Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Joseph Roth, Spoken in Moskou.

12 juni 2018

Joseph Roth, Spoken in Moskou.

uitg Bas Lubberhuizen, vert. Els Snick

In 1926 reisde Joseph Roth een paar maanden met de klok mee door de prille Sovjetunie. Zijn teleurstelling over het beloofde arbeidersparadijs was groot, blijkens de zeventien reportages die hij, als anarchosocialist, voor de Frankfurter Zeitung schreef. De meeste zijn nu door Els Snick vertaald als Spoken in Moskou (Bas Lubberhuizen), aangevuld met nog wat artikelen van Roth, brieven en dagboeknotities. De joden waren nu misschien beter af, maar de communistische praktijk was hem te sociaal-darwinistisch, opgelegd en zielloos. Overweldigd door alle (negatieve) indrukken stuurde Roth pas na twee maanden z’n eerste artikel op. Beslist geen krantenverslaggeverij, maar vaak subliem verwoorde observaties. ‘Het licht komt misschien uit het Oosten, maar dag is het alleen in het Westen.’ Maarten van Bracht , 12 juni 2018 – VPRO Boeken

Uit het nawoord van Ilse Josepha Lazaroms: 
‘Maar ondanks de vroege tekenen dat er in Moskou iets lugubers aan de hand was, bleef de Sovjet-Unie tot ver in de jaren dertig haar aantrekkingskracht op joodse intellectuelen uitoefenen – zelfs toen Stalins terreur zo ver ging dat hij zijn eigen vrienden en familieleden liet uitmoorden. Zo sterk en machtig was de illusie die uitging van het socialistische paradijs, en zo hardnekkig was de menselijke drang te willen geloven in een betere, rechtvaardigere wereld.’

‘Spoken in Moskou’ is een fascinerend boek waarin Joseph Roth regelmatig – al dan niet moedwillig – verkeerde voorspellingen maakt in zijn artikelen uit 1926 voor de Frankfurter Zeitung over de toekomst van de toen nog jonge Sovjetunie.  Over de Islam – ‘eerder een traditie dan een overtuiging’. Over de Kaukasus – ‘Het communisme is geslaagd in wat de absolute monarchie niet is gelukt en wat ze wellicht ook niet had gewild: totale nationale veiligheid. In Bakoe worden geen pogroms meer gevoerd tegen Armeniërs, in Wit-Rusland en Oekraïne niet tegen joden. Zo zwak en wankel als de oude regering juist in de Kaukasus is geweest, zo sterk en zeker is daar nu de nieuwe.’  Over de joden – ‘Wordt in Rusland het joodse vraagstuk opgelost, dan is het in alle andere landen meteen ook voor de helft opgelost (er is in Rusland nauwelijks nog sprake van joodse emigratie, veeleer van joodse immigratie). Het geloof van de massa’s neemt in snel tempo af, de eerder sterke barrières van de religie vallen weg, de eerder zwakke nationale barrières vervangen ze niet.’  Over de revolutie – ‘Zelfironie, het kenmerk en de hoogste uiting van het verheven denken, is kleinburgerlijk. De revolutie is een poging geweest van de geschiedenis om het gelaat van de Russische massa met kwistige inzet van middelen een West-Europees uiterlijk te geven. Materieel, politiek en sociaal gezien heeft ze alleen kwantitatief een enorme vooruitgang betekend. (…) De creatieve mens, geen revolutionair uit noodzaak, zoals de proletariër, maar uit vrije wil of uit overtuiging, zal altijd revolutionair blijven – ook na succesvolle revoluties.’

