Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Philipp Blom, Alleen de wolken. Cultuur en crisis in het Westen 1918-1938.

31 augustus 2014

Philipp Blom, Alleen de wolken. Cultuur en crisis in het Westen 1918-1938.

Uitg. De Bezige Bij 2014

Na ‘Het verdorven genootschap’ en De duizelingwekkende jaren Europa 1900-1914 is ‘Alleen de wolken’ alweer een standaardwerk van Philipp Blom met een hele reeks originele analyses van het Interbellum, de pauze tussen de twee industriële slachtingen in de Dertigjarige Oorlog van de XXste eeuw. Het wereldbeeld van de meeste mensen in de Westere wereld kwam zwaar onder druk. En die druk hield niet meer op.

202. De absolute zekerheid dat je deugdzaam bezig was en dat je overtuigingen op waarheid berustten, zoals de meeste gelovigen denken, was volgens Darrow een van de grote gevaren voor de samenleving: ‘Wat wij beschaving noemen, komt niet voort uit religie, maar uit scepsis. De moderne wereld is het kind van twijfel en onderzoek, net als de oude wereld het kind was van angst en geloof.’

336. De staat is zoiets als een religie: hij werkt als mensen erin geloven - Enrico Malatesta


Ook de Amerikaanse drooglegging en het ontstaan van de jazz – vooral in Europa na de terugkeer van de zwarte militaire muzikanten – zorgden voor een ommekeer die wel nooit zo bedoeld bleek: ”Maar achter het verzet tegen de drooglegging zat niet alleen het verlangen terug te keren naar een burgerbestaan. Het werd veroorzaakt door diepe achterdocht jegens de motieven van de bevlogen hoeders van de moraal die met hun gedisciplineerde campagne Amerika droog hadden weten te leggen. Vooral de jongere generatie was de mening toegedaan dat ouderen niet over het morele gezag beschikten om iets af te dwingen.”

Maar ook in de astronomie bleek de wereld binnenste buiten gekeerd:

”Hubbles ontdekking zette de manier waarop de mens aankeek tegen zijn plaats in het heelal volledig op zijn kop, en de effecten op de lange termijn waren gigantisch. In de loop van drie millennia was de aarde, begonnen als een platte schijf, waarvan men alleen de onmiddellijke omgeving kende, eerst rond geworden, toen losgewrikt van zijn positie als het middelpunt van het heelal en gedegradeerd tot satelliet van een zon die vervolgens een van talloze zonnen bleek te zijn, een melkweg van zonnen. (…) Het was de laatste en misschien wel zwaarste slag die werd toegebracht aan het narcisme van de mensheid. Shapley had ook al geschreven over de holbewoner die zich het middelpunt van het universum waant. 

Niet alleen bevond de mens zich niet in het hart van het universum of op zijn minst op een belangrijke plaats, maar de hele mensheid leek nu verloren, een nietig stipje in de onmetelijke duistere leegte van de ruimte.”

Erger nog de absolute zekerheden van de Newtoniaanse fysica bleken slechts schijn: 

”Maar nu zetten de kwantumfysica en andere theoretische ontwikkelingen het cumulatieve resultaat van een ontwikkeling die al een millennium gaande was overboord door te stellen dat het universum wezenlijk anders in elkaar zat dan Newton dacht, en dat de kern werd gekenmerkt door een radicale onzekerheid, waarbij deeltjes twee verschillende dingen tegelijk konden zijn, geen vaste identiteit hadden, tegenstrijdige eigenschappen bezaten en niet aan wetten gehoorzaamden, maar door het toeval werden gestuurd. De nieuwe natuurkunde betoogde dat er in de natuur geen absolute wetten zijn, alleen statistische waarschijnlijkheden.”

486. Binnen het wetenschappelijke communisme en het paradijs voor arbeiders en boeren, was geen plaats voor toeval, tegenslag of pech. Voor alles wat er gebeurde, was iemand verantwoordelijk. Alles wat verkeerd liep, was een daad van sabotage, contrarevolutionair gedrag of bourgeois-kwaadwilligheid. Dat de vijand binnenin overal op de loer lag, was een cruciaal onderdeel van een revolutie die nu dreigde te verstarren tot een nieuwe gevestigde orde. Alleen de voortdurende aanwezigheid van vijanden kon het revolutionaire vuur brandende houden.

