat vrijheid voor hen een concentratiekamp was; hun eigen verlangens fungeerden als kampwachten. En ofschoon ze slecht waren opgeleid en vrijwel iedere kennis van de geschiedenis en belangstelling voor actualiteit, begrepen ze allemaal steevast wat ik bedoelde en lachten ze altijd; ze waren het met me eens. Vrijheid was slecht voor hen, omdat ze niet wisten dat ze ermee moesten doen.

14. Als ik niet het geluk had gehad om in mijn ziekenhuis samen te werken drie eminente, zeer competente medici, die precies hetzelfde hadden waargenomen als ik, en tot dezelfde conclusies waren gekomen, was ik misschien wel ingestort, want, zoals iedere politieke propagandist weet: er is niets vernietigender voor de menselijke psyche dan wanneer je wordt gedwongen om de waarachtigheid te betwijfelen van wat je eigen, elementaire observaties aantonen, domweg omdat ze de heersende, onuitwisbare conventie tegen de haren in strijken. In zulke omstandigheden word je gedwongen om te kiezen: à?f jij zit op een dwaalspoor. à?f de wereld is gek; je bent of normaal in een krankzinnige wereld, ofwel krankzinnig in een normaal wereld. Geen van beide alternatieven bevredigt ooit helemaal.

Leugens! Leuvens! Leugens!

17. De bureaucratie van de drugsverslaving heeft drugsverslaafden veel harder nodig dan drugsverslaafden de bureaucratie van de drugsverslaving nodig hebben.

38. Het leed als gevolg van ontwenning van opiaten is in allesoverheersende mate een maatschappelijk of psychologische aandoening en het wordt niet veroorzaakt door waarneembare fysiologische veranderingen. Dat heeft op zichzelf een buitengewoon belangrijke implicaties voor de praktijk. Als we voor het ogenblik aannemen wat in wezen niet mag worden aangenomen, namelijk dat het leed waarover ontwennende verslaafden spreken werkelijk wordt ervaren en niet met stiekeme bijbedoelingen wordt gesimuleerd of overdreven, betekent dit dat iedereen die stelt dat ontwenning een ernstige aandoening is die medische aandacht en behandeling – anders dan de meest triviale – noodzakelijk maakt, het door ontwenning veroorzaakte leed bewust of onbewust verergert. Met andere woorden: het hele zorgapparaat – artsen, verplegers, psychologen, maatschappelijk werkers en consulenten – dient er niet toe om het lijden te verlichten, maar om het te creëren en te vergroten. De fantastische uitkomst, gezien vanuit het perspectief van de keynesiaanse economie, is dat het bestaan van lijden noodzaakt tot het aanstellen van artsen, verplegers, psychologen, maatschappelijk werkers en consulenten om dat lijden te verlichten.
(Ik kan de verleiding niet weerstaan om hier een wet over de moderne samenleving aan te halen die voor het eerst werd geformuleerd door dr. Collin Brewer: het lijden neemt toe om tegemoet te komen aan de middelen die beschikbaar zijn om het te lenigen.)
En zo zijn we getuige van een voortdurend rondrazende carrousel, althans wat de ontwenning aangaat, omdat het voor het verlichten van die verschijnselen steeds complexere procedures worden voorgesteld. Je hoeft geen Marxist te zijn om te vermoeden dat hier economische belangen in het spel zijn, zij het niet zo heel machtige belangen als je ze vergelijkt met, laten we zeggen, die van de olieindustrie.

42. Bovendien heeft een drugsverslaafde crimineel, puur vanuit economisch oogpunt bezien, eigenlijk een heel druk bestaan, ook al is dat maar zelden erg succesvol. Hij moet niet alleen stelen, maar, omdat hij dat doet om geld voor heroà?ne te verkrijgen en omdat drugsdealers geen betaling in natura accepteren, moet hij de gestolen waar ook nog eens kwijt. Het zou best wel eens minder moeite kunnen kosten om uit werken te gaan, waarbij wel moet worden aangetekend dat de meeste banen punctualiteit en betrouwbaarheid vereisen. Hij moet dus niet alleen stelen, hij moet continu stelen, volgens het beeld dat door aanhangers van de gangbare opvatting wordt geschetst. Zelfs zeer waardevolle artikelen, zoals videoapparaten, brengen op de zwarte markt maar heel weinig op, omdat de markt als geheel vrijwel verzadigd is. De verslaafde moet dus heel hard werken om niet uitwerken te hoeven gaan.

