Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Masha Gessen, De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland. 

13 juni 2018

Masha Gessen, De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland.

uitg. de Bezige Bij 2018

Een verbluffend en uitputtend werk over de val van de Sovjet-Unie en de opkomst van het nieuwe Rusland, waarbij het laatste stuk naar mijn smaak wat te anekdotisch bleef. 

Als Westerse, en dus in wezen liberale, lezer bekruipt meer dan eens de huiver en zelfs de angst bij het lezen van dit boek. Het doet ons beseffen dat ondanks alle gebreken en disfuncties in onze Westerse democratieën, wij hier helemaal geen redenen hebben om steeds maar te klagen over “hoe slecht” hier alles loopt. En vooral om te beseffen hoe “geruisloos” het afglijden kan gebeuren naar zo’n totalitaire staat. Het boek doet ons ook beseffen hoe geraffineerd en subtiel de overheid de publieke opinie in een bepaalde richting kan duwen. Brainwashen is hier zeker geen overdreven term. Het moet ons doen beseffen dat wij blijvend moeten investeren in onderwijs dat alle burgers mondig én kritisch maakt, zodat dergelijke manipulatie hier niet, of toch niet in die mate, zou kunnen bestaan. (Mark Bienstman in Liberales) 

17. Religieuze nood is zowel een uitdrukking van werkelijke nood als een protest tegen die werkelijke nood. Religie is de zucht van het onderdrukte schepsel, het hart van een harteloze wereld en de ziel van een zielloze toestand. Religie is opium van het volk. Afschaffen van religie als illusoir geluk van het volk bevordert echt geluk. De oproep om hun illusies over hun toestand op te geven is een oproep om de toestand op te geven die die illusies vereist. Kritiek op religie is dus in wezen kritiek op het tranendal waarvan religie de stralenkrans vormt.’ Karl Marx, Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie.

22. De ‘doodskisten’ waren speciaal voor Joodse kandidaten bestemde examenvragen. Sovjetinstellingen voor hoger onderwijs vielen uiteen in twee categorieën: instellingen die helemaal geen Jo- den toelieten en instellingen die een strikt gelimiteerd aantal Joden opnamen. De regels voor het niet toelaten waren uiteraard niet openbaar; de afwijzing werd eigenaardig sadistisch aangepakt. Joodse kandidaten deden hun toelatingsexamens meestal samen met alle andere aspirant-studenten. Ze pakten hun examenvragen uit dezelfde bak als de anderen. Maar als ze de twee of drie formuliervragen goed hadden, werd hun, in de kamer alleen met de examinatoren, tersluiks een extra vraag gesteld, zogenaamd als aansluiting op de gegeven antwoorden. Dat was de ‘doodskist’. Bij wiskunde was dat gewoonlijk een niet alleen complex, maar ook onoplosbaar vraagstuk. De kandidaat wankelde en sneefde. De examinatoren nagelden de kist dicht: de Joodse kandidaat was gezakt.

27. Amalrik had beweerd (Haalt de Sovjet-Unie 1984? 1969) dat de marxistische ideologie nooit een stevige greep op het land had gekregen, dat de Russisch-orthodoxe kerk zijn houvast had verloren en dat het land zonder een centraal stel verenigende geloofsideeën uiteen zou worden getrokken door verschillend gestemde sociale groeperingen en uiteindelijk zichzelf zou vernietigen.

Amalrik was een van de zeer weinige Sovjetburgers die het systeem als essentieel onstabiel zagen – de meeste anderen dachten dat het gevat was in steen, of liever in gewapend Sovjetbeton en dat het eeuwig zou voortduren.

32. Ten tijde van de Oktoberrevolutie was de Russische intellectuele elite zowel deel van als partner geweest in de Europese conversatie over God, macht en menselijk leven. Na vijftig jaar zuiveringen, arrestaties en, het meest funest, de niet-aflatende druk op wat een geïsoleerde denkwereld was geworden, was het Russische intellectuele landschap bevolkt door nauwelijks spreekvaardige schimmen van eens krachtige ideeën. Zelfs de communistische ideologie was een flets aftreksel van haar vroegere zelf, een stel ritueel herhaalde woorden die elke betekenis hadden verloren. Lenin was al lang geleden klaar met het meeste wat Karl Marx te zeggen had en had alleen een paar uitverkoren ideeën als superwet in een schrijn opgeborgen.

