Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Marcel Möring, Eden

16 februari 2017

Marcel Möring, Eden 

De Bezige Bij 2017

Een bijzonder boek over belangrijke levensvragen, de verhalen van alle tijden die altijd weer zullen bovendrijven.

Een jongen wordt geboren in een woud zonder grenzen, woest als de schepping zelf, waar de bizon zwerft en de bomen ouder zijn dan alles wat leeft. Hij heeft geen naam. Het dorp waar hij opgroeit heeft ook geen naam. Op een dag vlucht hij, voor een daad die hij niet heeft begaan. De wereld buiten het bos ligt voor hem. Hij is alleen. Hij moet leven en overleven. Hij moet de plek vinden die hij ‘thuis’ kan noemen.

19. ‘Jongen,’ zei hij. ‘Je kent de letters van het alfabet. Je kunt lezen. Maar als je de wereld in trekt moet je de taal kunnen spreken van de mensen onder wie je je begeeft en je moet kennis hebben die je nergens anders vindt dan in boeken. De taal is je schild en je wapen, zij is je huis en je bed, zij is eten en drinken.’

‘Misschien blijf ik.’

‘En bovendien moet iemand de verhalen bewaren.’

‘Welke verhalen?’zei ik.

‘Alle,’ zei Jakub. ‘Die van de een en de ander en jouw eigen verhaal. Ik zal je leren wat ik weet en in ruil daarvoor luister je naar mijn geschiedenis. Misschien komt ze je ooit van pas. Misschien vertel je haar verder en wordt mijn verhaal deel van het jouwe en dat van jou weer het begin van dat van iemand anders. Binnen ligt mijn boek. Haal het.’

21. Later, toen mijn dagelijkse lessen al wat gevorderd waren, vertelde Jakub van zijn jeugd, dat hij als jonge man een gretig lezer was geweest die tot laat in de avond bij de flakkering van een kaars woorden en zinnen spelde en dat hij ’s ochtends vroeg opstond om nog voor het ontbijt te kunnen lezen en hoe hij, toen de jaren vorderden en hij bijna alles had gelezen wat voorhanden was in het huis van zijn vader, merkte dat zijn ogen zwakker werden, dat hij zich steeds dieper over de letters moest buigen om ze te kunnen zien. Hij had toen geweten dat zijn afnemende zicht hem de toegang zou ontzeggen tot wat hij boven alles liefhad.

‘Het zicht werd mij ontnomen, opdat ik zou zien,’ zei hij.

244. Hij is een verzamelaar, dacht ik, geen lezer. Een lezer weet dat elk boek een ander verhaal vertelt, elke keer als iemand het leest.

264. Het streven naar een ideale staat, zoals de nazi’s en de communisten dat voorstonden, is progressief of reactionair, maar in beide gevallen is er geen ruimte voor wat niet ideaal is,

wat zich daar niet naar kan of wil voegen. In het geval van de nationaalsocialisten lag de ideale staat van zijn in een mythisch verleden, toen de raszuivere Germaan door onbezoedelde wouden trok en oerdieren bejoeg. Reconstructie van die romantische toestand vereiste totale, en dus totalitaire, greep op cultuur, natuur en de levens van individuen. Voor de Russische communisten lag de ideale staat in de toekomst. Het was er een die gemáákt moest worden en de instrumenten daarvoor waren niet veel anders dan die van de nazi’s. Beide idealistische programma’s werden ondersteund door quasiwetenschappelijke theorieën: de eugenetica van de nationaalsocialisten en het Lysenkoïsme onder Stalin (naar de ideeën van Trofim Lysenko, die bijvoorbeeld beweerde dat tarwearen onder de juiste omstandigheden rogge konden voortbrengen). Het romantische streven naar een ideale staat gaat altijd gepaard met een onderliggende ratio die het ideaal een wetenschappelijk fundament probeert te verlenen.