43. Heroà?negebruik is eerder het gevolg dan de oorzaak van de criminaliteit en het besluit om heroà?ne te gaan gebruiken, of dat nu in of buiten de gevangenis wordt genomen, is dus de welbewuste keuze voor een criminele levensstijl.

Veel verslaafden geven toe dat ze de drugs niet blijven gebruiken om de ontwenningsverschijnselen te vermijden, zoals de gangbare opvatting suggereert, maar om voortdurend ‘te vergeten’.

De gangbare opvatting stoelt uiteindelijk op de noodzaak tot behandeling. De verslaafden kunnen hun kluisters onmogelijk afwerpen zonder professionele hulp. Deze opvatting wordt door de verslaafden zelf even gretig aangehangen als door hen die zich er ogenschijnlijk op richten om ze te helpen. Maar het aantal verslaafden is zo groot dat het de diensten die in het leven zijn geroepen om ze te helpen, volstrekt heeft overstelpt en overweldigd, ook al dijen die diensten voortdurend uit. De verslaafden moeten dikwijls eeuwen – en alles wat langer een paar uur of een dag duurt is voor een verslaafde een eeuw – wachten voordat ze in een kliniek kunnen worden opgenomen. Zij hebben, denken ze zelf, geen andere keus dan heroà?ne te blijven gebruiken.

48. In feite erkennen de verslaafden die ik in de gevangenis ontmoet soms, zoals ik al heb aangegeven, dat ze een goede reden moeten hebben om hun verslaving op te geven. Er zit niks anders op dan te stoppen, zeggen ze, omdat er een kind onderweg is of omdat er net een kind is geboren.
Hiermee erkennen ze impliciet dat een goede reden een noodzakelijke en toereikende voorwaarde voor hen is om te stoppen. In dit specifieke geval levert het feit dat een vriendinnetje hoogzwanger is of net een kind heeft gekregen – vaak niet het eerste – uiteindelijk niet zo’n goede reden op. Dit komt doordat de verslaafden afkomstig zijn uit een laag van de Britse bevolking waarin het tegenwoordig niet alleen veel, maar voortdurend voorkomt dat vader zijn kinderen in de steek laten, vaak al heel snel. Het idee dat een vader welke dwingende verantwoordelijkheid dan ook voor zijn nakomelingen heeft, is tegenwoordig zo vreemd dat zelfs de moeders van hun kinderen daar niet meer in geloven. Een kind uit deze bevolkingslaag vormt geen uitdrukking van de liefde tussen twee mensen, zelfs geen vervulling van de sociale verplichtingen, maar een machtsinstrument of een middel om een existentiëel problemen als verveling, liefdeloosheid of zinloosheid op te lossen. Als zelfs niet-verslaafde vaders hun kinderen in de steek laten, kun je van verslaafde vaders niet verwachten dat ze zich beter of verantwoordelijker gedragen. Kinderen zijn een tijdje opwindend en belangrijk, maar niet lang. De goede reden is maar van korte duur en overleeft de eerste vraag om financiële bijstand zelden.

50. Als aan genotzuchtige handelingen zoals het gebruiken van heroà?ne, de ergste consequenties worden ontnomen, is het bepaald geen wonder dat ze zich razendsnel onder de bevolking verspreiden. Als je maar genoeg handelingen van hun gevolgen ontdoet, gaat het idee van de menselijke verantwoordelijkheid in rook op; dan wordt het leven zelf zinloos en is het voortaan een vacuum waarin mensen heen en weer worden geslingerd tussen verveling en vergetelheid. Zij hebben niets om op te hopen en niets te vrezen; ze zijn dan eerder geneigd om te kiezen voor de periodieke vergetelheid van de opiatenverslaving. Schadebeperking als beleidslijn infantiliseert de bevolking intrinsiek; er wordt van uitgegaan dat het gezag verantwoordelijk is, en behoort te zijn, voor de kwalijke gevolgen van iets wat mensen beslist willen blijven doen.

