Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Daniel Mendelsohn, Een Odyssee – Een vader, een zoon, een epos

20 mei 2018

Daniel Mendelsohn, Een Odyssee – Een vader, een zoon, een epos, uitg.De Bezige Bij 2018

Ik wou dat ik dit boek 50 jaar geleden gelezen had, misschien had ik er veel minder van begrepen maar het zou me veel gaten en kieren getoond hebben waarlangs mijn visie op de Odyssea, de wereld en mijn leven behoorlijk anders kon ontwikkelen. 

Het zou duren tot mijn lectuur van Roberto Calasso, ‘De bruiloft van Cadmus en Harmonia’ bijna 20 jaar geleden eer ik in de Odysseia voor het eerst de ondergrondse stromingen leerde vermoeden, voelen en volgen.

Vrijmoedigheid, het voornaamste kenmerk van aristocratische ethiek wordt door het democratiseringsproces gemeengoed in de vrijheid van meningsuiting (parresia). Odysseus onttrok zich zowel aan het een als het ander. Hij zag af van de eerlijkheid van de krijger toen hij op Ithaca waanzin voorwendde om zich niet te hoeven inschepen voor Troje. Hij zag af van zijn recht op vrije meningsuiting toen hij de rol op zich nam van de rondtrekkende bedelaar die door iedere willekeurige slaaf kon worden verjaagd, tot zwijgen gebracht. Odysseus gaf voor het eerst voorrang aan het indirecte boven het directe, aan sluwheid boven aanwezigheid, aan behoedzaamheid boven een rechtlijnige aanpak. Vóór allerlei eigenschappen in de loop der eeuwen werden toegeschreven aan kooplieden, vreemdelingen, joden en komedianten, had Odysseus zichzelf ermee bestempeld. De held gaf een voorproefje van de leefwijze waarin noch aristocratische openheid, noch democratische vrijheid van meningsuiting zouden volstaan. Eeuwen later lijkt die leefwijze heel normaal maar ten tijde van Odysseus gaf het blijk van een vooruitziende blik die was voorbehouden aan degenen die hemel en aarde had doorkruist. Dus, terwijl Achilles en Agamemnon zich in ons geheugen griffen als overblijfselen van een voorbije wereld, opgeslokt door een catastrofe, blijft Odysseus ons vertrouwd als een onzichtbare metgezel. Zijn afstand doen van openlijke aanwezigheid wordt gecompenseerd door zijn voortbestaan in de herinnering en in de geschiedenis. Achilles moet worden opgeroepen; Odysseus staat al naast ons, altijd en overal. 

151. Er zijn genoeg scènes in de Ilias die laten zien dat Odysseus een bekwaam militair leider was en een respectabel vechter.’

‘Nou, ik ben in het leger geweest en ik kende een paar kerels die echte helden waren. En ik verzeker je, níemand jankte daar.’

Een paar studenten keken geamuseerd.

Ik kuchte. ‘Eigenlijk ben ik blij dat mijn vader hierover begint, want een van de bedoelingen van de Odyssee, dat zullen we zien in de loop van dit semester, is het herdefiniëren van wat een held is. In de Ilias, een epos over oorlog, sneuvelen aan één stuk door helden, maar ze zijn bereid om te sneuvelen als hun heroïek op het slagveld een roemvolle reputatie oplevert, wat de Grieken kleos noemden. Het beroemdste voorbeeld daarvan is de keus van Achilles, de grootste held van allemaal, die een kort, roemvol leven verkiest boven een lang, onverdienstelijk leven.’

Sommigen knikten.

‘Maar de Odyssee,’ vervolgde ik, ‘is een gedicht over een na-oorlogse wereld. Het speelt in de nasleep van de oorlog en een van de punten van onderzoek is hoe een held eruit kan zien als er geen oorlog meer is om in te vechten. Achilles is beroemd om zijn fysieke dapperheid, zijn snelheid en kracht. Odysseus is wel een uitstekende vechter, maar hij is vooral beroemd om zijn listen, zijn intellectuele brille. Achilles sneuvelt, maar Odysseus overleeft. Eén vraag van de Odyssee is: hoe zou de heroïek van het overléven eruit kunnen zien?’