506. Voor mensen die denken dat we kunnen leren van de geschiedenis is dat geen geruststellende parallel. Nadat de oorlog machtige rijken had vergruisd, plus het morele universum waarop voor een heel werelddeel de kijk op het leven berustte, deinsden miljoenen mensen weg voor deze uitdagende leegte en zochten hun toevlucht bij ideologieën of dansten en winkelden tot ze erbij neervielen. Of droomden daarover als ze te arm waren om daaraan mee te doen.

De weigering om iets te doen aan de problemen van die tijd ging hand in hand met de grote politieke ideologieën. We kunnen hier een vergelijking trekken en verder alleen maar hopen dat het oordeel dat de generatie van onze kleinkinderen over ons zal vellen, milder zal zijn dan ons oordeel over onze grootouders, die hun leven, hoop en talenten veil hadden voor moorddadige illusies.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

89.Door de drooglegging was een nieuw soort misdadiger ontstaan, waren honderdduizenden burgers gecriminaliseerd en hadden miljoenen burgers besloten de wet luchthartig te laten voor wat hij was.

Wat was er gebeurd? Waarom had een wet, waartegen in eerste instantie relatief weinig verzet was geweest en die zelfs in brede kring werd gesteund, zulke rampzalige gevolgen gehad? Op de eerste plaats waren de tijden veranderd. Het achttiende amendement was aangenomen tijdens de oorlog, toen er in heel het land een vaderlandslievende stemming heerste. Dat sentiment was nu omgeslagen. Frederick Lewis Allen, een scherpzinnige ooggetuige, zei het zo: ‘Het Spartaanse idealisme van daarvoor zeeg ineen. Mensen waren het zat om zich af te beulen voor een nobele zaak. Ze waren het zat om van de Verenigde Staten een land te maken waar helden konden wonen. Ze wilden het ervan nemen en zichzelf zijn.’

Maar achter het verzet tegen de drooglegging zat niet alleen het verlangen terug te keren naar een burgerbestaan. Het werd veroorzaakt door diepe achterdocht jegens de motieven van de bevlogen hoeders van de moraal die met hun gedisciplineerde campagne Amerika droog hadden weten te leggen. Vooral de jongere generatie was de mening toegedaan dat ouderen niet over het morele gezag beschikten om iets af te dwingen.

‘De oudere generatie had de wereld behoorlijk grondig verpest voor ze hem aan ons doorgaven’, schreef John F. Carter in The Atlantic Monthly. ‘Ze overhandigden ons iets wat gehavend was, roodheet, lekte en elk ogenblik kon ontploffen, en ze keken verbaasd toen we niet netjes en beleefd dankjewel zeiden, net als zij, toen ze hem eind vorige eeuw in ontvangst namen.’

Maar wat speelde, was niet alleen de bittere teleurstelling en het cynisme van een generatie die merkte dat de idealen waarmee ze waren opgegroeid niet veel meer waren dan oorlogspropaganda.

De drooglegging kwam ook voort uit een culturele oorlog die de Verenigde Staten verdeelde en in mindere mate ook alle andere westerse landen, een oorlog met als inzet niet alleen alcohol, maar ook sigaretten, jazz, ‘gedegenereerd’ gedrag en losse moraal, jonge mensen en feestjes waarbij openlijk gezoend werd (en nog veel meer), korte rokken, kort haar en lekker lang dicht tegen elkaar aan dansen. Al in 1914 had de General Federation of Women’s Clubs alle dansvormen in de ban gedaan die geen fatsoenlijk, keurig amusement leken te bieden, maar vooral plezier: ‘De tango en de hesitation wals, de gunny hog, turkey trot, Texas Tommy, hug-me-tight, fox trot, shimmy dance, sea-gull swoop, camel walk en de skunk wals.’

Maar het was te laat om de klok terug te draaien. De drooglegging bracht ingrijpende veranderingen teweeg in de Amerikaanse samenleving, alleen waren die tegengesteld aan wat de initiatiefnemers voor ogen had gestaan. Dezelfde technologische vernieuwingen die bootleggers en maffiamoordenaars zoveel succes hadden gebracht, zorgden nu voor heel andere opvattingen over moraal.

 

91. Auto’s, films en radio’s brachten traditionele waarden meer schade toe dan oceanen alcohol hadden kunnen doen, alleen was het een stuk moeilijker om daar de pest aan te hebben. Maar juist door zich tegen alcohol te keren verhaastten de moraalridders hun eigen ondergang. De speakeasy’s waren waarschijnlijk bevorderlijker voor veranderingen op maatschappelijk gebied en de in de steden snel veranderende rol van vrouwen, dan welke andere ontwikkeling dan ook.