62. Methadon is meer religie dan behandeling geworden.
68. Heroà?neverslaving jaagt geen mensen de misdaad in, zoals een keu een biljartbal voortjaagt; je kunt eerder zeggen dat een neiging tot criminaliteit mensen de heroà?ne in jaagt. Het is niet waar dat een mens, wanneer hij eenmaal verslaafd is, slaaf van de drugs is geworden, een Haà?tiaanse zombie, die volstrekt niet meer in staat is tot het nemen van beslissingen; miljoenen mensen gaven hun opiatenverslaving op toen hun motieven sterk genoeg waren. We kunnen daaruit opmaken dat mensen geen professionele hulp nodig hebben om te stoppen. Het is niet waar dat het instellen van steeds meer diensten voor drugsverslaafden gepaard is gegaan met vermindering van hun aantal of van welk maatschappelijk probleem ook dat ermee te maken heeft. Integendeel: de sociale pathologie die met heroà?neverslaving verbonden is, of die er zelf uit voortkomt, is ondanks de diensten die de verslaafden worden geboden, toegenomen, en het is aannemelijker om te zeggen dat die diensten de problemen die ze heten op te lossen eerder hebben verergerd dan verminderd. Het is niet waar dat verbetering van het maatschappelijk functioneren van verslaafden die vervangingstherapie krijgen (de overheersende therapievorm) noodzakelijke gepaard gaat met verbetering van de samenleving als geheel. Die logica deugt niet en je snapt gemakkelijk waarom. En als dat zo is, dan zal geen enkele behandeling, althans van pseudo-medische aard, ooit doen wat we willen doen. Die zal het probleem vermoedelijk eerder verspreiden dan oplossen.

De literatuur van overdrijving en aanstellerij.

84. De romantische flauwekul dat opiaten als hulpmiddel voor genialiteit en verlichting worden beschouwd, is uiteraard nog eens helemaal opgepoetst met betrekking tot andere drugs als cannabis, mescaline en lsd. Maar de houding tegenover opium en opiaten was het model of sjabloon en vanuit dogmatisch oogpunt werd er niets nieuws toegevoegd.

95. Het is misschien niet zo vreemd dat zich nooit een heroà?neverslaafde meldt om de indruk te corrigeren die dergelijke voorstellingen van opiatenontwenning geven. Zo’n verslaafde zou door zijn ‘gemeenschap’ van medeverslaafden ongeveer op dezelfde manier worden bekeken als een politie-informant door de criminele broederschap. Drugsverslaafden hebben er alle belang bij om het grote publiek te laten denken dat ontwenning een ontzaglijk lijden met zich meebrengt en dat verslaafden die hun verslaving voortzetten eigenlijk slachtoffers zijn die op sympathie en medische hulp moeten kunnen rekenen.

97. De Engelse gelauwerde schrijver De Quincey leed in werkelijkheid aan romantiek, met haar hardnekkige neiging om minieme fluctuaties van de emotionele toestand, die voortvloeien uit het menszijn, abusievelijk te houden voor seismologische gebeurtenissen die op de schaal van Richter dienen te worden gemeten, of althans dienen te worden besproken.
Net als Coleridge schreef hij geposeerd proza, niet om betekenis over te brengen, maar om indruk te maken.

100. Het idee dat je als gevolg van je verslavingservaring buiten en boven de rest van de mensheid staat, begon bij De Quincey en is blijven bestaan.

108. Wee de arts die geen empathie toont, of daar zelfs geen pogingen toe onderneemt! Daarmee zou hij in feite zijn eigen professionele incompetentie of nalatigheid erkennen, met het gevolg dat artsen die zich specifiek met drugsverslaafden bezighouden tegenwoordig empathie afscheiden alsof het een of andere kleveringe substantie was. En dus wordt de arts, die geen einde aan de illusie wil maken, getekend, gekluisterd en gekooid door zijn eigen empathie en moet hij tegemoet komen aan de wensen van de mensen in wie hij zich zo ostentatief inleeft. Als hij dat niet doet, wordt hij aan de schandpaal genageld als iemand die het aan empathie ontbreekt.

