Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Siddhartha Mukherjee, Het Gen, een intieme geschiedenis.

12 oktober 2016

Siddhartha Mukherjee, Het Gen, een intieme geschiedenis.
De Bezige Bij 2016

Diegenen die ons het paradijs op aarde beloven, hebben nooit iets anders voortgebracht dan een hel! – Karl Popper

Als Siddhartha Mukherjee ontdekt dat geestesziekte al twee generaties in zijn familie voorkomt, realiseert hij zich dat ook in hem een spoor van gekte begraven kan liggen. Aan de hand van zijn eigen familiegeschiedenis onderzoekt hij de menselijke erfelijkheid en het effect ervan op onze levens, persoonlijkheden, keuzes en lotsbestemmingen. In weergaloos proza beschrijft hij het eeuwenlange onderzoek naar de erfelijkheidskwestie – van Aristoteles en Pythagoras via Darwin tot aan de revolutionaire eenentwintigste-eeuwse vernieuwers die het menselijk genoom in kaart brengen.

Op intelligente wijze verweeft hij onderzoek en sociale historie met zijn persoonlijke verhaal, en schrijft zo een magistrale geschiedenis van een van de invloedrijkste wetenschappelijke revoluties, die van fundamenteel belang zal zijn voor de komende generaties. Het boek is onmisbaar voor iedereen die geïnteresseerd is in de wetenschappelijke mogelijkheden om erfelijke eigenschappen te lezen, te beïnvloeden en over te dragen, nu en in de toekomst.

Na zijn fenomenaal werk ‘De keizer aller ziektes, een biografie van kanker.’ presenteert hij nu een uitputtende geschiedenis met verstrekkende gevolgen voor mens en samenleving, morgen en overmorgen.

Zoals steeds vlot, boeiend en spannend geschreven, zij het soms iets te uitgebreid, zelfs zonder verwijzingen naar belangrijke bijdragen van buiten de Angelsaksische wereld.

Vooral degenen die zich verdiepen in erfelijkheid begrijpen alles van dit onderwerp, behalve het onderwerp zelf. Ik neem aan dat ze zijn geboren en getogen in dat doornbos en het grondig verkend hebben zonder ooit het einde ervan te hebben bereikt. Dat wil zeggen dat ze alles bestudeerd hebben met uitzondering van de vraag wat ze in feite bestuderen.

– G.K. Chesteron, Eugenics and Other Evils

164. De nazi’s en Lysenko hielden er radicaal tegengestelde ideeën over erfelijkheid op na, maar tegelijkertijd bevatten die opvallende overeenkomsten. Hoewel de nazidoctrine in kwaadaardigheid niet te overtreffen viel, wendden ook de Russen een erfelijkheidstheorie aan om een idee over de persoonlijkheid van de mens te creëren dat zich voegde naar politieke doelstellingen. Hoe tegengesteld die twee theorieën ook waren – de nazi’s waren evenzeer gegrepen door het idee dat de identiteit vastlag als de Russen die plooibaar achtten –, in beide gevallen stond het idioom van de genen en de erfelijkheid centraal in de staats- ideologie en het gepropageerde vooruitgangsidee. Het nazisme laat zich even moeilijk voorstellen zonder het geloof in de onuitwisbaarheid van erfelijke eigenschappen als een Sovjet-staat zonder het idee dat daarmee korte metten kon worden gemaakt. Weinig verbazingwekkend is dat in beide gevallen de wetenschap opzettelijk werd verdraaid om de door de staat gepropageerde ‘zuiveringsprocessen’ te ondersteunen. Door het idioom van de genen en de erfelijkheid aan te passen werden hele machtssystemen gerechtvaardigd en versterkt. In het midden van de twintigste eeuw had het gen – of de ontkenning van zijn bestaan – zich al ontpopt als een machtig politiek en cultureel wapen, als een van de gevaarlijkste ideeën in de geschiedenis van de mensheid.

Pseudowetenschap verleent steun aan totalitaire regimes en totalitaire regimes brengen pseudowetenschap voort…

586. Zouden zulke vormen van kennis nieuwe soorten empathie en begrip mogelijk maken? Of zouden ze leiden tot nieuwe vormen van discriminatie? Zou de kennis worden gebruikt om te herdefiniëren wat ‘natuurlijk’ is?

Maar wat is ‘natuurlijk’, vraag ik me af. Aan de ene kant: variatie, mutatie, verandering, wisselvalligheid, deelbaarheid, beweging. En aan de andere kant: betrouwbaarheid, permanentie, ondeelbaarheid, trouw. Bhed. Abhed. Het zou ons amper moeten verbazen dat dna, het molecuul van tegenstrijdheden, de code bevat voor een organisme van tegenstrijdigheden. We zoeken bestendigheid in erfelijkheid – en vinden het tegengestelde: variatie. Mutanten zijn noodzakelijk om de essentie van ons zelf te handhaven. Ons genoom heeft een fragiel evenwicht bereikt tussen tegengestelde krachten, door streng met tegenliggende streng te combineren, door verleden en toekomst te vermengen, door geheugen en verlangen tegen elkaar uit te spelen. Het is het menselijkste wat we bezitten. Het beheer ervan is wellicht de ultieme test van de kennis en oordeelkundigheid voor onze soort.


