Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Dupslog
Dupslog

Karl Schlögel, Terreur en droom, Moskou 1937

7 oktober 2019

Karl Schlögel, Terreur en droom, Moskou 1937

Uitgeverij Atlas 2011 

Een uitputtend onderzoek naar de terreur in de Sovjetunie en Moskou rond het jaar dat de twintigste verjaardag van de Oktoberrevolutie herdacht werd en het Politbureau van de KPSU vrije verkiezingen aankondigde, maar in paniek vooraf met de nodige zuiveringen de uitslag wou garanderen.

Een gruwelijk boek, door de willekeur, de domheid, de geslepen manoeuvres en de bloedige macht van zeer weinigen die hun land, leger en economie reeds onthoofden vóór Nazi-Duitsland de Tweede Wereldoorlog zou beginnen.

Een deradicaliseringshandboek voor alle rechtgelovigen in de ware leer van het socialisme als dictatuur van het proletariaat.

KARL SCHLÖGEL

Karl Schlögel (1948), hoogleraar Oost-Europese geschiedenis aan de Europese Universiteit in Frankfurt an der Oder, publiceerde al in 1984 een algemeen cultureel- politiek boek over Moskou in de 20ste eeuw: Moskau lesen. Schlögel scheef het vier jaar nadat hij een boek had gepubliceerd over de KPD/AO, de maoïstische splinterpartij in Duitsland waarin hij in de jaren zeventig actief was. Vervolgens publiceerde Schlögel een hele reeks boeken, veelal over Oost- en Middeneuropese steden. Over Sint-Petersburg publiceerde Schlögel Petersburg: Das Laboratorium der Moderne 1909-1921, (2002) en Sankt Petersburg. Schauplätze einer Stadtgeschichte (2007). Al slenterend gedane observaties, met een combinatie van lyriek en historisch gevoel opgeschreven, werden zijn handelsmerk. ‘Steden lezen’, noemt Schlögel dit. Naast Terreur en droom verscheen in het Nederlands eerder een verzameling van Schlögels essays onder die naam (Atlas, 2008).

Welk doel had de terreur?

„Ja, dat is de grote vraag. Mijn these is dat het te maken heeft met de vrije verkiezingen die de communistische partij aankondigde, nadat in 1936 een nieuwe Grondwet was aangenomen. Een paar maanden na de aankondiging kwamen de kopstukken van het Politburo tot het besef dat vrije verkiezingen wel eens helemaal verkeerd zouden kunnen uitpakken.

Politburolid Zjdanov stelde de vraag: wat moeten we doen als we de verkiezingen verliezen? Moeten we dan weer ondergronds, net als voor de Oktoberrevolutie? Dat laatste was onvoorstelbaar maar zeer wel mogelijk. In 1937 kwamen vele duizenden gevangenen uit de kampen vrij – koelakken hadden vaak vijf jaar werkkamp gekregen. En zij waren niet de enigen die bij vrije verkiezingen niet op de bolsjewieken zouden stemmen.

„Mijn idee is dat de leiding van communistische partij in paniek is geraakt en toen de operaties zijn begonnen tegen groepen waarvan ze dacht dat die niet op de communisten zouden stemmen: de koelakken, de priesters, de vele buitenlanders die hun toevlucht tot de Sovjet-Unie hadden genomen enzovoorts. Ik geloof dan ook niet dat de plannen voor de massamoorden al in 1935 of 1936 zijn gemaakt. Ze zijn heel snel in 1937 tot stand gekomen. Maar het bewijs hiervan vergt nog nader onderzoek.”

Maar waarom wilden de bolsjewieken vrije verkiezingen? Volgens marxisten zijn dat toch kapitalistische schijnvertoningen?