Als je de deur was gepasseerd met daarin een traliewerk waardoor achterdochtige ogen je opnamen voor de sleutel werd omgedraaid, wist je dat je al in overtreding was, maar nu maakte je wel deel uit van een groep mensen die vastbesloten waren om pret te maken en dat deden ook.(...)

Wat de voorstanders van de drooglegging wilden, was Amerika veranderen. Die verandering was er gekomen en had hun stoutste verwachtingen overtroffen, alleen was die op exact het tegenovergestelde uitgedraaid van wat hun voor ogen stond.

 

93. Jazz en de zwarte cultuur begonnen hier aan een onstuitbare opmars. Door platen en optredens verbreidde de reputatie van deze nieuwe muziek zich snel. Het was muziek die meer dan enig ander genre de geest van de tijd wist te vangen. Black cool, rock ‘n’ roll, soul en uiteindelijk ook rap en gangsta rap zouden zich decennia later manifesteren als late, onbedoelde gevolgen van de drooglegging.

 

134. In de bredere, blanke wereld werd de grote opkomst van zwarte schrijvers en tijdschriften in 1926 overschaduwd door de publicatie van Nigger Heaven, een controversiële sleutelroman van Carl Van Vechten. Van Vechten, die niet alleen schreef, maar ook journalist en fotograaf was, was een van Hurstons ‘negrotariarians’. In zijn roman beschreef hij een liefdesaffaire tussen een preutse, jonge, zwarte bibliothecaresse en een ambitieuze, maar ongedisciplineerde, zwarte schrijver in ‘de grote, zwarte, ommuurde stad’ Harlem.(...)

De personages krijgen van deze en gene steun, maar een van de opvallendste dingen van de roman was het gebrek aan solidariteit tussen zwarten. ‘Willen negers soms niet dat een lid van hun ras succes heeft?’ vraagt Byron, de would-be schrijver. ‘Waar heb jij gezeten?’ antwoordt zijn lichtgekleurde vriend Dick, die van plan is ‘de lijn over te steken’ en als blanke verder te gaan. ‘Dat willen ze ook niet. Je moet harder tegen de eigen ras knokken dan tegen de blanken. Als ze in de problemen zitten, gaan ze naar blanke advocaten, en ze gaan naar blanke banken en blanke

verzekeringsmaatschappijen. En meestal bidden ze ook nog voor een blanke God. Van je eigen soort heb je weinig te verwachten.’ En wat blanken betreft: ‘Ik denk,’ zegt de preutse, jonge bibliothecaresse, ‘dat ze eigenlijk liever hebben dat we niet netjes zijn.’

Du Bois, die altijd een keurig beeld van zwarte Amerikanen hoog wilde houden, had felle kritiek op het boek van Vechten. Hij noemde het ‘een belediging voor de gastvrijheid van zwarte mensen en de intelligentie van blanken’. Maar andere zwarte intellectuelen verdedigden het als iets wat voortkwam uit artistieke vrijheid en nog levensecht was ook. Blanke lezers uit de middenklasse reageerden enthousiast, omdat het boek het zoeklicht richtte op de cultuur in Harlem, hoog en laag.

Du Bois reageerde steeds conservatiever op wat er op literair gebied in Harlem gebeurde, maar in politiek opzicht werd hij steeds linkser. Omdat hij zich steeds meer was interesseren voor het economische aspect van klassenverschillen, bracht hij in 1927 een bezoek aan Sovjet-Rusland.

 

146. De wereld is in 1922 of daaromtrent in tweeën gebroken,’ schreef Willa Cather in haar essaybundel Not Under Forty, waarmee ze vooruitliep op Virginia Woolf, die een jaar later zei: ‘In of om december 1910 is de menselijke aard veranderd.’ Maar Cather had een specifiekere diagnose gesteld. De twee groepen die het resultaat waren van deze breuk waren de ‘vooruitkijkers’ en de ‘achteromkijkers’. Tot de tweede groep behoorde iedereen die was geboren voor het laatste decennium van de negentiende eeuw, ook Cather zelf. De achteromkijkers hadden in weerwil van O’Neills The Emperor Jones weinig belangstelling voor de Harlem Renaissance, maar dat gold ook voor de jongere, blanke schrijvers, Cathers ‘vooruitkijkers’. Progressief denkende auteurs als John Dos Passos en John Steinbeck hielden zich bij wat ze kenden, en de decadenten, cynici en experimenteerders – Scott en Zelda Fitzgerald, Henry Miller, Ernest Hemingway, e.e. cummings, Thomas Wolfe en zelfs heel even William Faulkner – zaten allemaal in Parijs, midden in hun ‘zomer van duizend feestjes’.

