Peter Sloterdijk, Woede en Tijd, uitg.SUN
Peter Sloterdijk, Woede en Tijd, uitg.SUN
'Zorn und Zeit', is een schitterende alliteratie waarmee Peter Sloterdijk eens te meer een fascinerende visie ontwikkelt op de moderne geschiedenis.
Hij opent magistraal met Europa's eerste woord uit Homerus' Ilias: 'Godin, bezing ons de woede van de zoon van Peleus, Achilles'¦'.
Wegens het schielijk verscheiden van God en zijn goden sinds de tijd van de Verlichting is de toorn niet langer een zaak van de hemelse machten, die tot dan ingezet werden bij het menselijke spel van geven en nemen.
Voor toorn en wrok waren geen bovenaardse bewaarders noch bovenmenselijke verklaarders meer van doen.
En daar ligt volgens Sloterdijk de kiem van de grenzeloze, tomeloze en uitzichtloze uitbarstingen van geregiseerde woede: het politieke experiment om de thymotische (woede-) emoties van de massa's in natiestaten te gieten en voor de 'vooruitgang' te mobiliseren leidde tot de massaslachtingen van de XXste eeuw : 'Men moet zich realiseren dat het geweld op geen enkel moment in de 20e eeuw is 'uitgebroken'. Het werd door zijn agenten volgens zakelijke criteria gepland en door zijn managers met een ruim zicht op hun objecten gestuurd. Wat op het eerste oog leek op amok op het hoogste niveau, was in de praktijk vooral bureaucratie, partijwerk, routine en resultaat van organisatorisch overleg.'
Sloterdijk benadert de 'toorn' als een pijnlijke maar passende parodie op het marxistische begrip 'kapitaal': het 'woedekapitaal' zat in spaarbanken, in investeringskrediet, in risico-aandelen en in een wild gevecht op de woedebeurzen van de wereld. Met dat 'woede-kapitaal' konden de speculanten in toorn onmetelijke gevechten aangaan, zolang ze bij hun volgelingen de gevoelens van verongelijktheid, jaloezie, rancune, naijver voldoende kunnen oppoken.
Hij fileert dit fenomeen ten gronde bij de linkse stromingen, partijen en staten waar deze individuele wrok op een briljante en bloedige wijze werd gemobiliseerd in het politiek project: het socialisme, de dictatuur van het proletariaat. Marx en Engels probeerden met hun Communistisch Manifest de toorn en de wrok van de arbeiders te mobiliseren voor hun politieke plannen.
'Om het met de woorden van twee beroemde collega's uit het jaar 1848 te zeggen: alle geschiedenis is de geschiedenis van het productief maken van toorn.', aldus Sloterdijk.
Hij verwijt de fellowtravellers uit het westen dat ze bereid waren het linkse fascisme '“ van Lenin, Stalin, Mao en consorten – te tolereren en te steunen waarbij de gruweldaden van Hitlers nationaal-socialisme als redder van hun geweten werd opgevoerd.
Niet zelden hullen de westerse fellowtravellers zich in de romantiek van de verliezers in eeuwige opstand: de strijd gaat altijd door, zeker in tijden van nederlagen.
De grootste bijdrage van het reëel bestaande socialisme is volgens Sloterdijk de permanente dreiging die ervan uitging waarvan vakbonden en sociaal-democratie in het westen handig gebruik maakten als stok achter de deur in hun onderhandelingen met het grootkapitaal en de nationale overheden.
Sinds 1979 '“ Thatcher, de Sovjetunie op falend oorlogspad in Afghanistan en de Ayatollahs aan de macht in Iran – bleek het dreigende thymotische woedekapitaal van het socialisme eerder zelf een kaduke verzameling papieren tijgers.
Het surplus dat sinds de Russische revolutie in de sociaal-economische en politieke rekeningen van geven en nemen in het westen was bedongen, bleek plots in de ogen van het kapitaal fors overdreven en diende onverwijld teruggeschroefd te worden: opbod in sociale afbraak.
Volgens Sloterdijk gaat het met het 'woedekapitaal' sinds het einde van de communistische illusies niet al te best. De 'thymos' lijkt in de oude socialistische heilsstaten helemaal verdwenen en in de westerse wereld heeft 'eros', de onmiddellijke behoeftebevrediging, met mateloze bombarie, verslavingsstrategieën en consumentendom zijn plaats ingenomen.
Ik vrees dat Peter Sloterdijk ondanks zijn glasheldere analyse hier een gloeiende glimp van een nieuwe 'thymos' veronachtzaamt: de oude socialistische heilsstaten kweken nog steeds met bravoure een schaduwcultuur van de toorn, op nationalistische leest van verongelijkte burgers, van rancuneuze cultuurfenomenen, van volkeren die zich historisch tekort gedaan voelen.
In Rusland én China levert het 'woedekapitaal' vandaag forse winsten op de beurs van het militaire nationalisme en globaliserende economische veroveringsstrategieën.
Daarmee valt fors te speculeren door de machthebbers die de overslaande stem van de zelf uitgekozen volksmassa's weten te dicteren.
Sloterdijk heeft wel een snijdende analyse klaar van de 'Derde inzameling van de Woede' door de politieke islam. Dat wordt volgens hem alleen maar een nog groter bloedbad waarbij de verschillende fracties elkaar nog 50 jaar rücksichtlos en met een geestdriftige missioneringdynamiek te lijf zullen gaan tot het demografische surplus van honderden miljoenen overbodige, werkloze, sociaal wanhopige jongeren is geconsumeerd: 'œZowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen. ('¦) Het radicale islamisme van onze tijd is het eerste voorbeeld van een puur wraakzuchtige ideologie: het kan alleen straffen, maar brengt niets tot stand.
De zwakheid van de islam als politieke religie, of hij nu van gematigde of radicale snit is, vloeit voort uit het feit dat hij principieel op het verleden is gericht. Zijn leiders kunnen tot dusver niets dan atechnische, romantische, door woede gekleurde begrippen voor de wereld van morgen formuleren.'
Peter Sloterdijk eindigt 'Woede en Tijd' met goede raad voor de mensen van vandaag en morgen:
'Aan gene zijde van het ressentiment: ('¦) in een tijd van globalisering is geen politiek van grootschalige leedvereffening meer mogelijk, zolang die berust op het nadragen van onrecht dat in het verleden is aangedaan, ongeacht of een dergelijke politiek zich als democratisch of socialistisch messianisme of als wereldverlossing wenst te camoufleren. ('¦) Het is tegenwoordig veel belangrijker de aloude, noodlottige alliantie tussen intelligentie en ressentiment te verbreken, om ruimte te scheppen voor toekomstgerichte paradigma’s van ontgifte levenswijsheid. De criteria hiervoor zijn niet bijzonder nieuw. John Locke, de geestelijke leidsman van de liberale Engelse bourgeoisie, heeft ze in 1689 in eenvoudige taal geformuleerd: het gaat om de fundamentele rechten op leven, vrijheid en eigendom. Wat de succesgeschiedenis van deze trias betreft zijn historische bevindingen evident: alleen in die gebieden van de wereld waar deze normen gerespecteerd worden, treden er werkelijke verbeteringen in de leefsituatie op. ('¦) Men moet streven naar een meritocratie die zowel inter- als transcultureel een antiautoritair ontspannen moraal weet te verenigen met een duidelijk normbesef en respect voor onvervreemdbare mensenrechten. Het avontuur van de moraal voltrekt zich via het parallellogram van elitaire en egalitaire krachten. Alleen in dit kader is accentverschuiving van toe-eigeningsdriften naar schenkende deugden denkbaar.
De inzet van dit opvoedkundige programma is hoog. Hierbij gaat het om het opstellen van een 'code of conduct' voor veelzijdige beschavingscomplexen. Zo'n schema moet stevig genoeg zijn om in het reine te komen met het feit dat de gecompromitteerde en geglobaliseerde wereld vooralsnog multimegalomaan en interparanoà¯de blijft. Men kan een universum van energieke, thymotische prikkelbare individuen niet met behulp van idealistische synthesen van bovenaf creëren, maar alleen door middel van kracht-kracht relaties in evenwicht houden. Grote politiek vindt alleen plaats in de modus van balanceeroefeningen. Balanceren betekent: noodzakelijke strijd niet ontwijken en overbodige strijd niet provoceren. Het betekent ook zich in de wedstrijd met de entropische processen, vooral die van de vernietiging van het milieu en van de demoralisatie, niet bij voorbaat gewonnen geven. Hiertoe moet men zichzelf steeds met de ogen van de anderen leren zien. Wat vroeger door een overspannen religieuze nederigheid moest worden bereikt, zal voortaan tot stand moeten worden gebracht door een rationaliteitscultuur, die gebaseerd is op waarnemingen van de tweede orde. Alleen zij kan de sluwe naà¯viteit een halt toeroepen, namelijk door de geldingsdrang met zelfrelativering te combineren. Voor het vervullen van die taken is tijd nodig – maar dat is niet meer de historische tijd van het epos en van het tragische drama. De tijd die hier aan de orde is moet als leertijd van beschavingen worden gedefinieerd. Wie alleen 'geschiedenis' wil maken blijft bij deze definitie achter.'