„Ik geloof niet dat de communisten de verkiezingen oorspronkelijk alleen als façade wilden, als een Potemkindorp. Stalin en de andere communistische kopstukken geloofden werkelijk dat na de gedwongen collectivisatie van de landbouw en de industrialisatie in de jaren dertig, de fase van de klassenloze maatschappij was aangebroken. Koelakken kregen hun burgerrechten weer terug. Vrije verkiezingen moesten het bewind legitimeren. En rust brengen. Daar had het land grote behoefte aan. De collectivisatie had het hele land overhoop gehaald. Er vond een razendsnelle urbanisatie plaats, alleen te vergelijken met wat nu in China en derdewereldlanden gebeurt. Moskou werd in 1937 overspoeld door plattelanders van heinde en verre.”


18. En toch werd aan de historische catastrofe en de menselijke tragedies in de Sovjet-Unie van de jaren dertig nooit die aandacht en belangstelling ge­ schonken die je zou mogen verwachten van een publiek dat blootgesteld was geweest aan de verschrikkingen van de nationaalsocialistische misdaden. Er heerste een opvallende asymmetrie. Een wereld die zich de namen van Dachau, Buchenwald en Auschwitz had ingeprent, had het moeilijk met na­ men als Vorkoeta, Kolyma of Magadan. Men had Primo Levi gelezen, maar niets van Varlam Sjalamov. Zo stierven de slachtoffers van Stalin voor de tweede keer, ditmaal in het geheugen. Ze verdwenen in de schaduw van de ongekende misdaden van de nazi’s, ze werden onzichtbaar achter de on­ voorstelbaar grote aantallen slachtoffers van de Grote Vaderlandse Oorlog. Ze werden over het hoofd gezien in de ideologische afrekening van de Kou­ de Oorlog, waarin iets niet waar kon zijn als de bijval van de verkeerde kant kwam, en waar de na 1945 snel bereikte anti-totalitaire consensus tegen het communisme maar al te vaak verdoezelde dat de opheldering van het eigen totalitaire verleden niet veel voorstelde. De slachtoffers van die andere beschavingsbreuk verdwenen definitief achter de muur van zwijgen die de de­ling van Europa voor een halve eeuw had opgericht. Zo ontstond er, zodra het om de slachtoffers van Stalins dictatuur ging, een merkwaardige, door reflecties en rationaliseringen gecultiveerde desinteresse en onverschilligheid.

22. Maar terwijl vroeger alle aandacht uitging naar de Moskouse showprocessen tegen de prominente leiders die tot de ‘oude garde* behoorden, staat sinds de publicatie van de documenten over de zogenoem­de ‘massaoperaties’ van de jaren 1937 en 1938 vast dat de Grote Terreur zich in de eerste plaats richtte tegen eenvoudige mensen die geen lid van de partij waren en die volgens sociale en etnische criteria werden geselecteerd en sys­tematisch omgebracht.

30. Tijdens het schrijven van dit boek is me ook duidelijk geworden hoe weinig we tot nog toe weten over de organisatie van de sovjetruimte in de Stalin-tijd, die je moet kennen om überhaupt over ‘totale macht’ te kunnen spreken – dat wil zeggen de bestudering van infrastructuur, verkeer, spoorwe­gen, communicatie. Het gaat feitelijk om de ‘analytische matrix’, waarin ook de politieke processen pas zinvol kunnen worden ingevuld. Het gaat daarbij om de voorstelling van tijd en ruimte in een imperium dat oneindig groot, oneindig heterogeen en verdeeld is en met een bevolking die oneindig ver af­ staat van de macht en de politiek; waarin alle vaste structuren in de loop van een nu al twee decennia durende, ingrijpende omwenteling waren verdwenen en waar de migratie – Russia in flux – elke consolidering al in de kiem leek te smoren. Wie naar deze heel eigen matrix kijkt, merkt al snel hoe ongegrond de vergelijkingen met het nationaalsocialisme zijn – waarvan hier dan ook expliciet afstand wordt genomen. Er zouden nog meer lacunes – voids – genoemd moeten worden, waarvoor nog geen denkmodellen en uitdruk­kingsvormen beschikbaar zijn: hoe zou je ‘angst’ als constitutief voor de ge­schiedenis kunnen inbrengen in de geschiedschrijving van die jaren? Hoe zou je totale uitputting kunnen vastleggen en uitdrukken als een basale levenser­varing van een oneindig zwaar dagelijks leven, zonder welke de handhaving van macht niet te begrijpen is? Wat zou een onderzoek van de non-plaatsen in die jaren (de stations, de zwarte markten, de rijen wachtenden, de barakken en tehuizen) voor preciezer beeld opleveren, en wat weten we over de typische vorm van lichamelijk geweld? Het is verontrustend hoe weinig we tot op he­ den weten over het hogere en vooral het bestuurlijke middenkader – praktisch alle mensen lijken van het toneel geveegd.Daarmee wil ik wijzen op het voorlopige, het fragmentarische, het eerder openende dan afsluitende karakter van deze studie.