 

154. Hubbles ontdekking zette de manier waarop de mens aankeek tegen zijn plaats in het heelal volledig op zijn kop, en de effecten op de lange termijn waren gigantisch. In de loop van drie millennia was de aarde, begonnen als een platte schijf, waarvan men alleen de onmiddellijke omgeving kende, eerst rond geworden, toen losgewrikt van zijn positie als het middelpunt van het heelal en gedegradeerd tot satelliet van een zon die vervolgens een van talloze zonnen bleek te zijn, een melkweg van zonnen.

Nu was gebleken dat dit melkwegstelsel niet het hele heelal was, zoals eerder gedacht, maar slechts een van talloze van dit soort stelsels in de immense, eindeloze, steeds verder uitdijende ruimte. In dit concept was de aarde slechts een oneindig klein stipje in een oneindig groot geheel. Het was de laatste en misschien wel zwaarste slag die werd toegebracht aan het narcisme van de mensheid. Shapley had ook al geschreven over de holbewoner die zich het middelpunt van het universum waant.

Niet alleen bevond de mens zich niet in het hart van het universum of op zijn minst op een belangrijke plaats, maar de hele mensheid leek nu verloren, een nietig stipje in de onmetelijke duistere leegte van de ruimte.

 

157. In de zeventiende eeuw had Newton een serie wetten geformuleerd die sindsdien waren beschouwd als een accurate en objectieve beschrijving van het fysieke universum. Volgens deze principes had elk object een duidelijk definieerbare identiteit en gedroeg het zich onder alle omstandigheden volgens bepaalde wetten, conform beweging, inertie, zwaartekracht en energie. Alles was of het een of het ander, hier of daar, golf of deeltje. De wereld functioneerde als een gigantisch uurwerk, dat met feilloze precisie de uren sloeg.

Maar het concept dat de kern was van Newtons natuurkunde was veel ouder. Het ging via de middeleeuwen terug op de oude Grieken, de auteurs van de Bijbel en de mythische verhalen uit Mesopotamië. De ideeën waarom alles draaide, waren identiteit en dualiteit, samen dé basis van het westerse denken. Het hele Bijbelse symbolisme is dualistisch van aard: hemel en hel, zon en maan, dag en nacht, goed en kwaad, rein en onrein. Dat was de basis geweest van een manier van denken waarbij de wereld werd onderverdeeld in heersers en dienaren, gelovigen en heidenen, en het was even belangrijk dat elk element in deze keten een vast identiteit had. Misschien was die wel te veranderen, maar zij was altijd óf het een óf het ander. Het christelijke gedachtegoed had geestdriftig gebruikgemaakt van dit principe.

De enige uitzondering was de drie-enigheid, waarbij één wezen drie wezens was, maar toch ook weer één, afhankelijk van perspectief en situatie. Eigenlijk een soort god uit de kwantummechanica.

Misschien dat de hardnekkig onlogische doctrine van de drie-eenheid, die vanaf het ogenblik dat hij werd bedacht niet meer was dan een theologisch compromis, een wat flexibelere logica mogelijk maakte bij de middeleeuwse monniken die ermee worstelden en zich de drie van Plato afkomstige grondwetten van de logica eigen probeerden te maken.

De eerste is de wet van identiteit (alles is aan zichzelf gelijk en aan niets anders), de wet van het uitgesloten midden (van elke bewering kan gezegd worden dat zij juist is of onjuist; er is geen middenweg) en de wet van de niet-tegenstrijdigheid (niets kan tegelijk a en niet-a zijn).

Op basis van deze principes was een compleet filosofisch gebouw opgetrokken. Wat Newton had gedaan, was dezelfde principes toepassen op de natuur. Deze exclusieve, dualistische logica was het ethische principe dat de kern vormde van de zelfperceptie van mensen in het Westen.

Als filosofisch principe had het aan de wieg gestaan van de scholastiek, de renaissance en de verlichting. Als wetenschappelijk en uiteindelijk ook economisch principe bleek het sterk genoeg om binnen vier eeuwen een nieuwe wereld te scheppen.

Maar nu zetten de kwantumfysica en andere theoretische ontwikkelingen het cumulatieve resultaat van een ontwikkeling die al een millennium gaande was overboord door te stellen dat het universum wezenlijk anders in elkaar zat dan Newton dacht, en dat de kern werd gekenmerkt door een radicale onzekerheid, waarbij deeltjes twee verschillende dingen tegelijk konden zijn, geen vaste identiteit hadden, tegenstrijdige eigenschappen bezaten en niet aan wetten gehoorzaamden, maar door het toeval werden gestuurd.

