Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Gaston Durnez, Een mens is maar een wandelaar.

1 oktober 2018

Gaston Durnez, Een mens is maar een wandelaar.

Davidsfonds 2018

RIK TORFS

COLUMN | Gaston Durnez 90 HLN 11 september 2018 

Zondag werd Gaston Durnez, schrijver en oud-journalist, 90. De dag ervoor vond in het Antwerpse Letterenhuis de voorstelling van zijn jongste boek plaats. ‘Een mens is maar een wandelaar’ heet het. De titel komt uit een gedicht van Bert Decorte (1915-2009), in de jaren dertig het wonderkind van de Vlaamse poëzie, vandaag onbekend zoals het een ware dichter betaamt, miskenning en vergetelheid zijn de herfstbladeren die neerdwarrelen op zijn graf. Wat niet wegneemt dat de versregel prachtig is. Want natuurlijk is een mens maar een wandelaar. We mogen ons gelukkig prijzen dat we even op deze aarde mogen vertoeven. Daarna komen er anderen die ons zullen vergeten. Niet kwaad bedoeld. Iedere generatie is vooral met zichzelf bezig. Dat is een les voor onze leiders, politieke en andere. Wanneer er een crisis uitbreekt, is hun eerste gedachte vaak: hoe kunnen we hiervan gebruikmaken om ons eigen imago op te poetsen? Wat moeten we zeggen of doen om goed over te komen? Terwijl de vraag zou moeten luiden: hoe dienen we het algemeen belang? Niet de wandelaar is belangrijk, maar de wereld die hij heel even betreedt en vervolgens achterlaat.

Hoe komt het toch dat het werk van Gaston Durnez, katholiek en tegelijk vriend van Louis Paul Boon, vandaag overeind blijft? Ik zie twee redenen. Vooreerst omdat hij een ongelooflijk goede schrijver is, een meesterlijk stilist, zonder gezochte woorden en overbodige franjes. Van een echte schrijver merk je pas hoe goed hij is als je zijn boeken opzijlegt en andere teksten leest. Weerbarstige. Verontwaardigde. Pretentieuze. Lege.

En dan de tweede reden: Gaston Durnez veroordeelt niemand. Hij kijkt naar mensen en beschrijft hen. Hun woorden en gedachten flakkeren weer op in een boek dat ze zelf nooit zullen lezen. Een ogenblik lang houdt de vergetelheid haar adem in. Even zijn de Vlaamse prominenten van vroeger niet dood. Kijken is een daad van liefde.


137. Schrijven was voor hem (André Demedts) in essentie opheldering van het levenslot zoeken. Dat heeft hij meer dan eens gezegd, als je hem ertoe kon brengen over zichzelf te spreken. Hij boog het hoofd dan wat, keek naar de grond. 

Na de Eerste Wereldoorlog, zo vertelde hij, was hij als dichter gegroeid in de verwachting dat er werkelijk een betere samenleving zou ontstaan. 

Vrij spoedig kwam het contact met de werkelijkheid zoals zij is. Het veroorzaakte een conflict tussen ingebeelde realiteit en mogelijkheden. Dat noemde hij de grondtoon van zijn eerste werk. 

255. ‘Mijn kleine oorlog’. Het waren teksten als granaatscherven Ik weet niet wie dit beeld eerst heeft gebruikt, het is pijnlijk juist. Er zit schijnbaar geen lijn in het boek, de fragmenten vliegen in het rond. Ze geven een treffend beeld van de oorlog zoals ook ik hem, als tiener heb ervaren. 

Bij de lectuur was het alsof ik de vermorzelde kleine mensen in mijn eigen omgeving herkende. Ze waren echt, zoals onze kleine alledaagse oorlog vreselijk echt was. Later dacht ik dat dit boek tot Boons beste werk behoorde. Het eindigde met een kreet die gemeengoed is geworden: ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Het boek verscheen in 1947. Vijftien jaar later voegde hij er een ‘Laatste Woord’ aan toe: ‘Wat heeft het alles voor zin?’ 

Hij benadrukte die vraag toen hij mij in 1962 een opdracht schonk. Ik was er zeer door geschokt. 

De protestschrijver, de opstandeling, was een wanhopige man geworden. Hij geloofde in niets meer, in Marx noch in Sinterklaas, ‘alleen in hier en daar een goede mens’, zei hij. En in het gekke woordenspel met vrienden op zaterdag, dacht ik. 

Reacties graag naar mailadres.