Dat deze rationaliteitscultuur van waarnemingen van de tweede orde indirect en met kleine pasjes, behoedzaam en volhoudend zal moeten bespeeld worden, heeft hij glashelder aangetoond.
Edoch, het geglobaliseerde muizenvolk is niet uitsluitend blootgesteld aan praatjes van mensen van goede wil.
'Accentverschuivingen van toe-eigeningsdriften naar schenkende deugden' lijken me dan ook eerder utopisch en bijaldien gevaarlijk, tenzij ze verkocht raken als altruà¯sme, welbegrepen eigenbelang.
Kortom, Peter Sloterdijk, 'Woede en Tijd, Een politiek '“ psychologisch essay', in een mooie vertaling van Hans Driessen is een absolute aanrader voor wie zich nog vragen stelt over gisteren, vandaag en morgen.
30.De theorie van de trotsensembles
1. Politieke groepen zijn ensembles die endogeen onder thymotische druk staan.
2. Politieke acties worden in gang gezet door spanningsverschillen tussen ambitiecentra.
3. Politieke velden worden gevormd door het spontane pluralisme vanzelf bevestigende krachten, waarvan de onderlinge verhoudingen als gevolg van interthymotische wrijving veranderen.
4.Politieke meningen worden geconditioneerd en geredigeerd door symbolische operaties die in permanente relaties staan met de thymotische bewegingen van de collectieven.
5. De retorica – opgevat als de leer van de sturing van affecten binnen politieke ensembles – is toegepaste thymotiek.
6. Gevechten om de macht binnen politieke lichamen zijn altijd ook gevechten om voorrang tussen thymotische geladen, populair gezegd: eerzuchtige individuen met hun achterban; de kunst van de politiek behelst daarom ook procedures waarmee de verliezers gedeeltelijk schadeloos kunnen worden gesteld.
37. Het moment van Nietzsche.
Blikt men terug op de geschiedenis van de 20e eeuw, in het bij zonder op zijn convulsieve eerste helft, dan dringt zich het beeld op dat daarin de door Plato geëiste, door Aristoteles geprezen en door de pedagogen van de burgerlijke tijd met inzet van veel middelen daadwerkelijk ondernomen poging om de thymotische energieën te civiliseren in de natiestaten, over de gehele linie mislukt is. Als het doel van de politieke experimenten van de Nieuwe Tijd is geweest de thymotische emoties van de massa in politieke vormen te gieten en voor de reguliere 'vooruitgang' te mobiliseren, moet men wel spreken van een catastrofaal echec. Dit heeft tenslotte ook de leiders van het experimenten de lucht ingejaagd, om het even of zij witte, rode of bruine hemden droegen.(…)
Men moet zich realiseren dat het geweld op geen enkel moment in de 20e eeuw is 'uitgebroken'. Het werd door zijn agenten volgens zakelijke criteria gepland en door zijn managers met een ruim zicht op hun objecten gestuurd. Wat op het eerste oog leek op amok op het hoogste niveau, was in de praktijk vooral bureaucratie, partijwerk, routine en resultaat van organisatorisch overleg.
56. De moderniteit heeft de verliezer uitgevonden. De figuur, die men halverwege de uitgebuiten van gisteren in de overtolligen van vandaag en morgen tegenkomt, is de onbegrepen grootheid in de machtspelen van de democratie in. Niet alle verliezers laten zich kalmeren door de opmerking dat hun status overeenkomt met hun plaats in het eindklassement van een wedstrijd. Velen zullen tegenwerpen dat ze nooit een kans hebben gehad om mee te spelen en zich navenant te klasseren. Hun jaloerse gevoelens richten zich niet alleen tegen de winnaars, maar ook tegen de spelregels
113. Genealogie van het militantisme.
Het fenomeen van de verliezer die een afwijkend standpunt tegenover zijn nederlaag bepaalt, is kennelijk even oud als dat van de politieke spiritualiteit. ('¦) In de context van de westerse beschaving vindt men illustraties hiervan op zijn minst in de theologie van het jodendom van tijdens en na de ballingschap; de meest recente zijn bijna hedendaags te noemen – zijn te vinden in de geschriften van marxistische en postmarxistische romantici, voor wie het een uitgemaakte zaak is dat de strijd vooral dan doorgaat wanneer alles verloren is.
156. Ze verklaren tevens waarom de knappe koppen van de oppositionele bewegingen meestal moreel gevoelige leden van de bourgeoisie waren, die, gedreven door een mengeling van ambitie en verontwaardiging over de heersende omstandigheden, overliepen naar het kamp van de revolte of revolutie. Voor hen allen gold wat Albert Camus over de geboorte van gemeenschappelijke geest van de verontwaardiging zei: 'Ik kom in opstand, dus wij zijn' – een zin waarvan het nauwelijks invoelbaar pathos heel duidelijk bij een verloren tijdperk hoort.
280. Wat het opkomende communisme van meet af aan zo spookachtige maakte en de kracht gaf de paranoà¯de reacties van zijn tegenstanders naar zich toe te trekken, was dat het al in een vroeg stadium in staat was de status-quo op een geloofwaardige manier met een omwenteling te dreigen. Toen het zijn vermogen om te dreigen was kwijtgeraakt, was het ook met zijn rol als spook gedaan – en geen enkel filosofisch congres zal de holle kalebas nieuwe spookkracht kunnen inblazen.
281. Als het klopt dat soevereiniteit het vermogen is om op een geloofwaardige manier te dreigen, dan bereikten de West-Europese werknemerspartijen en de vakbonden hun belangrijkste soevereiniteitseffecten dankzij het indirecte dreigement van de klassenstrijd, dat ze tijdens loononderhandelingen konden inzetten zonder zelf de vuisten te hoeven ballen. Ze konden volstaan met discreet te wijzen op de realiteit van de Tweede Wereld om de werkgevers duidelijk te maken dat ook hier de sociale vrede zijn prijs heeft. Samenvattend kan men zonder veel overdrijving vaststellen: de sociale verworvenheden in het naoorlogse Europa, vooral het 'kapitalisme met een menselijk gezicht' met de bijbehorende verzorgingsstaat en de almaar uitdijende therapiecultuur, waren geschenken van het stalinisme '“ vruchten van de woede, die overigens pas nadat ze naar een vrijer klimaat waren geëxporteerd tot een zekere zoetheid konden rijpen.
('¦)
De gevolgen van dit alles bepalen psychopolitieke klimaat van het Westen vanaf de vroege jaren '80 tot op de dag vandaag. In combinatie met de klimatologische effecten van 11 september 2001 wordt het steeds waarschijnlijker dat het kapitalisme een neoautoritaire wending zal nemen, tegen een liberaalkrijgszuchtige achtergrond. Vanuit het perspectief van vandaag komt het jaar 1979 naar voren als de sleuteldatum van de late 20e eeuw. In drievoudig opzicht vond in dat jaar de overgang plaats naar de postcommunistische situatie: door het begin van het einde van de Sovjet-Unie na de militaire invasie in Afghanistan, door het aantreden van Margaret Thatcher en de consolidatie van de islamitische revolutie in Iran onder ayatollah Khomeini. ('¦)
Onvermijdelijke conclusie: de westerse ondernemers onder tijdelijke politieke en ideologische druk vanuit het oosten teveel hadden betaald voor de sociale vrede. Men achtte de tijd rijp voor kostendrukkende maatregelen, die uiteindelijk tot doel hadden het accent van het primaat van de volledige werkgelegenheid te verschuiven naar de voorrang van de dynamiek van het ondernemen. Dit had een regelrechte ommezwaai van de tijdgeest tot gevolg. Deze nam steeds sneller afstand van een even rebelse als dirigistische comfortethiek (die zich alleen in Frankrijk wist te handhaven), om de voorkeur geven aan een ondernemersgerichte risico-ethiek – waarbij men ervan overtuigd was dat men de ontmoediging van de nieuwe 'klasse' van overbodigen, afgedankten en afgescheepten wel als externe kostenfactor op de koop toe kon nemen. Sindsdien worden de deelculturen van de amusementverschaffing en het depressiebeheer in het Europese Kristalpaleis steeds verder uit elkaar gedreven.
16. Het is niet zozeer dat mensen hun hartstochten hebben: het is eerder zo dat hartstochten hun mensen hebben. Bij Homerus is de accusatief nog niet beheersbaar. Onder deze omstandigheden laat de Ene God van nature nog op zich wachten. Het theoretische monotheà¯sme kan pas de overhand krijgen als de filosofen het subject van de zin in alle ernst tot wereldprincipe verheffen. Maar dan moeten ook de subjecten hun hartstochten hebben en die als hun heren en bezitters beheersen. Tot die tijd regeert het spontane pluralisme, waarin subjecten en objecten voortdurend van plaats verwisselen.
