Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Jolande Withuis, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog

14 april 2018

Jolande Withuis, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog 

Uitgeverij De Bezige Bij 2018

106. ‘Het communisme is een groots, historisch experiment geweest. Het was heerlijk om erin te geloven. Het maakte je bereid veel door de vingers te zien.’

Met deze indrukwekkende benadering van haar vader probeert Jolande Withuis de vinger te krijgen achter haar eigen jeugdtraumata én die van haar vader en moeder, militante communisten van het eerste uur in Zutphen en na de oorlog in Amsterdam en heel Nederland. Ook tijdens de Koude Oorlog waarin leden van de CPN werden vervolgd, gebroodroofd en veiligheid voor hun kinderen niet echt aan de orde was binnen het grote geloof in de ene en de ware ideologie van gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid:
228. Geloven helpt zolang je kunt blijven geloven. Communisten die de confrontatie met de socialistische werkelijkheid aangingen, belandden vaak in een persoonlijke crisis.

214. Het samengaan van een vrijwillig lidmaatschap met een verregaand verlies van vrijheid behoort mijns inziens tot de kern van de totalitaire verleiding: je kiest er in vrijheid voor om mee te doen aan een aantrekkelijk lijkend genootschap dat een omvattende visie biedt op de wereld en het leven, maar levert vervolgens, om erbij te mogen blijven horen, je verlangen en je vermogen om vrij te kiezen in.


Berry – Berend – Withuis (1920-2009) kon zich redden via zijn passie voor het schaakspel en zijn bedrevenheid in het netwerken voor toernooien, grootmeesters, de Sovjetschakers en de Nederlandse schaakjournalistiek. 

‘Raadselvader’ is een noodzakelijk boek omdat zijn dochter Jola erin geslaagd is door een nauwgezette reconstructie van o.a. de uitgebreide documentatie van de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst, oude schaakvrienden en partijgenoten enkele sluiers van haar vaders leven te lichten.  

Mij komt het voor dat de man door te zwijgen tegenover zijn kinderen hen wellicht voor erger wou beschermen. 

Toch drijft ‘het kind van Berry’ door om zelf begin jaren 70 lid te worden van de CPN in Amsterdam. Gelukkig wordt ze snel geconfronteerd met de werkelijkheid en ziet ze zelf de scheurende spanning tussen het ware leven en de CPN ideologie, ook binnen de broederschap der partijleden. Haar onderzoekswerk en het schrijven van ‘Raadselvader’ lijkt mij een daad van liefde en eerherstel, mét de onthulling van zijn drijfveren, wanen, haat en woede.

Voor oud-gelovigen is het lezen van ‘Raadselvader’ vaak beklemmend door de herkenning van de minutieuze processen van identificatie, afwijzing, sektevorming.

49. Onverbiddelijk moest je zijn, hoe gering ook de afwijking. De vraag hoe het kon dat louter strategische conflicten indertijd waren geëscaleerd tot ware mini-oorlogen terwijl de betrokkenen elkaars politieke idealen deelden, kwam pas veel later in me op, toen ik afstand had genomen van mijn vaders politieke visie en in de jaren tachtig wetenschappelijk onderzoek ging doen naar het naoorlogs communisme. Ik vond ook een antwoord: het kwam door hun teleurstelling en de wijze waarop de communisten, onverzettelijk als ze waren, met die teleurstelling omgingen.

28. Hij stelde het als een verdienste voor om geen gevoelens te hebben ten aanzien van individuen. De snerende uitdrukking dat ‘communisten meer geven om de mensheid dan om mensen’ vatte mijn vader op als compliment. Hij hield mij dit streven zelfs letterlijk voor, maar of dat ook betekende dat hij jegens mensen inderdaad geen gevoelens hád – het blijft gissen. 


66. André Roelofs, die in 1951 als twintigjarige de redactie kwam versterken, maakte mijn vader intensief mee. Toen ik André vroeg of mijn vader wel eens iets van twijfel had laten doorschemeren, corrigeerde hij mijn naïviteit:

Als jouw vader kritiek had op de Partij, of aarzelingen bij het communisme, zou ík dat bij uitstek niet weten. Dat zou hij op de redactie nooit hebben laten merken. Wij hielden onze gedachten voor ons, juist tegenover degenen met wie we samenwerkten. Openheid over aarzelingen of kritiek kon je je echt niet permitteren.

