Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Joseph Roth, Zipper en zijn vader

18 oktober 2017

Joseph Roth, Zipper en zijn vader

uitg. LJ Veen Klassiek

Een formidabel gebalde en gelaagde roman over vaders en zonen, moeders en echtgenotes, toneel- en filmsterren, oorlog en gewapende vrede en scènes uit een huwelijksleven.

Een meesterwerk van literaire observatie.

158. En bij een schrijver begint al waar hij zwijgt de leugen.

159. Het is symbolisch voor onze generatie van teruggekeerde soldaten, die men belet te spelen: een rol, een handeling, een viool,. Wij zullen ons nooit verstaanbaar maken, mijn beste Arnold, zoals je vader dat nog kon. We zijn gedecimeerd. We zijn met te weinig. Te weinig voor deze wereld waarin enkel en alleen het puur fysieke gewicht van de massa een doorbraak maakt en niet de geestelijke energie van een eenheid.


20. Maar, zoals het nu eenmaal gaat, je dacht er nooit aan dat ze niet bij elkaar pasten. Zo vergaat het ons meestal als we naar een ouder echtpaar kijken. Ze vormen een fait accompli, aan hun gemeenschappelijkheid valt niet meer te twijfelen. Ze hebben al kinderen, grote kinderen. Van de weerstand die ze in de begintijd van hun huwelijk als wapen zin de strijd wierpen, is niets meer over. Beiden hebben hun scherpe kantjes verloren, hun kruit verschoten. Ze zijn twee oude vijanden, die bij gebrek aan strijdmiddelen een wapenstilstand sluiten die eruitziet als een een bondgenootschap. En van hun oude vijandschap weten we niets meer.

Maar op de momenten die wij, observerende buitenstaanders, niet kennen, gebruiken ze tegen elkaar nog de laatste restanten van hun wapens, of ze hanteren ander materiaal, materiaal van de vrede, voor hun huiselijke strijd. Uit de tijd dat hun vijandschap jong was, hebben ze verschillende onverslijtbare middelen om te haten: een glimlach die juist dan in stelling wordt gebracht wanneer hij de andere pijn doet, een woord dat aan een lang voorbije woeste scene herinnert en dat, opnieuw tevoorschijn gehaald, geheelde wonden openrijt, een manier van elkaar aankijken die beiden doet verstijven, abrupte bewegingen die hun in nevelen gehulde, ingeslapen vijandschap plotseling tot leven wekken, zoals afgevuurde raketten een duistere oorlogssituatie met al haar gruwelen verlicht.

 

24. Hij bezat de onstilbare dorst naar kennis van de eenvoudige man die zin omhoog heeft gewerkt en die onder de misvatting gebukt gaat dat kennis ontwikkeling is, dat ontwikkeling sterk maakt en sterkte succesvol.

29. Zijn ambitie was protectie te hebben. Meestal slaagde hij erin de gunst te winnen van personen die je in het leven helemaal niet nodig hebt.

36. Het was halfdonker in het vertrek. Het was het schemerlicht van een grot, een samenzweerdershuis, een vrijmetselaarsloge. Het vertrek prikkelde mijn fantasie. Als je uit het koffiehuis het heldere zonlicht in liep, was het alsof je midden in een droom werd opgeschrikt. Als je binnen zat, stond de tijd stil. Boven de kassa hing weliswaar een klok, die zelfs tikte en elke avond door ober Franz werd opgewonden, maar ze had geen wijzers. Wat kon er gruwelijker zijn dan die klok? Ze liep en liep, in haar verborgen binnenste volgde de tijd zijn regelmatige loop, maar het was niet te zien. Je wist alleen dat de uren verstreken, maar hoeveel uren, dat wist je niet.

52. Want ijdelheid was in die dagen – niet voor het eerst in de loop van millennia – sterker dan discipline en zorgeloos tegenover de dood.

74. ‘Misschien zelfs verliefd raken. In elk geval heb je baat bij een vrouw. Zij geeft je de illusie dat je in deze wereld nog iets te zoeken hebt. Ze wil kleren en schoenen, een woning en eten en soms een kind. Als je voor iets moet zorgen, beeld je je gemakkelijker in dat je ook niets het om voor te leven.’

79. Want terwijl de wetten van het kaartspel een toekijker gewoonweg verlangden, waren de wetten van een conversatie een buitenstaander niet welgezind.

98. ‘Als je in zo’n eenvoudig milieu opgegroeid bent als ik…’, zei ze vaak, ook wanneer het volslagen overbodig was. Het liefst had ze de wereld laten geloven dat haar vader een analfabeet, een arme houthakker was. Na de revolutie was het bij de jeugd die zich met literatuur en kunst bezighield en graag dicht bij het proletariaat wilde staan omdat het er korte tijd naar uitzag dat het zou zegevieren, mode om te zeggen dat je uit een lager milieu afkomstig was. (Ik kende de zoon van een rijke juwelier, die beweerde dat zijn vader horlogemaker was.)

106. Eigenlijk dachten alle mannen erover na, zelfs de intellectuelen , die met het verschijnsel vertrouwd waren. Bij hen viel Erna voortreffelijk in de smaak. Hun beviel de koketterie die aan mannen verspild leek en hen juist daarom prikkelde, de schranderheid die de lastige gelachen kon volgen, de collegiale eenvoud die geen inspanning vergde, de gratie die zo ziek en verloren was, het ‘buitengewone talent’ dat geen last had van het ‘ongewone intellect’, de eeuwige bereidheid van Erna om zich over te geven, maar aan geen enkele man, de uitzichtloosheid om haar te behagen, en de behoefte die ze toonde om toch het hof te worden gemaakt. Men had respect voor haar als voor al het onbereikbare dat door de natuur zelfs is afgeschermd.

Als Erna met zakenlieden van de branche samen was, gedroeg zich zich anders. Dan bespotte ze de intellectuelen en hun ‘wereldvreemdheid’. Ze gaf te kennen dat deze tijd mannen van de daad nodig had en dat geld verdienen een grotere kunst was dan acteren. Ze dweepte met Amerika en vertelde dat ze er als kind al was geweest. Ze verspreidde legenden over haar armzalige herkomst en beweerde dat ze zoveel geld moest verdienen omdat ze nog ouders, broers en zusters onderhield, die in de somberste wijk van Wenen woonden. Dat belette haar evenwel niet Hongaarse graven te kennen. Ze verloor geen moment het superieure air van een kunstenaar, hoewel ze pretendeerde talent niet te waarderen, het minst nog haar eigen talent. Ze gedroeg zich als een aristocraat die pretendeert geen vooroordelen te kennen, tussen burgers die hem bewonderen – niet omdat hij geen vooroordelen heeft maar omdat hij een aristocraat is die er geen heeft. Ze praatte uit de hoogte en op voet van gelijkheid.

149. Per slot van rekening leven we, zijn we jong, hebben we verwachtingen, zouden we weliswaar eeuwig willen bestaan, maar voelen we ons toch gelukkig binnen het begrensde hemelrond dat zich boven de paar decennia van een mensenleven welft, en willen we het liefst niets weten van de nietigheid, de betekenisloosheid van een woord dat we zeggen, van een handeling die we verrichten, van een pijn die we ondergaan.

 

Reacties graag naar mailadres.