Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Paolo Cognetti, De buitenjongen.

5 juli 2018

Paolo Cognetti, De buitenjongen.

Uitg. De Bezige Bij 2018

De hoofdpersoon van De buitenjongen is een eenzame man van in de dertig. Zijn leven in Milaan is vastgelopen en hij mist de bergen van zijn jeugd, waar hij al tien jaar niet meer is geweest. Daarom besluit hij een hut te huren op tweeduizend meter hoogte en een paar maanden lang te leven op een manier waar hij vroeger stiekem van droomde: zielsalleen, omringd door wat dieren en zijn favoriete boeken. Het leven in de bergen is eenvoudig, hij hakt hout, legt een tuin aan, maakt vuur. En langzamerhand sterkt hij aan en herontdekt hij wat hij in de loop der jaren was verloren. Wekenlang ziet hij niemand, tot er ineens toch een gestalte opdoemt. 

Een mooie oefening voor De Acht Bergen 

26. Élisée Reclus, een negentiende-eeuwse geograaf en anarchist die vanwege zijn ideeën lang verbannen is geweest, schrijft: ‘Vanaf elke top, vanuit elk ravijn en vanaf elke helling manifesteert het berglandschap zich met een nieuw reliëf, met een ander profiel. Eén berg is in feite een hele groep bergen, net als op volle zee elke golf een stapeling van ontelbare golfjes is. Om de architectuur van de bergen in haar geheel te kunnen vatten dient men ze te bestuderen, ze in alle richtingen te doorkruisen, er elke steile helling van te beklimmen, door te dringen tot in de kleinste kloof. Voor wie ze in hun geheel wil doorgronden zijn ze oneindig – zoals alles.’

 

101. Ik kon me nog herinneren van toen ik een jongetje was hoe de bergen een transformatie bij me teweegbrachten: de vreugde om het feit dat je een lichaam had dat weer in harmonie met zichzelf kwam als het zich in zijn element voelde, de vrijheid om te hollen en te springen en te klauteren, met handen en voeten die als vanzelf gingen, de volstrekte onmogelijkheid jezelf te bezeren. Het was ook een leeftijdsloos lichaam – niet meer dat lichaam dat sinds een paar winters ouder begon aan te voelen.

109. Ik ging op de steen liggen met mijn rugzak als kussen. Op dat moment kreeg ik een brok in mijn keel en werd het me wazig voor de ogen. Huil maar, dacht ik, niemand ziet je. En ik barstte in snikken uit, languit op die steen, omdat ik moe was, iedereen miste en niet meer wist waar ik was.

111. Ik voelde me stom, arrogant; daar lag ik nu, meegesleurd door een infantiel plan: verdwalen om te zien of ik in staat was de weg terug te vinden, van iedereen wegvluchten om te kijken of iemand me zou missen. Ik was de bergen in getrokken met het idee dat ik op zeker mo- ment, als ik maar lang genoeg volhield, in iemand anders zou veranderen, en dat die transformatie onher- roepelijk zou zijn, maar mijn oude ik stak steeds weer sterker dan daarvoor de kop op. Ik had geleerd hout te kloven, tijdens noodweer een vuur te maken, een moestuin te schoffelen en in te zaaien, te koken met bergkruiden, een koe te melken en hooibalen te maken, maar ik had niet geleerd alleen te zijn, wat toch het enige ware doel is van het kluizenaarsbestaan. Wat dat betreft voelde ik me nog net als op de eerste dag. De huid van mijn handen was steviger geworden, mijn lichaam sterker en weerbaarder, maar mijn geest was verstevigd noch versterkt, was nog steeds zwak en ziekelijk. Mijn alleen-zijn had meer weg van een spiegelpaleis dan van een hutje op de hei: overal waar ik keek zag ik de ontelbare malen vermenigvuldigde reflectie van mijn verwrongen, groteske beeltenis. Ik kon me overal van ontdoen, behalve daarvan. En dus kwam ik, languit op die steen, tot de conclusie dat mijn onderneming mislukt was.

125. Tijdens die afdaling, zo zei hij, was niet de pijn maar de vermoeidheid zijn ergste vijand geweest, de verleiding om te stoppen en uit te rusten. En toen had hij ontdekt dat een deel van hem onstuimig aan het leven hing: dát had ervoor gezorgd dat hij thuis was gekomen. Waar hij op het moment dat hij over de drempel stapte buiten bewustzijn was geraakt.

132. Later, toen hij weer naar huis was, vond ik hoog in het bos een door de bliksem getroffen lariks waarmee iets heel raars was gebeurd. Een enkele tak helemaal onder aan de stam leefde nog. De bliksem had de stam kwaad berokkend maar de tak goed gedaan: die was op een of andere manier van richting veranderd, recht omhoog gegroeid en nu bijna een tweede stam geworden. En dus waren er van die oude lariks nu twee: de ene verbrand en kaal, de andere vol knoppen. Door wat er in de afgelopen dagen was gebeurd bedacht ik eerst dat ík wellicht de nieuwe stam was, en de oude stam mijn vader. Maar daarna bedacht ik dat ik allebei de stammen was, de oude en de nieuwe, en dat ik in gespannen afwachting van de bliksem was, van het vuur dat je oude zelf doodt opdat er een nieuwe kan groeien. In dat geval was mijn vader niet meer dan een andere boom in het bos. Met een ruk draaide ik me om teneinde de strijd met hem aan te gaan.

Reacties graag naar mailadres.