Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Sándor Márai, Bekentenissen van een burger '? uitg. Wereldbibliotheek

12 november 2007

Sándor Márai, Bekentenissen van een burger '? Wereldbibliotheek

Ik ben naar Boedapest gereisd om dit boek te lezen, om me onder te dompelen in een taalomgeving die mij totaal vreemd is, waar het Latijnse alfabet versierd wordt met nog meer diakritische tekens dan bij het Turks. Het gevoel van vervreemding bij het lezen van Márai's 'Bekentenissen van een burger' in een hoek van de Hongaarse hoofdstad aan de Donau is ingrijpend. De architectuur en de politieke hete hangijzers in Boedapest drijven vandaag nog steeds op ressentiment om wat eens Groot-Hongarije zou kunnen geweest zijn. Soms lijkt het alsof Magyaren al een millennium lang ‘gothic’ toegedaan zijn en blijven. De architectuur van de 19 de en de vroege 20 ste eeuw staat in Boedapest stijf van de 'neo'- mythes.
Het ressentiment om alle politieke falen, alle nederlagen, alle verlies aan grenzen en mensen en een grote traditie van knutselen aan de eigen geschiedenis maakt het lezen van Márai's werk nog merkwaardiger.
Ook al is 'Bekentenissen van een burger' naar mijn mening niet zijn beste boek in Nederlandse vertaling, het bevat nog steeds fenomenale stukken, die zo scherp formuleren wat het leven en de geschiedenis in petto heeft gehad voor een burger uit Kassa (toen nog in de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie) '? vandaag Košice in Slowakije.
Márai's analyse van het provinciale leven in Kassa aan het begin van de 20 ste eeuw blijft boeiend. Zijn reflectie op zijn rebellie tegenover zijn familiaal milieu, zijn bedenkingen bij zijn Odyssea doorheen Europa zijn gespeend van ieder nationalisme en kleingeestig ressentiment. Zijn 'Ithaka' leek eerst aan de Napolitaanse kust gesitueerd. Het werd echter later definitief in San Diego, Californië waar hij vereenzaamd in 1989 een einde aan zijn leven maakte.

Márai Sándor, zoals hij in het Hongaars heet, wijdt prachtige stukken aan zijn schrijversschap, zijn journalistiek werk, populisten als duivelskunstenaars, de betekenis van Marcel Proust voor de literatuur.
Hij besluit met een aangrijpend afscheid van zijn vader.

Márai was een Europeaan, zoals alle grote intellectuelen zich de voorbije twee eeuwen als Europeaan kenden en herkenden.
Het lezen van hun 'Bekentenissen' al dan niet van een burger hoort vandaag tot de canon van de Europese literatuur.

155. Maar al te dikwijls heb ik later, in de wereld der volwassenen, met name in het politieke leven, uit het niets opgedoken duivelskunstenaars zien optreden die, ondanks het feit dat ze noch opvallend intelligent noch bijzonder goed geà?nformeerd waren, anderen, die in alle opzichten superieur aan hen waren, volledig in hun ban wisten te krijgen, zodat de laatstgenoemden zonder verzet en met een bijna wellustige of sombere berusting naar hun pijpen dansten. Een interessante vraag is in hoeverre seksuele factoren een rol spelen in de relatie tussen dergelijke figuren en hun aanhangers. Ik zou er het antwoord niet op durven geven. Zulke als een komeet verschijnende en als een nachtkaars uitdovende demagogen zijn een geliefd onderwerp in de tendensliteratuur. Ze duiken meestal in een periode op waarin de mensen ontevreden zijn, zaaien daar ongerustheid en twijfel en wakkeren latente conflicten aan, zodat de stemming opstandig of revolutionair wordt. Nadat ze aldus een gistingsproces opgang hebben gebracht, wordt de grond hun gewoonlijk te heet onder de voeten en knijpen ze ertussen uit. Hun rol eindigt meestal op het schavot of in een legende… ik heb dergelijke scheppers en verspreiden van politieke mythen altijd gewantrouwd, maar toch ben ik als kind, samen met andere kinderen, het slachtoffer geweest van zo’n figuur in het klein, in de beslotenheid van de kleine, ‘geordende’ samenleving die onze huurkazerne was.