Daniel Mendelsohn koppelt zijn seminaries over Homerus’ Odysseia en een Middellandse zee cruise met zijn vader in het zog van de Griekse held aan zijn eigen vader-zoon relatie als kind in een joodse familie uit New York. Zijn vader blijkt een veinzende wiskundige en hijzelf is homo-vader van twee zonen bij een LAT moeder op afstand. 

Zijn ‘Odyssee’ is bij wijlen ontroerend, vol zwijgen en toch kennen, omdat de betrokkenen elkaar willen kennen en benaderen.

30. Je eerste kind voelt als een wonder, bijna als een surprise… Daarna is het je leven.

 

 

46. Dus blijkt ringcompositie, die op het eerste gezicht leek neer te komen op uitweiding, een efficiënt middel om in een verhaal verleden en heden en soms zelfs de toekomst te omvatten – omdat een ‘ring’ soms een spiraal naar voren kan beschrijven en anticiperen op gebeurtenissen die zich voordoen na afloop van het primaire verhaal. In dit opzicht kan één enkel verhaal, zelfs één enkel moment, iemands complete biografie in zich sluiten.

Vandaar dat het woord polytropos, ‘veeldraaiend’, ‘veelcirkelend’, dat opduikt in de eerste regel van de Odyssee, iets zegt over de aard niet alleen van de held van het gedicht, maar ook van het gedicht zelf, omdat het aangeeft dat de beste manier om een verhaal te vertellen niet rechtlijnig is, maar verloopt in wijde, met historie geladen cirkels.

In bochten en draaien.

52. Voor Friedrich August Wolf waren veel theorieën over onderwijs die in zijn tijd in zwang waren jammerlijk slap en sentimenteel – zoals die welke werden verkondigd door John Locke in Engeland en Jean-Jacques Rousseau in Frankrijk, filosofen die de nadruk legden op het praktische doel van onderwijs en de rol daarvan bij de voorbereiding op het ‘echte leven’. Zij stelden zich de vraag wat studenten van nu konden leren van de studie der klassieken. Locke vroeg zich spottend af, net als veel ouders in onze tijd, waar een werkend mens Latijn voor nodig had. Het antwoord van Wolf was: om de aard van de mens te kennen. Het doel van de nieuwe literaire wetenschap – ‘filologie’, uit het Grieks voor ‘liefde voor taal’ – was niets minder dan een middel om diepgaand inzicht te verkrijgen in de ‘intellectuele, zinnelijke en morele mogelijkheden van de mens’. Maar als je de oude teksten en culturen goed wilde bestuderen, moest je ze net zo wetenschappelijk benaderen als bij de studie van het fysieke universum.

82. Maar er zijn geleerden die betogen dat die pasklare regels en wendingen een bepaald technisch doel hebben gediend, en dat ze daarnaast inzicht bieden in de mentaliteit van de archaïsche dichters – niet het minst hun geloof in de inherente consistentie van de natuur, van mensen en dingen, ongeacht de vertekening van de geschiedenis, van geweld en van de tijd – ook doordat geloof in dergelijke onveranderlijkheid van speciaal belang is in dit gedicht, waarin de personages elkaar proberen te herkennen na tientallen jaren van traumatische afwezigheid. Die opvatting over de functie van de epitheta heeft iets opbeurends en het steeds terugkomen ervan voelt geruststellend aan. Als haken die in het enorme oppervlak van het epos zijn geslagen, geven ze de toehoorders of lezers houvast bij de voortgang door de wijd en zijd uitwaaierende tekst.

212. ‘Ga me de dood toch niet mooipraten, jij briljante Odysseus. Liever was ik een dagloner, horig aan het land gebonden, bij een man zonder bezit, met weinig om van te leven, dan dat ik koning was hier en heerste over de schimmen.’

Deze dialoog vormt een schokkende verwerping van de waarden die door Achilles zijn omhelsd en in heel de Ilias worden onderschreven. Dat de held van de Ilias, een gedicht dat hoog opgeeft van de donkere grandeur van een vroege dood, nu zegt tegen de held van de Odyssee (een gedicht dat de doorslaggevende impuls bezingt om ten koste van alles te overleven) dat leven ten koste van wat ook, zelfs leven als knecht van een klein boertje, te verkiezen is boven glorie onder de doden, komt aan als een dreun en is tegelijk een soort macabere grap. Het is of de Ilias tegen de Odyssee zegt: ‘Jij wint.’

