Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Frank Westerman, Dier, bovendier.

9 februari 2017

Frank Westerman, Dier, bovendier. 

Atlas 2010


De tragedies van de 20e eeuw, verteld aan de hand van een paard – de lipizzaner.


‘Als je een lipizzaner aanraakt,’ kreeg Frank Westerman als tiener te horen, ‘raak je geschiedenis aan.’


Nu, als schrijver-verteller, reconstrueert hij het lot van vier generaties paarden van het Weense hof. Zij doorstaan achtereenvolgens de ondergang van het Habsburgse Rijk, de beide wereldoorlogen en de waanzinnige veredelingsproeven van Hitler, Stalin en Ceausescu.


Dier, bovendier is een moderne fabel waarin het reinbloedige paard de mens onontkoombaar op zijn eigen tekort wijst.



175. Dit was geen groteske fantasie; het groteske zat hem in de werkelijkheid die Himmlerhad geschapen. Er waren door hem speciale verloven toegekend aan ss-of?cieren om zich in fraaie hotels in de bergen voort te planten. ‘Elke oorlog is een aderlating van het beste bloed’ – had Himmler al in oktober 1939 in zijn ‘verwekkingsbevel’ geschreven. De verliezen aan mannen moesten worden gecompenseerd, en de meest intensieve deelname aan het geslachtsverkeer kwam Duitslands raciale elite toe: de ss-orde.

In diezelfde lijn lag ook Hitlers Kleinkrieg tegen voorbehoedsmiddelen en abortus.  ’Het geslachtsleven bepalen wij,’ had de Fûhrer gezegd. En: ‘Door de verliezen aan mannen zal een volk niet uitsterven, maar wel als er een tekort aan vrouwen is.’ De merries waren belangrijker.

226. De miskenning die Mendel ten deel was gevallen, bleef Watson en Crick bespaard. Zij raakten bedolven onder roem, waar de vanzelfsprekende Nobelprijs slechts deel van uitmaakte. Ik liep nog een extra rondje om het als een zuil van meccano oprijzende molecuul. Zonde dat de openbaring van de negenhonderd woorden tellende  brief aan Nature niet een paar weken eerder was gekomen; dan had Stalin, die op 5 maart 1953 stierf, dit nog moeten meemaken. Niet dat hij overstag zou zijn gegaan. De luchtdichte stolp van het Sovjetsysteem bleek eenvoudig bestand tegen de onthulling dat aanleg en afkomst een aanwijsbare, stoffelijke component bezaten. Tijdens de dooi onder Nikita Chroesjtsjow kon Lysenko’s leer dan ook ongestoord gedijen – DNA of geen DNA . Pas toen Leonid Brezjnev zijn voorganger uit het Kremlin verjoeg, in oktober 1964, viel het doek voor Lysenko. ‘Een pseudogeleerde,’ heette hij tien dagen na de machtswissel, wiens kwakzalverij de USSR aan de bedelstaf had gebracht. In de cornbelt van Amerika groeide inmiddels een maïshybride die recordoogsten voortbracht, terwijl op de Filippijnen de laatste hand werd gelegd aan een rijstvariéteit die haar belofte onder  proeftuinomstandigheden meer dan waarmaakte. En Lysenko? Die had de Sovjet-Unie de blamage bezorgd dat zij tarwe op de wereldmarkt moest kopen. Met de mentale lenigheid waar Sovjetjournalisten in uitblonken, voltrok zich een propagandazwaai van 180 graden. Dezelfde suizingwekkende trapezeact die Lysenko omlaag sleurde, tilde Mendel terug op zijn schild: in Brno kwam zijn omvergehaalde standbeeld weer recht overeind te staan.(…) In het verbouwde museum zocht ik vergeefs naar sporen van Lysenko. Die waren er niet. (…)Ik sloeg een nieuw blad op en schreef: ‘Wonderlijk hoe de donkere jaren van het Lysenko-tijdperk zijn verdonkeremaand.’ Misschien was het wegretoucheren van Tro?m Lysenko uit een tentoonstelling in Mendels klooster zijn verdiende straf, maar toch stoorde het me. Alsof je het verhaal van Galileo kreeg voorgeschoteld met weglating van diens verkettering door het Vaticaan.