183. Eigenlijk is er geen ander ‘incident’ dan de familie en geen andere ‘tragedie’ dan het moment waarop de moeten beslissen of we in onze familie en in de grootschalige versie daarvan – ideologie, klasse en ras – blijven., of dat we onze eigen weg gaan in de wetenschap dat we voortaan voor eeuwig alleen zullen zijn. We zijn dan wel vrij, maar aan iedereen overgeleverd en als er problemen zijn, is er niemand om ons te helpen, maar moeten we alles alleen opknappen… Ik was 14 jaar toen ik van huis wegliep; daarna bracht ik nog wel eens een bezoek aan mijn ouders, bijvoorbeeld met de feestdagen, maar uitsluitend een kortstondig. De tijd is een onvermoeibare heelmeester en zo nu en dan leek het of de wond volledig genezen was, maar veel later, na 20 jaar, begon hij onverwachts en zonder zichtbare oorzaak opnieuw te bloeden en deed ondraaglijke pijn. Daarna werd hij weer gevoelloos en kon ik hem een tijdlang vergeten. Ik wil hier de waarheid schrijven. Aan die waarheid heb ik mezelf met veel moeite gewend, zoals een lijder aan een ernstige ziekte zichzelf dwingt een bitter en gevaarlijk medicijn in te nemen. Misschien zal het middel hem het leven kosten, misschien zal het hem baten, het doet er niet toe, want hij heeft niets te verliezen. De waarheid is dat ik niemand aansprakelijk kan stellen voor mijn geestelijke gesteldheid en de wending van mijn lot.

De nacht voor de scheiding

Kentering van een huwelijk.

Sándor Márai, Een leven in beelden – Ernà? Zeltner

142. Je moest ergens bij horen en omdat ik niet meer tot de grote, vrome kudde wilde behoren, sloot ik me noodgedwongen bij een minderheid aan. Een lot nam vorm aan en een mens vond min of meer zijn plaats in het leven. Ik was uit een grote gemeenschap gestoten en ging voortaan mijn eigen weg, maar dat laatste heb ik pas veel later begrepen.

155. Maar al te dikwijls heb ik later, in de wereld der volwassenen, met name in het politieke leven, uit het niets opgedoken duivelskunstenaars zien optreden die, ondanks het feit dat ze noch opvallend intelligent noch bijzonder goed geà?nformeerd waren, anderen, die in alle opzichten superieur aan hen waren, volledig in hun ban wisten te krijgen, zodat de laatstgenoemden zonder verzet en met een bijna wellustige of sombere berusting naar hun pijpen dansten. Een interessante vraag is in hoeverre seksuele factoren een rol spelen in de relatie tussen dergelijke figuren en hun aanhangers. Ik zou er het antwoord niet op durven geven. Zulke als een komeet verschijnende en als een nachtkaars uitdovende demagogen zijn een geliefd onderwerp in de tendensliteratuur. Ze duiken meestal in een periode op waarin de mensen ontevreden zijn, zaaien daar ongerustheid en twijfel en wakkeren latente conflicten aan, zodat de stemming opstandig of revolutionair wordt. Nadat ze aldus een gistingsproces opgang hebben gebracht, wordt de grond hun gewoonlijk te heet onder de voeten en knijpen ze ertussen uit. Hun rol eindigt meestal op het schavot of in een legende… ik heb dergelijke scheppers en verspreiden van politieke mythen altijd gewantrouwd, maar toch ben ik als kind, samen met andere kinderen, het slachtoffer geweest van zo’n figuur in het klein, in de beslotenheid van de kleine, ‘geordende’ samenleving die onze huurkazerne was.

