Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Jevgeni Zamjatin, Wij.

5 mei 2018

Jevgeni Zamjatin, Wij.

Vert. Dick Peet, Atlas, Amsterdam, 2011, 

Om kort te gaan, we moeten Wij (als het niet alleen een document is maar ook een serieuze roman) tegen de draad lezen, en tegen onszelf in – anders wordt het alleen een zinloze oefening in zelfvoldaanheid. De kern van de zaak wordt ironisch verwoord door I-330: geluk is er ‘wanneer er geen enkel verlangen meer bestaat’, en geluk is niets positiefs – ‘voor het absolute geluk hoort natuurlijk het minteken, het goddelijke minteken’. Negatief: geen pijn, fantasie, ziekte, terreuraanslagen, ideeën, verlangens. Het ‘goede’ als afwezigheid van het ‘kwaad’.

Al bij al een verbluffende reeks aantekeningen van iemand die wellicht bij de alleen eersten begreep waartoe zijn geloof in het wetenschappelijke, wiskundige socialisme en de ultieme vooruitgang van de rede voor de mensheid leiden zou. Moeizaam te lezen maar bij wijlen verschroeiend helder als de wetten van de optica in een glazen piramide .

 

Fascinerend lijkt mij hoe Zamjatin als ingenieur met een wis- en natuurkundige opleiding aanvankelijk het mechanistisch wetenschappelijke maatschappijconcept van het Marxisme uitdroeg en zich met de verspreiding en ontwikkelingen van de relativiteitstheorie en quantumfysica afkeerde van dit dialectisch en historisch materialisme als basis voor een  (socialistische) utopische wereldbeeld.

Michel Houellebecq schreef er met ‘De mogelijkheid van een eiland’ een hedendaagse variant van. Aldous Huxley en Georges Orwell gingen hem voor.

‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ van Fjodor Dostojevski was een eerste forse kritiek op de utopie in Wat te doen? van Nikolaj Tsjernysjevski  (1863). Lenin schreef later zijn Wat te doen?

15. ‘Het is immers duidelijk dat de hele geschiedenis der mensheid voor zover wij die kennen, de geschiedenis is van de overgang van nomadische levensvormen naar een al meer gezeten levenswijze. Volgt daar dan niet uit dat de meest gezeten levenswijze (de onze) tevens de meest volmaakte (de onze) is? Als de mensen hebben rondgezwalkt over de aarde van het ene uiteinde naar het andere, dan is dat slechts geweest in prehistorische tijden, toen er nog naties, oorlogen, vormen van handel en de ontdekkingen van verschillende Amerika’s waren. Maar waartoe, voor wie is dat nu nog nodig?’

32. ‘Dat is duidelijk,’onderbrak I mij; ‘origineel zijn wil zeggen zich op enigerlei wijze onderscheiden te midden van de anderen. Derhalve is origineel zijn gelijk aan de gelijkheid verstoren… En datgene wat in de idiote taal der Ouden “banaal zijn” werd genoemd, betekent bij ons: slechts zijn plicht vervullen. Daar namelijk…’

219. ‘Het is onzinnig, omdat er van revolutie geen sprake kan zijn. Omdat de onze (dat zeg ik tenminste; niet jij), omdat onze revolutie de laatste is geweest. En verder kan er geen enkele revolutie meer komen. Dat is eenieder bekend…’

 

De spottende, scherpe driehoek der wenkbrauwen: ‘Mijn beste vriend: jij bent een wiskundige. Meer nog zelfs: jij bent een wiskundefilosoof. Welnu dan: noem mij eens het laatste getal.’

‘Je bedoelt? Ik… ik begrijp het niet: hoezo “laatste”?’

‘Wel, het laatste, het hoogste, het allergrootste.’

‘Maar I toch, dat is toch onzinnig. Aangezien het aantal der getallen nu eenmaal oneindig is, hoe wil je dan een laatste noemen?’

‘En hoe wil jij dan een revolutie de laatste noemen? Er is geen laatste: er zijn oneindig veel revoluties. De laatste, dat is iets voor kinderen: kinderen worden door de oneindigheid afgeschrikt, en het is nodig dat kinderen ’s nachts rustig slapen…’

‘Maar wat voor zin heeft het, wat voor een zin heeft dat dan allemaal, in Weldoeners naam? Wat voor een zin heeft het, wanneer iedereen toch al gelukkig is?’

‘Laten we veronderstellen… Nou goed dan: laat dat al zo zijn. En hoe gaat het dan verder?’

‘Belachelijk! Een volslagen kinderlijke ‘vraag. Vertel kinderen een verhaaltje, alles van a tot z: dan zullen ze beslist toch nog vragen: en hoe gaat het verder, en waarom?’

‘Kinderen zijn de enige stoutmoedige filosofen. En stoutmoedige filosofen zijn beslist kinderen. Juist zoals de kinderen moet men ook vragen: en hoe gaat het verder?’

‘Er is geen enkel verder! Er staat een punt achter. Het is in het hele universum overal gelijkmatig uitgegoten…’

‘Aha! Overal gelijkmatig, zeg je! Kijk, hier heb je het nou: de entropie, de psychologische entropie. Is het jou als wiskundige soms niet duidelijk dat alleen verschillen (verschillen!) in temperatuur, alleen contrasten in warmte, dat alleen daarin leven bestaat? En als er overal, in het ganse heelal, gelijkelijk warme (of gelijkelijk koele) lichamen zijn… Nee, ze moeten op elkaar botsen; opdat er vuur, explosie, een Gehenna is. En wij zúllen ook op elkaar botsen.’

‘Maar I, begrijp het toch, begrijp het: onze voorouders hebben dat (tijdens de Tweehonderdjarige Oorlog) met name gedaan…’

‘O, en ze hadden gelijk, ze hadden duizendmaal gelijk. Zij hebben maar één vergissing gemaakt: later zijn zij gaan geloven dat zij het laatste getal waren, hetwelk in de natuur niet bestaat, volstrekt niet. Hun vergissing is de vergissing van Galilei geweest: hij had gelijk dat de aarde zich om de zon heen beweegt, maar hij wist niet dat het hele zonnestelsel zich om een zeker centrum beweegt, hij wist niet dat de werkelijke, níét de relatieve, baan van de aarde helemaal niet zo’n simpele cirkel is…’

‘En jullie?’

‘En wij? Wij weten voorlopig dat er geen laatste getal is. Misschien zullen we het vergeten. Nee: we zullen het zelfs vast en zeker vergeten wanneer wij oud geworden zijn, zoals alles onvermijdelijk oud wordt. En dan schieten wij eveneens onontkoombaar omlaag, zoals in de herfst de bladeren van de boom, zoals overmorgen jullie… Nee, nee, lieveling, jij niet. Jij bent toch met ons!’

290. ‘De zaak gedoogt geen uitstel; want in de westelijke stadsdelen treft men nog steeds een chaos, gebrul, lijken, wilde dieren en (spijtig genoeg) een aanzienlijk aantal nummers aan, die verraad hebben gepleegd aan de rede.

Maar op de 40ste Dwarsboulevard is men erin geslaagd een tijdelijke muur op te trekken van elektrische golven onder een hoge spanning. En ik hoop dat wij zullen overwinnen. Sterker nog: ik ben ervan overtuigd dat wij zullen overwinnen. Want de rede móét overwinnen.’

Reacties graag naar mailadres.