Isaiah Berlin analyseert de totalitaire dictatuur als het gevolg van de opvatting dat op grote vragen van ethische aard één definitief antwoord mogelijk is. Dit moreel monisme kan geen rekening houden met andere opvattingen, omdat die onredelijk, onlogisch en onzinnig zijn en het bereiken van het ideaal hinderen. Binnen dit bewustzijnsvernauwende idealisme is het niet alleen verklaarbaar, maar ook redelijk om andere opvattingen te onderdrukken en met alle mogelijke middelen te bestrijden.1

Tijd is het grote obstakel bij het streven naar een ideale staat van zijn. Daarom is elk systeem dat denkt het ene definitieve antwoord te hebben gevonden daardoor geobsedeerd. De tijd moet terug worden gedraaid, in het geval van een reactionaire ideologie als de nationaalsocialistische, of vooruit worden gehaast, in het geval van een modernistische ideologie als de communistische. Beheersing van de tijd is de beheersing van lot, verval, ontwikkeling, kortom: geschiedenis. Daarom voerden de Franse revolutionairen een nieuwe kalender in die begon op 22 september 1792, de datum die wordt gezien als de geboorte van de Eerste Franse Republiek, en gingen ze over op een decimale urenindeling van de dag. Ook religies trachten de tijd hun wil op te leggen. De kiem daarvoor ligt in Genesis, dat met een tijdsaanduiding begint en in de joodse traditie daarom ook ‘Beresjiet’ is getiteld, naar het eerste woord, dat ‘in het begin’ betekent. De bijbelse schepping is er niet alleen een die het levende en levenloze voortbrengt, maar vooral een die tijd, en dus: geschiedenis, creëert. Door tijd te scheppen, wordt het bestaan leven ingeblazen.

Het verlangen naar de ideale staat van zijn betreft wat er ooit was of nog moet komen, maar nooit het nu. Het nu is een toestand op weg van of naar het paradijs, maar niet het paradijs zelf. Het is onze verhouding tot het nu die de onvrede van de mens bepaalt, zijn onrust en zijn streven om daaraan te ontsnappen: dit kan niet de bedoeling van alles zijn, dit is maar een fase.2

Het is die existentiële onrust waaruit politieke en religieuze ideologieën worden geboren.

1 Berlin werd in 1909 geboren in Riga. Hij was het enige kind van de succesvolle houthandelaar Mendel Berlin en zijn vrouw Marie. In 1921, belaagd door bolsjewieken en antisemieten, verhuisde de familie naar Londen. Daar leerde de elfjarige binnen een jaar vloeiend Engels spreken. Hij studeerde cum laude af in de klassieken aan Corpus Christi, Oxford, en voegde daar een jaar later nog een cum laude aan toe in ppe, politiek, filosofie en economie. Er is veel voor te zeggen dat Berlin gepredisponeerd was voor de studie van vrijheid en onvrijheid. Zoals hijzelf schreef, in een brief aan de sociologe Jean Floud:‘All central beliefs on human matters spring from a personal predicament.’ Er is niet veel fantasie voor nodig om het ‘personal predicament’ te zien in Berlins jeugd in het tsaristische Riga,Andreapol en Petrograd. Als telg uit een geslacht van welgestelde houthandelaren zag hij de revoluties van 1917 zich voltrekken. De Februarirevolutie begon zelfs met voedselrellen in zijn toenmalige woonplaats, Petrograd. Zijn latere ideeën over vrijheid en de inherente tekortkoming van het verlichtingsdenken (de gedachte dat een allesoverheersende ratio bestaat, een soort natuurwet die even dwingend als logisch is en wier tegenstanders dus alleen maar slecht, dom of misleid zijn en dus heropgevoed of gedood moeten worden) moeten zijn ontkiemd in zijn jeugd.

2 Andrej Tarkovsky noemt tijd ‘een toestand: de vlam waarin de salamander van de menselijke ziel leeft’. Andrej Tarkovsky: Sculpting in Time: Re ections on the Cinema, 1987.

 

Reacties graag naar mailadres.