De nieuwe natuurkunde betoogde dat er in de natuur geen absolute wetten zijn, alleen statistische waarschijnlijkheden.

 

159. Het grote probleem achter de kwantumfysica en de kosmologie was dat ze het intuïtieve begrip van de wereld de nek hadden omgedraaid. Met elke stap voorwaarts die de wetenschap deed, werd het universum minder vertrouwd en minder bekend: talloze melkwegstelsels suizen door een eeuwige duisternis, de bouwstenen waaruit materie bestaat zijn geheimzinnige eenheden met een niet-vaststaande identiteit die alleen maar aan het toeval gehoorzamen, en objectieve kennis wordt een onmogelijk streven.(...)

Maar kort daarop raakten Duitse wetenschappers verstrikt in een heel ander debat, dit keer over de misschien wel raciale aard van zo’n theorie. Was het mogelijk dat wetenschappelijke theorieën zo desoriënterend waren omdat ze zo vaak werden geformuleerd door joden?

Die sprong is op het eerste gezicht verrassend: wat heeft etniciteit nu van doen met hogere wiskunde? Maar het viel niet te ontkennen dat een disproportioneel aantal theoretische natuurkundigen, van Max Born tot Einstein en anderen, joods was. Daar was een simpele sociologische verklaring voor: aan het eind van de negentiende eeuw dacht men dat de (toen nog voornamelijk newtoniaanse) natuurkunde een vrijwel compleet theoretisch model van de wereld had opgeleverd. De theoretische natuurkunde was een marginaal gebied voor zonderlingen en eenzame excentriekelingen en bood weinig geld, weinig prestige en weinig carrièremogelijkheden. Terwijl etnische Duitsers de meest prestigieuze leerstoelen en onderzoeksbanen kregen, werd het werk in de theoretische natuurkunde vaak overgelaten aan joden. Of aan vrouwen, zoals de briljante Lise Meitner.

 

160. De nobele Duitse natuurkunde zou worden gegrondvest op Anschaulichkeit, op het intuïtieve begrip van fysieke processen aan de hand van de klassieke, newtoniaanse fysica. ‘Joodse natuurkunde’, zei men geringschattend, was rationalistisch en dogmatisch. De Arische tegenhanger zou zich bij haar onderzoek richten op ‘energie’ en ‘kracht’.

Dit was meer dan een wetenschappelijk verschil van mening. Dit was een morele kruistocht tegen de intellectuele vrijheid en de bespiegelende creativiteit die men associeerde met een aantal eminente joodse wetenschappers.

In zijn felle antisemitisme stond Lenard niet alleen. Maar het debat over een ‘Duitse natuurkunde’ maakte ook duidelijk dat de traditionele manier van denken in opstand kwam tegen de moderne school, die, ondoorzichtig en arrogant, tegen alle intuïtie inging. De kwantumfysica werd het symbool voor een moderne wereld waarin het voor de bewoners ongemakkelijk leven was, een wereld die empirisch bewijs en onmiddellijk inzicht had ingeruild voor duistere theorieën. Die opstand reikte verder dan de wetenschap alleen. In heel Europa, en vooral in Duitsland, zetten de voorstanders van een holistische Lebensphilosophie de aanval in op wat zij zagen als een kil mechanische, rationalistische kijk op de wereld.

 

169. In Hubbles wereld, een wereld die niet langer het middelpunt was van het heelal, waarin materie tegelijkertijd beter werd begrepen én ondoorzichtiger was geworden, werden oude profetieën verbannen naar een vergeten hoek van het feestterrein.

Het conflict tussen geloof en rede, tussen door ervaring of door wetenschap opgedane kennis, en tussen de rationalistische benadering van de wereld die het handelsmerk was van de wetenschap van de negentiende eeuw en nieuwe, intuïtieve inzichten in het leven, was karakteristiek voor de wetenschappelijke debatten van deze tijd en belandde vervolgens in een publieke discussie die werd gekenmerkt door pessimisme en verbijstering.

Net als de hongerkunstenaar na de ‘grote ommekeer’ geen publiek meer trok, gingen de mensen nu op zoek naar nieuwe attracties, nieuwe verklaringen, nieuwe messiassen. Tussen alle angst en hoop begon de strijd voor een heel andere toekomst vaste vorm aan te nemen.

