Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Daniel Schönpflug, 1918: het jaar van de dageraad

13 juni 2018

Daniel Schönpflug, 1918: het jaar van de dageraad (Kometenjahre: 1918, Die Welt im Aufbruch) 

uitg. De Bezige Bij 2017

“De geschiedenis valt uiteen in talloze individuele en asynchrone verhalen”, schrijft Schönpflug die er dan ook voor koos om dit unieke moment in de geschiedenis te schetsen aan de hand van – niet noodzakelijk objectieve – egodocumenten zoals dagboeken, brieven en memoires van rechtstreekse ooggetuigen.

Het resultaat is een weefsel van gestileerde verhalen die samen moeten illustreren hoe de wereld in 1918 heen en weer slingerde tussen hoop en vrees. Nooit eerder leken er zo veel mogelijkheden open te liggen, maar tegelijk sluimerde de geest van revolutie al en raakten nieuwe, extreme ideeën op ramkoers. (…)

Schönpflug wil je als lezer niet uitleggen wat er allemaal gebeurd is in 1918. Hij wil je de beroering, de opinies, de angsten en de toekomstvisioenen van ‘de kometenjaren’ laten ervaren, om zo de historische feiten in een menselijke context te plaatsen en beter te begrijpen.” (Vreemder dan Fictie)


 

180. Het oratorium Die Jakobsleiter (van Arnold Schönberg) begint met een onverbiddelijk en ostinaat contrabasloopje. Dynamisch, bijna agressief komen de strijkers op, niet geïmponeerd door de pijnlijke dissonanten van de koper- en houtblazers. Uit de spanning van de openingsmaten klinkt bevrijdend de tenorstem van de aartsengel Gabriël op: ‘Rechts of links, voorwaarts of achterwaarts, bergop of bergaf – we moeten verder, zonder te vragen wat voor of achter ons ligt.’ De militaire dienst wordt in die woorden weerspiegeld, het volhouden in duistere tijden. Maar de passage eindigt in het imperfectum, het teken dat de toestand van het onstuitbare voorwaarts tot het verleden behoort. Net als in de Bijbel is Schönbergs engel de tussenpersoon tussen aarde en hemel. Hij verwijst naar hogere sferen, een betere wereld, waarnaar de ladder leidt. Het is een beeld van de hoop, van de belofte, ja van de bevrijding. De wens naar de verheffing van het aardse leed tot een goddelijke genade. ‘Ik wil,’ had Schönberg al in 1912 vastgelegd, ‘(...) een oratorium schrijven dat als inhoud moet hebben: hoe de mens van tegenwoordig, die het materialisme, het socialisme en de anarchie heeft meegemaakt, die atheïst was, maar toch een restje oud geloof bewaard heeft (in de vorm van bijgeloof ), hoe die moderne mens met God strijdt (...) en er ten slotte in slaagt God te vinden en religieus te worden.Te leren bidden!’

In zijn Weense vertrek, gehuurd met het geld van weldoeners, had Arnold Schönberg het geloof gevonden, voor hem het enige middel tegen de ‘omverwerping van alles waarin we vroeger hebben geloofd’. Die Jakobsleiter zet beide dingen op muziek, de ineenstorting en de hoop op de vernieuwing van het oude zingevingscomplex. In de compositie gaan bovendien de eerste voorzichtige stappen schuil naar een heel nieuwe en mathematisch-abstracte manier om muziek te verstaan: de twaalftoonsmuziek. In wezen verwijst die naar God, niet naar de beloften van de grote ideologieën.

239. Alma Mahler moet zich laten welgevallen dat de Russische kunstenaar in ballingschap Wassily Kandinsky, die niet veel later tot leraar aan het Bauhaus wordt benoemd, haar uitscheldt vanwege haar ‘Jodenliefde’ voor Franz Werfel. Kandinsky en zijn vrouw ‘noemden me een Jodenknecht en dergelijke’. Het is paradoxaal dat juist haar dat overkomt: zij maakt – net als Walter Gropius – geen geheim van haar ressentiment jegens het Jodendom, terwijl ze tegelijkertijd niet alleen bevriend is met veel Joden, maar in de loop van haar leven zelfs met twee Joden – Gustav Mahler en later Franz Werfel – getrouwd is geweest.

276. ‘Mijn reis naar de Sovjet-Unie was geen succes,’ vat Grosz zijn Russische ervaringen samen. Daarmee bedoelde hij niet alleen het feit dat het beoogde boek dat hij samen met Nexø moest maken, nooit geschreven is. Voor hem zijn veeleer zijn ervaringen met de Sovjet-Unie een echec, en ten slotte de Sovjet-Unie op zichzelf. Toen de Amerikaanse journalist Lincoln Steffens in 1921 door Rusland reisde, had hij enthousiast verslag gedaan: ‘I have seen the future, and it works.’ Ook Grosz heeft de toekomst gezien, maar die bestond uit een scheepskerkhof met dreigende commissarissen, een restaurant voor rijke apparatsjiks, een zinloos megalomaan bouwproject en een zieke dictator. Voor hem functioneerde de Sovjet-toekomst niet; de Sovjet-toekomst niet, en op de keper beschouwd ook de toekomst in het algemeen niet. Maar wat kun je van een dadaïst anders verwachten? Had hij ooit echt in de revolutie geloofd?

299. Herinneringen kun je godzijdank niet fotograferen. (...) Nee, om eerlijk te zijn: ook als ik alle materiaal hier bij me had – aantekeningen uit de eerste wereldoorlog, brieven, paspoorten, familiefoto’s, liefdesbrieven, alles wat zich in de loop van een bewogen leven aan iemand vastzet als mosselen op een scheepskiel –, zelfs dan zou ik het niet zo hebben gebruikt als men hier zou verwachten. (...) Ja, ik hou van het halfduister. En alsjeblieft, zie het halfduister niet aan voor iets vaags of iets bleeks.’

George Grosz, Ein kleines Ja und ein großes Nein, 1946

Reacties graag naar mailadres.