Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Mano Bouzamour, Bestsellerboy.

28 juni 2018

Mano Bouzamour, Bestsellerboy.

Uitg. Prometheus 2018

Na zijn interessant debuut ‘De belofte van Pisa’ gaat de schrijver met een mooie, ritmische taal verder en dieper in ‘Bestsellerboy’. Nog meer rappende zinnen met staf-en eindrijmen als razende scooters over straten en pleinen. 

Je hoort hem bij het lezen luidop de zinnen  declameren.

Zijn nieuwe boek staat een heel stuk verder, in zijn dromen en ontnuchterende nachtmerries, met nu een reeks fascinerende paragrafen,

Hier ontluikt een groot schrijver: gretig, met veel lef en de spiegelende waarneming lijkt hem aangeboren. 

Zeer benieuwd naar zijn volgende romans en meesterlijke verhalen. 

23. ‘Ieder vrij moment besteedde ik aan het bestuderen van boeken. Ze boden me een uitvlucht. Verbreedden mijn horizon. Ik kreeg door het lezen grip op de wereld. Sterker nog, boeken waren voor mij de aan elkaar vastgebonden bedlakens die gevangenen over de gevangenismuur gooiden, waaraan ze zich omhoogtrokken voordat ze de vrije buitenwereld in tuimelden.

31. ‘Ik gaf me compleet over aan die lege, witte pagina’s, de lijnen als hartslagen in ruststand. Als ik schreef, leefde ik op als nooit tevoren en raakte ik tot over mijn oren verliefd op de woorden.’

35. ‘Als je groots wil worden, dan ga je dus allesbehalve in het nu leven. Dat is het domste wat er is. De kunst is juist om te leren in je verbeelding te leven. Althans, dat is mijn filosofie.’

 

46. ‘Vader zei: ‘Die Rachid heeft het héél slim gedaan. Niet voor niets is hij altijd vrijdag in de moskee te vinden. Rustig in de hoek, geknield terwijl hij het Boek leest.’ Vader boog voorover, pakte van onder de televisie een dik boek met zwartleren kaft en gouden sierletters en zei: ‘Je kan zo veel boeken schrijven als je wil maar er is maar één boek dat telt, mijn zoon. Vergeet dat niet.’

‘Ik weet het,’ zei ik terwijl ik de deur opendeed, ‘Harry Potter en de gevangene van Azkaban. Of toch Mein Kampf?’

Ik smeet de deur dicht.’

49. ‘Opgroeien in zo’n buurt betekende dat je rond je twaalfde een bachelor in boeverij had. Je zag alles, hoorde de verhalen, leerde alles bij elkaar te liegen en vooral niemand te vertrouwen. Als je mij zou vragen of ik ooit iets heb geflikt, zou ik de politicistrategie aanhouden: glashard ontkennen en over een ander onderwerp beginnen.’

108. ‘Wat ik het liefst wil, is jongeren aan het lezen krijgen. Ik wil dat lezen cool wordt gevonden. Laten zien dat literatuur niet stoffig en saai hoeft te zijn. Ik zal de komende tijd die last op mijn schouders dragen. Zoals die ene figuur uit de Griekse mythologie wiens naam mij even ontschoten is, de aarde op zijn gespierde schouders draagt.’

340. ‘Wíj hebben niets gedaan! Echt niet. Waarom zouden wij zoiets doen? Wie wil zijn zoon zoiets aandoen? Als ik ook aan die dag denk, is het één grote waas. Mistig. Die tijd was heel mistig.’ Hij boog voorover op de bank, wees naar het raam en fluisterde: ‘Dát is de betovering van die vuile satanisten, die zieke liefhebbers van de afgoderij. Snap je het nu? Degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn, mijn zoon, hún dag komt nog wel. Als ze zich moeten verantwoorden voor Allah op de dag des oordeels worden ze netjes naar voren geleid, als gevangengenomen misdadigers, en zullen ze niet meer kunnen ontkomen. God weet alles en houdt alles en iedereen in de gaten. En zal de rechtvaardigen in het hiernamaals rijkelijk belonen.’(...)

‘Vader kwam naast mij staan. ‘Jij bent precies zoals toen ik jong was. Een vurige jongen.’

Vader legde zijn hand op mijn schouder. Masseerde mijn nek. Het voelde fijn. ‘Zoon, al heel lang wil ik je iets vragen…’

Ik bloeide even op. Iedere vorm van vaders nieuwsgierigheid was een zeldzaamheid die ik koesteren moest. Ik knikte hem toe via de spiegel.

Lachend vroeg hij: ‘Wanneer ga je een huis voor ons kopen in Marokko?’

386. Waarin verschilde ik van mijn ouders? Zij zochten hun waarheid in religie. Ik zocht de mijne in fictie. Het is in feite hetzelfde, want elke godsdienst is gebaseerd op fictie. Zij geloven in een boek dat door God is geschreven en door een engel aan Mohamed werd geopenbaard toen hij in een grot zat te mediteren.

Vaak vroeg ik me af waarom ze in jezusnaam naar Nederland waren gekomen als ze zo hardnekkig bleven vasthouden aan waar ze vandaan kwamen. Waarom dompelden ze zich niet onder in hun nieuwe omgeving? In een nieuwe taal?

Zij hadden ooit dromen, om hiernaartoe te komen. Waagden samen toen ze twintig waren die immense sprong over de Straat van Gibraltar, waar velen in vielen en verdronken.

Waarom zetten ze niet door?

Het enige antwoord wat ik daarop kreeg, was dat ze dachten dat Nederland nooit hun paradijs zou worden.

Met het voorschot van mijn tweede boek kocht ik dat huis voor ze in Tétouan.’

Reacties graag naar mailadres.