‘Op den duur hadden Marx’ opvolgers de neiging om zijn leer te presenteren als een eindig en allesomvattend wereldconcept en zichzelf verantwoordelijk te zien voor de voortzetting van Marx’ gehele werk, dat ze als praktisch compleet beschouwden,’ schreef de Joegoslavische dissidente marxist Milovan Djilas. ‘Wetenschap degradeerde geleidelijk tot propaganda en daardoor ging propaganda zich meer en meer als wetenschap voordoen.’

34. Marxisme in de Sovjet-Unie was gereduceerd tot de opvatting dat mensen – Sovjetburgers – geheel gevormd werden door hun maatschappij en de materiële levensomstandigheden. Als de vorming van de persoon correct was uitgevoerd – en dat moest wel, want de Sovjetmaatschappij ging er inmiddels prat op het marxistische plan substantieel te hebben uitgevoerd met de bouw van het zogeheten ‘reëel bestaande socialisme’ – moest die persoon aan de dag treden met een stel doelen die volmaakt samenvielen met de behoeften van de maatschappij die hem had geproduceerd. Afwijkingen waren mogelijk en konden in twee categorieën vallen: misdadigheid of geestesziekte. Voor beide bezat de Sovjetmaatschappij geëigende instellingen. Andere vormen van disharmonie waren onvoorstelbaar. Innerlijk conflict was geen optie. Er was echt geen reden om het onderwerp van de psyche ter hand te nemen.

60. De perestrojka was op het eerste gezicht een onmogelijk idee. De Partij zou de eigen gezagsstructuur gaan gebruiken om het land en zichzelf minder gezaggestuurd te maken. Een systeem dat vooral leed aan stilstand en rigiditeit zou zichzelf gaan veranderen. Het ergste en waarschijnlijk fnuikende feit was dat mensen die hun leven lang bezig waren geweest de macht en hun persoonlijke invloed veilig te stellen nu geacht werden verandering te bedenken die de invloedhiërarchie zou ontmantelen en hun eigen positie op de tocht zou zetten. Het systeem verzette zich instinctief tegen verandering en velen beraamden bewust middelen om de verandering te saboteren.

 

67. Alexandr Doegin maakte zijn eigen pelgrimstochten naar West-Europa. In 1990 ging hij naar Parijs, waar hij de Belgische Nieuw-Rechts- denker Robert Steuckers trof. Met hem had hij een westerse intellectueel te pakken die net zo radicaal dacht als Guénon, maar die nu leefde en met Doegin sprak. Steuckers liet hem kennismaken met het concept van geopolitiek en, breder, met het concept dat Doegins ideeën praktische implicaties konden hebben in een veranderende wereld. Hij suggereerde Doegin ook dat zijn ideeën te combineren waren met iets als nationaal-bolsjewisme. Binnen een jaar trof Doegin een aantal andere West-Europese nieuwrechtse intellectuelen, werd hij uitgenodigd voor de conferenties van de etno-nationalistische denktank Groupement de Recherche et d’Études pour la Civilisation Européenne in Parijs en werd hij uitgegeven door een Italiaanse nieuwrechtse uitgever.

73. Levada’s hypothese, ontstaan gedurende meer dan dertig jaar werk, niet alleen in de Sovjet-Unie maar ook, in de jaren 50, in het recent communistische China, was dat elk totalitair regime een type menselijk wezen vormt waarop het voor zijn stabiliteit vertrouwt. Het regime heeft als expliciet project om de Nieuwe Mens te vormen, maar zijn product is niet zozeer een voorwerp voor zijn ideologie als wel een persoon die het best is uitgerust om in een gegeven maatschappij te overleven. Omgekeerd wordt het regime afhankelijk van dit nieuwgevormde type mens om te blijven overleven.

