Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Milena Michiko Flašar, Een bijna volmaakte vriendschap.

3 december 2017

Milena Michiko Flašar, Een bijna volmaakte vriendschap.

Uitg. Cossee

99. Vaders wanhoop. Die kwam te laat. Toen hij tierend mijn kamer was binnengestormd en zijn hand tegen mij had opgeheven, was ik al lang onaantastbaar. Hij zag het, ik weet het zeker. In werkelijkheid was hij het die voor mij was teruggedeinsd. Hij had er met opzet naast geslagen.

 

4. ‘De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken. Secondelang in elkaar verwijlen. Niet loskomen van elkaar.’

36 ‘Niemand mag weten dat ik een hikikomori ben. De buren hebben ze verteld dat ik op uitwisseling ben in Amerika, en nu ik weer buiten kom hebben ze ze verteld dat ik terug ben en tijd nodig heb om weer aan mijn thuis te wennen. Ik heb geluk dat ik deel uitmaak van een gezin dat zich voor mij schaamt.

En misschien is het dit geluk dat een hikikomori nog het meest kenmerkt. Het geluk om voor onbepaalde tijd bevrijd te zijn uit het doen gebeuren en laten gebeuren, uit het samenspel van oorzaak en gevolg. Zonder een menselijk doel voor ogen en zonder de wil om het te bereiken in een gebeurtenisloze ruimte te blijven. Een bal die roerloos aan de rand ligt en geen andere ballen in beweging zet. Door jezelf buiten te sluiten val je uit het fijnmazige vlechtwerk van contacten en betrekkingen en ben je opgelucht er niets aan te hoeven toevoegen. Die opluchting: je hoeft geen bijdrage meer te leveren. Eindelijk geef je voor jezelf toe dat de wereld je volledig koud laat.’

43. ‘wat ik kwijt was, was niet het vermogen om in een rechte lijn te lopen, maar wel een zekere verende tred, een vanzelfsprekendheid. Ik kon mezelf niet meer inhalen. Ik hinkte achter mezelf aan.’

99. ‘Vreemd. Maar het besef dat ook vader iets verborg, het besef dat ook hij, trillend als een espenblad, het onder zijn huid had weggestopt, troostte me. Een tijdlang tenminste. Het was nu eenmaal zoals hij had gezegd: Je moet een doel hebben. Je moet alles geven. Je moet het bereiken. Ooit gelukkig zijn. Er was maar een kleine sprong voor nodig. Naar de veilige kant, naar degenen die niet te veel nadenken, niet nadenken over hoeveel pijn het doet om niet alleen de ander maar samen met die ander ook jezelf verraden te hebben. Ik wilde ernaartoe, nam een aanloop, stond op het punt te springen. Zou gesprongen zijn als Kumamoto, een estafetteloper, me niet op het laatste moment het estafettestokje van de waarachtigheid had doorgegeven. Geef het toe. Was het dat wat hij had geroepen? Geef eindelijk toe dat je aan dezelfde ziekte lijdt. Mijn ja was de deur die achter me dichtviel. Vaders wanhoop. Die kwam te laat. Toen hij tierend mijn kamer was binnengestormd en zijn hand tegen mij had opgeheven, was ik al lang onaantastbaar. Hij zag het, ik weet het zeker. In werkelijkheid was hij het die voor mij was teruggedeinsd. Hij had er met opzet naast geslagen.

104. ‘Zoals wanneer een dode, al opgebaard, met een ruk overeind schiet, zijn armen, vol leven, om me heen geslagen, me zo vasthoudt, in zijn omarming, haast platdrukt, zijn adem vlak bij mijn oor: Vergeef me. Alsjeblieft. Vergeef me. Ik snakte naar lucht. Toen liet hij me los. Met slappe armen zakte hij weer achterover en viel nog dieper dan eerst, met halfopen mond, in slaap. Domkop die ik ben, dacht ik en belde de volgende dag naar zijn werk. Toen ik de hoorn weer neerlegde, werd ik me bewust van de hele draagwijdte van onze beslissingen: hij wilde zijn belofte van het dagelijks leven inlossen, ik mijn belofte om voor ons dagelijks leven bij hem te blijven. In dat kortstondige ogenblik dat ik de hoorn weer op de haak legde, werd ik me bewust van de schoonheid die daarin lag, wat een harmonische schoonheid in onze poging om de beslissingen die we hadden genomen trouw te willen blijven.’

111. ‘Wat denk je? Ik legde mijn handen plat op tafel, zodat hij de littekens kon zien. Wat denk je, hebben ze ons nodig? Ik bedoel mensen zoals wij, die van de weg zijn afgeweken, zich hebben teruggetrokken. Die geen diploma hebben, geen opleiding, geen baan, die niets kunnen overleggen, niets hebben geleerd behalve dit: dat het de moeite waard is om te leven. Ze jaagt me angst aan, de gedachte dat ze ons, nu we dat geleerd hebben, het nog altijd leren, misschien niet nodig hebben. Tenslotte zijn we getekend. Er kleeft een smet aan ons. Wat als dat ons niet wordt vergeven? Wat als de samenleving…   ons niet terug wil? Ik probeer niet aan het grootschalige te denken. Als ik denk: de samenleving. Dan sla ik op tilt. Te groot. Wat is dat? Ik zie het niet. Wat ik zie zijn individuen. Daar wil ik het op houden. Op het kleinschalige. En daar is iedereen getekend, kleeft er aan iedereen een smet, heeft iedereen iedereen nodig.’

Reacties graag naar mailadres.