85. Wanneer de mens ontdekt dat hij over iets macht kan uitoefenen, zal hij altijd daartoe overgaan,’ schreef Bateson somber. ‘De erfelijkheidswetenschap zal hem snel een verbijsterende macht in handen geven, en in een bepaald land, op een wellicht niet eens zo ver in de toekomst gelegen moment, zal hij van die macht gebruikmaken om de samenstelling van een natie naar zijn hand te zetten. Of dit uiteindelijk goed of slecht zal zijn voor deze natie of voor de mensheid in haar algemeenheid, is een andere kwestie.’ Bateson had de aanzet gegeven tot de eeuw van het gen.

141. Ten eerste was het evident dat in de natuur genetische variatie als regel gold en niet als uitzondering. Amerikaanse en Europese eugenetici drongen aan op kunstmatige selectie om ‘het goede’ in de mens te bevorderen, maar in de natuur bestond niets wat voor ‘het goede’ door kon gaan. Verschillende populaties beschikten over wijd uiteenlopende genotypen en in het wild leefden deze zo diverse genetische soorten naast elkaar en overlapten ze elkaar zelfs. De natuur was lang niet zo begerig om genetische variatie terug te dringen als de eugenetici aannamen. Sterker nog, Dobzhansky zag in dat natuurlijke variatie voor een organisme als een levensbelangrijk reservoir diende waarvan de voordelen de nadelen verre overtroffen. Zonder deze variatie – zonder een verstrekkende genetische diversiteit – zou een organisme uiteindelijk niet langer kunnen evolueren.

Ten tweede was ‘mutatie’ niet meer dan een synoniem van ‘variatie’. Onder populaties wilde vliegen was, zo had Dobzhansky geconstateerd, geen enkel genotype vanuit zijn aard superieur aan een ander. Of de abc- dan wel de cba-variant overleefde, was afhankelijk van de omgeving en van de interactie tussen die omgeving en het genotype. De ‘mutatie’ van de ene mens was de ‘genetische’ variant van de andere. Een koude winternacht kon de ene vliegensoort selecteren, een hete zomerdag een heel andere. Geen enkele variant stak in moreel of biologisch opzicht boven de andere uit: ze waren allemaal alleen maar in meer of mindere mate aangepast aan een omgeving.

162. De nazi’s hadden de genetica omarmd als instrument voor raszuivering. In de Sovjet-Unie van de jaren dertig stelden linkse wetenschappers en intellectuelen zich op het standpunt dat erfelijke eigenschappen helemaal niet vaststonden. In de natuur kon alles en iedereen veranderd worden. Genen waren een hersenschim, opgeroepen door de bourgeoisie ter onderbouwing van de bewering dat individuele verschillen vastlagen, terwijl in feite alle aspecten van het individu – zijn kenmerken, persoonlijkheid, keuzen en lotsbestemming – uitwisbaar waren. Een staat die behoefte had aan zuivering zou die niet bewerkstelligen door genetische selectie, maar door de heropvoeding van alle individuen en door de voormalige persoonlijkheid uit te wissen. Niet de genen, maar de hersenen moesten gespoeld worden.

Ook de Sovjet-doctrine werd onderbouwd en kracht bijgezet door pseudowetenschap. In 1928 beweerde de agrarisch onderzoeker Trofim Lysenko – een ascetische man met een emotieloos gezicht over wie een journalist ooit schreef: ‘hij roept het gevoel van kiespijn bij je op’ – dat hij een manier had gevonden om erfelijke invloeden in dieren en planten te ‘verpletteren’ en ze een ommekeer te laten doormaken. In experimenten op boerderijen in het verre Siberië zou Lysenko tarwesoorten hebben blootgesteld aan perioden van hevige kou en grote droogte en zo bewerkstelligd hebben dat de soorten een erfelijke weerstand tegen zulke omstandigheden ontwikkelden. (Later zou blijken dat Lysenko’s beweringen ronduit verzonnen waren of hooguit gebaseerd op onderzoek dat nauwelijks wetenschappelijk mocht heten.) Lysenko betoogde dat door een dergelijke ‘shocktherapie’ de tarwesoorten krachtiger zouden bloeien in het voorjaar en meer graan zouden opleveren in de zomer.