 

202. De absolute zekerheid dat je deugdzaam bezig was en dat je overtuigingen op waarheid berustten, zoals de meeste gelovigen denken, was volgens Darrow een van de grote gevaren voor de samenleving: ‘Wat wij beschaving noemen, komt niet voort uit religie, maar uit scepsis. De moderne wereld is het kind van twijfel en onderzoek, net als de oude wereld het kind was van angst en geloof.’

 

231. Een oorlog die moordenaars maakt van dichters, die laat zien dat mensen geen strijdende helden zijn, maar doodgewone klootzakken die willen leven, zonder hoger doel dan alleen maar het naakte bestaan, kon eerlijke mensen veranderen in monsterlijke versies van zichzelf en deed dat ook. Na hun terugkeer in de burgermaatschappij viel het hun bijna onmogelijk om te praten over wat ze hadden meegemaakt, over de verandering die in hen had plaatsgevonden, en bleef hun leven getekend door angst, angst dat hun hersens die van een moordenaar zouden blijken te zijn, hun handen de handen van een moordenaar, dat ze op een dag wakker zouden worden en zouden merken dat Mr Hyde had gewonnen en dat Jekyll voorgoed buiten bereik was.

 

336. De staat is zoiets als een religie: hij werkt als mensen erin geloven.

– Enrico Malatesta

 

351. Mussolini en zijn fascistische partij waren bepaald niet de enigen die religieuze gevoelens en symboliek inzetten voor hun zaak. Per slot van rekening kun je fascisme, socialisme en communisme niet alleen als politieke religies beschrijven, maar voldoen ze ook aan een religieus getinte hang naar orde, zin en betekenis, die in de gefragmenteerde, nihilistische jaren twintig en dertig heel sterk was.

 

434. De taalkundige Victor Klemperer, die van zijn aanstelling aan de universiteit ontheven was, hield een treurig dagboek bij van de ontwikkelingen in zijn land. Klemperer, een in de oude Duitse traditie opgeleide, cultureel zeer onderlegde wetenschapper, beschouwde alle Olympische Spelen ? niet alleen het evenement dat nu gaande was ? als een onwaardige orgie van hysterisch nationalisme waarin de cultuur van een land niet werd gelijkgesteld met hoog intellectuele of artistieke prestaties, laat staan met een humane behandeling van zijn inwoners, maar doodordinair met hoe hard iemand kon lopen. De huidige Olympische Spelen echter waren, zo schreef hij, ‘een door en door politieke onderneming’. ‘Landgenoten en buitenlanders wordt voortdurend ingehamerd dat wat zij zien optimisme is, bloei, nieuw elan, eenheid, soliditeit en pracht, en natuurlijk ook de vreedzame en liefdevol wereld-omarmende geest van het Derde Rijk.’

 

456. In Groot-Brittannië was John Maynard Keynes bijvoorbeeld een voorstander van eugenetica, net als Winston Churchill, Virginia Woolf, George Bernard Shaw en Bertrand Russell. Woolf had zelf een zwaar geestelijk gehandicapte halfzus met wie ze in haar kinderjaren samen moest eten. Toen ze als volwassene een ‘lange stoet imbecielen’ op uitstapje tegenkwam, schreef ze naderhand in haar dagboek: ‘Het was werkelijk afschuwelijk. Zulke mensen moeten echt doodgemaakt worden.’ Al die voorstanders vonden blijkbaar dat een vorm van ‘wetenschappelijk’ ruimen de kwaliteit van het nationale fokvee ten goede zou komen.

De Ierse dichter William Butler Yeats was ervan overtuigd dat een fysieke ‘grote schoonmaak’ niet alleen de politieke regeneratie, maar ook de spirituele wedergeboorte van zijn geliefde land zou bespoedigen. Tegelijkertijd merkte hij echter op: ‘Sinds circa 1900 houdt de bovenlaag haar bestand niet op peil, terwijl de dommere en minder gezonde lagen het hunne ruimschoots aanvullen. Als een of andere financiële reorganisatie eenieder alle levensnoodzaken verschaft en zodoende elke rem op de vermenigvuldiging van de ongeschoolde massa wegneemt, wordt het de plicht van de hoogopgeleide klasse om één of meer van die noodzaken in bezit te nemen. Wellicht zal de gedrilde en makke massa zich daarin schikken, maar een langdurige burgeroorlog lijkt waarschijnlijker, met als overwinnaar de geschoolden, die hun machines berijden zoals ooit feodale ridders hun geharnaste ros bereden.’