De eenzaamheid die uit dit antwoord naar voren komt, staat in schril contrast tot de in de CPN beleden en vaak ook beleefde kameraadschap. Die kameraadschap berustte voor een flink deel op de overtuiging dat er buiten de partij geen fatsoenlijk leven mogelijk was. Het bevorderde de nagestreefde eenheid dat men liever zijn mond hield dan eruit te liggen. Je keek in het klimaat van voortdurende zuiveringen en onderlinge verklikkerij wel beter uit dan openhartig te zijn, juist tegenover degenen met wie je dag in dag uit alle tegenslagen deelde, diegenen dus die doorgingen voor je beste vrienden. Zo onmogelijk als het was vriendschappen te onderhouden buiten de Partij, zo onmogelijk was het ook daarbinnen.

Dit treurige leven in deze zelfgekozen gevangenschap zag men aan voor geluk, althans: men hield zichzelf met wisselend succes voor dat men gelukkig was. De armoede, het isolement en het geploeter werden gecompenseerd door de troostrijke zekerheid dat men beschikte over diepe historisch-maatschappelijke inzichten. Communisten voelden zich geestelijk verheven boven buren, collega’s en familieleden die het vertrouwen in de komst van de heilstaat en de vreugde van de dagelijkse strijd moesten missen. Vermoedelijk namen de volwassenen aan dat dit voor hun kinderen ook gold.

105. Het behoort tot de communistische basisbeginselen dat je juist in het overwinnen van je intuïtieve neigingen (zoals dat je je vrienden en geliefden wilt sparen) bewijst een goed partijlid te zijn. De goede zaak gaat immers boven alles. Vriendelijkheid is een zwakte die je omwille van de revolutie te boven dient te komen.

De lakmoesproef, dat de ware gelovige bereid is zijn primitieve goedhartigheid te overwinnen en onmenselijke misdaden te begaan, is overigens niet exclusief communistisch maar geldt voor meer totalitaire overtuigingen. Zo stelde Himmler dat iedereen natuurlijk wel een enkele jood aardig vindt, maar dat het erom ging dat gevoel te overwinnen. Je moest joden willen vermoorden, al vond je ze aardig. 

En zo oefenen jonge moslims in Amsterdam-West zich voor hun toekomst door naar onthoofdingsfilmpjes te kijken, waar ze in eerste instantie van moeten kotsen.

Onovertroffen in dezen is het verhaal waarmee mijn vader altijd de onmenselijkheid van het christendom bewees: God die van Abraham eist dat hij zijn zoon Isaak offert.

156. Voor mij onderstreepte de onaangename scène opnieuw dat wij, moderne, rationele, progressieve mensen net zo min aan familiefoto’s deden als aan antimakassars, en eigenlijk ook niet aan familie. ‘Het proletariaat heeft geen vaderland’ en ook geen stamboom.

194. Het moet voor mijn vader een van de aantrekkelijkheden van het ‘wetenschappelijk socialisme’ van Marx en Engels zijn geweest dat een psychologie aan deze leer ontbrak, althans een psychologie die het bestaan van irrationele of onbewuste motieven en verlangens erkent. Misère kon in het ‘historisch materialisme’ betrekkelijk eenvoudig worden opgelost. Betere eigendomsverhoudingen zouden betere mensen produceren. Mijn vaders visie op mensen ging niet veel dieper dan het optimistische idee dat het uitbannen van armoede en onwetendheid tegelijk de overige menselijke ellende zou opheffen. Jaloers, egoïstisch, hebberig, vals, ongelukkig, eenzaam, angstig, onzeker – hij kon niet geloven dat mensen dat ‘zomaar’ zouden zijn. Zelf heb ik er, in zijn voetspoor, ook lang over gedaan voor ik me dat realiseerde. Ongeluk moest een ‘objectieve’, dat wil zeggen materiële oorzaak hebben. Andere behoeften, zoals aan veiligheid en liefde, werden niet als wezenlijk erkend. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.

Mijn vader verving de erfzonde door Marx’ stelling dat ‘het maatschappelijk zijn het bewustzijn bepaalt’. Dat het marxisme onderkende dat mensen als gevolg van armoede en onwetendheid een benepen geest kunnen krijgen was voor mijn vader de kern. Dat maakte hem overigens niet minder woedend of verbitterd als mensen over wezenlijke zaken anders dachten dan hij of zich asociaal gedroegen.

 

Hoe ik bij de Volkskrant werd ontslagen en Ben de Graaf mij redde

Beweringen & bewijzen

Door: Max Pam 20 februari 2018, 

In Buitenhof toonde historica Jolande Withuis begrip voor geheime diensten, wanneer zij met behulp van informanten mensen volgen die vijanden zijn van de democratie. Als een van de vrienden van Mohammed B. de AIVD op de hoogte had gesteld, was Theo van Gogh nooit vermoord, zei Withuis.

Zij zat zondag in Buitenhof vanwege haar boek Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog, dat gaat over haar eigen vader Berry (Berend) Withuis. Die werd bijna een leven lang gevolgd door de BVD - de voorloper van de AIVD - omdat hij een gestaalde communist was. Jolande heeft veel materiaal uit de BVD-archieven mogen inzien en zij kan zich de belangstelling voor haar vader wel voorstellen.