183. In het leven vinden geen ‘belangrijke gebeurtenissen’ plaats. Als we later terugblikken en proberen het ogenblik te ontdekken waarop ons iets beslissends en onherroepelijks is overkomen, een ‘incident’ of een ‘ongeluk’ dat bepalend is geweest voor ons latere leven, vinden wij meestal alleen onbenulligheden en soms vinden wij helemaal niets. Eigenlijk is er geen ander ‘incident’ dan de familie en geen andere ‘tragedie’ dan het moment waarop de moeten beslissen of we in onze familie en in de grootschalige versie daarvan – ideologie, klasse en ras – blijven., of dat we onze eigen weg gaan in de wetenschap dat we voortaan voor eeuwig alleen zullen zijn. We zijn dan wel vrij, maar aan iedereen overgeleverd en als er problemen zijn, is er niemand om ons te helpen, maar moeten we alles alleen opknappen… Ik was 14 jaar toen ik van huis wegliep; daarna bracht ik nog wel eens een bezoek aan mijn ouders, bijvoorbeeld met de feestdagen, maar uitsluitend een kortstondig. De tijd is een onvermoeibare heelmeester en zo nu en dan leek het of de wond volledig genezen was, maar veel later, na 20 jaar, begon hij onverwachts en zonder zichtbare oorzaak opnieuw te bloeden en deed ondraaglijke pijn. Daarna werd hij weer gevoelloos en kon ik hem een tijdlang vergeten. Ik wil hier de waarheid schrijven. Aan die waarheid heb ik mezelf met veel moeite gewend, zoals een lijder aan een ernstige ziekte zichzelf dwingt een bitter en gevaarlijk medicijn in te nemen. Misschien zal het middel hem het leven kosten, misschien zal het hem baten, het doet er niet toe, want hij heeft niets te verliezen. De waarheid is dat ik niemand aansprakelijk kan stellen voor mijn geestelijke gesteldheid en de wending van mijn lot.
Droevige incidenten hebben het proces van mijn rebellie bevorderd, dat op mijn 14e zeer abrupt en hevig aanving en sindsdien in een lichtere vorm voortduurt, met af en toe een nieuwe uitbarsting. Ik weet dat dit zo zal blijven tot mijn dood. Ik hoor bij niemand. Er is geen mens ter wereld – of het nu om vrouwen, vrienden of verwanten gaat – van wie ik de aanwezigheid langere tijd kan verdragen. Er is geen menselijke gemeenschap, beroepsgroep of klasse waarin ik mezelf zou kunnen onderbrengen. Wat levensbeschouwing, leefwijze en geesteshouding betreft, ben ik een burger, maar ik voel me overal sneller thuis dan onder burgers. Ik leef in een anarchie die ik als immoreel ervaar en die toestand kan ik moeilijk verduren.
Het defect is oud, misschien geërfd en prenataal. Soms denk ik wel eens dat ik gebukt ga onder de wortelloosheid van een ten onder gaande klasse.

240. Kafka’s wereld en stem waren mij vreemd, maar toch maakte deze auteur, die – ik weet dat zeker – nooit een aanwijsbare invloed op mijn werk heeft gehad, verborgen krachten in mij vrij. Opeens zag ik de dingen anders en trok ik andere conclusies. Tegelijkertijd werd ik echter angstig en onzeker, alsof ik me niet alleen bewust werd van mijn kracht, maar ook van de taak die op mijn rustte.

279. In mijn ogen was een schrijver iemand die de werkelijkheid op een visionaire wijze begrijpt, die achter de faà?ade van zichtbare wereld de andere, authentiekere werkelijkheid waarneemt die achter de mensen en de dingen is verborgen. Schrijven was voor mij in de kern van de zaak niets anders dan een houding; een morele houding, om een groot woord te gebruiken. Ik gaf me er rekenschap van dat ik een taak had te vervullen, in mijn eentje en zonder enige hulp van buitenaf, en omdat ik me zwak en onmachtig voelde, vervulde die gedachten me met angst en soms zelfs met afschuw.