 

486. De politieke moorden op en brute zuiveringen van communisten in Spanje die niet volledig en kritiekloos trouw waren aan de stalinistische partijlijn was maar één steentje in het uitgestrekte terreurmozaïek dat Stalin in eigen land aan het leggen was. In zijn paranoïde drang om alle macht naar zich toe te trekken zette hij een campagne van vervolging, marteling en dood in gang waarbij niemand zich veilig kon wanen.

Er waren in Sovjet-Rusland altijd al golven van politieke terechtstellingen geweest. Dan hadden politieke tegenstanders een rekening te vereffenen, of moest de bevolking even goed schrik worden aangejaagd. Na de opstand in Kronstadt, in 1922, was de ex-man van Anna Achmatova een van de ongelukkigen die waren opgepakt en doodgeschoten. Altijd als er iets verkeerd ging, moest er een schuldige worden aangewezen.

Binnen het wetenschappelijke communisme en het paradijs voor arbeiders en boeren, was geen plaats voor toeval, tegenslag of pech. Voor alles wat er gebeurde, was iemand verantwoordelijk. Alles wat verkeerd liep, was een daad van sabotage, contrarevolutionair gedrag of bourgeois-kwaadwilligheid. Dat de vijand binnenin overal op de loer lag, was een cruciaal onderdeel van een revolutie die nu dreigde te verstarren tot een nieuwe gevestigde orde. Alleen de voortdurende aanwezigheid van vijanden kon het revolutionaire vuur brandende houden.

De zuiveringen waren begonnen in 1934, na de moord op Sergej Kirov, een beschermeling van Stalin en lid van het Politbureau, die enige afstand was gaan nemen van de totale gehoorzaamheid die van hem werd geëist. In zijn eigen stad Leningrad was hij populair. Hij had het gewaagd kritiek te hebben op Stalins besluit om alle dissidenten in de partij te arresteren.

 

503. Voor Europeanen en in mindere mate ook voor Amerikanen was de oorlog beeldbepalend voor het decennium dat erop volgde, en had hij ook grote invloed op de gebeurtenissen uit de jaren dertig. Doordat hij voor ons verder in het verleden ligt, kunnen wij hem vanuit een ander perspectief bezien. Niet de wereldoorlogen, of een daarvan, waren hét bepalende element van de twintigste eeuw. Beide oorlogen zijn bijna neveneffecten van één verstrekkende revolutie, de revolutie van de moderniteit, van de technologie en van de verlichting.

Historici die zich met de ontwikkeling van het denken bezighouden, zoals Michel Foucault, hebben een rechte lijn getrokken van Kants cultus van de absolute rede in de achttiende eeuw naar de concentratiekampen en de goelags van de twintigste, en dat is volledig terecht. (In Het verdorven genootschap heb ik geschreven over deze opvatting van de verlichting en de gemarginaliseerde alternatieven.) De opvattingen van Kant over de rede maakten een stortvloed aan ontwikkelingen, vernieuwingen en revoluties los. Maar ze konden ook worden verdraaid tot een kille rationaliteit, die in haar hang naar vooruitgang of zelfs naar een Utopia niet aarzelde mensenlevens op te offeren.

In 1900 had de moderniteit greep gekregen op de grote steden met hun voortdurend uitdijende bevolking en had de revolutie de manier waarop mensen over de wereld en zichzelf dachten diepgaand veranderd. Ook het tempo van de revolutie was versneld geraakt, en in minder dan een generatie waren maatschappelijke structuren, morele normen en traditionele opvattingen over de wereld, die eeuwen hadden bestaan, ondermijnd, aangevallen en verbrijzeld. De geschiedenis begon sneller te gaan dan de mens, identiteiten werden broos en twijfelachtig, en de technologie ontwikkelde zich sneller dan ons begrip ervan.

Deze ontwikkeling gaat nog steeds door, en de oorlogen, de massamoorden, de etnische zuiveringen en de onderdrukking van de twintigste eeuw maken deel uit van dit brede verhaal, net als de vernieuwingen, bevrijdingen en zich verdiepende wetenschappelijke inzichten. De moderniteit, zo blijkt, blijft in moreel opzicht hardnekkig neutraal, al dijt zij nog steeds uit en blijft zij dag na dag onze identiteit veranderen. Ondanks deze stortvloed aan veranderingen zijn de maatschappelijke en culturele gevolgen van het interbellum nog steeds voelbaar. Nu we de straat hebben binnengehaald in ons privébestaan wonen we allemaal op straat. Ons leven speelt zich meer dan vroeger in het openbaar af, er is meer afwisseling, meer verdraagzaamheid voor andere normen en er zijn minder hiërarchische lagen – al gaan daarachter nogal eens verschillen in inkomsten schuil die die van de jaren dertig ver overtreffen.