17. Zodra de woede oplaait, is de krijger volledig aanwezig. Zodra de ontvlamde held ten strijde trekt, valt de mens volledig samen met zijn drijvende krachten, iets waarvan de huiselijke mensen tijdens hun beste momenten dromen. Hoezeer ze ook aan uitstel en gedwongen wachten gewend zijn, zijn ze de momenten in hun leven nog niet helemaal vergeten waarop het elan van het handelen als vanzelf uit de omstandigheden leek voort te vloeien. We kunnen deze eenwording met de zuivere impuls, om een andere uitdrukking van Robert Musil te gebruiken, de utopie van het gemotiveerde leven noemen.
18. De thymotische wereld: trots en oorlog
Snell ontdekt bij Homerus het latente begrip van de composiet- of houderpersoonlijkheid, die in veel opzichten lijkt op het beeld van de postmoderne mens met zijn chronische 'dissociatieve stoornissen'. Van verre doet de vroeg antieke heros inderdaad denken aan de tegenwoordige 'multiple personality'. Hij lijkt nog niet te beschikken over een innerlijk hegemonieprincipe, een coherent 'ik', dat zorgt voor de eenheid en zelfervaring van het psychische veld. De persoon manifesteert zich eerder als een snijpunt van affecten of deelenergieën, die zich bij hun gastheer, het gevoels- en handelingsbekwame individu, aandienen als bezoekers uit verre oorden, die hem voor hun karretje willen spannen.
30.De theorie van de trotsensembles
1. Politieke groepen zijn ensembles die endogeen onder thymotische druk staan.
2. Politieke acties worden in gang gezet door spanningsverschillen tussen ambitiecentra.
3. Politieke velden worden gevormd door het spontane pluralisme vanzelf bevestigende krachten, waarvan de onderlinge verhoudingen als gevolg van interthymotische wrijving veranderen.
4.Politieke meningen worden geconditioneerd en geredigeerd door symbolische operaties die in permanente relaties staan met de thymotische bewegingen van de collectieven.
5. De retorica – opgevat als de leer van de sturing van affecten binnen politieke ensembles – is toegepaste thymotiek.
6. Gevechten om de macht binnen politieke lichamen zijn altijd ook gevechten om voorrang tussen thymotische geladen, populair gezegd: eerzuchtige individuen met hun achterban; de kunst van de politiek behelst daarom ook procedures waarmee de verliezers gedeeltelijk schadeloos kunnen worden gesteld.
37. Het moment van Nietzsche.
Blikt men terug op de geschiedenis van de 20e eeuw, in het bij zonder op zijn convulsieve eerste helft, dan dringt zich het beeld op dat daarin de door Plato geëiste, door Aristoteles geprezen en door de pedagogen van de burgerlijke tijd met inzet van veel middelen daadwerkelijk ondernomen poging om de thymotische energieën te civiliseren in de natiestaten, over de gehele linie mislukt is. Als het doel van de politieke experimenten van de Nieuwe Tijd is geweest de thymotische emoties van de massa in politieke vormen te gieten en voor de reguliere 'vooruitgang' te mobiliseren, moet men wel spreken van een catastrofaal echec. Dit heeft tenslotte ook de leiders van het experimenten de lucht ingejaagd, om het even of zij witte, rode of bruine hemden droegen.(…)
Men moet zich realiseren dat het geweld op geen enkel moment in de 20e eeuw is 'uitgebroken'. Het werd door zijn agenten volgens zakelijke criteria gepland en door zijn managers met een ruim zicht op hun objecten gestuurd. Wat op het eerste oog leek op amok op het hoogste niveau, was in de praktijk vooral bureaucratie, partijwerk, routine en resultaat van organisatorisch overleg.
47. De verwrongen optiek waarmee de revolutionaire wil zijn plannen rechtvaardigde, gaf de militaire chaos, de posttsaristische in Rusland en de postkeizerlijke in China, de schijn van een 'rijpe situatie'. Maar in feite creëerde het communisme geen postkapitalistische, maar een postmonetaire samenleving, die, zoals Boris Groys heeft laten zien, het belangrijkste medium 'geld' opgaf om het door de klare taal van het commando te vervangen, waardoor ze in dit opzicht veel weg had van een oriëntaalse despotie (en van een verminkte filosofenmonarchie).
48 .Toen het communisme eenmaal de staatsmacht in handen had, vond het de bevrediging van de filisterachtige onteigeningsroes en van het verlangen naar wraak op de privé-vermogens veel belangrijker dan het vrijmaken van waardenstromen. Daarom bleef van het grote elan van de egalitaristische wending van de mensheid uiteindelijk niet veel meer over dan onverholen zelfbevoordeling van de functionarissen – om maar te zwijgen van de erfenis aan verlamming, resignatie en cynisme.
56. Hoe meer de 'maatschappij' in hoofdlijnen bevredigd is, des te uitbundiger de naijver van allen jegens allen bloeit. Ze verwikkelt de kandidaten voor betere plaatsen in kleinschalige oorlogen, die alle levensaspecten omvatten. Niettemin heeft de 'open samenleving' het voordeel dat daarin ook de meer duistere energieën banen creëren. De afgunst schept onophoudelijk alternatieve bevoorrechte posities, vooral in de zich dagelijks verder uitbreidende sector van de cultuur en de media. Ook de sport is als expansief systeem van overwinnings- en prominentiekansen onmisbaar geworden voor de stimulering en kanalisering van postmoderne ambitieoverschotten. In het algemeen kan men zeggen dat in de onverklaarbare prestigestrijd van de posthistorie voortdurend elites uit niet-elites voortspruiten. Wanneer het publieke leven wordt beheerst door de expressiedrang van talloze spelers die weliswaar heel ver zijn gekomen naar niet de top kunnen halen, dan weet men zeker dat men met een florerende democratie te maken heeft.
De oude wereld kende de slaven en de onvrijen – zij waren de dragers van het gelukkige bewustzijn van hun tijd. De moderniteit heeft de verliezer uitgevonden. De figuur, die men halverwege de uitgebuiten van gisteren in de overtolligen van vandaag en morgen tegenkomt, is de onbegrepen grootheid in de machtspelen van de democratie in. Niet alle verliezers laten zich kalmeren door de opmerking dat hun status overeenkomt met hun plaats in het eindklassement van een wedstrijd. Velen zullen tegenwerpen dat ze nooit een kans hebben gehad om mee te spelen en zich navenant te klasseren. Hun jaloerse gevoelens richten zich niet alleen tegen de winnaars, maar ook tegen de spelregels. Dat de verliezers die te vaak verliest het spel zelf op gewelddadige wijze ter discussie stelt – met de keuze wordt de vinger op de wonde plek van de politiek na het einde van de geschiedenis gelegd. Die wonde plek doet zich tegenwoordig in twee verschijningsvormen voor: in de liberale democratieën als postdemocratische wet-en-ordepolitiek – hier wordt politiek tot politie gereduceerd en worden de politici veranderd in agenten van de consumentenbescherming; in de mislukte staten als burgeroorlog, waarin legers van sterke overtolligen elkaar wederzijds decimeren.
83. De bankvorm van de woede: revolutie.
'Alle geschiedenis is de geschiedenis van het productief maken van woede. '
Wie de woede wil koesteren en aan het nageslacht doorgeven, moet de komende generaties in een geschiedenis van revanche eisende slachtoffers betrekken.
De kilste woede schrijft haar dagboeknotities in de stijl van het vurigste idealisme.
96. Voorspel: de wraak van God op de seculiere wereld.
De vreselijkste zin uit de wereldliteratuur staat boven de hellepoort van Dantes inferno, dat voor alle eeuwigheid verkondigt: 'Mij schiepen de eerste wijsheid en de eerste liefde.'
Het bon mot van Flaubert in zijn 'Woordenboek van pasklare ideeën' onder het trefwoord 'conversatie': 'politiek en godsdienst erbuiten houden', karakteriseert nog steeds de gegeven situatie. Men mag dan nog zoveel spreken over de 'revitalisering' van het religieuze, feit is dat het inderdaad wijdverbreide onbehagen in de onttoverde wereld nog lang niet leidt tot een nieuwe geloof in de buiten en boven wereldse dingen. De melancholieke opmerking van Johannes Paulus II dat de mensen in Europa leven alsof er geen God bestaat, getuigt van meer inzicht in de reële omstandigheden dan de bedrijvige cryptokatholieken in de Duitse culturele bijlagen, die de Heer in den Hoge het liefst tot de coming man van het jaar zouden kiezen.
Sinds geruime tijd heeft het religieuze gevoel zich in de intieme sfeer van de psyche teruggetrokken en het wordt als het feitelijke pudendum van de moderne mens ervaren. ('¦)
99. Wie het pontificaat van Johannes Paulus II aandachtig heeft gevolgd, heeft moeten vaststellen dat het mediacesarisme het belangrijkste kenmerk was van de pauscultus, zoals hij die op een slimme manier had geactualiseerd. Alle bezweringen van mystieke intensiteit ten spijt was het steeds overduidelijk hoe de christelijke boodschap slechts de religieuze vorm aan de cesaristische inhoud gaf. Alleen vanwege die laatste kon de 'Roma Aeterna' een paar weken als succesvolste 'contentprovider' voor alle wereldse Internetaanbieders optreden. Wat bewijst dat echter méér dan dat de kerk de overwinning op het gebied van de strijd om aandacht alleen dan behaalt wanneer zij een in wereldse, tragische en spectaculaire zin dubbelzinnig programma vertegenwoordigt? Maar gaat het echt alleen maar om een misverstand, wanneer de 'toneelspelers van God' zich weer op de voorgrond dringen. Omdat het katholicisme althans de roomse variant, in laatste instantie nog steeds meer een imperium is '“ preciezer gezegd een kopie van een imperium – dan een Kerk, kan bij zijn autoriteits- en staatshandelingen de pijnlijkheid van het religieuze discours op de achtergrond treden, om het toneel helemaal over te laten aan het seigneuriale apparaat.
