Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog

Erwin Mortier, Godenslaap.

24 november 2008

Erwin Mortier, Godenslaap. uitg. De Bezige Bij 2008

' Godenslaap' noodt tot luidop lezen, tot voorlezen voor een spiegel om de klank van de woorden te wegen en het mededogen te proeven dat Erwin Mortier blootlegt voor dit land en zijn verloren mensen met hun overbodige geschiedenis die ons de troost bieden van de erotiek om ieder nieuw leven een beetje draaglijker te maken.
Erwin Mortier kiest voor ' Godenslaap' het begin van de XXste eeuw die in gruwelijke barensweeën de moderniteit in Europa het leven schenkt. Zijn verslag is dat van een levenslustige vrouw die door de vele jaren voldoende afstand heeft kunnen opbouwen om de obligate historische leugens van iedere pathetiek te verlossen. Zij is de bewaarder geworden van de ware verhalen van hen die al lang niet meer zoeken naar een stem maar die generatie na generatie weer worden opgevoerd als legitimatie voor het decor van een geschiedenis waar ze ' als muizen in een looprad trappelen en het tempo al dan niet aankunnen.'

De verzen van ' Godenslaap' vormen een hologram, als waarmerk van hun echtheid waar de lezer in ieder deel het geheel kan zien op voorwaarde dat deze bereid is om de paar paragrafen de ogen te sluiten. In ieder hoofdstuk herken je dan de slaap der goden op het bloeddoorlopen netvlies, wanneer je ze bedachtzaam afschermt voor zoveel verterend licht in de ruim een eeuw oude duisternis.
De beeldentaal die zijn woorden ontsluit heeft iets van een film in sepia kleuren op een scherm van Vlaamse kant. Als filigrein vervlochten verbanden die op kunnen lichten bij een andere leeshouding.
Dat schept een heilzame afstand om menselijke relaties, die Erwin Mortier zo treffend in één enkel vers weet te vatten, te herkennen als een holistisch geheel: als schrijver noch lezer zijn we ooit alleen. Zovele van zijn indringende verzen zullen hanteerbaar blijven, ook voor de levenden die na ons komen.
Erwin Mortier heeft met ' Godenslaap' een adembenemend meesterwerk opgeleverd.

12. De meeste beelden die me tijdens de halfslaap bezoeken zijn oud,maar helder als een luchtspiegeling. Ze werden nooit helemaal getemperd door de taal, die wanneer we
jong zijn in onze geest de beddingen van het denken nog maar zeer ondiep uitgespoeld heeft.

18. Ik denk nog steeds dat boeken net als goden en kinderen in het voorgeborchte van het bestaan verblijven, een dimensie waarin gevolgen tot oorzaken kunnen leiden en de dag van gisteren uit die van morgen tevoorschijn kruipt. (...) Als kind vond ik boeken zelfs een soort van doden, en eigenlijk vind ik dat nog steeds. Wie schrijft organiseert zijn eigen spiritisme.

77. Het milieu waarin ik opgroeide nam in zekere zin het plichtsbesef van de hoogste klassen over, het eergevoel van de adel, maar zonder de hypocrisie die het leefbaar
maakte. En van het werkvolk 'beneden ons', uit wier midden we niettemin ooit opgeklommen waren, hadden we het noodgedwongen gewroet en harde labeur omgesmeed tot een ideaal van vlijt en nijverheid, maar dan zonder de ontladingen die tijdelijk alle moraal of plicht vernietigden.
Vrouwen vormden van dat alles het blazoen, het bladstille boegbeeld, en ik vervloekte het. (...)Mijn manier om aan het vacuüm te ontsnappen bestond uit lezen en schrijven.

222.'Vrede,' zuchtte mijn oom gelaten. 'Als het geld op is, of het volk opstandig wordt. Of omgekeerd: het volk opraakt en het geld onrustig wordt. Een oorlog op krediet heeft vroeg of laat nood aan vrede'?'

276.Ik vraag me af: rouwen mannen anders? Knaagt de rat van het gemis in hen ook zo'n ziedende holte in hun ingewanden uit? Waarom klappen vrouwen dubbel als zij rouwen, en lijken mannen uit elkaar te vallen?.

327.Zonder de doden zou ik niet kunnen leven. Ik zou me leeg voelen als ik hun kelken
niet kon vullen met mijn funeraire giften: woorden die ik ze in de mond leg, die ik als plengoffers over hun altaren uitgiet.

382-383. Oud genoeg mogen worden, zodat je de dood kunt opwachten met dezelfde terloopsheid waarmee je op de straathoek op de lijnbus wacht, zonder veel opwinding of hoop, het zou mijn idee van zaligheid kunnen zijn indien ik nog om zulke dingen maalde.

384-385. Toen ik nog jong was bezag ik woorden als compacte, stabiele eenheden, intrigerende gesteenten die ik verzamelde om niet met lege handen tegenover de wereld te staan. Ik wierp er golfbrekers mee op tegen het springtij van licht en kleur, van geur en geluid, dat soms overweldigend op me af kon komen '? de wereld in zijn brute heerlijkheid, zijn adembenemende zichzelf-zijn, die me zou overweldigen en inlijven in het tumult van zijn onophoudelijke wording. Ik was met andere woorden bang dat ik zou sterven van genot.

388-389. Geschiedenis. In mijn moeders ogen een idioot maar verder onschuldig tijdverdrijf, een vorm van bloemschikken voor decadente luitjes zoals ik. Lang heb ik het niet volgehouden (...) ik merkte dat de kennis mijn geschriften besmette, mijn gedachten verarmde tot op muziek gezette sociologie.
Geschiedenis, die uit ?arden papier, potscherven en botfragmenten met eruditie aan elkaar ge?anste prothese waarop we door de jaarrekeningen pikkelen alsof de tijd vol wegwijzers staat.

Reacties graag naar mailadres.