293. Kennelijk wist hij niet dat bij het contact tussen mensen juist de onbelichte zaken de belangrijkste zijn.

307. Een schrijver moet eigenlijk alleen schijnbaar leven. Hij moet het leven heel goed observeren en imiteren, maar er zo min mogelijk aan deelnemen.

308. Elke schrijver komt er op een dag achter wat zijn bestemming is, maar hij kan er alleen op eigen kracht achterkomen, niet met andermans hulp.

331. Ik ontdekte dat het zichtbare deel van een mens – zijn woorden, meningen, handelingen en uitingen van liefde en haat – niet de totale of de werkelijke mens is, maar alleen een reflectie. Het is moeten de weerschijn van iets onveranderlijks, dat diep onder het zichtbare oppervlak leeft en achter zeven sluiers is verborgen.

393. Proust werd in die jaren steeds belangrijker en kreeg een beslissende invloed op het literaire leven. Niemand kon zich daaraan onttrekken, ook niet degenen die zijn werk niet kenden. De uitstraling van zijn uitzonderlijk talent drong met onweerstaanbare kracht door het weefsel van de literatuur en bereikte indirect en gefilterd zelfs oningewijden en onwetenden. De generatie na hem kon schrijven, maar de auteurs twijfelden – niet zozeer aan hun talent als wel aan hun roeping en aan het prestige van hun gilde. Het is geen toeval dat juist in deze jaren de leuze ‘het verraad van de intellectuelen’ werd geuit. De priesterkaste van de drukletter, met alle geheimen van de welsprekendheid en retorica gezegende of, zo men wil, geteisterde nieuwe generatie Franse schrijvers, was de eerste die uit gebrek aan belangstelling voor de Europese literatuur afleidde dat de schrijver in het slop was geraakt en zijn gezag had verloren, dat zijn woord geen zandkorrel meer in beweging bracht. De literaten hadden de historische nalatenschap van de encyclopedisten en het maatschappijvormende prestige van het schrijverswoord verkwanseld. De literatuur had haar morele krediet verloren. Zelfs het meest volmaakte gedicht, het meest onthullende toneelstuk of de meeste waarheidlievende roman kon geen jota meer aan het menselijke lot veranderen. De schrijver kon niet meer aan het maatschappelijke discours deelnemen. Er werd nog wel naar hem geluisterd en soms kreeg hij zelfs applaus, naar daarna werd hij vergeten, als een acrobaat die zijn kunstje heeft gedaan. De ‘grote geesten’ van Europa waren niet langer in staat met hun aanzien en hun profetische en geà?nspireerde proclamaties de dubieuze plannen van een vastberaden bankier, een corrupte politicus of een oorlogszuchtige generaal te verijdelen. In plaats daarvan brachten de schrijvers steeds volmaakter en met een weergaloze professionele bekwaamheid tot uitdrukking dat ze waren vastgelopen en geen kracht meer hadden.
Aan de revolutie konden ze hoogstens nog deelnemen als geestelijke franc-tireurs, als een vrijschare voor de uitvoering van speciale opdrachten. Ze leidden geen bewegingen meer, maar lieten zich leiden. De ‘grote’ auteurs protesteerden gekrenkt tegen de successen van de journalistiek in het verraad van de ‘stijlkunstenaars’.