101. Chronologisch gezien begint de revue van het fundamentalisme met het optreden van de evangelistische fundamentalisten in de VS, die het wereldbeeld van de moderne natuurwetenschappen hardnekkig als het werk van de duivel veroordelen en die hun invloed op de Amerikaanse samenleving al tientallen jaren uitbreiden; zo wordt voortgezet bij de ultra orthodoxe joden van Israël die hun seculiere staat liever vandaag dan morgen veranderd zouden zien in een rabbinocratie en wier agitaties door geen enkele regering meer helemaal genegeerd kunnen worden; ze eindigt en onvermijdelijk met de recente islamitische fenomenen. Weliswaar vertoonden de islamisten net als hun christelijke tegenhangers de neiging tot militante bigotterie – vooral de overeenkomst met de strijd- en verzetsjaren van het roomse katholicisme in de late 19e en vroege 20e eeuw springen in het oog -, maar ze voegen ook een nieuw element aan hun politieke optreden toe. Ze gebruiken de traditionele islam als 'readymade', om die naar eigen goeddunken in een wereldwijde terroristische reclamecampagne te instrumentaliseren. Wat Marcel Duchamp voor de kunstgeschiedenis van de vroege 20e eeuw heeft gedaan, herhaalt Osama Bin Laden, gesteund door zijn religieuze technici, voor de islam in de late 20e eeuw.
113. Genealogie van het militantisme.
Wie zich wil wijden aan een ruim opgezette genealogie van het militantisme moet zich eerst bezighouden met de eigen dynamiek van de interne psychologische communicatie van verliezers. Daaraan kan men aflezen hoe degenen die historische confrontaties tussen volken, rijken of ideologische fracties het onderspit delven hun nederlagen omwerken tot overlevingsstrategieën – hierbij keren attitudes van uitgestelde arrogantie even regelmatig terug als de figuur van de verdaagde hoop en de droom van een finale revanche.
Het fenomeen van de verliezer die een afwijkend standpunt tegenover zijn nederlaag bepaalt, is kennelijk even oud als dat van de politieke spiritualiteit. Voor dit fenomeen en zijn niet religieuze bijverschijnselen is in de 20e eeuw het begrip 'verzet' ingeburgerd geraakt – wie niet weet wat 'résistance' betekent heeft geen affectie met de geest van links. In de context van de westerse beschaving vindt men illustraties hiervan op zijn minst in de theologie van het jodendom van tijdens en na de ballingschap; de meest recente zijn bijna hedendaags te noemen – zijn te vinden in de geschriften van marxistische en postmarxistische romantici, voor wie het een uitgemaakte zaak is dat de strijd vooral dan doorgaat wanneer alles verloren is. Aan de spits gaat in onze tijd een vurige veteraan als Antonio Negri, die met zijn suggestieve verkenningen op het terrein van de zogeheten 'multitude' boven de zogenaamde door het kapitalisme tot één enkel imperium samengesmede aarde een regenboog van kleine oppositiegroepen wil spannen.
114. Wat betreft de vijand- en vloekpsalmen kan men spreken van een authentieke woedeschatvorming. Een schat is een voorraad waarden die worden opgehoopt om er in tijden van gebrek op te kunnen terugvallen. Wanneer men uit de schat put betekent dat dat men het opgespaarde leed van gisteren te voorschijn haalt om het opnieuw te gebruiken. Als zo’n schatvorming aan haar doel beantwoordt, kan verblekende woede gereanimeerd worden door middel van het tegoed dat men de loop der tijd heeft opgespaard.
121. Waar apocalyptische denk- en gevoelspatronen het toneel veroveren, daar verliest de betrokkenheid van de om hun heil bezorgde mensen bij de politieke woelingen van hun volk elke zin, omdat naar de overtuiging van de nieuwe school de wereldtijd als geheel aan een nauw omschreven eindfase is begonnen. In zo’n eindtijd verliest het profetisch moralisme elke grond. Er is geen toekomst meer waarin de gelovigen zich zal kunnen inzetten voor zijn loutering; er zal geen nageslacht meer zijn waarop de leer zou kunnen worden overgedragen; er zullen geen vijanden meer zijn tegenover wie men zich als volk staande moet houden.('¦)
.
Sinds de 'Achsenzeit' van de dissidentie beschikken de woedenden over het historisch alternatief van ofwel de Makkabeese ofwel de apocalyptische oplossing, kortom: ofwel de seculiere anti-imperialistische opstand, ofwel de religieuze of parareligieuze hoop op de totale ondergang van alle systemen – een alternatief waaraan de moderniteit slechts één, zij het beslissende derde waarde heeft toegevoegd: die van de reformistische, op middellange termijn afgestemde overwinning van historisch gegroeide misstanden door het toepassen van liberaal-democratische procedures. Het spreekt vanzelf dat de derde optie de enige beschavingsstrategie is die op de duur kans van slagen heeft. ('¦)
Wanneer duivels een woning inrichten, ontstaan er hellen – anders gezegd, schuldarchieven waarin woedemassa’s en wraakimpulsen worden bewaard om op elk moment te voorschijn te kunnen worden gehaald. De Europeanen hebben aan Dantes genie het inzicht te danken dat onder dit regime archief en hel één en hetzelfde zijn. Iedere schuldige wordt daarin zijn eigen dossier verbrand.
Door de personificatie van de woede in de gedaante van de grote omverwerper '“ 'Ik ben de geest die altijd ontkent' '“ werd een woedecentrale gecreëerd waar tot op de drempel van de Verlichting onuitputtelijke impulsen van zouden uitgaan. Doordat de duivel opkwam voor de belangen van de menselijke thymotiek vormde hij een stevige pijler onder de christelijke afwijzing van de menselijke geldingsdrang, strijdlust en concurrentieneiging '“ 'Superbia! Ira! Invidia! Niettemin drukte hij een stevige stempel op de wereldheerschappij van de woede. De leerstelling dat de duivel de vorst is van deze wereld geeft een idee van de reikwijdte van zijn competentie.
128. Laten we de hele operatie nog eens ontleden: het postapocalyptische christendom wist haar overleven als kerk veilig te stellen door het milieu van haar overleven als Kerk, veilig te stellen door het milieu van haar overleven, de wereld of het 'saeculum', aan een alles doordringende ontwaarding te onderwerpen. Om God eigenaar te laten worden van de kerkelijke tegenwereld, moest de primaire wereld aan een voortaan bevoegde demon worden overgelaten – de diabolus, die volgens het christelijke protocol, zoals gezegd, terecht moet worden aangesproken met 'vorst van deze wereld'. In het door Augustinus geratificeerde verraad aan de wereldse wereld komen motieven uit de apocalyptiek, de gnosis en het dualisme samen en vormen aldus een hoogst schadelijk complex. Toen Voltaire eens zei dat de geschiedenis van de mensheid gelijk staat met uittreksels uit de analen van de hel, gaf hij een elegante samenvatting van de gevolgen (of op zijn minst de neveneffecten) van de christelijke verzaking van de wereld.
138. Lof van het vagevuur.
Om de christelijke theologen van na de middeleeuwen recht te doen moeten we zeggen dat ze de onverdraaglijkheid van hun eigen ressentimentsconstructies zelf begonnen te voelen. Ze zagen zich dan ook genoodzaakt na te denken over hoe ze de woedetheologische uitwassen konden afzwakken. Dit leidde tot het uitvinding van het vagevuur. Men overdrijft waarschijnlijk niet als men de nieuwe vagevuurtheologie, die vanaf de 11e eeuw spectaculaire terreinwinst boekte, als dé historische innovatie van het christelijke denken karakteriseert. Ze luidt niet alleen een baanbrekende structurele verandering in, ze ontwikkelt tegelijk een nieuwe logica van de overgangen – een theorie van tweede kansen en derde plaatsen.
De behoefte aan een derde locatie tussen de hel en het paradijs zal na de voorgaande uiteenzetting geen verbazing meer wekken. Anders dan de boeren en de monniken van de vroege middeleeuwen, voor wie de onderdanige humilitas een tweede natuur was geworden, ging de opnieuw ontstane stedelijke bourgeoisie ook op godsdienstig terrein thymotische eisen stellen die niet meer te verenigen waren met terreur van de onderwerping onder het alternatief 'uitverkiezing of verdoeming'. De christelijke burgers van de Europese stadcultuur, die in de hoogtijdagen van de middeleeuwen opnieuw opbloeide, waren de eersten die zich van de onaanvaardbaar van de traditionele eschatologieën overtuigden. Bij hen ontstond allereerst de behoefte de aanstotelijke binaire keuze tussen zaligheid of eeuwige verdoemenis door middel van een overgangsgebied van haar scherpe kanten te ontdoen.