213. Door steden, dorpen, straten en zelfs families etnisch uiteen te rafelen – met een klop op de deur en het geweer in de aanslag.Tegen een Engelse reisschrijfster die kort voor de Tweede Wereldoorlog door de Balkan reisde, had een Serviér gezegd: ‘Er zijn dingen die jouw westerse hersenen niet begrijpen maar waarvan ons Servische bloed zeker is. Wij zijn te ruw en te diepzinnig voor jullie gladheid en oppervlakkigheid.’ Zestig jaar later kreeg ik iets soortgelijks te horen, van zowel Serviérs als Kroaten. Te vuur en te zwaard bestreden ze het kosmopolitisme, het westerse idee dat alle mensen gelijk waren en uiteindelijk hetzelfde zouden willen. Ik merkte dat mijn eigen linksige, nooit in de praktijk getoetste meningen averij opliepen.  Aan beide zijden van het front kwam ik krijgerstypen tegen die beweerden tot een Spartaans volk te behoren dat zijn taaiheid, dapperheid en scherpe zicht te danken had aan de eeuwige nabijheid van vijanden – de zwakken, lafaards en bijzienden stierven voor ze zich konden voortplanten. Persoonlijk zag ik geen onderlinge verschillen, of het moest zijn dat een Kroaat bij het slaan van een kruis eerst zijn linker- en dan zijn rechter-schouder aantikte, terwijl een Serviér precies de andere volgorde hanteerde. Ik kreeg steeds sterker het gevoel dat beide groepen erg ver van mijn West-Europese blik af stonden. Bestond er dan niet toch zoiets als een volksaard? Een Balkanmens — een wezen met andere re?exen dan wij? Ik had die vragen uit nieuwsgierigheid gesteld, maar was onmiddellijk op de vingers getikt door mijn collega’s van de krant. Iemand waarschuwde me voor ‘de valkuilen van het racisme’. Ik sputterde tegen:Het ging me alleen om het opwerpen van de vraag! — maar daar kwam ik niet mee weg. Kennelijk weigerde ik de les van de Tweede Wereldoorlog tot mij te laten doordringen: dat een begrip als ‘volksaard’ of ‘ras’ een sociale mythe was, en een stinkgevaarlijke ook. In antwoord op de Holocaust hadden de Verenigde Naties niet voor niets een imposante rij academische zwaargewichten ingezet om het taaie volksgeloof onderuit te halen als zou het ene ras slimmer/dommer, opvliegeriger/bedaagder, arbeidzmer/luier zijn dan het andere. Zulke verschillen bestonden alleen in de hoofden van de mensen.

(…)toch knaagde bij mij twijfel. (…) Natuurlijk speelde de omgeving (nurture) een grote rol, maar was dat een reden om helemaal niet meer naar erfelijke verschillen (nature) te kijken? De onderzoeker die dit toch waagde, werd als een beoefenaar van bad science uit de academische kring verstoten.De UNESCO verklaring uit 1950, aangevuld en geactualiseerd in 1951, 1964 en 1967 luidde onveranderlijk: er zijn geen erfelijk verankerde verschillen in intelligentie, karakter of temperament tussen volken of groepen mensen. Aan dit beginsel hoorde he niet te tornen. Sterker: je moest het niet willen.

216. Tot opluchting van een brede voorhoede ban links Europa kwam het Kremlin met een onverbiddelijk antwoord op de Holocaust, een dat verderging dan de vrijblijvende, halfzachte UNESCO-verklaring tegen racisme.Het Manegeplein was nog een kale asfaltvlakte, en geen halfondergronds koopparadijs met fonteinen vol Russische sprookjesfiguren, toen ik in 1997 naar Moskou verhuisde om

verslag te doen van het ingestorte Sovjetimperium.

(…)In mijn Moskouse, door Duitse krijgsgevangenen gebouwde appartement las ik ademloos over de zomer van 1948, waarin kameraad Stalin de Sovjetwetenschappen had opgedragen om van het leven zelf, de biologie, op een nieuwe, ‘proletarische’ leest te

schoeien. Daartoe schoof hij zijn bioloog Tro?m Lysenko als een schaakstuk naar voren. Uit heel het land werden de knapste academici naar Moskou geroepen voor een meerdaagse zitting in het gebouw van de V.I. Lenin Academie voor Landbouwwetenschappen – om de balans op te maken van de erfelijkheidsleer tot dan toe.

Op 31 juli1948, de eerste zittingsdag, stak kameraad Lysenko in zijn plat-Oekraïensaccent een betoog af van vijftig kantjes, doorspekt met citaten van Marx, Engels en Darwin. Op krantenfoto’s van die speech staart hij evangelisch in de hoogte naar iets wat zich in de toekomst lijkt te bevinden. Zijn haar zit in een gladde scheiding en om zijn mondhoeken krult de aanzet tot gelukzaligheid.

Er was een cultus rond hem in de maak, met de nadruk op zijn sobere achtergrond, de boerenwijsheid van zijn vader, de pelmeni (deegkussentjes met gehakt) die zijn moeder thuis  opdiende met zure room, en de mildheid die op zijn gezicht doorbrak als je hem daaraan herinnerde.

