Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Junichiro Tanizaki, Lofzang op de schaduw

7 november 2017

Junichiro Tanizaki, Lofzang op de schaduw

opgenomen in ‘De brug der dromen’. Verzameld werk.

Uitgeverij De Bezige Bij 2017

439. Wanneer westerlingen het over ‘het geheimzinnige Oosten’ hebben, bedoelen ze waarschijnlijk de beklemmende stilte op dit soort donkere plekjes. Ook wij stonden als kind al onuitsprekelijke angst uit en er gingen koude rillingen door ons heen als we met onze blik de diepte probeerden te peilen van de tokonoma in een zit- of studeerkamer, waar nooit een straaltje zon in viel. Hoe valt heel dit mysterie toch te verklaren? Dat zal ik u verklappen: het ligt aan de magie der schaduwen, want als je die uit de hoeken verjaagt, is zo’n tokonoma in één oogwenk een doodgewone lege ruimte. En hierin school het genie van onze voorouders, want aan het rijk der schaduwen, dat vanzelf ontstaat wanneer je zo’n ruimte bewust afschermt, kenden zij een geheimnisvolle diepgang toe die elke muurschildering of versiering overtreft. Het lijkt een simpele kunstgreep maar dat is het beslist niet; u kunt zich wel voorstellen hoeveel onopvallende aandacht er is besteed aan het aanbrengen van het raam in de zijnis, aan de diepte van de dwarsbalk en de hoogte van de drempel; en wanneer ik voor mezelf mag spreken, ik hoef maar even halt te houden bij het vaalwitte licht van de sh?ji in een studeerkamer, en ik vergeet de tijd.

427. Alle papier is wit, maar westers papier heeft een andere witheid dan h?sho of Chinees papier. Westers papier stoot lichtstralen af, terwijl h?sho en wit Chinees papier het licht volkomen absorberen, net als een laagje zachte, vers gevallen sneeuw; onder je vingers voelen deze papiersoorten buigzaam aan, en als je ze vouwt maken ze geen gerucht. Ze zijn onhoorbaar en vochtig, net als boomblaadjes. Meer over het algemeen mag je wel stellen dat blinkende dingen ons onrustig maken.

425. Nu zijn dit allemaal maar schrijversfantasieën, en ik ben er mij heel goed van bewust dat we de klok niet meer terug kunnen draaien. Mijn woorden weerspiegelen een onmogelijk verlangen en stijgen niet uit boven gekanker, maar toch kan het geen kwaad om eens te beschouwen in welke mate wij in vergelijking met westerlingen zijn benadeeld. Kort samengevat komt het erop neer dat het Westen zijn huidige positie heeft bereikt door het pad te volgen dat ervoor was uitgestippeld. Wijzelf, daarentegen, zijn op een meer geavanceerde beschaving gestuit, zodat er voor ons niets anders opzat dan die over te nemen, en in ruil daarvoor hebben wij een andere richting genomen dan de richting die wij al duizenden jaren volgden, wat naar mijn mening tot tal van vergissingen heeft geleid en ons heel wat last heeft bezorgd. Indien men ons met rust had gelaten, zouden wij op materieel gebied misschien niet veel verder hebben gestaan dan vijf eeuwen geleden, want als je tegenwoordig naar het Chinese of Indiase platteland gaat, stel je vast dat het daar óók niet heel anders aan toegaat dan in de dagen van Boeddha of Confucius. Maar in dat geval hadden wij tenminste een richting kunnen inslaan die bij onze aard past. En het lijkt niet ondenkbaar dat we heel geleidelijk, stapje voor stapje, vooruitgang zouden hebben geboekt, en dat ook wij de verworvenheden van een geavanceerde beschaving zouden hebben ontwikkeld.

428. Chinezen zijn ook dol op jade, en ik maak mij sterk dat wij oosterlingen als enigen de charme weten te appreciëren van die eigenaardig troebele steenklomp, die diep vanbinnen een slaperig, gesmoord licht herbergt, alsof eeuwen lucht erin zijn versmolten.(...)