143. Lutherse christenen zullen ongetwijfeld weten dat de antiroomse ijver van de hervormer onder andere het gevolg was van de uitwassen van de handel met de angst voor de hel, waarmee de illusie in stand werd gehouden dat men zich door het verwerven van 'indulgentiën' kon verzekeren van zaligheid in het hiernamaals. Luthers aanzet was in de ware zin van het woord reactionair, in zoverre hij zijn geloofs- en genadepathos combineerde met een onbuigzaam terug-naar-de-verdiende-woede-van-God (die overigens gecompenseerd moest worden door de genade). Als partizaan van het of-of verafschuwde hij de moderniteit van de derde weg, die de katholieke kerk met de instelling van het nieuwe kredietstelsel was ingeslagen. Met behulp van dit stelsel kan men de verhandelbare goddelijke woedekwantums als gevolg van dagelijkse zonden door vooruitbetalingen verminderen – een procedure die niet alleen oppervlakkig aan moderne betalingen in termijn doet denken.
In dit opzicht stond het katholicisme al veel dichter bij het mammonisme van de moderniteit dan de later veelgeroemde geest van het protestantisme in zijn relatie met die van het kapitalisme ooit zou staan. Men moet overigens wel bedenken dat de katholieke woedeschat en de oprichting van een eerste algemene wraakbank nog niet in alle belangrijke bankfuncties konden voorzien, omdat de omvorming van de woedeschatten in volwaardige, uitleenbare en investeerbare kapitalen onder christelijke auspiciën niet mogelijk was.
151. De thymotische revolutie. Over de communistische wereldwoedebank.
Spookachtige blijmoedigheid.
Als de revolutionaire wil een concrete handelingen overgaat en een langere tijdspanne moet overbruggen wordt een expliciete psychopolitiek zowel naar binnen als naar buiten bittere noodzaak. Ze staat voor de taak door het scheppen van een beschikbare woedereserve depressieve verleidingen het hoofd bieden, die zich na politieke tegenslagen onvermijdelijk aandienen – men kan bijvoorbeeld denken aan Lenins immigration blues en zijn steeds erger wordende zenuwinzinkingen na het vervliegen van de revolutionaire hoop van 1905. De oplossing voor dit probleem lijkt te liggen een stevig bondgenootschap tussen blijmoedigheid en strijdbaarheid. In een brief aan Karl Marx van 13 februari 1851 formuleerde Friedrich Engels een aantal van de psychopolitiek wijsheden die de revolutionair het overleven temidden van de historische maalstroom mogelijk maken. à‰én ervan is dan dat men angstvallig moet waken over de eigen geestelijke superioriteit en materiële onafhankelijkheid 'door feitelijk revolutionairder te zijn dan de anderen '. Het is dus zaak elke officiële overheidsbetrekking te mijden, indien mogelijk ook elke partijfunctie. Een revolutionair heeft dus geen officiële bevestiging door ambten nodig – en geen applaus van 'een zootje ezels, die op ons zweren omdat ze denken dat wij net zo zijn als zij'. Dus: 'geen zitting nemen in comités pp., geen verantwoordelijkheid voor ezels, onbarmhartige kritiek op iedereen, en daarbij die blijmoedigheid die ons door geen enkele samenzwering van schaapskoppen kan worden ontnomen'. Hiermee wordt de aanbeveling van Aristoteles: 'Nooit haten, maar vaak minachten' nieuw revolutionair leven ingeblazen.
156. In elk geval zouden de militante idealen, die zich gedurende de laatste 200 jaar tot belangrijke, zoniet bepalende factoren van de grote politiek hebben ontwikkeld, volkomen onbegrijpelijk blijven als men de megalothymische gevoelens, eenvoudiger gezegd de eerzucht en geldingsdrang, van hun verkondigers buiten beschouwing zou laten – ze zouden in elk geval nog vreemder worden dan ze voor de tegenwoordige burgers van de westerse wereld, die leven in een tijd waarin de idee van de grote politiek verloren is gegaan, toch al zijn. Ze verklaren tevens waarom de knappe koppen van de oppositionele bewegingen meestal moreel gevoelige leden van de bourgeoisie waren, die, gedreven door een mengeling van ambitie en verontwaardiging over de heersende omstandigheden, overliepen naar het kamp van de revolte of revolutie. Voor hen allen gold wat Albert Camus over de geboorte van gemeenschappelijke geest van de verontwaardiging zei: 'Ik kom in opstand, dus wij zijn' – een zin waarvan het nauwelijks invoelbaar pathos heel duidelijk bij een verloren tijdperk hoort. Op soortgelijke wijze liet Heiner Müller enkele decennia later een van zijn figuren zeggen: 'Het vaderland van de slaven is de opstand.'
164. Het anarchisme legt heel onverbloemd zijn oorsprong uit het wraakpopulisme bloot. De ware sociale anarchist droomt van de versmelting van de onbeteugelde vernietigingsdrang van afzonderlijke individuen tot een onmetelijke volkswoede, die tot dan toe slechts latent aanwezig was. Zoals de vroege christenen hoopten op de wederkomst van de Heer, zo hoopt de anarchist op de manifeste explosie van de volkswoede.
('¦)
Uit de relatief geringe politieke betekenis van het bakoeninisme mag men niet concluderen dat het alleen maar ging om een retorische beweging – als het ware een politiek voorspel van het surrealisme. Ook het feit dat het rond 1900 in kringen van bohémiens op esthetische wijze gerecipieerd werd, mag niet verhullen dat het uiterst belangrijk was voor de vorming van een activistische habitus. In feite is de onverbloemde vernietigingsfilosofie van de anarchisten een van de bronnen van de mobilisatorische en extremistische houding, die later kenmerkend werd voor de fascistische bewegingen van zowel linkse als rechtse signatuur.
171. Als het klassenbewustzijn volledig aan zijn hoge eisen wilde voldoen, moest het drie dingen in volwaardige staat in zichzelf verenigen: klassenkennis, klassentrots en klassenwoede. De eerste factor was naar de overtuiging van zowel communisten als anarchisten al door de levenservaring van de arbeiders gegeven, hoezeer hij ook vervolmaking behoefde door gevechtservaring, zelfkritiek en dialectische theorie. De tweede moest met argumenten uit de sfeer van de mensenrechten, de arbeidsantropologie en de politieke economie tot leven worden gewekt – ze moesten het proletariaat helpen het hart zo hoog te dragen als paste bij zijn waardescheppende rol. De derde ten slotte moest met propagandistische middelen aangewakkerd en gekanaliseerd worden: 'Het recht dat als vuur in een vulkaan/ nu met geweld naar buiten dringt'- aldus het beeld dat de Internationale van het verloop van de thymotische mobilisatie schetst.
176. De toekomst wordt op die manier substantieel identiek met rendementen uit het met vooruitziende blik belegde kapitaal van woede en verontwaardiging.
Juist dit verzamelen en weer uitgeven moest ten behoeve van de schepping van een groot militant lichaam op een bredere schaal worden gepresenteerd. Zodra de radicale subjectiviteit van de leider op de radicale partijfunctionarissen (en daarnaast op de nieuwe geheime diensten) was overgedragen, zal een heel nieuw soort politiek organismen ontstaan: namelijk de woedebank, die met de tegoeden van de klanten historische transacties ondernemen. Dankzij haar optreden op de markt van de hartstochten verandert de collectieve woede van een louter aggregaat van psychische politieke emoties in een kapitaal dat rendement moet afwerpen.
179. De economie definieert een bank als een verzamelplaats van kapitaal. Haar belangrijkste taak is het beheren van de tegoeden van haar cliënten, in die zin dat ze gelijk blijven of toenemen in waarde. In praktisch opzicht betekent dit dat het ingelegde geld van de cliënt, dat op het moment van de inleg een onvruchtbare schat is, meteen in kapitaal verandert, dat vervolgens in ondernemingen met winstoogmerk wordt geà¯nvesteerd. à‰én van de belangrijkste functies van een bank is dat ze als risicobuffer werkt, namelijk door de cliënten te laten meeprofiteren van succesvolle investeringen en ze indien mogelijk voor debacles te behoeden. Dit arrangement wordt gestuurd door de rente, die uiteraard des te lager uitvalt naarmate er meer risico’s moeten worden afgedekt.
184. Boris Groys beschrijft het maatschappelijk kapitaal van de geaccumuleerde kunstobjecten als een 'archief' – waarbij de uitdrukking, anders dan bij Foucault, ironisch genoeg niet naar het stoffige, dode aspect van het magazijn verwijst, maar naar zijn levendig stimulerende, keuzesturende tendensen. Als drager van het 'archief' komt uiteindelijk alleen de staat in zijn waardigheid van cultuurbewaker in aanmerking, of beter gezegd de denkbeeldige internationale van staten (terwijl de privé verzamelingen hun relatieve waarde enkel in relatie tot de openbare verzamelingen en hun virtuele synthese in het 'archief' kunnen doen gelden.