Levada had een gedetailleerd hypothetisch portret van de homo sovieticus opgesteld. Het systeem had hem decennialang opgekweekt door zijn gehoorzaamheid, conformiteit en dienstbaarheid te belonen. Zo’n succesvol lid van de Sovjetmaatschappij, beweerde Levada, geloofde in zelfisolatie, staatspaternalisme en in wat Levada ‘hiërarchisch egalitarisme’ noemde en leed aan een ‘imperiaal syndroom’. Zelfisolatie was een kernstrategie, zowel voor de staat als voor het individu: net zoals de Sovjet-Unie zich afsloot met het IJzeren Gordijn scheidde de Sovjetburger zich af van iedereen die anders en daarmee onbetrouwbaar was. De ideologie steunde deze afscheidingen door ‘klassenvijandschap’ te benadrukken, maar het beperken van de sociale kring was ook een gezonde overlevingsstrategie in de tijd van de massaterreur, toen een te groot vertrouwen dodelijk kon blijken. Het geloof in een paternalistische staat waarvan men sterk afhankelijk was, werd in de homo sovieticus aangekweekt door de aard van de Sovjetstaat zelf, die, zoals Levada schreef, niet zozeer een complex van instellingen was, zoals een moderne staat, maar eerder één enkele superinstelling. Deze beschreef hij als een ‘universele instelling van een premodern paternalistisch type, dat elke hoek van het menselijk bestaan raakt’. De Sovjetstaat was de ultieme ouder: de staat voedde, kleedde, herbergde en onderwees zijn burger; de staat gaf hem een baan en gaf zijn leven zin; de staat beloonde goed gedrag en bestrafte slecht gedrag, hoe klein de overtreding ook mocht zijn. ‘In zijn hele ontwerp is de “socialistische” Sovjetstaat totalitair omdat deze het individu geen enkele onafhankelijke ruimte mag laten,’ schreef Levada. Deze beschrijving van het totalitarisme was een weerklank van Hannah Arendts uitleg over de manier waarop totalitaire regimes terreur gebruiken: ‘Het vervangt de grenzen en communicatiekanalen tussen de mensen door een ijzeren band die ze zo strak bij elkaar houdt dat het lijkt of hun pluraliteit verdwijnt in Eén Mens van gigantische afmetingen.’ Werd de mens beroofd van zijn individualiteit en daarmee van het vermogen tot zinvolle interactie met anderen, zo schreef ze, dan werd hij diep eenzaam, wat hem tot de volmaakte onderdaan van de totalitaire staat maakte.

Aangezien de staat alles en iedereen beheerste, had de Sovjet- maatschappij een simpele verticale structuur, waardoor de Sovjet- burger fundamenteel hiërarchisch dacht.

78. Het onderzoek toonde hoe dubbeldenk op zichzelf terug bleef komen. Wat Sovjetmensen geacht werden te geloven en te verkondigen was contrafeitelijk en de eis zelf was niet meer dan een controlemechanisme, juist omdat het zijn eigen ontkenning bevatte. De homo sovieticus leidde een leven van voortdurend onderhandelen met de almachtige staat, en de onderhandeling zelf was zowel de enige overlevingsstrategie als een controle-instrument. De sociologen vonden meerdere onderhandelingsgebieden, die ze ‘spellen’ noemden.

Er was een spel dat ‘Werk’ heette, perfect omschreven in een van de bekendste Sovjetgrappen: ‘Wij doen alsof we werken en zij doen alsof ze ons betalen.’ Er was een spel ‘Verzorging’ waarin ‘zij’ – de staat – deden alsof ze de burgers verzorgden, die daarop deden alsof ze dankbaar waren. Wat dit schijnbaar simpele spel meteen ingewikkeld maakte was dat het niet allemaal schijn was: de staat had inderdaad het lot van de burger in zijn hand en van de burger kon worden gezegd dat hij zijn voortdurend overleven dankte aan de staat. In deze zin was het spel ‘Medeplichtigheid’ net zoiets: de homo sovieticus deed alsof hij participeerde in de staatszaken, wat hem medeplichtig maakte aan alles wat de staat deed. Het spel ‘Verdrag’ daarentegen was een open onderhandeling: met zijn steun voor de staat kocht de burger een beetje privacy (en privacy was vaak het eerste wat dissidenten moesten opgeven). Het ‘Consensus’-spel was een uitvloeisel van het ‘Verdrag’-spel: daarmee kon de privépersoon in de homo sovieticus onverschillig en zelfs laatdunkend zijn ten opzichte van de staat – zolang de publieke, collectieve burgerij haar loyaliteit en geestdriftige steun aan de staat betuigde.