113. Feuchtwanger wijst op het verschil tussen beeld en daadwerkelijke ver­schijning: ‘Op foto’s maakt Stalin een grote, brede en rijzige indruk. In wer­kelijkheid is hij eerder klein, tenger; toen ik hem zag in de grote ruimte van het Kremlin, leek hij daarin welhaast te verdwijnen. Stalin praat langzaam, met een zachte, enigszins afgeknepen stem. Hij houdt niet van dialogen met korte en levendige vragen, antwoorden, terloopse opmerkingen, maar geeft er de voorkeur aan langzame, weloverwogen zinnen aaneen te rijgen. Hij praat alsof het gedrukt moet worden, soms alsof hij dicteert.

Onder het praten loopt hij graag op en neer om vervolgens plotseling op je af te komen, een vinger van zijn fraai gevormde hand naar je uitgestrekt, wijzend, docerend. Of hij tekent, terwijl hij zijn bedachtzame zinnen voort­ zet, met een blauw en een rood potlood arabesken en figuren op een blad papier.

156. Hoe de wanhopige verklaringen van de in doodsgevaar werkende statisti­ci en demografen er ook uitzagen, ze konden de bij de fantastische groeiprojecties van de leiding achterblijvende bevolkingsaanwas, en al helemaal de afname, niet verhullen. Bijzonder hoog was de kindersterfte; het sterftecijfer onder mannen, uit wier gelederen het grootste gedeelte van de gedeporteerden, speciale kolonisten en kampbewoners afkomstig waren, lag eveneens zeer hoog; en daarbij kwamen nog de door de catastrofale situatie veroor­zaakte lagere geboortecijfers. Meer dan veertig miljoen mensen waren door de hongersnood getroffen. ‘In 1933 was er in het hele land een teveel van meer dan zes miljoen doden. Aangezien het allergrootste gedeelte van dit te­ veel aan de hongersnood kan worden toegeschreven, kan men er met recht van uitgaan dat deze tragedie ongeveer zes miljoen slachtoffers heeft geëist. De Oekraïense boeren betaalden met vier miljoen doden de hoogste prijs. In Kazachstan één miljoen doden; daar waren vooral de nomaden het slachtof­fer, die men met de collectivisatie van al hun vee had beroofd en tot een se­dentair bestaan had gedwongen. In de noordelijke Kaukasus en in de gebie­den rond de Zwarte Zee waren er één miljoen doden.’

Ook al heeft de volkstelling van 1937 het niet over deportaties, terechtgestelden en slachtoffers van de hongersnood, toch maken de door diezelfde volkstelling geregistreerde en gecompileerde gegevens de werkelijke om­ vang van de catastrofe zichtbaar. De ontbrekende miljoenen komen tame­lijk precies overeen met de verliezen die het gevolg waren van de gestegen mortaliteit tijdens de collectivisatie en de daardoor veroorzaakte hongers­nood.