117. We hebben gezien hoe William Burroughs de wereld niet boeiend genoeg vond om zijn aandacht lang vastgehouden. Die wereld was gewoon niet echt goed genoeg. In zijn geval was dit een individuele, vermoedelijk aangeboren gril, want hij kwam uit een milieu waarin zo’n houding relatief ongebruikelijk was, ofschoon er natuurlijk wel precedenten bestonden. Maar tegenwoordig bestaat erin de meeste westerse samenlevingen een milieu waar taedium vitae veel voorkomt en haast normaal is. Dit is het milieu waaruit de grote meerderheid van de heroà?neverslaafden voortkomt; en het zijn geen vervelende pseudo-intellectuelen als Burroughs.
De jongeren uit dit milieu zijn ontevreden en hebben reden om dat te zijn. Ze zijn merendeels arm, zij het natuurlijk niet in absolute zin. Integendeel: ze zijn gezonder, beter gevoerd, gekleed en beschut dan grote meerderheid van de wereldbevolking, zowel die van vroeger als die van nu, en beschikken over goederen waarvan de complexiteit onze voorouders versteld zou hebben doen staan. Maar ze zijn arm binnen de context van hun eigen samenleving (wat in psychologisch opzicht de doorslag geeft) en zo slecht opgeleid (ditmaal wel in absolute zin) dat elke historische of geografische vergelijking die hen in staat zou hebben gesteld om hun armoede enigszins te relativeren, voor hen veel te hoog gegrepen is.
Zij hebben geen intellectuele of culturele interesses. De troost van godsdienst is voor hen niet toegankelijk. Hun familieleven, als je het zo kunt noemen, is gewoonlijk een totale chaos, een drijfzand van stiefouders, stief- en halfbroers en -zusters, volstrekt zonder ordelijk opeenvolging van generaties. Hun seksuele relaties vormen een caleidoscoop van vluchtige paringen (dikwijls leidend tot in de steek gelaten nageslacht), gemotiveerd door de onmiddellijke behoefte aan seksuele ontspanning en nogal eens gecompliceerd door een primitieve egocentrisch bezitsdrang waaruit gewelddadigheid en conflicten voortkomen. Hun emotionele leven is intens maar oppervlakkig en hun contacten met andere woorden eerder beheerst door macht dan door andere principes. Leven is een kwestie van doen wat je je kunt veroorloven.
Hun economische vooruitzichten zijn slecht. Ze zijn ongeschoold in landen met een beperkte vraag naar ongeschoolde arbeid. Als ze in landen wonen waar men geen limiet aan de duur van uitkeringen stelt, loont werken voor hen amper de moeite; ze verdienen maar een greintje meer met dan zonder werk en kunnen veel minder vrij beschikken over hun tijd. Het werk dat ze doen is steevast eentonig en saai; en misschien heeft de mens eens bevrediging kunnen putten uit het vervullen van een ondergeschikte taak, uit een leven van bescheiden dienstbaarheid aan anderen, in onze tijd tref je een dergelijke nederigheid niet vaak meer aan.

120. De verslaafden heeft een probleem, maar het is geen medische probleem: hij weet niet hoe hij moet leven. En op dat punt heeft de dokter, als dokter, niets te bieden.