Of het nu om natuursteen gaat of om iets kunstmatigs, wij willen een enigszins vertroebelde glans die onmiskenbare gedachten oproept aan ouderdomspatina. Nu klinkt zoiets heel mooi, maar eigenlijk komt deze glans van smoezelige vingers. De Chinezen spreken van ‘handglans’ en wij van ‘slijtage’, en in beide gevallen gaat het om een glans die verschijnt wanneer een voorwerp jarenlang betast wordt door mensenhanden, steeds op dezelfde plek, zodat er vanzelf vingersmeer in doordringt. Alles welbeschouwd is de uitspraak van Sait? Ryokuu niet compleet; aan ‘verfijnde elegantie is iets ijskouds’ moeten we nog toevoegen: ‘én iets groezeligs’. In elk geval kun je niet ontkennen dat de ‘goede smaak’ die ons zo verblijdt deels wordt gekenmerkt door onreinheid en gebrekkige hygiëne. Terwijl westerlingen elke smoezeligheid met wortel en al willen uitroeien, probeert de oosterling hem zorgvuldig te conserveren en te esthetiseren…

431. Toiletdozen, schrijfkistjes of kasten die erop los blinken omdat er zoveel goudlak op zit, geven een schreeuwerige, rusteloze, ja zelfs vulgaire indruk, maar verf de ruimte waarin ze zich bevinden eens pikzwart; vervang de zon of het elektrisch licht door één olielamp of kaars, en je zult zien dat die schrille gebruiksvoorwerpen opeens worden gekenmerkt door diepte, soberheid en waardigheid. Bij het aanbrengen van zwarte lak, besprenkeld met goud, hadden de ambachtslieden van vroeger ongetwijfeld donkere ruimten in gedachten; ze zullen zich hebben afgestemd op het effect dat ze wisten te bereiken in een schaars verlicht vertrek, en zelfs wanneer ze royaal gebruikmaakten van goudlak, zullen ze hebben overwogen hoe de lak zich losmaakte van de duisternis en in welke mate hij het schijnsel van de lamp weerspiegelde.

435. Of het nu gaat om grootse heiligdommen, zoals de Chion-tempel of de Hongan-tempels in Kyoto, of om boerderijen uit halfvergeten gehuchten – bij de meeste oude gebouwen lijkt het dak veel zwaarder, hoger en omvangrijker dan alles wat eronder zit. Als er in ons land een woning wordt gebouwd, wordt er dus eerst, bij wijze van spreken, een enorme parasol opgezet, en in de schaduw daarvan construeren wij het huis. Westerse huizen hebben natuurlijk ook daken, maar ze zijn in de eerste plaats bedoeld als bescherming tegen neerslag en niet als zonafwering; je hoeft de buitenkant van deze huizen maar te bekijken om te weten dat schaduwen zo veel mogelijk worden vermeden, en dat het interieur zo veel mogelijk in zonlicht baadt. Is het Japanse dak een parasol, dan zou je het westerse dak als een soort hoed kunnen bestempelen – een pet, misschien, maar dan wel met een zo klein mogelijke klep, zodat de zonnestralen er vlak onder de rand naar binnen vallen. Japanse woningen danken hun laag overhangende daken vast aan het klimaat en het beschikbare bouwmateriaal. Zo werden in ons land nooit bakstenen, glas of cement gebruikt, met het gevolg dat onze daken steeds zo ver mogelijk naar beneden moesten hangen om regen en wind af te weren. Ook Japanners zullen heldere ruimten prettiger hebben gevonden dan donkere, maar zij hadden nu eenmaal geen keuze. Daar staat tegenover dat ‘het Schone’ meestal ontspruit aan praktische leefomstandigheden. Aangezien er voor onze voorouders niets anders opzat dan hun dagen in donkere ruimten te slijten, hebben zij op een gegeven moment de schoonheid der schaduwen erkend, waarna zij die schaduwen algauw zijn gaan gebruiken voor esthetische doeleinden. Je zou kunnen zeggen dat de schoonheid van de Japanse kamers voortkomt uit het spel van lichte en donkere schaduwen, en daaruit alleen. Westerlingen zijn stomverbaasd over de eenvoud van onze zitkamers; zij zien slechts asgrauwe muren die gespeend zijn van elke vorm van versiering – een reactie die ik volkomen begrijp maar die ook aantoont dat zij met het raadsel der schaduwen geen weg weten. Wijzelf daarentegen voegen aan de buitenkant van onze zitkamers – waartoe de zonnestralen nauwelijks doordringen – ook nog afdaken en veranda’s toe om de zon nog meer op afstand te houden, en we laten het licht uit de tuin uitsluitend in gedempte vorm in onze kamers vallen, door de sh?ji. Juist dit indirecte, gedempte licht bepaalt voor ons de schoonheid van een vertrek. Om de krachteloze, trieste en vluchtige lichtstralen zo diep mogelijk te laten doordringen geven we onze binnenmuren een neutrale kleur.

 

Reacties graag naar mailadres.