Vaak echter is hij ook messcherp en helder over de toekomst die de geschiedenis is: 

‘De revolutie, zelfs de Russische Revolutie, is te laat gekomen. Nog voordat het marxisme genoeg aanhang had gekregen, was de probleemstelling veranderd. De wereldoorlog is de revoluties wel ten goede gekomen, maar heeft het marxisme schade toegebracht.’ (1926) 

18. ‘Ik raak er steeds meer van overtuigd dat Marx verschillende uiterst belangrijke factoren gewoon is vergeten mee te rekenen. Dat er een tijd kon komen dat alle mensen dankzij de vooruitgang kapitalisten of in ieder geval psychisch kapitalisten, ik bedoel burgers zouden kunnen worden – heeft hij hieraan gedacht? […] Zelfs religies kennen een beperkte houdbaarheid. En dan zou de marxistische theorie eeuwig blijven gelden? […] De wereldoorlog is de revoluties wel ten goede gekomen, maar heeft het marxisme schade toegebracht.’

90. Alles gebeurt dankzij ‘de partij’. Die heeft niet alleen de hoge heren van hun sokkels gehaald, ze heeft ook de telefoon uitgevonden, én het alfabet. Ze heeft de mens geleerd trots te zijn op zijn soort, op zijn eenvoud en zijn armoede. Ze heeft van zijn nederige afkomst een verdienste gemaakt. Tegen een aanval van zoveel mooie dingen is zijn nederige, wantrouwige boerenverstand niet opgewassen. Zijn kritisch bewustzijn is nog lang niet ontwaakt. Daarom springt hij zo fanatiek in de bres voor zijn nieuwe geloof. Het ‘geloof in het collectivisme’, dat de boer niet kent, compenseert hij dubbel en dwars met enthousiasme.’

 

Over de boer en de jood:

139. ‘De Russische boer is in de eerste plaats boer en dan pas Rus; de joodse boer is in de eerste plaats jood en dan pas boer. Ik weet dat deze formulering bij elke ‘praktisch ingestelde’ mens meteen tot de smalende opmerking leidt: hoe weet u dat?! – Omdat ik dat zie. Ik zie dat iemand niet voor niets vierduizend jaar lang alleen een jood is geweest, niets dan een jood. De joden hebben een oud noodlot, ze hebben oud en als het ware ervaren bloed. Joden leiden een intellectueel leven. Ze maken deel uit van een volk dat al tweeduizend jaar lang geen enkele analfabeet meer heeft gekend, een volk dat meer tijdschriften dan kranten leest, waarschijnlijk het enige ter wereld dat tijdschriften heeft met een veel hogere oplage dan de kranten. Terwijl de boeren om hem heen nu pas met veel moeite leren lezen en schrijven, denkt de jood achter zijn ploeg na over de problemen van de relativiteitstheorie.’

151. ‘Wie in de landen van de westelijke wereld de blik naar het Oosten richt om er de vurige rode gloed te aanschouwen van een revolutie van de geest, zal zich de moeite moeten getroosten om die zelf aan de horizon te verzinnen. Er zijn er veel die dat doen. Het zijn eerder revolutionaire romantici dan revolutionairen. Intussen is de Russische Revolutie allang in een fase van relatieve stabiliteit aanbeland. Het uitgelaten en felverlichte herdenkingsfeest van de revolutie is voorbij. De saaie, sombere, zware weekdagen zijn aangebroken. Maar in het Westen wacht een groot deel van de geestelijke elite op het welbekende licht uit het Oosten.’

198. De mannen die Rusland regeren leven in de roes van de getallen, en de grote ronde nullen verbergen het ware gelaat van de werkelijkheid.

‘Er zijn bij ons drie miljoen Pioniers, een miljoen Komsomol-leden! De toekomst van de revolutie!’ – Maar die getallen zeggen niets over het feit dat de burgerlijke jeugd zich heel graag aansluit bij de Pioniers-organisaties en dat ook proletarische kinderen verburgerlijken, dat de rode kleur van hun vlaggen geen ander effect heeft dan een geel-groen-blauwe vlag, dat het juist de brave strebers zijn, de typisch kleinburgerlijke naturen die vroeger tsaristische studiebeurzen kregen, die tegenwoordig Komsomol-lid worden en de partijbesluiten uit het hoofd leren.

