Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde

3 september 2008

Irvin D. Yalom, Scherprechter van de liefde – Tien ware verhalen uit een psychotherapeutische praktijk. Uitgeverij Balans.

Psychiater Yalom weet als ‘Scherprechter van de liefde’ een boeiende reeks verhalen op te leveren uit het vakgebied van geestelijk lijden. Hij ontleedt menselijke angst als diepe drive voor menselijk handelen. Als scherprechter haalt hij echter niet het literaire niveau van zijn vorige schitterende boeken – Nietzsches tranen – De Schopenhauerkuur – Therapie als geschenk – De therapeut – al zal menig therapeut en patiënt zinvolle insteken herkennen.

12. Mijn voornaamste klinische veronderstelling is altijd geweest dat fundamentele angst voort komt uit iemands pogingen, bewust en onbewust, om het hoofd te bieden aan de harde, onontkoombare werkelijkheid, de gegevenheden van het bestaan, en de op deze veronderstellingen heb ik mijn aanpak gebaseerd.
Ik ben tot de ontdekking gekomen dat vier gegevenheden voor de psychotherapie bijzonder relevant zijn: de onvermijdelijkheid van de dood voor onszelf en voor diegenen die we liefhebben; de vrijheid die we hebben ons leven de vorm te geven die we willen; onze essentiële eenzaamheid en tenslotte de afwezigheid van een duidelijke zin of betekenis van het leven. Hoe grimmig deze gegevenheden ook mogen lijken, ze bevatten de kiemen van wijsheid en bevrijding.

20. Hoewel er voor existentieel isolement geen oplossing bestaat, moeten therapeuten valse oplossingen ontmoedigen. Iemands pogingen om aan isolement te ontkomen kunnen zijn relaties met andere mensen schaden. Veel vriendschappen en huwelijken zijn stukgelopen omdat een van beiden de andere gebruikt als schild tegen het isolement in plaats van in de relatie voor elkaar te zorgen en elkaar te ondersteunen.

43. De meeste van mijn diepste overtuigingen over therapie en mijn intense interesse voor bepaalde terreinen van de psychologie vloeien voort uit persoonlijke ervaring. Nietzsche beweerde dat het gedachtensysteem van een filosoof altijd uit zijn levensgeschiedenis voortkomt en ik geloof dat dit voor alle therapeuten geldt en eigenlijk voor iedereen die nadenkt over het denken.

47. Pas wanneer iemand het inzicht in zijn botten voelt, heeft hij het echt. Pas dan kan iemand ernaar handelen en veranderen. Populaire psychologen hebben het altijd over het ‘aanvaarden van verantwoordelijkheid’, maar het zijn alleen maar woorden. Het is buitengewoon hard, zelfs angst aanjagend, om het inzicht te hebben dat jijzelf helemaal alleen je eigen leven ontwerpt. Daarom is het probleem in de therapie altijd om van een ineffectieve intellectuele acceptatie van een waarheid te komen tot een of andere emotionele ervaring ervan. Pas wanneer therapie sterke emoties mobiliseert, wordt het een kracht die verandering ter weeg kan brengen.

102. Ik heb altijd het idee gehad dat de manier waarop iemand de dood tegemoet treedt voor een groot deel wordt bepaald door het voorbeeld van zijn ouders. Het laatste geschenk van een ouder aan zijn kinderen is hen te leren hoe men de dood gelijkmoedig tegemoet kan treden door zelf het voorbeeld te geven.

109. Het is de relatie die geneest, de relatie die geneest, de relatie die geneest, zo bid ik de rozenkrans van mijn beroep. Ik zeg dat vaak tegen studenten. En ik zeg ook andere dingen, dingen die slaan op de relatie die ze met de patiënten moeten vormen. Voorwaarden voor een goede relatie zijn: onvoorwaardelijk respect, aanvaarden zonder veroordeling, authentieke betrokkenheid en empatisch begrip.

130. Patiënten profiteren net als iedereen het meest van een waarheid die ze zelf ontdekken.

131. We blijven allemaal met een zekere mate van plots angst doodsangst zitten. Het is de toegangsprijs voor zelfbewustzijn.

134. Een van de axioma’s van psychotherapie is dat belangrijke gevoelens die je ten opzichte van een ander heb altijd langs een of andere weg worden overgebracht, zoniet verbaal, dan non-verbaal. Zolang als ik me kan herinneren, heb ik mijn studenten geleerd dat wanneer er in de relatie tussen de therapeut en de patiënt over iets belangrijks niet wordt gepraat er ook niets anders van belang besproken zal worden.

153. Het verliezen van een ouder of een oude vriend betekent vaak dat iemand zijn verleden kwijtraakt: de overledene was misschien de enige getuige van belangrijke gebeurtenissen in zijn leven. Maar het verlies van een kind betekent dat men zijn toekomst verliest: wat men kwijtraakt is niet minder dan zijn levensproject; datgene waarvoor men leeft, hoe men zich in de toekomst projecteert, hoe men hoopt de dood te overstijgen, iemands kind wordt in feite zijn onsterfelijkheidsproject. Dus, in vaktaal uitgedrukt, het verlies van een ouder is ‘objectverlies’ (het object is een persoon die een instrumentele rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van iemands innerlijke wereld); terwijl het verlies van een kind ‘projectverlies’ is (het verlies van iemands centrale, organiserende levensprincipe, dat niet alleen het wáárom maar ook het hà?e van het leven verschaft). Geen wonder dat er geen zwaarder verlies is dan het verlies van een kind, dat veel ouders vijf jaar later nog rouwen en dat sommigen er nooit overeenkomen.

