Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Jeroen Olyslaegers, Wil

12 september 2016

Jeroen Olyslaegers, Wil


uitg. De Bezige Bij 2016


Lang geleden dat ik een roman van een Vlaamse auteur mij zo zorgvuldig en schijnbaar achteloos wist te boeien. Het minutieus opgebouwd verhaal om en bij de Van Den Nestlei te Antwerpen met een verbluffend vertrouwde taal die de lezer leidt en lokt langs ingewikkelde vragen van goed en kwaad, vrije intenties en laffe wil, herinneringen en littekens naar een finale die sommigen teveel wordt door de generaties aanslepende druk. En dan lijkt dan de cirkel rond.


Jeroen Olyslaegers bezingt in ‘Wil’ de wrok en hoe die menselijke drijfveer werkt, in tijden van oorlog en vrede, van druk en lust, willen en kunnen. Niets is immers wat het lijkt,


In ‘De literatuur en de goden’ schrijft Roberto Calasso: “Literatuur is nooit een kwestie van één enkel subject. Er zijn minstens drie acteurs: de hand die schrijft, de stem die spreekt, de god die toeziet en gebiedt.(…) We zouden ze het Ik, het Zelf en het Goddelijke  kunnen noemen. Tussen die drie vindt een ononderbroken triangulatieproces plaats. Elke zin, elke vorm, is een variatie binnen dit krachtenveld. Vandaar die dubbelzinnigheid van de literatuur. Want het gezichtspunt verschuift voortdurend ongemerkt tussen genoemde extremen, zonder ons te waarschuwen, en vaak ook zonder dat de auteur het merkt.” 


‘Wil’ is zo’n ononderbroken triangulatieproces dat kan leiden tot strangulatie…


‘Wil’ lezen heeft iets van kijken in de ‘Venetiaanse spiegel’ in het appartement van Stéphane Mallarmé:


‘Et ta glace de Venise, profonde comme une froide fontaine, en un rivage de guivres dédorées, qui s’y est miré ?’. Frisson d’Hiver,1864



Wat een verhaal! Wat een taal!


22.Zojuist heb ik hem nog beschreven als een held uit Hollywood en daar neem ik niets van terug. Hij maakte indruk, hij was bezeten en omgeven door een kracht die een mens zelden ziet en misschien compleet terecht verbindt met lang vergeten helden of een god in zijn angstwekkende schoonheid. Maar mensen zijn in de eerste plaats deerniswekkend, ze zijn niet consequent en maken zichzelf vooral blazen wijs. Een held is geen van hen een leven lang.


39. Wanneer een stad bezet wordt door andere meesters, andere gewoonten, krijgt ge hetzelfde. Na de schok willen de meesten zo snel mogelijk doen alsof het normaal is, dat het leven verdergaat en dat een mens zich moet aanpassen.


94. En kijk, plots werd het oorlog en het leven weer een spel in plaats van een valstrik. Onder het witte camouflagelaken dat idealisme heet zat verveling verscholen, een levenslange straf waar na de oorlog geen rechter aan te pas kwam.


100. Zonder het te weten spiegelen we allemaal wat ons omgeeft en denkt ieder afzonderlijk dat juist dit ons bijzonder maakt, anders dan de rest.


182.  Voor hetzelfde geld en met permissie gezegd is niks heilig, alles beweeglijk en is niks van wat ook waar. De dood maakt het leven van een artiest overzichtelijk, genesteld in zijn nu ongenaakbaar oeuvre, zijn meteen al legendarische voorkeuren en wat zijn vrienden over hem zeggen. De dood bespaart op schaamte, keuzes waar men spijt van krijgt of niet. De dood is vooral op schoonheid belust wanneer hij een jonge dichter velt. Wie te lang leeft, loopt een ernstige kans om in ieders ogen te eindigen als een prutser of een smeerlap.


249. Maar de liefde moet ze toch hebben gekend of in plaats daarvan een diepe rust. Misschien heeft ze zichzelf overwonnen, misschien heeft ze zichzelf helemaal opnieuw uitgevonden, en ging ze daarbij tegen alles in wat anderen ooit van haar hadden verwacht.


287. Een mens heeft behoefte aan onzin, weliswaar door wil, ambitie en toekomstvisioenen gestut, maar dat maakt het niet minder lachwekkend. Veel van die onzin deelt ge alleen maar met uzelf. Af en toe valt ge daarmee iemand lastig die dicht bij u staat. Het is zelden verheffend.


326. Er is geen andere manier wanneer het om familie gaat. Wie u veracht, trakteert ge.





34.We gaan beginnen met Les Chants de Maldoror, geschreven door Isidore Ducasse, beter bekend als de graaf van Lautréamont…’


160. Het is genoeg geweest, ze mogen me komen halen.’ Dat greep me zo vreselijk aan, alsof alleen ik hem dat leven had aangedaan, de zaden van zijn kanker zelf had gezaaid, hem van bij het begin vergiftigd had, en zijn enige daad van verzet ten opzichte van mij de volledige opgave was. Het is genoeg geweest… En ik dan, peinsde ik op dat moment. Hij stak zijn eigen vader voor met dat verlangen. Sommige vaders zouden zeggen: ik heb mijn bekomst gehad, pak mij in plaats van hem. Maar ik niet. Pas na zijn dood werd het voor mij wel eens genoeg en sprak ik dat woord uit, als bij een generale repetitie, zonder gevolgen, een echo van een vloek die mijn eigen zoon over zich had afgeroepen en mij daarmee had besmet.


Ik wist niettemin wat me te doen stond toen ik weer die weerzin voelde. Ik diende me direct te herpakken. Maar melancholie of wat voor zwart gevoel ook laat zich niet zo snel verschalken. Op dat moment herinnerde ik me een purperen envelop, gevuld met familiefoto’s. Ik meende daarin troost te kunnen vinden, hoewel een mens achteraf altijd beseft dat foto’s eerder zwartgalligheid aanwakkeren. Duisternis snakt immers naar meer duisternis.


262. Daarbuiten het gewone leven, hierbinnen de samenzwering van een kleine bende die meent dat hét moment eraan staat te komen, een revolutie met thee en haverkoeken, vertrouwend op wat de professor zichzelf heeft wijsgemaakt over de juiste kant en het grote gelijk, gelijk een ventje dat met lucifers speelt in een magazijn vol buskruit en elk vlammetje dat hij aanstrijkt als een teken van lichtgevende hoop beschouwt.

Reacties graag naar mailadres.