305. Stalinisme is jeugd plus sovjetmacht, autoritaire macht plus de schoonheid van het atletische lichaam. 

386. Niets was zo eenvoudig als ‘trotskistische saboteurs’ de instorting van de verzorging, de rijen wachtenden, de excessen van verkeerde planningen en het ontvreemden van staatseigendom in de schoenen te schuiven. De van haat vervulde energie van het jaar 1937 gutste uit de poriën van een onder de dagelijkse stress bijna haar verstand en haar zelfbeheersing verliezende bevolking.

Uitzichtloos: een volk van speculanten

In feite was het echter een totaal uitzichtloze strijd, en de leiding van het land werd gegijzeld door haar eigen politiek: hoe rigoureuzer ze de rijkdommen van het land onteigende en inpikte, hoe meer ze was aangewezen op de elementaire prestaties van de spontaan zich organiserende overlevings- en subsistentie-economie, die zich ontplooide in ruil in natura of in de regionale of lokale bazaar, respectievelijk op de zwarte markt. Zonder de zwarte markt had de hele planeconomie nog geen dag overleefd: transacties in natura tussen fabrieken en kombinaten, particuliere ondernemingen vermomd als een coöperatieve vereniging of een coöperatie, kleine handwerkers georganiseerd in arbeidsbrigades, een zwarte economie waarbij het niet duidelijk was of ze profiteerde van het oneigenlijke gebruik van staatseigendom of dat staatsondernemingen zich verzekerden van het productiever mogen van de particuliere initiatieven. Illegale ondernemingen floreerden juist daar waar de gecentraliseerde economie gaten had geslagen en knel punten had veroorzaakt. ‘Tegen het einde van de rantsoenering waren vlooienmarkten en markten voor tweedehands goederen imitaties van de

grote warenhuizen geworden. Goederen “stroomden” uit de socialistische sector naar de zwarte markt, waar het doorverkopen van de waren hoge winsten garandeerde.

420. En wij zullen die vijanden allemaal uitroeien, ook al is de vijand een oude bolsjewiek, we zullen zijn clan, zijn familie compleet verdelgen. Iedereen die met zijn daden en in gedachten een aanslag pleegt op de eenheid van de socialistische staat, zullen we meedogenloos vernietigen. Op de vernietiging van alle vijanden, van henzelf en hun clan – tot aan het einde toe! (Instemmende uitroepen: Op de grote Stallin!)

460. Het is een gruwelijke paradox dat de in de Sovjet unie verblijvende West-Europese communisten stierven, terwijl de meesten van hen die in 1937-1938 in de kerkers van hun geboorteland zaten, in leven bleven. Ontzet en verbijsterd volgde men in de landen van herkomst het verdwijnen van de leidinggevende kameraden in de Moskouse balling schap. 

569. Eerder nog nergens vertoond was de moord op een groep van 830 invaliden; volgens enkele bronnen waren het er zelfs 1160. In de ten gevolge van de massaoperaties overvolle Moskouse gevangenissen vormden volgens de verantwoordelijken ‘de invaliden een ernstig obstakel bij het onderbrengen van de nieuwe gevangenen in voorarrest’. Leonid Zakovski, hoofd van het  Moskouse regiobestuur van de nkvd, besloot in februari 1938 de reeds tot kampstraffen veroordeelden uit de Moskouse gevangenissen te verwijderen. De reden voor hun executie in Boetovo was enkel hun invaliditeit en arbeidsongeschiktheid. Onder de invaliden bevonden zich doven, blinden, mensen van wie een been was geamputeerd, mensen met een hartkwaal of tuberculose en velen die in de Moskouse gevangenissen ‘waren blijven han­ gen’ en daar pas ziek waren geworden.