213. Mijn vader bleek niet geïnteresseerd in wat mij interesseerde. Hij wilde niet ingaan op de literaire implicaties van Odysseus’ ontmoeting met Achilles, de vreemde symbolische ontmoeting van de Odyssee met de Ilias.

Hij zei somber: ‘Je leert eruit dat je je hele leven een bepaalde overtuiging kunt hebben en dan in een stadium kunt belanden dat je beseft dat je het al die tijd verkeerd hebt gehad.’

241. ‘Dan ben je het dus eens met Tennyson en Kavafis. Je reisdoel bereiken betekent dat het afgelopen is, betekent… een einde.’

Met een soort verlegenheid merkte ik dat ik mezelf er niet toe kon brengen het woord ‘dood’ te gebruiken.

Maar hij begreep wat ik bedoelde.

‘Ik denk dat ze bedoelen dat thuiskomen voor zulke mensen zoiets is als doodgaan. Als ze stoppen met hun reizen en avonturen, sluiten ze de mogelijkheid uit om nog iets anders te beleven. Dus thuiszitten in hun vertrouwde omgeving beëindigt iets in hun bestaan.’

Hij keek neer op het bed.

‘Er is geen… onzékerheid meer,’ zei hij na een tijdje, bijna in zichzelf. ‘Er blijft niets over dat je wilt weten.’

‘Onzekerheid,’ herhaalde ik. Ik was verbaasd dat ik iets van bewondering in zijn stem had gehoord toen hij dat woord gebruikte. Het was niet iets waarvan ik had gedacht dat hij er positief tegenover stond: waar had hij zijn leven tenslotte anders aan gewijd dan aan zekerheid – aan systemen, formules, middelen om te kwantificeren?

Onzekerheid… (...)

‘Ik ben er niet bang voor om dood te zijn,’ zei hij. ‘Je hebt dan geen bewustzijn meer. Je bent uit de gevarenzone.’

Ik grinnikte.

Maar hij was serieus. ‘Het is de aanloop naar het doodgaan waar ik…’

Zijn stem stierf weg en ik realiseerde me dat hij het woord ‘bang’ liever niet gebruikte.

‘Dat zit me dwars,’ zei hij ten slotte. ‘De aftakeling, steeds minder kunnen. Er niet meer helemaal zijn. Je weet hoe mijn moeder was aan het eind.’

262. Hij was even stil en zei toen langzaam: ‘Hoe dan ook, ik vond dat bewonderenswaardig.’

‘Bewonderenswaardig?’

Mijn vader keek naar zijn bord. Hij zei: ‘Het moet moeilijk voor hem zijn geweest om te zien hoe zijn eigen zoon zich gedroeg, alsof die andere vent zijn echte vader was.’

274. Het is misschien niet de reactie die wij verwachten, maar eigenlijk volledig in lijn met de nadruk die de dichter steeds weer legt op een karaktertrek van Odysseus die van essentieel belang is voor de plot van het epos: het vermogen van de held om zijn emoties te beheersen wanneer hij een groter doel najaagt. Was hij in tranen uitgebarsten en naar zijn vrouw gehold, dan had hij zijn vermomming verraden en het succes van zijn missie was eraan opgeofferd. Een ander thema dat door deze vreemde scène wordt benadrukt, is dat van de homophrosynè. Want door de vrijers geschenken af te troggelen, geeft Penelope blijk van eenzelfde listigheid als haar man zo vaak tentoonspreidt, de man die het voor elkaar kreeg na zijn verblijf bij de Phaiaken beladen met geschenken af te reizen, terwijl hij op hun eiland was aangekomen met niets, een nulliteit. Hoe teleurstellend het ook is voor wie meer had verwacht van deze beladen ontmoeting, toch herinnert de scène waarin Odysseus voor het eerst zijn vrouw terugziet ons aan wat het handelen van dit paar al zo lang heeft gemotiveerd: ze passen perfect bij elkaar.