 

506. Na 1918 en nog een keer na 1929 werden mensen geconfronteerd met de vraag: hoe kan ik leven in een wereld met waarden en gedachten die plotseling niets meer voorstellen? Na 2008 is deze vraag teruggekeerd. Het idee van de onfeilbare markt is in diskrediet geraakt, het evangelie van de groei en de mythe van de meritocratie zijn voor veel tijdgenoten ontmaskerd als leugens. Maar in een wereld waaruit de grote ideologieën zijn verdwenen lijkt er weinig tot niets voorhanden dat die kan vervangen, en daarom is er nu sprake van een grote leegte.

Het is een tot ironie stemmende gedachte dat de marktideologie van de afgelopen decennia in de plaats is gekomen van de failliete ideologieën van het fascisme en het communisme. Een schijnbaar niet-ideologisch stelsel van zuivere wetten heeft overtuigingen vervangen die miljoenen onschuldige slachtoffers in het verderf hadden gestort.

Maar het geloof in de universele kracht van de markt was wel degelijk diep ideologisch, religieus zelfs, meteen vanaf het eerste begin. Het schiep zijn eigen onbewijsbare metafysische beweringen, zoals het idee van een rationele agens, alsof persoonlijke beslissingen met verreikende economische implicaties, zoals het al dan niet willen hebben van kinderen, ooit worden genomen aan de hand van rationele criteria. Het schiep zijn eigencultus en rituelen, zijn eigen priesters en profeten, die predikten in de ochtendkrant en via het televisiescherm. De markt drong ons leven binnen, net als eerder de straat had gedaan.

Maar waar de straat een feest van rebellie en bevrijding teweeg had gebracht, dwong de macht conformisme en opportunisme af, want alleen daarmee kon je carrière maken en overleven.

Tijdens het interbellum waren de politieke ideologieën het antwoord op het morele en politieke vacuüm dat velen na de oorlog ervoeren. Ze boden een raamwerk, een familie, antwoorden op alle mogelijke vragen en een reden tot hoop. Ze gaven een positief antwoord op de vraag hoe je moest leven met aan een andere tijd ontleende waarden door die waarden te vervangen door andere. Ze boden hoop, maar wel hoop met een lidmaatschapsnummer.

Het alternatief voor deze in wezen religieuze aanpak van de morele leegte was zowel in reikwijdte als in mogelijkheden beperkt. Het futloze hedonisme van de flappers en de bright young things, van de bars in Berlijn en de feestbeesten, bood een uitweg uit zorgen over de toekomst en eindeloze ideologische debatten, maar wees niet de weg naar een veiliger toekomst.

Het was een reactie van een jonge generatie die niet bereid was te leven volgens de waarden van hun ouders, maar niet de moeite nam om zelf waarden te definiëren zolang ze hier en nu plezier konden maken, want morgen, wisten ze, morgen was nog heel ver weg en waarschijnlijk niet de moeite waard. Morgen kon je dood zijn. ‘No future’ is in de loopgraven begonnen.

Starre ideologieën en de hedonistische vergetelheid van het consumentisme waren begrijpelijke, maar destructieve reacties op een maatschappijbreed verlies van geloof. Beide leidden tot het ineenschrompelen van het beredeneerde ideologische debat.

Communisten en fascisten wisselden kogels uit in plaats van argumenten, en voor de flappers en hun vrienden was de volgende cocktail steeds belangrijker dan nadenken over de toekomst.

Toen de dialoog en het politieke debat opdroogden, kon je bijna voorspellen dat een tweede oorlog ophanden was.

Voor mensen die denken dat we kunnen leren van de geschiedenis is dat geen geruststellende parallel. Nadat de oorlog machtige rijken had vergruisd, plus het morele universum waarop voor een heel werelddeel de kijk op het leven berustte, deinsden miljoenen mensen weg voor deze uitdagende leegte en zochten hun toevlucht bij ideologieën of dansten en winkelden tot ze erbij neervielen. Of droomden daarover als ze te arm waren om daaraan mee te doen.

De weigering om iets te doen aan de problemen van die tijd ging hand in hand met de grote politieke ideologieën. We kunnen hier een vergelijking trekken en verder alleen maar hopen dat het oordeel dat de generatie van onze kleinkinderen over ons zal vellen, milder zal zijn dan ons oordeel over onze grootouders, die hun leven, hoop en talenten veil hadden voor moorddadige illusies.

Reacties graag naar mailadres.