80. Levada kwam tot de slotsom dat het tweede deel van zijn hypothese, over het uitsterven van de homo sovieticus, klopte en onontkoombaar was. ‘Een van de resultaten van deze pacten met de duivel,’ schreef hij, met verwijzing naar de ‘spellen’ die de homo sovieticus voortdurend speelde, ‘is de desintegratie van de persoonlijkheidsstructuur zelf.’ De homo sovieticus was gevangen in een eindeloze leugenspiraal: net doen of hij bestond, net doen of hij iets bezat, net doen of hij geloofde – en net doen of hij dat niet deed. De bedriegerij betrof de meest basale feiten en de fundamenteelste waarden, en op de bodem van de spiraal lag een afwezig- heid: ‘Zelfs om het woord “dubbeldenk” te begrijpen moest je dubbeldenk toepassen.’ Het systeem vernietigde het individu en het weefsel van de maatschappij: bij afwezigheid van alles was niets mogelijk, wat volgens Levada leidde tot ‘de daling van de normen voor onderwijs, cultuur, zedelijkheid, tot de degradatie van de hele maatschappij’. Als de Sovjetmens uiteindelijk een afwezigheid was, kon hij zich niet voortplanten. ‘Daarom kunnen we de homo sovieticus beschouwen als een tijdelijk historisch fenomeen,’ concludeerde Levada. De Sovjetmens zou uitsterven en daarmee de ussr.

91. Aan de basis van de positieve discriminatie lag het geloof dat nationalisme een ‘maskerende ideologie’ was – de behoefte aan nationale identiteit zou wegvallen als het klassenbewustzijn houvast zou krijgen en er een sterkere socialistische identiteit zou ontstaan. De nationale belangen zouden op natuurlijke wijze wijken voor de klassenbelangen. Maar voordat het zover was moesten nationale identiteiten en nationale belangen erkend worden – maar alleen voor zover ze geen bedreiging vormden voor de Sovjetstaat. 

113. In functionerende democratieën kunnen contradicties tussen erkende idealen en de werkelijkheid worden benoemd en tot sociale en politieke veranderingen leiden. Daarmee wordt de ingebouwde kloof niet verwijderd, maar zo kan een maatschappij bij vlagen wat democratischer en een beetje minder ongelijk worden. Een totalitaire ideologie staat zo’n correctie niet toe. Hannah Arendt beweerde dat elke ideologie totalitair kan worden, maar daartoe moet zo’n ideologie worden gereduceerd tot een enkel simpel idee, dat vervolgens wordt omgezet in een enkel simpel idee waaruit de zogenaamde ‘geschiedeniswetten’ worden afgeleid – en ze moet worden versterkt met terreur. De totalitaire ideologie wordt gekenmerkt door een buitengewone insulariteit. Ze wil de hele wereld alomvattend verklaren. Tussen de totalitaire ideologie en de werkelijkheid bestaat geen kloof, omdat totalitaire ideologie de hele werkelijkheid in zich bergt.

114. In het alledaagse westerse taalgebruik roept het woord ‘totalitarisme’ het beeld op van een monsterlijke maatschappij waarin iedereen voortdurend onder dwang staat. Dat zou natuurlijk onmogelijk inefficiënt zijn, zelfs voor een extreem inefficiënte staat als de Sovjet-Unie. De dwangeconomie in totalitaire maatschappijen wordt bereikt door terreur. Totalitarisme creëert zijn eigen sociale contract, waarin de meeste mensen de meeste tijd gevrijwaard blijven van geweld, mits ze binnen zekere grenzen blijven en enige verantwoordelijkheid tonen om andere burgers binnen hetzelfde gareel te houden. De grenzen verschuiven voortdurend – volgens Arendt produceren totalitaire maatschappijen een staat van constante instabiliteit en inconsistentie– wat voortdurende waakzaamheid van de bevolking vergt om met de verschuivingen te kunnen meedeinen. Hypergevoeligheid voor signalen is essentieel om te overleven.