423. De stad was armoedig en stoffig, haveloos en triest. Je kon zien dat ze nog maar nauwelijks was ontwaakt uit de bewusteloze toestand waarin ze sinds de oorlog en de daaropvolgende woelingen had verkeerd. Ze leek op een herstellende ziekte die nog wankel ter been is, maar voorzichtig weer rond schuifelt en ook zijn spraakvermogen heeft teruggekregen. Bij het Oktogonplein deed ik de taxi stoppen, ik ging de voet verder. Het was omstreeks zeven uur ’s avonds. De boulevards lagen er verlaten bij. Midden op het plein deed en verkeersagent volmaakt overbodige arm- en polsoefeningen. Hij spande zich enorm in, maar er was nauwelijks een voertuig te bekennen. Alleen in de verte zag ik een personenauto naderen, die met knipogende koplampen op de Andrássyweg reed, en af en toe klingelde op de Ringboulevard.

424. Al lopende ervoer ik het gezichtsbedrog waar veel mensen het over hebben die na een lange afwezigheid naar hun land zijn teruggekeerd, maar dan op een omgekeerde manier: ik vond Boedapest namelijk veel groter en ‘hoofdstedelijker’ dan ik me herinnerde, het leek wel of de huizen waren gegroeid. De stad scheen groter dan Parijs en was enorm uitgestrekt, als of er enkel reuzen woonden, zodat ik mezelf nietig en klein voorkwam, als een dwerg. In Parijs had ik nooit gebouwen gezien met zulke wanstaltig grote afmetingen. Een gevoel van beklemming overviel me, hetzelfde gevoel dat ik had gehad toen ik hier zo groen als gras als student aankwam.

433. Journalistiek is een soort narcoticum, waar je aan te gronde kunt gaan, maar voordat dat gebeurt, leef je in een voortdurende bedwelming en denk je nergens anders aan.

435. Schrijvers zijn soms positief gestemd en wilden dan hun vertrouwen en hun edelmoedigheid laten blijken, maar journalisten maaien onafgebroken met twee sabels tegelijk om zich heen. Schrijvers weten dat je ook kunt strijden door te berusten en te zwijgen, maar een goede journalist volhardt in zijn woede en zijn antipathieën en herhaalt zijn aanklachten telkens weer, althans dat heb ik zo geleerd. Op het moment dat hij aanvalt, gelooft hij ook werkelijk in zijn woede, en die oprechtheid is zijn deugd. Het heeft jaren geduurd voordat ik er achter kwam dat ik niet meer onvoorwaardelijk in mijn woede geloofde. Op een dag wilde de schrijver in mij het woord nemen en toen moest ik kiezen, want als de schrijver spreekt, behoort de journalist de zwijgen. Je kunt niet een dubbelleven leiden of twee tegenstrijdige dingen geloven. Je kunt niet zaken die je als journalist moet haten en aan de kaak stellen, als schrijver begrijpen en vergeven. Op een dag geloofde ik niet meer dat ik geen andere taak in het leven had dan het bestrijden van alles wat smakeloos, laaghartig of schandalig is in deze wereld. Ik geloofde zelfs niet meer dat je met goed gekozen, kernachtige woorden de wereld een heel klein beetje kunt verbeteren. En als ik een journalistiek artikel moest schrijven, voelde ik me onzeker en duizelig worden, als een metselaar die vanaf een hoge steiger omlaag kijkt. Vanaf die dag dacht ik lang na voordat ik een woord neerschreef. Het gevolg hiervan was natuurlijk dat ik minder produceerde dan vroeger, maar dat kon me niet schelen, want het mindere was van betere kwaliteit.

440. Op den duur beheerste mijn werk mijn leven als een ziekte. Schrijven is niets voor ‘gezonde’ mensen: gezonde mensen werken om geld te verdienen en hun leven te veraangenamen, de schrijver werkt echter niet om materieel gewin te behalen, maar om toegang te krijgen tot diepere schachten van een kunstwerk, waar hem gevaren als grondverzakkingen, mijnwater en mijngas wachten. Zodra ik bepaalde werkzaamheden aanving, herleefde mijn oude neurose, als een cyclisch proces.