277. De grote ironie van Boek 19 is dus dat het litteken waarmee Odysseus zo gedenkwaardig geïdentificeerd wordt, dat bewijst wie hij is, het visuele symbool is van een jeugdige daad die niet typerend is voor zijn gedrag als volwassene: de buitensporige omzichtigheid, de behoedzaamheid, de zelf opgelegde terughoudendheid. Dus het litteken identificeert hem (bewijst dat hij Odysseus is, degene die meedeed aan de zwijnenjacht en gewond raakte), terwijl het tegelijk een vals identificatiemiddel is, signaal van een gedrag dat niet langer karakteristiek voor hem is.

293. Het Griekse woord voor “herkenning” is anagnorisis,’ zei ik en legde uit dat dit een sleutelbegrip is in het vocabulaire van classici als het erom gaat hoe een plot werkt. In zijn Poëtica zegt Aristoteles bijvoorbeeld dat de plot van sommige tragedies draait om het moment van anagnorisis, en van andere om een plotselinge en totale wending van iemands lot, ofwel metabasis; maar het beste soort plot, zegt Aristoteles, is het type waarin het moment van herkenning tegelijk het moment is van de lotswending. Voor Aristoteles is Sophocles’ Oedipus Rex het ideale drama, deels omdat het die dubbele plot te zien geeft: Oedipus’ inzicht dat zijn vrouw eigenlijk zijn moeder is, betekent ook het moment van zijn ondergang. Maar dit samengaan van herkenning en lotswending geldt ook voor de Odyssee, alleen is het resultaat daar positief: het moment dat Odysseus wordt herkend als degene die hij werkelijk is, markeert ook het moment dat zijn lot zich ten goede keert en hij zijn vrouw, zijn gezin, zijn huishouding, zijn koninkrijk terugkrijgt. De herkenningsscène vormt ook de culminatie van een ander doorlopend thema van het epos.

310. Toen mijn vader zei: ‘Nou ja, sóms zijn het fysieke dingen!’ verwachtte ik dat de studenten zouden reageren, misschien zouden lachen. Maar ze waren verrukt. Niemand zei een woord.

Hij vervolgde: ‘Zoals ik zei, volgens mij heeft het gedicht hier gelijk in. Als je dat soort dingen hebt, dingen die je hebt in een huwelijk, dan zorgen die ervoor dat je met elkaar verbonden blijft, lang nadat al het andere onherkenbaar is geworden.’

Hij keek me aan, alsof hij wilde checken of ik wel had gemerkt dat hij dit kernbegrip gebruikte uit onze wekenlange gesprekken over de Odyssee.

‘Dat zijn de dingen waaraan je je vasthoudt,’ zei hij, opeens een beetje verlegen met zichzelf. ‘Het is waarom je überhaupt doorgaat met… dit alles.’

Hij ging meer rechtop zitten en gaf zijn hoofd een klein rukje, alsof hij de stemming die hij had opgeroepen wilde verdrijven.

‘Hoe dan ook, geloof me maar, zijn moeder was mooi.’

311. Op het moment dat mijn vader weer achterover ging zitten nadat hij had toegegeven dat de Odyssee op een bepaald punt gelijk had, dat er in een huwelijk geheimen bestaan die uiteindelijk dienstdoen als de harde kern van een huwelijk, geheimen die zelfs onbekend zijn bij de kinderen uit dat huwelijk – op dat moment trof het mij dat hij er groter uitzag, in zekere zin imposanter, zoals Odysseus er groter en mooier uitzag wanneer Athena het nodig vond dat hij succes zou hebben, dat hij indruk zou maken op een vreemdeling van wie zijn lot afhing.

325. Als je die dingen hebt, dan zorgen die ervoor dat je met elkaar verbonden blijft, lang nadat al het andere onherkenbaar is geworden.’

333. Jóuw probleem is dat je alles wat niet in je theorie past als een probleem ziet, in plaats van als een mogelijkheid om je ideeën te verrijken en tot een betere theorie te komen. Je bent zo gefixeerd op je eigen gedachten dat je niet ziet wat er recht voor je neus is.’

Reacties graag naar mailadres.