Over de intellectuele capaciteiten: 

205.  ‘Langzaam maar zeker zet de leuze zich vast in het brein en vervangt het argument. Er ontstaat uniformiteit – niet zozeer van gezindheid als wel van beschouwingswijze. Ik heb in honderden discussies met jonge mensen, arbeiders, studenten, ambtenaren, zelfs dakloze kinderen (die vast geen brochures lezen) meegemaakt dat de meest uiteenlopende individuen, beroepen, karakters, persoonlijkheden, dat een melancholisch of sanguinisch type, proletarisch of kleinburgerlijk, slim, dom of daartussenin, dat iedereen letterlijk dezelfde reactie gaf op mijn bezwaren, zodat ik al na de eerste antwoorden het hele gesprek van buiten kende. Soms hoorde ik letterlijke herhalingen uit een pas verschenen krantenartikel. Ik heb daarom allengs de gewoonte aangenomen de mensen in Rusland niet te beoordelen naar hun intellectuele capaciteiten, maar naar de bron van hun argumentaties. Dat is ook tegenwoordig kenmerkender dan bijvoorbeeld individuele verschillen in talent. Er ontstaat een algemene nivellering, een doodeenvoudig psychologisch landschap met een paar duidelijke richtingborden. Er is een officiële gezindheid en een officieel erkende dialectiek, die ook minder begaafden in staat stelt om op ingewikkelde vragen weliswaar niet treffend maar toch algemeen te antwoorden. En wie nog niet heeft geleerd een argument van retoriek en een stem van een grammofoon te onderscheiden, staat perplex van de slagvaardigheid van de gemiddelde Rus.’

Over de Sovjetpers:

207. ‘Maar de Sovjetpers neemt genoegen met deze persoonlijke authenticiteit en daarom heeft haar ‘krantenbericht’ niet meer waarde dan een eenvoudige ‘getuigenverklaring’. Door het systeem van lezers-correspondenten gaan de redacties en de politieke leiders snel denken dat ze van alles goed op de hoogte zijn. Hoe weten we dit of dat? De lezer (de arb.cor., de sch.cor. enz.) heeft het zelf gezegd! Weet deze jonge pers, weet deze jonge regering nog niet dat je een spiegel nodig hebt om over het leven te reflecteren? Dat je absoluut geen willekeurig voorwerp, een theepot of een houweel of een vleesmes als spiegel kunt gebruiken? Het is fysiek onmogelijk een foto van jezelf te maken, een ding kan zichzelf niet waarnemen door de lens. Daarom staan er in de Russische kranten bijna louter juiste feiten en louter valse berichten; bekentenissen zonder toelichting; verklaringen zonder foto’s. Daarom weet de buitenlandse journalist die zijn ogen opent meer af van Rusland dan zijn collega in het land zelf.’

209. ‘Je ziet waar het de Russische pers aan ontbreekt: onafhankelijkheid van de regering, afhankelijkheid van de lezer en kennis van de wereld. Respect voor de lezers leidt tot vruchtbare journalistiek. Respect voor censuur leidt tot steriele pers. Een onbevooroordeelde – wat niet wil zeggen karakterloze – visie op de wereld maakt een artikel levendig en aanschouwelijk. De ideologisch gekleurde blik levert provinciale, bekrompen en bovendien verkeerde berichtgeving op. ‘Provinciaal’ is niet een geografisch maar een geestelijk begrip. Het maakt geen verschil of de kluisters van de armoede of die van starre principes de horizon beperken. En vanuit het standpunt van de Sovjetpers is het ook praktischer om de burgerlijke wereld waartegen men strijdt te kennen, en niet in vervoering te raken als er toevallig iemand vanuit de andere wereld in Moskou belandt. En men leert de wereld niet kennen door een berg te beklimmen en haar vanuit één standpunt te bekijken, maar gaande, door de wereld te bewandelen. In Sovjet-Rusland echter bekijkt men de wereld vanuit de toren die gevormd wordt door de verzamelde en op elkaar gestapelde geschriften van Marx, Lenin en Boecharin…’

Reacties graag naar mailadres.