146. in 1995 was bijna 17 procent van de volwassenen in het buitenland geweest. De ervaring had er niet toe geleid dat ze vonden dat het leven er beter op geworden was. Ze hadden iets gezien wat veel erger was dan het feit dat sommigen van hun landgenoten het beter hadden dan zij: ze hadden geconstateerd dat praktisch iedereen achter hun westgrens het beter had dan praktisch iedereen in Rusland. Ze hadden zich niet alleen persoonlijk arm gevoeld, maar ook onderdaan van een arm land. 

159. ‘Dingen over jezelf te weten komen is de zwaarste uitdaging van het vergaren van kennis,’ schreef Alexander Etkind, een van de scherpzinnigste specialisten van de culturele ervaring in het post-Sovjet- tijdperk. Hij schreef over de speciale verschrikking van de Sovjet- erfenis: “Slachtoffers en daders waren vermengd in dezelfde families, etnische groepen en afstammingslijnen. [...] Terwijl de nazi-Holocaust de Ander uitroeide, was de Sovjetterreur suïcidaal. De gerichtheid op het eigen volk van de Sovjetterreur bemoeilijkte de omloop van de drie energieën die de postcatastrofale wereld structureren: cognitief streven om kennis over de catastrofe te vergaren; emotioneel verlangen tot rouw over de slachtoffers; en actief verlangen naar het vinden van rechtvaardigheid en het nemen van wraak op de daders. [...] De suïcidale aard van de Sovjetwreedheden maakte wraak bijna onmogelijk en zelfs het vergaren van kennis zeer moeilijk. “ 

161.Alexander Nikolajevitsj Jakovlev concludeerde uiteindelijk dat terreur niet kon worden begrepen. De door zijn collega’s en een aantal historici geboden verklaringen – dat Stalin geestesziek was, dat hij leed aan paranoïde waandenkbeelden – verklaarden niets. De tiran had een groot aantal van zijn familieleden en de familieleden van zijn vrouwen laten executeren. Alexander Nikolajevitsj had ontdekt dat Stalin een oude vriend in Georgië naar Moskou had uitgenodigd voor een weerzien. Ze dineerden en dronken – Stalin was trots op zijn gastvrijheid en zijn menu’s, die hij persoonlijk samenstelde. Diezelfde avond werd de vriend in zijn hotelkamer gearresteerd en voor zonsopgang geëxecuteerd. Dit was niet te verklaren met voor een mens beschikbare woorden of ideeën.

Alexander Nikolajevitsj kon het niet begrijpen, maar hij kon proberen het te beschrijven. De Sovjetstaat was gebaseerd op straf. Jonge Pioniers werd al geleerd in een groep kritiek te uiten op elkaar en op zichzelf, zwelgend in de details van de tekortkomingen, de fijne kneepjes van de afkeuring, de extase van het berouw en de vermeende precisie van de straffen. De Komsomol en de Partij zelf waren ook handhavingsorganisaties, net als het ‘arbeidscollectief’ Sovjettaal voor de werkplaats – waar regelmatig samenkomsten werden georganiseerd om misstappen ‘aan de kaak te stellen’ en ‘maatregelen te nemen’.

185. De ideale Rus, leek het, was een mens zonder eigenschappen. Het was Goedkov duidelijk dat dit de reflectie was van de vijandige en gewelddadige regimes waaronder de Russen lang geleefd hadden.

Hannah Arendt had geschreven over de manier waarop het totalitarisme mensen berooft van het vermogen meningen te vormen, zichzelf te definiëren als anders dan de andere leden van de maatschappij of dan het regime zelf.1 Nu stak zo’n mens zijn leegheid omhoog als zijn grootste deugd. Als ‘open’ en ‘eenvoudig’ de ongedifferentieerde aard van een Rus beschreef, dan verwees ‘geduldig’, volgens Goedkovs interpretatie van de antwoorden, naar de Russische tolerantie van geweld. In contrast tot de denkbeeldige Europeaan, die in al zijn eigenschappen eigenmachtig was, zagen de respondenten zich als onderdanen van een regime dat heerste met geweld. Daardoor leek de oorlog in Tsjetsjenië, die door de meesten in Goedkovs kring werd gezien als een tragische anomalie, eigenlijk een logische uitdrukking van wat de mensen verwachtten.