161. Het gevoel dat men niet genoeg heeft gedaan, weerspiegelt in mijn ogen het onderliggende verlangen het onbeheersbare te beheersen. Als men namelijk schuldig is doordat men iets niet heeft gedaan wat men had moeten doen, vloeit daaruit voort dat er iets gedaan had kunnen worden; een troostrijke gedachte die ons afleidt van onze pathetische machteloosheid als we tegenover de dood staan. Gevangenen in de veelomvattende illusie van onbeperkte macht en vooruitgang, onderschrijft ieder van ons, tenminste tot de midlifecrisis, het geloof dat het leven bestaat uit een eeuwige opwaartse spiraal van succes, die alleen afhankelijk is van de menselijke wil.

165. Onthoudt dat je niet al het werk kan doen. Wees er tevreden mee dat je een patiënt helpt te beseffen wat er gedaan moet worden en vertrouw dan op zijn of haar verlangen naar ontplooiing en verandering.

177. Als beginnend therapeut streefde ik ernaar de waarheid over het verleden te ontdekken, om alle coà?rdinaten van iemands leven te bepalen en daardoor de pathologie, de drijfveren en het handelen binnen zijn huidige leven op te sporen en te verklaren.
Ik voelde me toen zo zeker. Wat een arrogantie! En wat voor soort waarheid streef ik nu na? Ik denk dat ik op illusies jaag. Ik voer strijd tegen magie. Hoewel illusies vaak op monteren en troosten, geloof ik dat ze uiteindelijk de geest onveranderlijk verzwakken en beperken.
Maar de beoordeling en de keuze van het moment moeten goed zijn.
Neem iemand nooit iets af als je niets beters hebt te bieden. ontdoe een patiënt niet van zijn illusies als hij de kilte van de werkelijkheid niet kan verdragen. En put jezelf niet uit door de strijd aan te binden met religieuze magie, want je zult het onderspit delven. De wortels van het geloof zitten de diep en de gevoelens worden door de cultuur in hoge mate versterkt.

188. Als je in een dilemma geraakt of twee sterk botsende gevoelens hebt, kun je het beste het dilemma of beide gevoelens met de patiënt delen.

189. Wil de therapie effect hebben, dan is het nodig dat de patiënten erop vertrouwen dat de therapeut geà?ntegreerde persoonlijkheid heeft en dat hij zijn eigen problemen onder ogen heeft gezien en opgelost.

212. De onmogelijkheid om de echte papegaai te ontdekken, maakt een einde aan Barnes’ geloof dat de ‘echte’ Flaubert of de ‘echte’ wie dan ook gevangen kan worden. Maar veel mensen ontdekken nooit hoe dwaas zo’n onderzoek is en blijven geloven dat ze iemand kunnen afbakenen en verklaren als ze maar genoeg informatie krijgen. Er heeft altijd een controverse bestaan tussen psychiaters en psychologen over de waarde van persoonlijkheidsdiagnose. Sommigen geloven in de verdiensten van de onderneming en wijden hun leven aan het ontwikkelen van nog nauwkeuriger diagnostische methoden. Anderen, en daaronder rangschik ik mijzelf, verbazen zich erover dat men diagnose serieus kan nemen, dat men denkt dat het ooit meer zou kunnen zijn dan een eenvoudige cluster van symptomen en gedragskenmerken. Niettemin komen we onder steeds sterkere druk te staan van onder andere ziekenhuizen, verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties om een persoon te beoordelen door hem van een diagnostische aanduiding te voorzien en hem in een numerieke categorie onder te brengen.
Zelfs het meest liberale systeem van psychiatrische nomenclatuur doet het wezen van een ander geweld aan. Als we met mensen omgaan in het geloof dat we hen in categorieën kunnen onderbrengen, zullen we de delen, de belangrijkste delen van de ander die categorisering te boven gaan, noch kunnen opsporen noch kunnen koesteren. Een relatie waarin het mogelijk wordt iemand te helpen, veronderstelt altijd dat de ander niet volledig kenbaar is.

238. Mijn oude leermeester, John Wright, heeft me geleerd dat men een ‘psychose’ kan diagnosticeren door middel van de therapeutische relatie: de patiënt, opperde hij, moet als psychotische worden beschouwd als de therapeuten op geen enkele manier meer het gevoel heeft dat hij en de patiënt bondgenoten zijn die samenwerken aan de verbetering van de psychische gezondheid van de patiënt.

293. Het is het moment waarop men voor de afgrond komt te staan en besluit hoe men de meedogenloze, existentiële feiten van het leven het hoofd zou bieden: de dood, eenzaamheid, onzekerheid en zinloosheid. Natuurlijk zijn er geen oplossingen. Men kan slechts uit enkele houdingen kiezen: men kan ‘onverschrokken’ zijn of ‘gefascineerd’; moedig opstandig of stoà?cijns aanvaardend; of men kan de rationaliteit laten varen en vervuld van verbijstering en ontzag zijn vertrouwen stellen in de voorzienigheid van het Goddelijke.

Reacties graag naar mailadres.