Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Nino Haratischwili – Het achtste leven (voor Brilka). 

25 juli 2019

Nino Haratischwili – Het achtste leven (voor Brilka). 

Vertaald door Elly Schippers en Jantsje Post. 

Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2017

‘Ik heb deze regels te danken aan een eeuw die iedereen heeft bedrogen en misleid, iedereen die hoop koesterde. […] Ik heb deze regels te danken aan mezelf, omdat ik mijn vaderland verliet om mezelf te vinden en mezelf toch meer en meer verloor, maar ik heb deze regels vooral te danken aan jou, Brilka. Ik heb ze te danken aan jou, omdat je het achtste leven verdient. Omdat ze zeggen dat het getal acht voor de eeuwigheid staat, voor de terugkerende rivier. […] Ik heb jouw hart geadopteerd. Ik heb het mijne weggeslingerd. Neem mijn acht aan. Jij bent het toverkind.’

Deze ferme turf in de grote Russische traditie is geen vluggertje en ook geen dameslectuur gebleken. Al begon ik bij het middelste derde toch te geloven dat het boek na een fors begin in die val zou eindigen wegens te voorspelbaar en een dip in historische overzichten en uitleggerige hoofdstukken. Maar in het laatste derde herpakt Nina Haratischwili zich met verve om in de grote traditie af te ronden met een open einde: het achtste hoofdstuk… aan Brilka om het zelf in te vullen. 
‘De mop was me weer te binnen geschoten, de mop die eigenlijk geen mop was en die Christine me vertelde op de dag dat ik haar, precies achttien jaar geleden, voor het laatst zag. Ik heb beloofd hem je te vertellen als het zover zou zijn. Nu is het zover. Dante loopt door het vagevuur. Misdadigers en brute geweldplegers branden ellendig in het helse vuur, sommigen van hen staan op het punt in een zee van bloed te verdrinken. In de verte ziet Dante een man die maar tot aan zijn knieën in het bloed staat. Hij komt dichterbij, herkent Lavrenti Beria en vraagt: ‘Waarom is het bij u zo ondiep, Beria?’ En Beria antwoordt met een valse grijns: ‘Ik sta op de schouders van Jozef Stalin, meneer!’ En ook al was die mop helemaal geen mop, Brilka, toch moest ik er op dat moment om lachen. Toen ik met één been in de school stond en Christine probeerde vast te houden, kon ik er niet om lachen. Maar nu wel.’

Voor mij zal ‘Het achtste leven’ blijven bovendrijven omdat de auteur erin geslaagd is haar protagonisten hun leven en lijden in de eindeloos lijkende ellende van de Unie der Socialistische Sovjet Republieken als soeverein boven de poel van miserie uit te blijven tillen. Zelfs in de dood. En dus ver te blijven van teren op compassie, als sneeuwvlokjes beschermd in de safe rooms van de zo vaak vervalste geschiedenis. 
Een constante factor in uw boek is een geheim chocolade recept, dat als een soort vloek functioneert. Zijn niet al uw personages vervloekt?

„Voor mijn boek heb ik met veel mensen gesproken. Telkens als we het over hun lotgevallen tijdens het communisme kregen, zeiden ze dat ze toen overgeleverd waren aan het lot. Ze konden niet anders dan het Sovjetsysteem accepteren. Verzet kwam niet in hen op, alsof ze hun leven niet in eigen hand hadden. Die overgave aan het lot heeft iets fatalistisch.

„In mijn boek stel ik als een soort rode draad voortdurend de vraag of dat gevoel van lotsbestemming er nog steeds toe doet. Juist omdat we in het Westen in de illusie leven dat we alles zelf kunnen bepalen en het lot niet bestaat. Ook wilde ik dat mijn lezers zich zouden afvragen in hoeverre dat echt zo is en in welke mate we overgeleverd zijn aan bijvoorbeeld het politieke systeem waarin we leven. Ik heb daar niet zo’n duidelijk antwoord op gevonden. Sommige van mijn personages geloven in die vloek en het lot, terwijl anderen het onzin vinden.” NRC Handelsblad, 17 januari 2017 Michel Krielaars ‘Het leven is niet zo zwart-wit als we vaak denken’


59. ‘Persoonlijk geloof ik niet dat revoluties een roep zijn van het volk, ik geloof eerder dat ze voortkomen uit het slechte geweten van de bevoorrechten,’ voegde hij er bijzonder bedachtzaam aan toe.

‘Jij gelooft dus dat onze bevrijder tsaar Alexander II, toen hij destijds de lijfeigenschap bij wet afschafte, vanuit een dergelijk complex handelde, maar er niet aan dacht dat die stap economisch en vooral ideologisch op een catastrofe kon uitdraaien?’ vroeg een bijzonder geëngageerde leerling.

‘Ja, dat geloof ik. Want doordat hij de boeren de vrijheid schonk, werden de sociale verschillen in de maatschappij alleen nog maar scherper zichtbaar. En we mogen ook niet vergeten dat duizenden jonge mensen de afgelopen jaren uit de grote steden naar het platteland zijn getrokken om de boeren voor te lichten en daar alleen op desinteresse, berusting en onbegrip zijn gestuit.’