445. Vader heeft lang geleden. Mensen met wie we onlosmakelijk verbonden zijn, begrijpen we pas naar hun dood volledig. Hij stierf in een vreemde stad, tussen vreemde mensen, alleen omringd door ons, de familie, dat ingewikkelde organisme waarvan hij – ook dat leerde zijn dood ons – het middelpunt en de bestaansreden was. De dood n een vader is altijd een explosie. De familie valt bij die knal uit elkaar en daarna gaat ieder zijn van eigen weg.

448. Mijn vader kende het grote geheim van het leven: hij wist hoe belangrijk beleefdheid is. Soms denk ik wel eens dat je medemensen voorkomend behandelen het beste is wat je met z ene kunt doen. (...)
Wat wilde hij van mij weten? Hij zei het niet, ook niet in dat laatste uur, zoals hij het nooit heeft gezegd, maar hij zweeg uit tact, niet uit zwakheid. Vader wist dat wij mensen niet met elkaar kunnen samenleven zonder tact en discretie en dat we elkaars geheimen moeten respecteren, maar toch keek hij me strak in de ogen. Hij nam afscheid van mij, de oudste van zijn kinderen, op een manier alsof hij me nog iets wilden meedelen, een bijzonderheid of een geheim woord van onze familie, misschien een levensles of een aanwijzing hoe wij, zijn familieleden, na zijn dood met elkaar moest omgaan, maar uiteindelijk zei hij toch niets, alsof hij wist dat hij niemand kon helpen dat zowel de individuen als de familie in haar geheel op eigen kracht in het reine zouden moeten zien te komen met hun lot.

451. Ons leven en ons werk verlopen in een sfeer van permanent gevaar. De klasse waarin ik ben geboren, vermengt zich met lagere klassen die hogerop willen komen. Haar culturele peil is de afgelopen 20 jaar in angstwekkende mate gedaald en zelfs beschaafde mensen stellen haast geen eisen meer op geestelijk gebied. Dag aan dag belanden de idealen waarin ik als kind heb leren geloven, als afgedankte rommel op de vuilnisbelt. De terreur van de kuddegeest verspreidt zich over elk gebied waar vroeger de beschaving heerste. De maatschappij waarin ik leef staat niet alleen al onverschillig tegenover de hoogste prestaties van de menselijke geest, maar ook tegenover de stijl van het dagelijkse leven. De verlangens van deze tijd vervullen me met wanhoop. Ik veracht de smaak, de genoegens en de behoeften van de huidige massa en sla haar moraal met scepsis gade. De overdreven aandacht voor techniek en de behoeften aan records die zo kenmerkend zijn voor onze tijd, acht ik noodlottig. Mensen van de geest zijn zeldzaam geworden en moeten zich overal in catacomben schuil houden, zoals geleerde monniken in de middeleeuwen voor de Vandalen vluchtten. Elke levensuiting van de moderne mens is van angst en pessimisme doortrokken. (...)
Het is alsof diegenen die schrijven, getuigenissen afleggen voor het nageslacht, alsof ze het nageslacht willen laten weten dat in onze eeuw eens het primaat van de rede werd verkondigd.
En wat mijzelf betreft: zolang men mij toestaat de schrijven, zal ik getuigen dat er een tijd is geweest waarin de mensen de rede boven de driften stelden en geloofden in de kracht van de geest – geloofden dat de geest sterk genoeg is om het doodsverlangen van de horde te weerstaan. Dat is misschien geen grandioos levensprogramma, maar tot iets anders ben ik niet in staat. Het enige wat ik kan doen is deze gedachte op mijn onbeholpen manier trouw blijven. Ik heb Europa gezien en Europa’s geluiden en stemmen gehoord, ik heb een cultuur beleefd… Had het leven me meer kunnen geven?
Het moment gekomen om een punt te zetten achter deze bekentenissen. Als een bode die een verloren slag heeft overleefd en hijgend zijn boodschap heeft overgebracht, wil ik van nu af aan alleen nog zwijgen en gedenken.

Reacties graag naar mailadres.