Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Svetlana Alexijevitsj, Zinkjongens – Sovjetstemmen uit de Afghaanse Oorlog. (1991)

16 mei 2017

Svetlana Alexijevitsj, Zinkjongens – Sovjetstemmen uit de Afghaanse Oorlog. (1991)

uitg. De Bezige Bij 2017

Best lijkt me na ieder gesprek, ieder verslag, ieder verhaal ‘Zinkjongens’ even opzij te leggen. Hier kan je amper doorheen lezen. Sommige verhalen zijn gruwelijk, anderen pijnlijk, teder, woest, misselijk makend – zoals het laatste deel met vele excerpten uit processen die tegen de auteur op bevel van de post-sovjet overheid werden aangespannen wegens besmeuren van soldateneer en een of ander socialistisch vaderland.

‘Zinkjongens’ belicht de verschrikkingen van Rusland en de Sovjetcultuur aangaande oorlog en haar soldaten. Rücksichtsloos werden de troepen de oorlog ingestuurd door een machtsmachine die ongeacht de opgeëiste kleuren, idealen en mythologie steevast haar mensen vermaalt en finaal verraadt. Moedertje Rusland is een Dulle Griet voor wie het leven van haar kinderen nauwelijks een overweging waard blijft.

Oorlogsverliezen doen er niet toe, als de sombere glorie maar blijft klinken op de tonen van de overwinning. Bij een nederlaag zoals bij de strijd voor internationale solidariteit met het Afghaanse broedervolk tegen de moedjahedien (1979-1989) is de ellende zelfs niet meer te overstemmen.

49.  Hij kende idealen, maar het leven kende hij niet. Door al die jaren buitenland dacht ik zelf ook dat het leven uit idealen bestond. Ik weet nog die keer toen we al terug in het Vaderland waren en in Tsjernovtsy woonden. Joera zat op het militair lyceum. Om twee uur ’s nachts werd er aan de voordeur gebeld. Daar stond hij.

“Wat is er, jonkie? Wat doe je hier zo laat in de regen? Je bent helemaal nat…”

“Mam, ik kwam zeggen dat ik er niet uit kom. Het leven is niet zoals jij het me geleerd hebt. Er klopt niks van… Hoe kwam je erbij? En dit is pas het begin. Hoe moet ik verder?”

We hebben de hele nacht samen in de keuken gezeten.Wat kon ik tegen hem zeggen? Weer hetzelfde: dat het leven prachtig was en de mensen goed. Dat het allemaal waar was. Hij heeft stil naar me geluisterd en ’s morgens ging hij terug naar school.

Ik heb meer dan eens nadrukkelijk tegen hem gezegd:

“Joera, ga van dat militair lyceum af en ga naar een gewone school. Daar hoor je thuis. Ik zie toch hoe je lijdt.”

Hij was niet blij met die militaire keuze, daar was hij toevallig in gerold. Hij had een goede historicus kunnen worden. Een geleerde. Hij leefde op boeken: “Wat een prachtig land, dat oude Griekenland.” In de tiende klas ging hij in de wintervakantie naar Moskou. Daar woont een broer van me, een gepensioneerde kolonel. Joera vertelde hem zijn plan: “Filosofie studeren aan de universiteit.” Mijn broer raadde het af:

“Je bent een eerlijke jongen, Joera. Een filosoof heeft het in deze tijd niet makkelijk. Hij moet zichzelf en anderen voor de gek houden. Als je de waarheid zegt, kom je achter de tralies of in een gesticht.”

En in de lente nam Joera zijn besluit:

“Mam, vraag me niks. Ik word militair.”

106. Ik had me vrijwillig aangemeld… Als u me zou vragen: vanwege een ideaal of om jezelf te testen, dan zeg ik natuurlijk: het laatste. Ik wou kijken wat ik waard was. Ik heb een groot ego. In je studie kom je zelf niet aan bod, daar zie je niet wat je kunt. Ik zocht een kans om een held te worden. In m’n tweede jaar kapte ik met m’n studie. Het heette een jongetjesoorlog… Er vochten jochies die net van school waren. Zo gaat het altijd in de oorlog. In de Grote Vaderlandse was het precies zo. Het was een soort spel. Je gevoel van eigenwaarde en trots was erg belangrijk. Kan ik het of niet? Hij kan het. En ik? Daar waren we mee bezig, niet met de politiek. Ik had me van kinds af aan voorbereid op beproevingen. Jack London was m’n favoriete schrijver. Een echte man moet sterk zijn. En in de oorlog word je sterk. M’n meisje probeerde me m’n plan uit het hoofd te praten. Ze zei: “Kun je je voorstellen dat Boenin of Mandelstam zoiets zouden zeggen?” Niemand van m’n vrienden begreep me. De een ging trouwen, de ander hield van oosterse filosofie, een derde van yoga.Alleen ik wou de oorlog in.