Ook al zullen we nooit de namen en gegevens te weten komen van al de­ genen die tussen 8 augustus 1937 en 19 oktober 1938 zijn omgebracht – de da­ders hebben bewust sporen uitgewist, bewijsstukken, kaartregisters enzo­ voort vernietigd – toch geeft de beschikbare informatie niet alleen een idee van de numerieke omvang van de misdaden, maar ook van de specifieke manier van doden en van de doelgroepen. De massagraven laten zich als het ware lezen als een sociologie van de Grote Terreur. Wat valt daaruit op te maken?

Vertegenwoordigers van werkelijk alle lagen en groepen van de sovjetsamenleving, maar ook van buitenlandse burgers en statelozen, waren in de massagraven te vinden: adellijken en proletariërs, boeren en leden van de intelligentsia, kinderen en bejaarden, communisten uit de heersende lagen en totaal apolitieke mensen, analfabeten en geleerden, Chinezen en Joden, orthodoxen en atheïsten, Letten en Russen, steunpilaren van de sovjetmacht en ongevaarlijke maatschappelijke outsiders. Voor Moskou is (gebaseerd op de evaluatie van 3067 biografieën van in Boetovo terechtgestelden) voor het jaar 1937-1938 van de afzonderlijke groepen het volgende aandeel in het aan­ tal slachtoffers berekend.

De grootste groep slachtoffers wordt gevormd door arbeiders en andere werknemers; samen met de boeren vormen zij ongeveer twee derde van het totaal. Dat het aantal boerenslachtoffers niet hoger is en sterk afwijkt van het landelijk gemiddelde, heeft ongetwijfeld te maken met de hoofdstad en de concentratie van politieke en administratieve organen aldaar.

Opvallend is de grote groep slachtoffers uit de gelederen van de ortho­doxe geestelijkheid – priesters en nonnen -, maar ook van andere geloofsge­ meenschappen.

Opvallend is bovendien het buitengewoon grote aandeel van nationale groepen, vooral Polen, Letten en Duitsers. Samen met het hoge percentage buitenlanders onder de vermoorde communisten (tot wel 80 procent) wijst dit op een ‘nationale’ oriëntatie van de vernietigingsrazernij.

Een andere vastomlijnde doelgroep van het geweld waren leden van de oude elite en van niet-bolsjewistische partijen en groeperingen.

Nog een andere grote groep slachtoffers werd gevormd door de gevangenen van Dmitlag, die het Moskva-Wolgakanaal hadden gebouwd en na af­ loop van de bouwwerkzaamheden domweg werden omgebracht omdat men ze niet wilde vrijlaten.

Datzelfde geldt voor de groep van bijna zesduizend ‘asocialen’ en invali­ den, die werden geliquideerd om plaats te maken in de Moskouse gevange­ nissen.

Wat er in Boetovo gebeurde, kan evenwel niet als een losstaand feit wor­ den bekeken. Wat zich afspeelde aan de rand van Moskou, hield het hele land in zijn greep. Zowel de algemeenheid en schijnbare doelloosheid van de vernietigingsorkaan alsook het tegelijkertijd waarneembare bestaan van be­ paalde ‘risicogroepen’, maar ook het tijdstip van de executies (het plotselin­ge begin evenals het abrupte einde) bewijzen ondubbelzinnig dat het om een geplande en gestuurde actie ging.

608. Het showproces: oefeningen in dialectiek

Als je het showproces niet met een reguliere rechtszaak vergelijkt, maar het beschouwt als een vanaf het begin geplande, geheel in scène gezette dramati­sche handeling met als doel het in een kwaad daglicht stellen en dehumaniseren van de politieke tegenstander, die dient te worden overgeleverd aan openbare lynchmoord, dan concentreert de analyse zich op de effecten van de enscenering, de retorische patronen van ophitsing, op de kunst hoe haat, wrok en bereidheid tot geweldpleging gemobiliseerd kunnen worden. Het recept hiervoor is eenvoudig: al het kwaad van de wereld, alle angsten en ge­varen waaraan een samenleving is blootgesteld, op te roepen en naar een en­kel punt te leiden.

Reacties graag naar mailadres.