316. ‘Juist vermoedens zijn het waard verteld te worden, niet de zekerheden.’

597.’Het meest tragische van de ballingschap, zowel van de ruimtelijke als van de mentale, was misschien wel het feit dat je alles begon te doorzien en niets meer mooier kon maken, dat je jezelf moest accepteren zoals je was. Degene die je in het verleden was, noch de voorstelling van degene die je in de toekomst kon zijn, telde nog.’

 

 

 

 

 

 

 

1213. ‘Misschien heb ik ook op die dag begrepen dat mijn korte, banale levensverhaal toen al vervlochten was met tal van andere verhalen, die een plaats hadden naast mijn eigen gedachten en herinneringen, die ik verzamelde en die me voedden. En dat de verhalen die ik Stasia altijd probeerde te ontlokken, geen sprookjes waren die me meevoerden naar een andere tijd, maar de concrete bodem vormden waarop ik leefde. Terwijl ik met ingehouden adem en van spanning gebalde vuisten voor de deur van Kostja’s werkkamer gehurkt zat, werd me duidelijk dat ik meer dan al het andere in het leven precies hetzelfde wilde als wat die blinde en toch zo vooruitziende vrouw op dat moment deed: bijeenbrengen wat uit elkaar is gevallen. Andermans herinneringen bijeenvoegen, die pas een samenhang vormen als uit veel afzonderlijke brokstukjes één geheel ontstaat. En wij, of we het weten of niet, dansen binnen dat totaalbeeld allemaal onze eigen dans volgens een geheime choreografie. (Ja, Brilka, je hebt gelijk: we dansen allemaal!)’

1708. ‘Wat volgde was onze eerste ruzie, waarbij me duidelijk werd dat Miro een dromer was voor wie de dromen belangrijker waren dan de verwezenlijking ervan, en ik daarentegen iemand voor wie de dromen ophielden op het moment dat je ze als droom in stand hield en overliet aan een onzekere verre toekomst of een onberekenbaar lot. Volkomen onverwachts gaf dat inzicht me voldoende kracht om mijn eigen twijfels opzij te zetten en te gaan schrijven. Ik overwon mijn remmingen, trok me terug in het Groene Huis en schreef een week lang als een bezetene. Ik wilde mijn, ons verhaal vertellen. Maar ik had nog geen begin en geen einde. Ik liet me leiden door de ongeordende zinnen en de onaffe personages. Ik probeerde mijn herinnering te scherpen, taferelen en gezichten te laten herleven. Ik wilde mezelf, maar vooral Miro bewijzen dat ‘dat het mogelijk was om te worden wie we wilden worden, langzaam, stap voor stap.’

946. ‘U moet uw eigen verhaal niet scheiden van de geschiedenis, u moet niet proberen u van uzelf te amputeren. Wat u ook met al die dingen doet, u moet het niet op die manier doen. (...)

Ik verbood mezelf over woorden na te denken die een betekenis konden hebben, een betekenis die verder ging dan de banaliteiten van het dagelijks leven, woorden die meer beschreven dan ik me wilde herinneren.

1003. ‘Want ik heb deze regels te danken aan een eeuw die iedereen heeft bedrogen en misleid, iedereen die hoop koesterde. Ik heb deze regels te danken aan een langdurig verraad, dat als een vloek op mijn familie rustte. Ik heb deze regels te danken aan mijn zus, die ik nooit heb kunnen vergeven dat ze die nacht zonder vleugels is weggevlogen, aan mijn grootvader, bij wie mijn zus zijn hart uit zijn lijf heeft gerukt, aan mijn overgrootmoeder, die op haar drieëntachtigste een pas de deux met me danste, aan mijn moeder, die God zocht … Ik heb deze regels te danken aan Miro, die me met liefde besmette als met een gif, ik heb deze regels te danken aan mijn vader, die ik nooit echt heb mogen leren kennen, ik heb deze regels te danken aan een chocoladefabrikant en een wit-rode eerste luitenant, aan een gevangeniscel, maar ook aan een operatietafel midden in een klaslokaal, aan een boek dat ik nooit had geschreven als jij niet in mijn leven was gekomen. Ik heb deze regels te danken aan oneindig veel vergoten tranen, ik heb deze regels te danken aan mezelf, omdat ik mijn vaderland verliet om mezelf te vinden en mezelf toch meer en meer verloor, maar ik heb deze regels vooral te danken aan jou, Brilka.

Ik heb ze te danken aan jou, omdat jij het achtste leven verdient. Omdat ze zeggen dat het getal acht voor de eeuwigheid staat, voor de terugkerende rivier. Ik schenk je mijn acht.

Wat ons verbindt is een eeuw. Een rode eeuw. Voor altijd en acht. De beurt is aan jou, Brilka. Ik heb jouw hart geadopteerd. Ik heb het mijne weggeslingerd. Neem mijn acht aan.’

Reacties graag naar mailadres.