Maar het slechtste nieuws in de enquête was dat deze niet strookte met Levada’s oorspronkelijke concept van de homo sovieticus: in 1989 had hij voorspeld dat naarmate de onderdanen van het totalitarisme uitstierven de Sovjetinstellingen ten onder zouden gaan. Maar deze enquête leek te tonen dat de homo sovieticus helemaal niet uitstierf: er was geen duidelijk bewijs dat dit sociologische type minder verspreid was onder jonge mensen dan in de generatie van hun ouders. De sterkste trek van de homo sovieticus – dubbeldenk – kwam in alle leeftijdsgroepen duidelijk tot uiting. De respondenten bleven in antinomieën denken. Een centraal voorbeeld was het volgende. Een meerderheid van de respondenten verklaarde het eens te zijn met de volgende stelling: ‘In de loop van vijfenzeventig jaar Sovjetregime zijn onze mensen anders geworden dan mensen uit het Westen en het is te laat om dat te veranderen.’ Een iets grotere meerderheid was het eens met de stelling ‘Vroeg of laat zal Rusland de weg volgen van alle beschaafde landen’. De meeste mensen waren het met allebei de stellingen eens, wat de eerste stelling leek te bevestigen en de tweede zeer onwaarschijnlijk maakte.

De Wodka – paradox.

289. Een andere specialist op het gebied van de Russische demografie, de Amerikaanse antropologe Michelle Parsons, suggereerde een verklaring voor de kennelijke wodka-paradox: wellicht zou alcohol de mensen kunnen helpen zich aan te passen aan een werkelijkheid waardoor ze zich anders in een hoekje willen oprollen en doodgaan. Parsons, die haar boek de titel Onnodig sterven gaf, redeneerde dat Russen vroeg stierven omdat ze niets en niemand hadden om voor te leven. Eberstadt concludeerde uiteindelijk ook dat de verklaring te maken had met geestelijke gezondheid. Hij gebruikte statistische gegevens over een langere periode om aan te tonen dat wat Russen een ‘demografische crisis’ noemden in feite al tientallen jaren aan de gang was – de cijfers voor geboorte en levensverwachting waren het grootste deel van de tweede helft van de twintigste eeuw gedaald. Er waren maar twee uitzonderingsperioden in deze trend: Chroesjtsjovs dooi en Gorbatsjovs perestrojka, de korte momenten waarin de Russen een betere toekomst verwachtten. De rest van de tijd leken de Russen te sterven door gebrek aan hoop.

Allan Carlsons uitleg was totaal anders: de Russen stierven doordat het ‘natuurlijke gezin’, zoals hij dat noemde, aan het verdwijnen was. Gedurende zijn bezoek besloten hij en de mensen van het sociologisch instituut een conferentie te organiseren om te overleggen hoe Rusland en andere landen zich konden verzetten tegen de aanval van het decadente Westen op het gezin.

325. Psychoanalyticus Erich Fromm was in 1934 Duitsland ontvlucht en had in 1941 Escape from Freedom geschreven, een urgent boek waarin hij de psychologische oorsprong van het nationaalsocialisme probeerde te beschrijven, al was hij zo voorzichtig geweest te noteren: ‘Het nationaal- socialisme is een psychologisch probleem, maar de psychologische factoren zelf moeten worden begrepen als gevormd door sociaal- economische factoren; het nationaalsocialisme is een economisch en politiek probleem, maar de greep die het heeft op een heel volk moet op psychologische gronden worden begrepen.’

Om zijn redenering te staven, ging Fromm terug naar de middeleeuwen, want:

iemand was toen identiek met zijn rol in de maatschappij; hij was boer, ambachtsman of ridder, niet een individu dat daarnaast een beroep had. De sociale orde werd opgevat als een natuurlijke orde en daarvan deel te zijn gaf een veilig gevoel erbij te horen. Er was betrekkelijk weinig competitie. Iemand werd geboren in een zekere economische positie die een door traditie bepaald levensonderhoud garandeerde.

Deze beschrijving was ook van toepassing op de late Sovjetmaatschappij die, zoals Goedkov had opgemerkt, de beperking op sociale mobiliteit gebruikte als een van de belangrijkste beheersinstrumenten. Over het algemeen klommen of daalden mensen niet op de sociaaleconomische ladder – en zouden ze ook niet gauw een vak kiezen dat erg verschilde van dat van hun ouders.

Reacties graag naar mailadres.