163.Het gen, zo luidde zijn redenatie, was ‘uitgevonden door genetici’ ter ondersteuning van een ‘verziekte, ten dode opgeschreven bourgeois’ wetenschap. ‘Het fundament van erfelijke eigenschappen bevindt zich niet in een of andere specifieke, zichzelf reproducerende materie.’ Daarmee haalde hij Lamarcks idee dat aanpassing aan de omgeving rechtstreeks tot aanpassing van de erfelijke eigenschappen zou leiden weer uit de mottenballen, en dat tientallen jaren nadat genetici hadden gewezen op de fundamentele fouten van het lamarckisme.

Lysenko’s theorie werd onmiddellijk omarmd door het politieke apparaat van de Sovjet-Unie. Ze hield de belofte in zich van een methode waarmee de agrarische productie van een land op de rand van hongersnood  flink opgeschroefd kon worden. Door tarwe en rijst ‘her op te voeden’ konden deze gewassen onder elke omstandigheid groeien, in de strengste winters en de droogste zomers. Misschien even belangrijk was dat de ‘verplettering’ en ‘heropvoeding’ van genen via shocktherapie in het ideologische straatje van Stalin en zijn kameraden paste. Terwijl Lysenko zijn planten heropvoedde om ze te verlossen van hun afhankelijkheid van het klimaat en de samenstelling van de grond, spanden partijleden zich in voor de heropvoeding van politieke dissidenten om hen te verlossen van hun valse bewustzijn en ingebakken afhankelijkheid van materiële goederen. De nazi’s hadden op basis van hun overtuiging dat genen onveranderbaar waren (‘een Jood is een Jood’) de eugenetica aangewend om de bevolking een structurele verandering te laten ondergaan. De Russen wilden op basis van hun overtuiging dat genen zich lieten herprogrammeren (‘alles is iedereen’) een einde maken aan elk onderscheid en al doende een radicaal collectief welzijn verwerkelijken.

164. De nazi’s en Lysenko hielden er radicaal tegengestelde ideeën over erfelijkheid op na, maar tegelijkertijd bevatten die opvallende overeenkomsten. Hoewel de nazidoctrine in kwaadaardigheid niet te overtreffen viel, wendden ook de Russen een erfelijkheidstheorie aan om een idee over de persoonlijkheid van de mens te creëren dat zich voegde naar politieke doelstellingen. Hoe tegengesteld die twee theorieën ook waren – de nazi’s waren evenzeer gegrepen door het idee dat de identiteit vastlag als de Russen die plooibaar achtten –, in beide gevallen stond het idioom van de genen en de erfelijkheid centraal in de staats- ideologie en het gepropageerde vooruitgangsidee. Het nazisme laat zich even moeilijk voorstellen zonder het geloof in de onuitwisbaarheid van erfelijke eigenschappen als een Sovjet-staat zonder het idee dat daarmee korte metten kon worden gemaakt. Weinig verbazingwekkend is dat in beide gevallen de wetenschap opzettelijk werd verdraaid om de door de staat gepropageerde ‘zuiveringsprocessen’ te ondersteunen. Door het idioom van de genen en de erfelijkheid aan te passen werden hele machtssystemen gerechtvaardigd en versterkt. In het midden van de twintigste eeuw had het gen – of de ontkenning van zijn bestaan – zich al ontpopt als een machtig politiek en cultureel wapen, als een van de gevaarlijkste ideeën in de geschiedenis van de mensheid.

Pseudowetenschap verleent steun aan totalitaire regimes en totalitaire regimes brengen pseudowetenschap voort…

243. Het gen is de lens waardoor het licht van het toeval wordt gefilterd en afgebroken.

244. Afzonderlijke genen specificeren afzonderlijke functies, maar alleen het verband tussen genen maakt de fysiologie van organismen mogelijk. Het genoom vermag niets zonder deze onderlinge verbanden.

245. Overeenkomstig daarmee is de menselijke fysiologie het uiteindelijke resultaat van de interactie tussen genen in de juiste volgorde en op de juiste plek. Een gen is een instructie in een recept dat een organisme specificeert. Het menselijk genoom is het recept dat een mens specificeert.

325. Het imperfecte is ons paradijs,’ schreef Wallace Stevens. Als de overstap van de genetica naar de menselijke wereld één directe les met zich meebracht, dan is het wel deze: het imperfecte is niet slechts ons paradijs; het is ook, onlosmakelijk, onze sterfelijke wereld. De mate van menselijke genetische variatie – en de diepte van de invloed ervan op de humane pathologie – is onverwacht en verrassend. De wereld is reusachtig en gevarieerd. Genetische diversiteit is onze natuurlijke toestand – niet alleen in geïsoleerde enclaves in verre gebieden, maar overal om ons heen. Schijnbaar homogene populaties zijn juist opvallend heterogeen. We hebben de mutanten gezien – en dat zijn wij.

420. Of genen of omgevingsfactoren – nature of nurture – dominant zijn qua invloed, hangt af van de context. Als omgevingsfactoren beperkend werken, oefenen zij een disproportionele invloed uit. Zodra de beperkingen worden verwijderd, hebben genen het overwicht.

Reacties graag naar mailadres.