198. De versteende kolommen van de statistieken wijzen uit dat in de 20e eeuw tegenover één moord uit naam van het ras twee à drie moorden uit naam van de klasse staan. ('¦)
Fascisme is socialisme in één land – zonder dat internationalistische aanvullingen worden beoogd. Wanneer men de nadruk ligt op het collectivisme van het front en het egalitarisme van de productie, kan men vaststellen dat fascisme socialisme zonder proletariaat is oftewel egalitarisme op volkse basis. Zijn 'modus operandi' is het versmelting van de bevolking tot een thymotisch gemobiliseerde meute, die zich door haar aanspraak op grootheid in een volkscollectief verenigd waant.
203. Weerspiegeling van de strijd om het thymosmonopolie drongen ook door in het denken van de subtiele denkers van het Westen. Walter Benjamin laakte in zijn overpeinzingen 'àœber den Begriff der Geschichte'(1940) de sociaal-democratie om haar idee dat latere generaties pas van de betere leefomstandigheden zouden profiteren. Door zich te richten op toekomstige resultaten, zo wierp hij tegen, zou 'de pees van de beste kracht' van de arbeidersklasse worden doorgesneden, omdat ze door het aanleren van geduld 'de haat en de offervaardigheid' zou afleren. Wie moet haten, moet de hoop laten varen en zich laten leiden door de stuitende beelden van het verleden.
” Want beide (zowel haat als zelfopoffering- P.Sl.) voeden zich met het beeld van de geknechte voorouders, niet met het ideaal van de bevrijde kleinkinderen.'
Met dit soort argumenten verklaarde schepper van historisch-messianistische thesen zich bereid de door de communisten zo gewaardeerde klassenhaat een hogere wijding te geven. Wie zich een beeld wil vormen van de kracht van de links-fascistische verleiding – en van het decente charme van de al te theologische interpretatie van de lopende geschiedenis – moet kennisnemen van het feit dat zelfs een schrijver van het kaliber Benjamin voor zulke geweldheiligende, sovjetvriendelijke diensten te porren was.
209. In deze atmosfeer veranderde het Russische volk in een collectieve passieve mystici, die door de staat geholpen werden bij het opgeven van hun eigen persoonlijkheid. De kunstenaar Ilya Kabokov heeft in een autobiografisch gesprek met Boris Groys de grondstemming in de Russische 'samenleving' voor en na de dood van Stalin opgeroepen: 'De sovjetmacht werd aanvaard als een sneeuwstorm, als een klimatologische catastrofe. Hoeveel het leven destijds ook weg had van een nachtmerrie, we hadden het prettige gevoel dat iedereen zo leefde'¦'
237. De versplintering in de tijd van het midden.
'De conservatieven beginnen met teleurstelling,
de progressieven eindigen met teleurstelling,
allen lijden aan de tijd, en daarin stemmen ze overeen.
De crisis wordt algemeen.' Niklas Luhman, Protest.
Als we het persoonlijke kenmerk van de actuele psychopolitieke wereldtoestand in één zin zouden moeten uitdrukken, zou die als gevolg moeten luiden: we zijn in een tijd beland waarin het aan woedeverzamelplaatsen met een mondiaal perspectief ontbreekt. Noch in de hemel, noch op de aarde weet men nog iets fatsoenlijks met de 'gerechtvaardigde woede van het volk' aan te vangen. De heilige fureur van Jean Paul Marat , een van de ergen en groten onder de agitatoren van 1789, nog geloofde dat ze een nieuwe samenleving zou creëren, loopt tegenwoordig overal op niets uit. Ze produceert slechts een ontevreden ruis en leidt tot nauwelijks meer dan geà¯soleerde expressieve daden.
241. Wie 'After Theory' zegt, bedoelt ekigenlijk 'After Politics'. 'Na de politiek' leeft degene die niet meer kan geloven dat wat er nog gedaan kan worden 'de revolutie' vooruithelpt. Daarmee brokkelt het actuele adventisme af, dat zijn stempel drukte op het prerevolutionair en revolutionaire bestaan. Terwijl de activisten doordrongen waren van de zekerheid dat het heden de kiemen van het komende bevatten, leven de ontnuchterden van tegenwoordig vanuit de overtuiging dat de toekomst al langs is geweest – en op een tweede bezoek zit niemand te wachten.
242. Telkens als men onder intellectuelen van de oude stempel de herontdekking van de politiek bezweert klinkt er iets als heimwee door naar de tijden dat men wilde geloven dat de dag van de woede nabij was.
243. In het jaar 1951 noteerde Albert Camus met het oog op de doorstane gruwelen: 'De rampspoed is tegenwoordig het gemeenschappelijke vaderland'. Maar van gemeenschappelijke vaderlanden buiten de eigen belangensfeer wil de huidige mens meestal niets meer weten. Zelfs de negatieve utopie, de verwachting van een wereldwijde natuurramp is niet in staat een overkoepelende horizon van verplichtend ontwaken te creëren. De geest van het persoonlijke, lokale, nationale, internationale, imperiale egocentrisme zit zo diep dat elke eenheid zichzelf op haar eigen manier wil aanpraten dat ze zelf van alle ellende verscholen blijft, ook al zou de rest door de maalstroom verslonden worden. De komende decennia zullen leren hoe gevaarlijk de multi-egoà¯stische situatie is. à‰én van de lessen van de 20e eeuw was dat een van boven opgelegd universalisme gedoemd is te mislukken; misschien zal de 21e eeuw wel met het stigma belast worden dat hij niet in staat was op tijd voor een gevoel voor gemeenschappelijke situaties van onderaf te zorgen.
247. De erotisering van Albanië . De avonturen van de postcommunistische ziel.
In functioneel opzicht impliceert de postcommunistisch situatie, zoals gezegd een terugkeer van de planeconomie naar de markteconomie, respectievelijk de vervanging van het medium taal door het medium geld. In psychopolitiek opzicht betekent deze bekering dat systemen die door woede en trots worden aangedreven, worden omgevormd tot systemen die door begeerte wordt aangedreven – of om het in de terminologie van de politieke analyse uit te drukken: er wordt afscheid genomen van het primaat van de thymotiek ten gunste van de erotisering zonder grenzen.
258. De expansie- en innovatiedrang die de kapitalistische productiewijze kenmerkt is dus het gevolg van de kunstig ingedamde maar nooit volledig uitschakelbare Ponzi factor binnen het systeem als geheel. Het kapitalistische geldeconomisch complex vormt een wereldomspannende netwerk van operaties om schuldenbergen te verplaatsen. Maar zelfs het meest uitgekiende Ponzi-systeem kan op lange termijn nooit meer dan het moment waarop het ontmaskerd wordt voor onbepaalde tijd vooruit schuiven – hooguit op het moment waarop geen expansie meer mogelijk is, omdat alle nieuwe medespelers die voor het spel in aanmerking komen al meedoen. Zover is het voor de actuele wereld nog niet gekomen; voorlopig is er dus nog geen reden voor acute paniek. De onzekerheid omtrent het moment waarop het doek zal vallen is voor de spelers vooralsnog voldoende reden om de toekomst met vertrouwen tegemoet gezien. Toch zou men de cliënten uit voorzorg moeten wijzen op de voorspelling van een kleine groep deskundigen dat het openheidseffect '“ de schijn dat het spel onder de huidige condities tot in het oneindige kan worden voortgezet – nog maar luttele tientallen jaren kan worden bereikt.
275. De uiterste boosaardigheid van de kampwerelden, zoals die door Lenin, Stalin, Hitler en Mao geschapen werden, schuilt niet zozeer in het feit dat de mensen tot de status van een 'naakt leven' gereduceerd werden, zoals Giorgio Agamben in een toegespitste interpretatie probeerde aan te tonen. Het kamp berust eerder op het inzicht dat de hel de anderen zijn, zodra ze elkaar hun ongewenste nabijheid opdringen – Sartre hoefde in 'Huis clos' alleen maar de macrohel door de microhel te vervangen. Wie zijn vijanden tot totale coëxistentie aan elkaar plakt, zorgt ervoor dat ieder afzonderlijk op het kleine vuur van de geà¯nduceerde vijandigheid tegen zijns gelijken ontwricht raakt. Alleen heiligen doorstaan kampsituaties zonder dat ze aan menselijkheid verliezen. 'Kamp' is niet meer dan een conventionele benaming voor de moderne haarden van de misantropie. Zonder rekening te houden met het occulte misantropische substraat – slechts vaag uitgedrukt in het verhulde oordeel van alledag dat de ene mens de andere koud laat (Céline: 'weer een klootzak minder') – zouden exterministische excessen van het recente verleden nog duisterder blijven dan ze het, alle tot dusver ondernomen historische en psychologische verklaringpogingen ten spijt, toch al zijn.
276. Ook de xenofobie van rechts is slechts één van de gietvormen voor het plasma van de misantropie. ('¦)
Wie alleen aanstoot neemt aan de politieke en ideologische kostuums van de afkeer van het sociale, blijft doof voor de misantropische boodschap als zodanig.