Raadselvader is een boek over een onbeantwoorde liefde van een dochter voor haar vader. Die had weinig oog voor zijn familie. Des te meer oog had hij voor de mensheid, aan wie het paradijs van de arbeidersklasse moest worden geopenbaard. Berry Withuis was lid van de CPN en lange tijd journalist bij het communistische dagblad De Waarheid.

De partij was alles, de partij had altijd gelijk. De partij werd geleid door Paul de Groot, de man die volgens de afvallige Gerard Reve gezegend was met een mond als een ‘varkensvagijn’. De partij ontving haar directieven rechtstreeks uit Moskou.

Een ware communist wil sterven voor de partij, hij zou – als het moest – zelfs zijn eigen vrouw en kinderen aangeven. Op een keer zei Berry Withuis tegen zijn schaakvrienden dat zij, wanneer de communisten aan de macht zouden komen, ongetwijfeld tegen de muur zouden worden gezet. Een grapje, maar met een serieuze ondertoon. Zo stond men toen tegenover elkaar.

Door de argwaan was er binnen het gezin geen plaats voor liefde en tederheid

De communist Daan Goulooze, die in concentratiekamp Sachsenhausen werd gered door de renegaat Joop Zwart, verklaarde plechtig dat deze daad Zwart later niet zou vrijwaren voor het nekschot, maar dat hij hem als dank wel zijn laatste sigaret zou presenteren. Dat was geen ironie. Waar gehakt wordt, vallen nu eenmaal spaanders.

Jolande Withuis groeide op in een gezin dat voortdurend onder verdenking stond. Nooit je naam noemen aan de telefoon. Nooit door de telefoon afspraken maken. Door de argwaan was er binnen het gezin geen plaats voor liefde en tederheid. Niet de mens, maar de mensheid moest worden gered.

De omslag kwam in 1956, toen Sovjet-tanks Hongarije binnenstommelden. De Waarheid moest daarna drastisch bezuinigen en noodgedwongen wendde Berry Withuis zich tot zijn andere liefde: het schaakspel.

In korte tijd werd hij perschef van allerlei schaaktoernooien. Wie Botwinnik, Tal of Keres wilde uitnodigen, kon niet om Withuis heen, want als communist had hij een directe lijn met de schaakbond in Moskou. Jaarlijks organiseerde hij de V&D-simultaanseances, waarvoor de Russische schaakhelden naar Nederland kwamen. Dat was beslist uniek te noemen.

Tegelijkertijd bouwde hij bij Nederlandse bladen een heel imperium op van schaakverslaggeving en schaakrubrieken. Hij schreef voor de Volkskrant, het Algemeen Dagblad, Vrij Nederland en voor tal van provinciale kranten. Hij gaf boekjes uit en bulletins, hij was de Raspoetin van het schaakspel geworden.

En toen kwam Ben de Graaf, chef-sport van de Volkskrant. Je kunt alles van Ben de Graaf zeggen, maar hij was beslist geen communist. En hij vond die stukjes van Withuis oubollig. Hij wilde iemand anders, jong, niet iemand die in contact stond met het Kremlin, hij vroeg mij. Omdat ik vond dat er best een snipper van het Withuis-imperium af kon, zei ik ja en dat was natuurlijk tegen het linkerbeen van Berry. Die liet het er niet bij zitten, te meer omdat ik kwam uit het Parool-nest dat werd bevolkt door renegaten als Carmiggelt, De Kadt, Goedhart en de vader & zonen Van het Reve.

Withuis vroeg belet bij Euwe. U moet zich even indenken wie prof. dr. Max Euwe toen was. Hij was de wereldkampioen, de grand maître – ‘gij Grote en Goede’, zoals Donner zei – Euwe was gewoon God. En God schreef nu een brief aan de hoofdredacteur van de Volkskrant, waarin hij zich afvroeg hoe men het in zijn hoofd kon halen de briljante Withuis terzijde te schuiven ten gunste van een ventje dat geen pion van een paard kon onderscheiden.

Een paar dagen later werd ik bij Jan van der Pluijm ontboden, de toenmalige hoofdredacteur van de Volkskrant. Binnen drie minuten was ik ontslagen en stond ik verbouwereerd op straat.

Hoe hij het voor elkaar heeft gekregen, weet ik nog steeds niet, maar twee maanden later kreeg ik bericht van Ben de Graaf dat er een schaaktoernooi aankwam en dat ik dat moest verslaan. Ik dank Ben daarvoor tot mijn laatste sigaret.

Raadselvader van Jolande Withuis kan ik u van harte aanbevelen.

Reacties graag naar mailadres.