125. In twee opzichten zouden de voorstanders van legalisatie van heroà?ne het bij het rechte eind kunnen hebben. Om te beginnen zou gelegaliseerde heroà?ne vermoedelijk veel zuiverder zijn, wat verslaafden in staat zou stellen om hun dosis accuraat te beoordelen en gevaarlijke consequenties te vermijden van de voortdurend wisselende zuiverheid van de straathandel, die tot heel wat doden leidt. Maar daarbij moet dan al op voorhand worden aangenomen dat het nastrevenswaardig is om heroà?neverslaving veilig te maken.
Ten tweede: als het waar is dat de illegaliteit die heroà?neverslaving omgeeft een van aantrekkelijke kanten vormt voor bewoners van achterstandswijken en intellectuele antinomisten dan zouden die aantrekkelijke kanten door legalisatie worden verminderd. Aan de andere kant schrikt die illegaliteit vermoedelijk schuchtere zielen af. Als iets wat de kosten, zowel in financieel als in wettelijk opzicht, van een psyco-actieve substantie omlaag brengt, de algehele consumptie doet toenemen, en als het wenselijk is dat zo weinig mogelijk mensen in een samenleving die substantie gebruiken, dan zal het onverstandig zijn om de legale status van heroà?nehandel ook maar in het minst te wijzigen.
Alles bij elkaar genomen denk ik dan ook dat argumenten tegen legalisatie, hoe die ook gestalte krijgen, sterker zijn dan die ervà?à?r.
Als eerste stap daartoe stel ik de sluiting voor van alle klinieken waar men drugsverslaafden pretendeert te behandelen: de moderne bureaucratische institutionalisering van romantische ideeën. Daarmee zou er een einde komen aan de schadelijke illusie dat verslaafden ziek zijn en behandeld dienen te worden. In de voormalige Sovjet-Unie bestond dit arbeidersgezegde:’Wij doen of we werken en zij doen of ze betalen’. De drugsverslaafden zouden het huidige systeem op soortgelijke wijze kunnen typeren: ‘Wij doen of we ziek zijn en zij doen of ze ons genezen’. Artsen zouden verslaafden voortaan alleen moeten behandelen voor de serieuze lichamelijke complicaties die met drugsverslaving verbonden zijn: abcessen, virusinfecties en dat soort dingen.
Verslaafden zouden dan de waarheid onder ogen moeten zien.
Welke achtergrond zou hebben, ze zijn net zozeer verantwoordelijk voor hun daden als iedereen.
Die waarheid zou hen niet noodzakelijk hoeven bevrijden van, maar hen in elk geval niet ketenen aan ‘de kluister van de geest’.

128. Het roken van opium onthulde de verteller een wereld die voor niet-rokers onzichtbaar was. Hij werd er misschien niet gelukkiger van, maar hij beschikte over esoterische kennis die alleen opium hem kon openbaren; en wat opium openbaart, moet waar zijn. En daaruit volgt uiteraard uit dat jed opium moet gaan gebruiken als je die wijsheid ook wil bezitten.

136. In de film en het boek Trainspotting laat een verslaafde die van de heroà?ne wil afkicken zich enkele dagen lang in een kamer opsluiten. Daar ondergaat hij alle verschrikkingen van het delirium tremens, met beangstigende visuele drogbeelden en hallucinaties, waarbij hij ook nog eens vreselijk trilt en zweet. Hij moet in de kamer worden opgesloten, anders zou hij proberen te ontsnappen, zo vreselijk of verwarrend is het allemaal. Als filmweergave van een delirium tremens zou dit beeld precies kloppen, maar als weergave van ontwenning van opiaten is het grotesk.
Verder richten zulke verkeerde weergaven en onwaarheden buitengewoon veel schade aan. Iedereen die naar een film als Trainspotting kijkt en niet over medische kennis of ervaring beschikt, wat voor miljoenen bezoekers moet hebben gegolden, zal vrijwel zeker tot de conclusie komen dat van niemand mag worden verlangd dat hij de geoonde ontwenningskuur vrijwillig zou ondergaan, althans zonder een uitgebreid apparaat van medische zorg. Het zou inderdaad wreed zijn om dat  van iemand te verlangen. En dus zijn er meer drugsklinieken nodig waar men de arme verslaafden helpt om zulke dramatische ervaringen te vermijden.

143. Helaas bleef het overdrijven van de ontwenningsverschrikkingen indertijd niet beperkt tot literaire types. Ook artsen, die het lijden van hun patiënten op hun woord geloofden, herhaalden ze. Zo ontstond er een dialectiek tussen de literaire en de medische conventie.

Reacties graag naar mailadres.