De gangbare kritiek op de vijandigheid tegenover het vreemde, zoals die door de vertegenwoordigers van de liberaal-filantropische meerderheid wordt geuit, wordt gekenmerkt door de aanname dat men zich voldoende heeft ingedekt als men zijn bevreemding over de bevreemding van de anderen maar luid genoeg kenbaar maakt. Van de duistere kanten van de misantropische instelling wil men op geen enkele manier kennisnemen, net zomin bij zichzelf als bij de anderen. In werkelijkheid is de sociofobische-misantropische neiging net zo thuis in het linkse als in het rechtse kamp, ze ijvert in alle opportune idiomen tegen de vereiste van het coëxisteren met wat of wie dan ook. Het epidemische, amorfe vandalisme laat de negatieve droesem naar de oppervlakte stijgen. Het laat zien hoe een primaire, ongemengde en ongetemperde misantropie, de bodemloze weerzin tegen de omgeving en de samenleving, ja zelfs tegen de wereld als geheel, als motief voor het handelen kan fungeren. Daarbij blijkt hoe de misantropie van haar kant de speciale vorm aanneemt van een amorfe negativiteit, die men met begrippen als misokosmie of misontie zou kunnen omschrijven: vijandigheid tegenover de wereld en het zijnde als geheel. Zij maakt de weerzin tegen de eisen van de existentie en de coëxistentie in het algemeen zichtbaar.
Het wereldtheater van de dreigementen.
280. De 'spookachtige' verschijning van deze beweging, waar Jacques Derrida in zijn al eerder genoemde boek 'Spectres de Marx' de nadruk oplegde, kwam echter niet zozeer voor, zoals Derrida suggereert, uit het feit dat het bij het communisme om een rationele utopie ging, dus om een idee dat toch al alleen als spookverschijning en nooit als een figuur van vlees en bloed kan optreden. Wat het opkomende communisme van meet af aan zo spookachtige maakte en de kracht gaf de paranoà¯de reacties van zijn tegenstanders naar zich toe te trekken, was dat het al in een vroeg stadium in staat was de status-quo op een geloofwaardige manier met een omwenteling te dreigen. Toen het zijn vermogen om te dreigen was kwijtgeraakt, was het ook met zijn rol als spook gedaan – en geen enkel filosofisch congres zal de holle kalebas nieuwe spookkracht kunnen inblazen.
281. Ironisch genoeg boekte de communistische wereld woedebank haar belangrijkste succes in de vorm van een onbedoelde bijwerking. Doordat ze een waarlijk angstaanjagend politiek en ideologische dreigpotentieel accumuleerde, hielp ze haar voormalige belangrijkste tegenstanders, de gematigde socialisten en sociaal-democraten in het Westen, het hoogtepunt van historisch prestatievermogen te bereiken. Ze maakte het de parlementaire geà¯ntegreerde socialistische partijen in Europa makkelijk bij de liberale en conservatieve zaakwaarnemers van het kapitaal en ongekend aantal compromissen op het gebied van de herverdeling van rijkdom en op dat van de sociale zekerheid af te dwingen. In deze context leek het de sociale partners van het Westen logisch grote delen van de nationale industrieën, vooral in Frankrijk en Groot-Brittannië, onder controle van de staat te brengen
Als het klopt dat soevereiniteit het vermogen is om op een geloofwaardige manier te dreigen, dan bereikten de West-Europese werknemerspartijen en de vakbonden hun belangrijkste soevereiniteitseffecten dankzij het indirecte dreigement van de klassenstrijd, dat ze tijdens loononderhandelingen konden inzetten zonder zelf de vuisten te hoeven ballen. Ze konden volstaan met discreet te wijzen op de realiteit van de Tweede Wereld om de werkgevers duidelijk te maken dat ook hier de sociale vrede zijn prijs heeft. Samenvattend kan men zonder veel overdrijving vaststellen: de sociale verworvenheden in het naoorlogse Europa, vooral het 'kapitalisme met een menselijk gezicht' met de bijbehorende verzorgingsstaat en de almaar uitdijende therapiecultuur, waren geschenken van het stalinisme '“ vruchten van de woede, die overigens pas nadat ze naar een vrijer klimaat waren geëxporteerd tot een zekere zoetheid konden rijpen.
('¦)
Onder deze omstandigheden konden de organen van de werknemers in het Westen niet langer op hun gemak profiteren van de angst voor het communisme die in het kapitalistische kamp heerste. De liberaal- conservatieve politici kwamen tot de ontdekking dat men tijdens de loononderhandelingen een verzwakte, om niet zozeer in verval geraakte tegenpartij tegenover zich had. Deze was enerzijds door een relatieve verzadiging uit vorm geraakt, anderzijds was ze het slachtoffer van een sluipende verlamming, die het gevolg was van een ideologische deflatie van linkse beweging.
De gevolgen van dit alles bepalen psychopolitieke klimaat van het Westen vanaf de vroege jaren '80 tot op de dag vandaag. In combinatie met de klimatologische effecten van 11 september 2001 wordt het steeds waarschijnlijker dat het kapitalisme een neoautoritaire wending zal nemen, tegen een liberaalkrijgszuchtige achtergrond. Vanuit het perspectief van vandaag komt het jaar 1979 naar voren als de sleuteldatum van de late 20e eeuw. In drievoudig opzicht vond in dat jaar de overgang plaats naar de postcommunistische situatie: door het begin van het einde van de Sovjet-Unie na de militaire invasie in Afghanistan, door het aantreden van Margaret Thatcher en de consolidatie van de islamitische revolutie in Iran onder ayatollah Khomeini.
Wat men neoliberalisme noemt, is in feite niets anders dan een herberekening van de kosten van de interne vrede in de landen van de kapitalistische sociaal-democratische 'gemengde economie' van het Europese type of van het 'gereguleerde kapitalisme' à la de VS. Deze herberekening leidde tot de onvermijdelijke conclusie dat de westerse ondernemers onder tijdelijke politieke en ideologische druk vanuit het oosten teveel hadden betaald voor de sociale vrede. Men achtte de tijd rijp voor kostendrukkende maatregelen, die uiteindelijk tot doel hadden het accent van het primaat van de volledige werkgelegenheid te verschuiven naar de voorrang van de dynamiek van het ondernemen. Dit had een regelrechte ommezwaai van de tijdgeest tot gevolg. Deze nam steeds sneller afstand van een even rebelse als dirigistische comfortethiek (die zich alleen in Frankrijk wist te handhaven), om de voorkeur geven aan een ondernemersgerichte risico-ethiek – waarbij men ervan overtuigd was dat men de ontmoediging van de nieuwe 'klasse' van overbodigen, afgedankten en afgescheepten wel als externe kostenfactor op de koop toe kon nemen. Sindsdien worden de deelculturen van de amusementverschaffing en het depressiebeheer in het Europese Kristalpaleis steeds verder uit elkaar gedreven.
De derde inzameling – Kan de politieke islam een nieuwe wereldbank van het protest oprichten?
287. Wat de politieke islam geschikt maakt als mogelijke opvolger van het communisme zijn drie voordelen die men op analoge wijze bij het historisch communisme, kon waarnemen.
1. Het eerste heeft te maken met het feit dat in het islamisme een meeslepende missiedynamiek is ingebakken. Hierdoor heeft het de mogelijkheid om een snel aangroeiend collectief van merendeels pas bekeerden, d.w.z. een 'beweging' in engere zin, te vormen. Het richt zich niet alleen quasi universalistisch 'tot allen', zonder onderscheid van natie en sociale klasse; het oefent juist op de benadeelden, de besluitelozen en verontwaardigden (voorzover ze niet van het vrouwelijke geslacht zijn en soms ook op hen) een bijzondere aantrekkingskracht uit. Dit komt doordat het als belangenbehartiging van de spiritueel en materieel verwaarloosde armen optreedt en als hart van een harteloze wereld sympathie wekt. De bescheidenheid van de toetredingsvoorwaarden speelt hierbij een beslissende rol. Zodra iemand in de gelederen van de gelovigen is opgenomen is hij al volledig inzetbaar voor de strijdende gemeenschap – in sommige gevallen meteen al als martelaar. Doordat ze worden opgenomen in een vibrerende commune krijgen de nieuwelingen vaak het gevoel dat ze voor het eerst een vaderland hebben gevonden en dat ze een niet onbelangrijke rol in het drama van de wereld spelen.
2. De tweede aantrekkingskracht van de politieke islam heeft te maken met het feit dat het – net als destijds het communisme – zijn volgelingen een overzichtelijk, strijdbaar en grandioos theatraal wereldbeeld heeft te bieden, dat berust op een duidelijk onderscheid tussen vriend en vijand, een niet mis te verstane opdracht om te overwinnen en aanlokkelijke utopische toekomstvisie: de hernieuwde stichting van het wereldemiraat, dat het islamitische millennium een wereldwijde thuishaven zal bieden, van Andalusië tot aan het Verre Oosten. Daarmee wordt de figuur van de klassenvijand vervangen door die van de geloofsvijand en die van de klassenstrijd door die van de heilige oorlog – met behoud van het dualistische schema van de strijd der principes, van een onvermijdelijke lange en bloedige oorlog, die uiteindelijk, zoals gebruikelijk, door de partij van de goeden zal gewonnen worden.