212.  ——

‘We hebben een zuiver geweten jegens het Vaderland…

Ik heb mijn soldatenplicht gewetensvol vervuld.Wat er ook geschreeuwd wordt…We zijn niet omgekeerd en zijn onze eed trouw gebleven…Wat moet je met gevoelens als patriottisme en plicht? Is Vaderland voor u een loze kreet? Wij hebben een schoon geweten…

Wat hebben we daar gehaald, wat hebben we vandaar meegenomen? “Vracht 200”, de kisten met onze kameraden? Wat we gekregen hebben? Ziektes, van hepatitis tot cholera.Verwondingen, verminkingen? Ik hoef me niks te verwijten. Ik hielp het Afghaanse broedervolk. Dat weet ik zeker! De lui met wie ik daar was waren ook oprechte, eerlijke jongens. Ze geloofden dat ze met goede bedoelingen op die grond waren gekomen, dat ze geen “verkeerde frontsoldaten” waren uit een “verkeerde oorlog”. Sommigen willen ons als naïeve sukkels zien, kanonnenvlees.Waarom? Met welk doel? Zoeken ze de waarheid? Maar vergeet de Bijbel niet. Bedenk wat Jezus bij het verhoor tegen Pilatus zei:

“Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen.”

En hierop zei Pilatus:

“Maar wat is waarheid?”

Die vraag bleef onbeantwoord…

Ik heb mijn eigen waarheid… In mijn misschien naïeve geloof

waren we maagdelijk zuiver. We dachten dat de nieuwe regering grond uitdeelde en dat iedereen daar blij mee zou zijn. Maar ineens wilden de boeren die grond niet hebben.Want, zei zo’n boer, wie dachten ze wel dat ze waren om die grond uit te delen? De grond is van Allah. Allah meet uit en schenkt. En wij bouwden machine-en-tractor-stations voor ze en schonken tractors, combines en maaiers. Dat zou hun hele leven veranderen. Dat zou de mensen veranderen. Maar nee… zij vernielden die stations! Ze bliezen de tractors op alsof het tanks waren.Wij dachten dat het idee van een god in een tijd van ruimtevluchten belachelijk en onzinnig was. We stuurden een Afghaanse jongen de ruimte in… om hun te tonen, kijk, die vliegt nu waar jullie Allah zit. Maar de islam liet zich niet klein krijgen door de beschaving. Kun je vechten met de eeuwigheid? Ja, we hebben in van alles geloofd! Maar zo is het gebeurd… En dat was een bijzonder stuk van ons leven… Ik koester het in mijn ziel, ik wil het niet kapotmaken. Ik laat het niet zwartmaken. Op het slagveld beschutten we elkaar met onze eigen lijven. Probeer eens kogels voor een ander op te vangen! Zoiets vergeet je niet meer.

214.  ‘Er werd aan de deur gebeld… Ik ren naar buiten – niemand.Was dat m’n zoontje? Twee dagen later klopten er militairen bij me aan.

“Is m’n zoontje er niet meer?” vermoedde ik meteen.

“Nee, die is er niet meer.”

Het werd heel stil. In de vestibule knielde ik voor de spiegel: “God! God! Lieve God!”

Op tafel lag een brief die ik hem net aan het schrijven was:

“Dag knul! Ik was blij met je brief. Er stond geen enkele grammaticale fout in. Alleen een paar kommafouten, net als vorige keer. In ‘Ik doe zo, als vader zei’ moet je ‘zoals’ aan elkaar schrijven. En in de zin ‘Jullie hoeven je volgens mij niet voor mij te schamen’ hoort ‘volgens mij’ tussen komma’s, het is een tussenvoegsel. Neem het je moeder maar niet kwalijk. In Afghanistan is het warm, knul. Probeer niet verkouden te worden. Je vat zo kou…”

Op het kerkhof zweeg iedereen. Er waren veel mensen, maar iedereen zweeg. Ik had een schroevendraaier bij me, die hadden ze niet van me kunnen afpakken.

Laat me de kist openmaken… Laat me m’n zoon zien…” Ik wou de zinken kist met m’n schroevendraaier open wrikken.

M’n man had geprobeerd de hand aan zichzelf te slaan:“Ik hoef niet meer. Sorry, meid, ik hoef niet meer te leven.” Ik probeerde hem om te praten:

“We moeten een grafsteen plaatsen, het graf betegelen. Net zoals de andere graven.”

Hij kon niet meer slapen. Hij zei:

“Als ik ga liggen komt zoonlief. Hij zoent en omhelst me.” Volgens de traditie had ik alle veertig dagen na de begrafenis een brood bewaard… Na drie weken was het verkruimeld. Dat betekent dat het gezin uit elkaar valt…

Ik had overal in huis foto’s van m’n zoon opgehangen. Mij bracht dat troost, maar m’n man juist niet:

“Haal die foto’s weg, hij kijkt me aan.”