Lysenko richtte zijn pijlen op de fruitvliegonderzoekers. Sinds de mendeliaan Thomas Hunt Morgan in zijn ‘Vliegenlab’ op Columbia University de onderlinge afstand van genen op een kaart had gebracht, was Drosophila melanogaster hét proefdier van de genetica. De congresvoorzitter dreef er de spot mee. Omstandig deed hij uit de doeken hoe kameraad Doebinin, niet toevallig een geleerde van wereldstatuur, de Sovjetwetenschap had ‘verrijkt’ met de ontdekking dat de fruitvliegjes in de stad Voronezj tijdens de oorlog een zeldzame chromosoomafwijking vertoonden. Dit was nou exemplarisch voor de leer van Mendel en Morgan: geen sterveling die er wat aan had.

Lysenko, die er prat op ging dat hij een man van de praktijk was, stelde daar zijn neo-lamarckiaanse ervaringen tegenover. Door planten, dieren en mensen ‘af te richten’ creëerde je vanzelf nieuwe, nuttige soorten. Alleen van buitenaf, door het leefmilieu drastisch te veranderen, kon je de evolutie naar je hand zetten. Je moest niet kruisen, maar enten. Niet fokken, maar drillen. Lysenko verwierp de mendeliaanse genetica, ten gunste van ‘een ware biologie in de lijn van Marx’. Hij daagde iedereen uit zijn voorbeeld te volgen – academici, agronomen en ook de veetelers.

‘Heil aan de grote vriend van de wetenschap, onze leider en leraar, kameraad Stalin!’ Iemand uit de zaal merkte op: ‘Wij zijn het niet met u oneens, kameraad Lysenko, maar waar u spreekt van soorten die door training of andere invloeden veranderen, spreken wij van sprongsgewijze veranderingen in het genetisch materiaal. Mutaties.’Het hielp niet. Lysenko zette de discussie op scherp. Genen? Die bestonden niet. Had iemand ze ooit gezien? Ze waren een ?ctie van de bourgeoisie, van lieden die meenden dat je afkomst je toekomst bepaalt, dat je geboren wordt met een gegeven reeks van onveranderlijke ‘dragers van de erfelijkheid’. Dat riekt naar voorbestemming en goddelijkheid, naar Duitsland en Amerika, naar gaskamers en slavenzweet.Op de laatste zittingsdag bracht hij een resolutie in stemming die opriep tot een regelrecht berufsverbot voor de Mendelianen. (…)Zo’n drieduizend academici kregen ontslag. Een van hen, kameraad Sabinin, schoot zichzelf dood.

252.  Op de landbouwuniversiteit had ik geleerd dat de overgang van jagen en verzamelen naar telen en kweken het begin markeerde van datgene wat we beschaving noemen. De holbewoner was naar buiten gekropen, hij had hutten gebouwd, en stallen voor zijn vee. Hij beteugelde het paard, en toen dat gelukt was, klom hij op zijn rug – een onschuldige schakel in de ontwikkeling van het mensdom, zo leek het althans. Maar had hij hiermee niet onbewust de natuurlijke verhoudingen uit het lood geslagen? Anders gezegd: was het bestijgen van het paard niet een van de doorslaggevende gebeurtenissen waarmee de mens zich buiten( of: boven) de natuur had geplaatst?  Wie op de rug van een paard klom, maakte zichzelf groter, belangrijker. In galop over de velden kreeg hij het gevoel boven zichzelf uit te stijgen. When I bestride him, I soar, I am a hawk: he trots the air; the earth sings when he touches it. Dat was de euforie van de ruiter, als verwoord door Shakespeare.

Op ruiterportretten van koningen en hertogen onderstreepte de pracht van het paard de macht van de mens. Door te sjoemelen met de optiek slaagden hofschilders als Goya en Velasquez erin die scheve verhouding te accentueren: het hoofd van het paard werd iets kleiner weergegeven, dat van zijn berijder denken aan de paardenschilderijen zonder iets groter.

255. Ik wist het niet. Elke vorm van versmelting en eenwording riep als vanzelf ook weer verzet en afkerigheid op. Je zag dat in Europa: hoe groter de Unie, hoe krachtiger het nationalisme. Voor je het wist stond er ergens een leider op die de handen opeen kreeg voor een ‘eigen volk eerst’-programma. Via de eeuwige keten actie-reactie sloeg de pendule altijd te ver door: in dit geval van het accent op nature (in de eerste helft van de twintigste eeuw) naar nurture (in de tweede) en, aan het begin van de eenentwintigste eeuw weer krachtig terug naar nature. Ik dacht aan Tito’s streven om ‘de Joegoslaaf ’te scheppen, en hoe dat was afgelopen. Aan de andere kant: zodra de orgie van etnisch geweld was uitgeraasd, wisten de overlevers verbluffend snel opnieuw de aloude schijn van beschaving hoog te houden. Kroatië had gewoon weer de draad opgepakt van vakantieland; de snelweg tussen Zagreb en Belgrado was heropend, al sprak niemand meer van broederschap en eenheid.

 

Reacties graag naar mailadres.