Voorzover het fundamentalisme politiek wordt gebruikt, heeft het, zoals men gemakkelijk inziet, minder te maken met het geloof dan met een prikkeling tot handelen, preciezer gezegd het creëren van rollen waardoor grote aantallen potentiële acteurs in staat worden gesteld van de theorie op de praktijk over te stappen – beter gezegd van de frustratie op de praktijk.('¦)
3. De derde en in politiek opzicht veruit belangrijkste reden voor de onvermijdelijke toenemende dramatiek van de politieke islam (ook al lijkt het op dit moment, na een reeks nederlagen, iets van zijn eerste aantrekkelijkheid te hebben ingeboet) heeft te maken met de demografische dynamiek van zijn rekruteringsveld. Net als de totalitaire bewegingen van de 20e eeuw is het in essentie een jeugdbeweging, preciezer gezegd een jongemannenbeweging. Zijn elan resulteert voornamelijk uit het overschot aan vitaliteit van een onophoudelijke aanzwellende reuzengolf van werkloze en sociaal wanhopige mannelijke jongeren tussen de 15 en de 30 – in meerderheid tweede, derde, vierde zonen, die hun uitzichtloze woede alleen door deelname aan het eerst het beste agressieprogramma kunnen uitleven. Doordat de islamitische organisaties in hun thuislanden tegenwerelden voor de bestaande orde creëren, vlechten ze rasterwerken waarin de toornige jongemannen met ambities zich belangrijk kunnen voelen – daartoe behoort de drang om nabije en verre vijanden te lijf te gaan, liever vandaag dan morgen.
290. De nieuwe mobilisaties – of ze nu overeenstemmen met de theorie van de koran of niet – zouden wij onveranderd hoge geboortecijfers alleen al in de Arabische hemisfeer tot het midden van de 21e eeuw een reservoir van enkele honderden miljoenen jongemannen kunnen beà¯nvloeden, die voor een existentieel aantrekkelijke zinverlening op politiekreligieus bemantelde zelfvernietigingprojecten zijn aangewezen. In de duizenden Koranscholen, die sinds kort overal waar overkokende jongemannen overschotten bestaan uit de grond worden gestampt, worden de onrustige groepen in de begrippen van heilige oorlog getraind. Slechts een klein deel hiervan zal zich in het externe terrorisme kunnen manifesteren; veruit het merendeel zal in levensverslindende burgeroorlogen op Arabische bodem worden geà¯nvesteerd – oorlogen waarvan het Iraaks-Iraanse bloedbad (1980-1988) een voorproef heeft gegeven en waarvan de kwantitatieve proporties hoogstwaarschijnlijk tot in het monstrueuze zullen uitdijen.
291. Deze verwijzingen naar de actuele massabasis van radicaal-islamistische bewegingen geven meteen ook de grens aan waar hun overeenkomsten met het historisch communisme eindigen. Zowel de huidige als de toekomstige verkondigers van de islamistische expansiegedachten lijken op geen enkele manier op een klasse van arbeiders en loontrekkers, die zich verenigen om door de verovering van de staatsmacht een einde aan hun misère te maken. Veeleer vertegenwoordigen ze een nijdig subproletariaat, erger nog, een desperate beweging van economisch overbodigen en sociaal onbruikbaren, voor wie er in hun eigen systemen veel te weinig aanvaardbare posities zijn, ook al zouden ze door staatsgrepen of verkiezingen aan de macht komen.
293. De islamofiel Friedrich Nietzsche zou tegenwoordig zijn oordeel moeten bijstellen. De verwijten die hij in zijn vloek op het christendom uitte, hebben zich als het ware achter zijn rug aan een andere geadresseerde aangepast. Het radicale islamisme van onze tijd is het eerste voorbeeld van een puur wraakzuchtige ideologie: het kan alleen straffen, maar brengt niets tot stand.
De zwakheid van de islam als politieke religie, of hij nu van gematigde of radicale snit is, vloeit voort uit het feit dat hij principieel op het verleden is gericht. Zijn leiders kunnen tot dusver niets dan atechnische, romantische, door woede gekleurde begrippen voor de wereld van morgen formuleren. Ongetwijfeld zal de retoriek van de grandioze woede de komende 50 jaar de aanzwellende protestmassa’s van het Midden-Oosten op de been weten te brengen. Als mobilisator van thymotische reserves van ongekende omvang heeft het islamisme nog lang niet het einde van zijn mogelijkheden bereikt.
Conclusie '“ Aan gene zijde van het ressentiment.
297. Het volgende inzicht moet als een axioma gelden: in een tijd van globalisering is geen politiek van grootschalige leedvereffening meer mogelijk, zolang die berust op het nadragen van onrecht dat in het verleden is aangedaan, ongeacht of een dergelijke politiek zich als democratisch of socialistisch messianisme of als wereldverlossing wenst te camoufleren. Dit inzicht vormt een aanzienlijke beperking voor de morele productiviteit van beschuldigingsbewegingen, zelfs als ze zich – zoals het socialisme, het feminisme, het postkolonialisme – inzetten voor een op zichzelf respectabele zaak. Het is tegenwoordig veel belangrijker de aloude, noodlottige alliantie tussen intelligentie en ressentiment te verbreken, om ruimte te scheppen voor toekomstgerichte paradigma’s van ontgifte levenswijsheid. De criteria hiervoor zijn niet bijzonder nieuw. John Locke, de geestelijke leidsman van de liberale Engelse bourgeoisie, heeft ze in 1689 in eenvoudige taal geformuleerd: het gaat om de fundamentele rechten op leven, vrijheid en eigendom. Wat de succesgeschiedenis van deze trias betreft zijn historische bevindingen evident: alleen in die gebieden van de wereld waar deze normen gerespecteerd worden, treden er werkelijke verbeteringen in de leefsituatie op.
298. Nietzsches zorg gold de vervanging van de toxische figuur 'wraakzuchtig deemoedigheid' door een intelligentie die zich opnieuw vergewist van haar thymotische motieven. Men snapt dat dit zonder openlijke ambitiecultuur niet te bereiken valt. Die zal in die zin postmonotheà¯stisch moeten zijn, dat de verzinsels van de vergeldingmetafysica en haar politieke weerslag grondig ondermijnt. Men moet streven naar een meritocratie die zowel inter- als transcultureel een antiautoritair ontspannen moraal weet te verenigen met een duidelijk normbesef en respect voor onvervreemdbare mensenrechten. Het avontuur van de moraal voltrekt zich via het parallellogram van elitaire en egalitaire krachten. Alleen in dit kader is accentverschuiving van toe-eigeningsdriften naar schenkende deugden denkbaar.
De inzet van dit opvoedkundige programma is hoog. Hierbij gaat het om het opstellen van een 'code of conduct' voor veelzijdige beschavingscomplexen. Zo'n schema moet stevig genoeg zijn om in het reine te komen met het feit dat de gecompromitteerde en geglobaliseerde wereld vooralsnog multimegalomaan en interparanoà¯de blijft. Men kan een universum van energieke, thymotische prikkelbare individuen niet met behulp van idealistische synthesen van bovenaf creëren, maar alleen door middel van kracht-kracht relaties in evenwicht houden. Grote politiek vindt alleen plaats in de modus van balanceeroefeningen. Balanceren betekent: noodzakelijke strijd niet ontwijken en overbodige strijd niet provoceren. Het betekent ook zich in de wedstrijd met de entropische processen, vooral die van de vernietiging van het milieu en van de demoralisatie, niet bij voorbaat gewonnen geven. Hiertoe moet men zichzelf steeds met de ogen van de anderen leren zien. Wat vroeger door een overspannen religieuze nederigheid moest worden bereikt, zal voortaan tot stand moeten worden gebracht door een rationaliteitscultuur, die gebaseerd is op waarnemingen van de tweede orde. Alleen zij kan de sluwe naà¯viteit een halt toeroepen, namelijk door de geldingsdrang met zelfrelativering te combineren. Voor het vervullen van die taken is tijd nodig – maar dat is niet meer de historische tijd van het epos en van het tragische drama. De tijd die hier aan de orde is moet als leertijd van beschavingen worden gedefinieerd. Wie alleen 'geschiedenis' wil maken blijft bij deze definitie achter.
Het woord oefening mag niet verhelen dat er steeds geoefend wordt in een op handen zijnde noodtoestand, om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat die niet echt intreedt. Fouten zijn niet toegestaan en toch waarschijnlijk. Bij een gunstig verloop van de oefeningen zou een set van intercultureel verplichte disciplines tot stand kunnen komen, die men voor het eerst terecht met een uitdrukking zou mogen aanduiden die tot dusver steeds voorbarig werd gebruikt: wereldcultuur.
18 maart 2008 at 00:11
[...] Sloterdijk heeft in zijn 'Woede en Tijd' een en ander scherp [...]
12 mei 2008 at 17:47
[...] Heinsohn – daarin gesteund door Peter Sloterdijk in ‘ Woede en Tijd ‘ – neemt afstand van de marxistische meerwaardetheorie. Er is immers meer nodig voor grote [...]