We plaatsten een grafsteen. Een goede, van duur marmer. Al ons spaargeld voor zijn bruiloft ging op aan z’n grafsteen.We legden rode tegels op z’n graf en plantten rode bloemen. Dahlia’s. M’n man schilderde het hekje:

“Ik heb alles gedaan. Hij heeft niks te klagen.”

Toen ik ’s morgens naar m’n werk ging, liet hij me uit. Hij nam afscheid.Toen ik na m’n dienst thuiskwam hing hij aan een touw, in de keuken, net tegenover m’n favoriete foto van onze zoon.

“God! God! Lieve God!”

Wat vindt u nou, zijn het helden of niet? Waarom moet ik zo lijden? Hoe moet ik dat verdriet verdragen? Soms denk ik: het zijn helden! Hij ligt daar niet alleen… Er zijn er tientallen… Ze liggen in rijen op de gemeentelijke begraafplaats… Bij elke militaire feestdag klinken er saluutschoten en plechtige redevoeringen. Er worden bloemen gebracht. Er worden pioniertjes beëdigd… En soms vervloek ik de regering en de partij… Het hele bewind… Hoewel ik communiste ben. Maar ik wil weten: waarom? Waarom kwam mijn zoon in een zinken kist terug? Ik vervloek mezelf… Ik ben lerares Russische literatuur. Ik heb het hem zelf geleerd: “Plicht is plicht, jongen. Plicht is heilig.” Ik vervloek iedereen, maar ’s morgens ga ik naar z’n graf en vraag hem excuus:

“Neem me niet kwalijk, knul, dat ik zo praatte. Neem me niet kwalijk.”’

228. Er was geloof! Groot geloof! Het is zo mooi ergens in te geloven. Geweldig! Het gevoel gefopt te zijn… en toch te blijven geloven… Je bracht die twee in een soort harmonie. Misschien kon ik me geen andere oorlog voorstellen dan onze GroteVaderlandse.Van kinds af aan had ik van oorlogsfilms gehouden. Daaraan dacht ik… Zo had ik het me verbeeld. Dat soort scènes… Een lazaret kan toch niet zonder vrouwen? Zonder vrouwenhanden? Daar lagen jongens met zware brandwonden…Verminkt… Gewoon je hand op een wond leggen, een soort lading overbrengen. Dat is toch barmhartigheid! Dat is werk voor een vrouwenhart! Gelooft u me? Gelooft u ons? We waren niet allemaal hoertjes en “valutameiden”. De goeden waren in de meerderheid. Dat kunt u als vrouw van me geloven… Tegenover mannen kun je over dat onderwerp beter zwijgen. Die lachen je in je gezicht uit… Op mijn nieuwe werk (bij terugkomst heb ik mijn oude baan opgegeven) weet niemand dat ik uit Kabul kom, uit de oorlog… Laatst ontstond er een discussie over Afghanistan: waar die oorlog voor nodig was geweest. Onze chef-ingenieur onderbrak me: “Wat weet u, vrouwtje, nou van militaire kwesties… Oorlog is een mannenzaak…” (Lacht.) Ik heb in de oorlog veel jongens ontmoet die met alle geweld ingezet wilden worden in gevaarlijke operaties. Ze sneuvelden, zonder nadenken. Ik heb daar veel op de mannen gelet. Ik heb ze bezig gezien… Dat was interessant… Nou… wat hadden ze in hun hoofd, wat was dat voor microbe? En maar vechten… Ik zag hoe ze hun leven riskeerden, hoe ze doodden. Die denken nu nog dat ze iets bijzonders zijn, omdat ze ooit iemand gedood hebben. Ze hadden iets te pakken wat bij anderen niet aansloeg. Misschien is het een ziekte. Een microbe. Een virus… Daar zijn ze mee besmet…

Maar bij terugkomst was alles anders… Daar waren ze tussen hun eigen mensen, weg uit de staat waarvoor die oorlog nodig was geweest en terug in de staat waarvoor die oorlog geen zin had. Hun ei- gen socialisme stortte in, dat hoefde ze nu niet meer over de grens op te bouwen. Niemand citeerde Marx en Lenin nog of sprak over de wereldrevolutie. Er waren nu andere helden: herenboeren, zakenlui… De idealen waren anders: mijn huis is mijn vesting… En we waren opgevoed met Pavel Kortsjagin… Met Meresjev… Bij het kampvuur zongen we:“Denk eerst aan het Vaderland en dan pas aan jezelf.” Nog even en we zouden uitgelachen worden. Kinderen zouden bang voor ons zijn. Het was niet zozeer pijnlijk dat we iets niet gekregen hadden – de medailles waren op, maar dat we waren uitgewist alsof we nooit bestaan hadden.We waren vermalen…

Reacties graag naar mailadres.